Archive for March, 2007
De vernieuwing als stijlkenmerk
Vriezen noemde mij laatst de dichter wiens observaties juister zijn dan de werkelijkheid. Een mooi compliment, maar het zette me weer aan het denken over die werkelijkheid, wat wij als zodanig ervaren. Als vroege tiener was ik altijd op zoek naar manieren om van die werkelijkheid te ontsnappen. Poezie was daar een van - maar lang niet de enige methodiek die ik bezigde: punk, magie, science-fiction, hogere wis en natuurkunde; ik heb zowat alle wegen geprobeerd die geschikt leken om de realiteit als zodanig ofwel te ontvluchten ofwel te wijzigen. Je hebt dan altijd mensen die later in een soort roes van berouw laatdunkend doen over de interesses die ze als tiener hadden, maar ik ben daar gelukkig niet een van. Ik vind dat onzin.
Ik leef nog immer in het magische universum dat ik als tiener ontdekt heb. Een universum waarin alles wat gebeurt min of meer aan jezelf te verwijten valt. Ik beoefen nog steeds meditatie en yoga, probeer mijn muzieksmaak te ontwikkelen (als ik ergens een hekel aan heb is het wel mensen die hun hele leven alleen naar de muziek luisteren die ze als tieners goed vonden) en blijf experimenteren met allerlei technieken, hoewel ik weet dat op poetisch vlak mijn poezie niet direct het meest experimenteel is. Maar ik denk dat je je daarop ook kunt verkijken - een experimentele levenshouding is wellicht belangrijker dan het experiment als stijlmiddel.
Of wat zeg ik nu: laat dat ‘wellicht’ maar gewoon weg. Het is zeker veel belangrijker dan een stijlmiddel - dat is het grote mankement van de zogenaamde papieren avantgarde: hij bestaat eigenlijk uit mensen die alleen experimenteren op papier en voor de rest een doodnormaal leventje leiden. Is dat bezwaarlijk? Voor de kunst of poezie zelf natuurlijk niet, hoewel ik wel geloof dat die ‘normaalheid’ altijd doorsijpelt in het werk zelf. Een politiek manifest van een salonsocialist is wellicht goed geschreven, maar meestal niet noodzakelijkerwijs geloofwaardig als ding-an-sich.
Het manierisme is wezenlijk geen avantgardistisch verschijnsel, dus het ‘experiment’ als stijlmiddel is een dood leven beschoren. Vraag is alleen wie nu eigenlijk de experimentelen zijn: wat is het verschil tussen Hans Vlek en Van Bastelaere? De een heeft een duidelijk experimentele levenshouding en conventioneler werk, de ander juist andersom. Toch denk ik dat de poezie van Vlek wezenlijk bezien veel experimenteler is omdat hij gestoeld is op het leven van de auteur en niet op een stijlmiddel of maniertje. Iemand die er vroeger naar verluidt ‘op ramde’ als je een andere ‘poetica’ als hem bezigde; dat zie ik liever dan alweer een schools opstel van een of andere salonintellectueel.
Anderzijds is Vlek natuurlijk wel behoorlijk naief aangaande zijn spirituele, warrige zoektocht naar zichzelf. Experimenteel is eigenlijk ook maar een vies woord. Er moet toch een beter woord te verzinnen zijn voor het soort poezie dat me voor ogen staat. Radicaal? Nee, dat dekt de lading ook niet. Hoe noem je poezie dus die het gevolg is van een experimentele levenshouding i.p.v. een experimenteel maniertje? Dus geen huismannen die op de meest originele, sprankelende wijze met taal spelen tussen de thee en afwas door maar woorden van mensen die bewust de grenzen van het bestaan of het bewustzijn zelf opzoeken. Dichternauten? Dat woord heeft wel wat. Geeft meteen ook een wezenlijke grens aan: Rimbaud en Baudelaire waren bijvoorbeeld dichternauten, maar Shelley en Keats bijvoorbeeld weer niet. Blake weer wel, etc.
Wie zijn in Nederland dan eigenlijk dichternaut? Niet zoveel mensen, waarschijnlijk. Poezie is in Nederland meer een tweederangs intellectueel spelletje dat schrijvers tussen drie boeken door even spelen en daarna bij hun uitgevers dumpen om ook even te laten zien dat ze universeel getalenteerd zijn. Poezie als levenstijl betekent in Nederland niet dat je de grenzen van jezelf opzoekt maar dat je een boek vol schrijft over je dagelijkse beslommeringen of over je fobie voor lange teennagels. De echte dichternaut is in het hollandse landschap zowiso een kort leven beschoren: in een land waar twee of drie echte critici te vinden zijn tiert het onkruid welig - en nee, ik ga hier niet nog eens een pleidooi plaatsen voor het subsidieren van de poeziekritiek.
Ik weet wel wat jullie nu denken: wat een hopeloos gedateerde romantiek allemaal. Er zijn helemaal geen dichternauten, Benders zit zich gewoon stierlijk te vervelen daar op dat eiland. Maar hoewel het woord als zodanig inderdaad wat wollig aandoet, vind ik de stelling als zodanig zeker wel raak. Een goed gedicht is naar mijn mening per definitie experimenteel, radicaal, vernieuwend of raak. De literaire kritiek doet echter al sinds de zestiger jaren pogingen de ‘vernieuwing’ te institutionaliseren, door deze te koppelen aan bepaalde stijlkenmerken. Wat voor alternatief heb ik dan aan te dragen, poezie als levenswijze? Dat interpreteert eenieder weer anders - voor de meeste mensen betekent dat hun hele leven tussen dichtbundels slijten, maar dat is nu juist precies wat ik niet bedoel.
Wat heeft poezie wezenlijk gemeen met mijn andere tienerinteresses: magie, science fiction, hogere wis- en natuurkunde en punk? Om met die laatste te beginnen, de punk was, mits serieus genomen, een van de meest zuivere vormen van de ‘do it yourself’ ideologie; het idee dat je zelf je leven in eigen hand moet nemen, een anti-consumeer houding. Zelf je eigen werkelijkheid scheppen omdat de bestaande werkelijkheid niet voldoet.
Diezelfde definitie gaat ook op voor de Magie, hoewel deze zich meer richt op het bewustzijn zelf en niet zozeer op de sociaal/politieke identiteit. Mensen als Gurdjieff, Castaneda en Crowley zijn de ‘do it yourself’ ideologen van de spirituele wereld, die mentale technieken leren om jezelf te ‘verlossen’ ipv afhankelijk te zijn van kerken of workshops. Science fiction: het scheppen van alternatieve werelden en deze zo geloofwaardig mogelijk maken voor de lezer. Hogere wis-en natuurkunde: wetmatigheden die bewijzen dat de wereld op andere levels heel anders functioneert dan deze. Kortom, er loopt een dikke rode lijn door al deze zaken, zij hebben allen te maken met het scheppen van een eigen werkelijkheid.
Nu is de hamvraag: kun je bij het scheppen van een eigen werkelijkheid ‘vernieuwend’ bezig zijn? Dat lijkt mij namelijk niet. Dat is namelijk dubbelop: ofwel het lukt je een eigen werkelijkheid te scheppen, ofwel je schept iets dat deel uitmaakt van de bestaande werkelijkheid en niet ‘eigen’ genoeg genoemd kan worden. De ‘vernieuwings’ ideologie heeft echter een ander uitgangspunt: zij koppelt iets als een stijlkenmerk aan die eigenheid, wat naar mijn mening een fout uitgangspunt is, omdat dat stijlkenmerk juist deel uitmaakt van diezelfde bestaande werkelijkheid. Kortom, om het even wat bondiger samen te vatten: de pretentie van vernieuwing is feitelijk bezien het ergste soort conservatisme. Het is een beetje als de ‘democratie’ (moeilijk dat woord tegenwoordig nog zonder aanhalingstekens te gebruiken) - een systeem dat alleen zichzelf tolereert.
Twee film reviews
Niet helemaal legale DVD’s kun je in Istanboel op elke hoek van de straat kopen, dus Benders is goed bij wat nieuwe films betreft. Dat is ook lang niet allemaal Hollywood rommel wat hier te koop is - ik heb bijvoorbeeld nu ook al de volledige filmcollectie van Jan Svankmajer in huis. Mensen die zijn films niet kennen: kopen. De beste vind ik ‘Faust’ en ‘Conspirators of pleasure’ - geniale stop motion films, soort Charms op celluloid.
Deze week heb ik twee films gezien: ‘300’ en ‘Hard Candy’
‘300’ is een tweeenhalf uur durende slapstick cartoon voor mensen die van afgehakte koppen in 3D houden. De film valt op geen enkel moment serieus te nemen. Is dan ook geeent op een cartoonreeks van Frank Miller, maar waar ‘Sin City’ nog aardig te pruimen was is het verhaal in ‘300’ zo irritant slap dat ik de film halverwege heb afgezet. Ik speel liever Doom op de computer, dan hak ik tenminste zelf en is er geen script dat door George Bush zelf is geschreven. De visuals van de film zijn wel aardig, ja, maar ook schromelijk overdreven. De 8,2 die de film op IMDB krijgt is een goed voorbeeld van de onmogelijkheid een democratisch systeem te hebben waar rommel niet komt bovendrijven.
‘Hard Candy’ is meer een arthouse film. Niet helemaal goed, maar tenminste wel enigszins spannend, hoewel de regisseur wel een paar steken laat vallen. Zo heb ik de twist van de film ruim van te voren aan zien komen. De film deed me denken aan de turkse film ‘Mustafa hakkinda hersey’ maar die vond ik eigenlijk qua verhaal een stuk leuker en beter. In beide films worden mensen binnen een huis gegijzeld gehouden. In ‘Hard Candy’ gijzelt een 14-jarig meisje een kinderlokker waarna (iets te hollywood weer) ze live zijn ballen voor de buis verwijderd. Hou je meer van een echte thriller dan is ‘Mustafa’ een stuk beter, hoewel de film in Turkije wat lauwe reacties oproept vond ik hem zelf eigenlijk erg goed.
Inconsequenties
Grappige inconsequenties die functioneren als moppen in de poeziewereld:
Gerbrandy die Husgen een charlatan noemt.
Ingmar Heytze die poezie entertainment vindt maar zichzelf niet.
Adriaan Krabbendam die zich op een ander log dan Contrabas beklaagt over censuur.
De Groot die Droog een ‘droogstoppel’ noemt.
Een idee om hier een boek van vol te verzamelen, of is dit typische insidershumor?
Reistijden in Istanboel
Een dingen waar je in Istanboel aan moet wennen zijn de reistijden. Het duurt ongeveer 3 uur om van de ene kant naar de andere kant van de stad te komen, en als wij van het eiland naar vildan’s ouders gaan die in Florya wonen zijn we ongeveer 5 uur onderweg. Even op en neer naar Groningen, dus eigenlijk. Dat klinkt alsof het niet meevalt om hier te leven, maar niets is minder waar. De reizen naar verschillende delen van Istanboel zijn namelijk bijzonder onderhoudend. We reizen altijd per ‘Vapur’ en dan heb je 2 soorten veerboten: een oude variant die traag is maar zeer pittoresk, en een moderne snelle variant die er een beetje als een hovercraft uitziet. Met de snelle variant sta je vanaf het eiland hier in een 3 kwartier in het centrum, maar wij nemen deze boot alleen bij hoge uitzondering, juist omdat de trage, klassieke veerboot zo’n ongelofelijk relaxte ervaring is.
Je drinkt een paar kopjes turkse thee en leunt over de railing en ziet istanboel en de andere prinsessen eilanden langzaam voorbij glijden. Met deze boot duurt de reis naar het centrum ruim anderhalf uur maar in tegenstelling tot mijn verwachting in het begin wordt hiermee reizen eigenlijk nooit saai. Dit is omdat het reizen geen enkele inspanning vergt - in de zomer is het zelfs geregeld zo dat het hele dek begint te zingen, of dat een vriend een fles wijn opentrekt. Ik snap niets van de mensen die in Istanboel per auto reizen: dat is inderdaad een zeer frustrerende ervaring waarvoor je bovendien nog eens de behendigheid van een bergaap op steroiden nodig hebt. Maar goed, je hebt natuurlijk altijd mensen die graag in hun eigen ellende wentelen…
Benders daagt podiumdichters uit
Zoals iedereen onderhand wel weet menen podiumdichters dat de vertolking van een gedicht op een podium een kwaliteit op zichzelf is. Iets waar ik het overigens niet perse mee oneens ben. De vraag is echter: kun je een gedicht dat op papier reteslecht is door een zeer goede audioperformance toch tot een goed gedicht maken?
Philip Hoorne publiceerde bijvoorbeeld een op papier (of scherm) afschuwelijk gedicht.
Ik schrijf hierbij een prijsvraag uit: eenieder die mij een audio opname van dit gedicht kan sturen welk dit afgrijselijke gedicht tot iets maakt dat, nou ja, in ieder geval goed klinkt wint een gratis reis naar Istanbul.
Eindelijk valt er voor podiumdichters ook eens eer te behalen! U kunt uw bijdrage als mp3 sturen naar m.benders@gmail.com
Denvis liegt dat het barst
Dit is nu al de tweede keer dat ik The Denvis publiekelijk zie beweren dat wij samen opgegroeid zijn. Niets is echter minder waar. Deze geslaagde rocker op zijn retour probeert natuurlijk een graantje mee te pikken van mijn succes. Ik begrijp dat wel, maar wil toch even zeggen dat het zeer zeker onjuist is te beweren dat wij samen opgegroeid zijn. Ik zat op de stoere katholieke basisschool Den Boogerd in Mierlo, terwijl Denvis op het pretentieuze openbare schooltje ‘T Schrijverke zat. Den Boogerd en ‘T Schrijverke waren elkaars uitersten – toen wij in de vijfde klas zaten zaten we al katholiek aan de meisjes te friemelen en zat The Denvis nog met zijn vingers in de zandbak. Wij vraten bij Friettent het Heuveltje terwijl die ‘openbaren’ altijd naar friettent ‘t Huuske gingen. Een plastic kot dat niet eens een gokkast of pacman consule binnen had staan. Het is dan ook geen wonder dat Denvis later, toen ik hem als tiener voor het eerst ontmoette, totaal geen verstand van computers bleek te hebben. Ik, met Pacman en Donkey Kong opgegroeid, had met die pixels geen enkele moeite. Ik heb Dennis dan ook voor het eerst ontmoet op het Strabrecht College in Geldrop. Ik was inmiddels al een stoere punkert en Denvis was, geheel in traditie van ‘t Schrijverke, een langharige hardrocker met krullen geworden. Dennis kwam van de Mavo naar het Strabrecht toe en probeerde zich meteen bij de stoerste punkert in te lijmen samen met zijn maat Richard, die woonde ook in Mierlo en die klierden wij altijd omdat hij dan altijd met zijn luchtbuks naar buiten kwam en begon te schieten.
Later is het toch nog goedgekomen tussen mij en The Denvis en heb ik uit medelijden met de jongen en zijn in de friettent opgelopen digitafobie nog wat films en webpagina’s voor hem gemaakt. Moraal van het verhaal is dat iets eenvoudigs als een schoolkeuze een enorme invloed op het leven van je kind kan hebben. Nu the Denvis zelf papa is geworden kan hij dat goed in zijn oren knopen.
Ik en mijn schoonbroer
Dit weekeinde gaat mijn schoonbroer trouwen en aangezien dat in Turkije een hele belevenis is ben ik een paar dagen uit de roulatie.
Twee foto’s: Ayhan zelf, bij mij thuis genomen en een foto waarop ik en mijn schoonbroer gezamenlijk poseren.
Wellicht post ik na het weekeinde meer foto’s…


De vooruitgang staat nergens voor
In een tijd waarin politiek martelen er weer vrolijk bijhoort, waarin verdachtes als sneeuw voor de zon verdwijnen en Oost Europa een centje bijverdient door wat Gulags speciaal voor Uncle Sam te draaien is het niet verwonderlijk een nieuwsbericht te lezen waaruit blijkt dat ook de electroshock therapie weer een frisse nieuwe kijk op het leven biedt voor veel jonge mensen.
Ik vraag me toch wel geregeld af hoe het eigenlijk moet zijn om nu in je tienertijd te zitten. Depressief worden is er ook al niet meer bij, behalve als je een paar duizend volt door je hersenpan wilt in strafkamp Meerkanten, alwaar deze eeuwenoude beproefde methode weer in het leven is geroepen, geinspireerd door Dr Frankenstein zelf. Het zijn spannende tijden.
(Over Frankenstein gesproken: het logo van de Meerkanten is een zwaaiende Frankestein met gekrompen hoofd, schijnbaar getekend door een net behandeld patient: een uitstekend voorbeeld dus van doeltreffend logodesign, zie hun website)
Ik maak er al een tijd lang een sport van om het volgende dieptepunt in menselijke waardigheid, op weg naar 1994, te voorspellen. Mijn kaartenbak raakt echter in razend tempo leeg. Depressief worden wij daar niet van, want het is en blijft een klein planeetje en er moet zo nodig poezie geschreven worden want met liefde alleen lukt het allemaal niet altijd. Maar mocht ik ooit nog depressief worden dan weet ik het stopcontact te vinden. De vooruitgang staat nergens voor.
Pijproker zoekt commissie
Piet Gerbrandy kan gerust met pensioen. Tot die conclusie ben ik vandaag gekomen nadat ik de nieuwe bijdrage van Rutger Cornet de Groot aan de Nederlandse literatuurkritiek heb doorworsteld. In een ronkend essay van liefst 3000 woorden doet ‘De Cornet’ uit de voeten wat hem het meest na aan het hart ligt, welzeggend ‘heren en hun boeken die zich om zo te zeggen chiastisch tot elkaar verhouden’. Komt daar dezelfde ‘erotiek’ weer bovendrijven die ‘De Cornet’ eerder al in Heytze’s brandkastgedicht ontwaarde? Nee, ditmaal pure bewondering, zoals uit het vervolg blijkt: ‘waar de man van wetenschap op het onpoëtische karakter van het huidige veld wijst, daar trakteert een van de voornaamste exponenten van dat veld ons op een dikke verzameling van de meest actuele poëzie.’
Daar kunnen we het mee doen. Chretien Breukers is een van de voornaamste exponenten van het Nederlandse Poezieveld. Weer een intellectuele mijlpaal uit de gevreesde pen van wannabe commissiecriticus De Groot, maar een paar duizend woorden later wordt het allemaal nog bonter: ‘Het is Breukers’ verdienste dat hij het geduld waartoe hij oproept nÃet heeft willen opbrengen voor deze poëzie, die van het internet in het bijzonder, om ons te trakteren op het grootste en meest complete overzicht van de poëzie in deze onzekere tijden, - al is het duidelijk dat deze poëzie voor hemzelf een baken is tegen de moderniteit die ze uitdrukt.’
Het is dus Breukers verdienste dat hij het geduld waartoe hij oproept niet heeft willen opbrengen voor zijn eigen bloemlezing. Een bloemlezing die overigens, vindt de Cornet, zelfs ‘ongepubliceerde dichters canoniseert’
Toe maar. Zou die canon zich dan vervolgens weer chiastisch tot mannen en hun boeken verhouden, of is er weer iets erotischers aan de hand? Is het langdradige gebeuzel van een commissiezoekende, pijprokende salonintellectueel literatuurkritiek? Nee, daarvoor is het nog lang niet wollig genoeg. Buiten enkele ‘chaistische parels’ bestaat de rest van het essay vooral uit voor de hand liggende opsommigen en schoolboekjes retoriek. Goed genoeg voor de Contrabas, maar in een echte literatuurcommissie moet je iets sparrender uit de hoek kunnen komen, de Groot.
In een verweer op de Contrabas beweert De Groot vervolgens dat hij best dure woordjes als ‘chiastisch’ mag gebruiken. Maar natuurlijk, De Groot, alleen het probleem is: je gebruikt het op totaal incorrecte wijze. Mannen die zich kruiselings met hun boeken verhouden? Ik zie hier geen gat in, maar wellicht ben ik gewoon
niet erotisch onderbouwd genoeg om zulke dure woordjes multidimensionaal op te vatten…
