Pijproker zoekt commissie
Piet Gerbrandy kan gerust met pensioen. Tot die conclusie ben ik vandaag gekomen nadat ik de nieuwe bijdrage van Rutger Cornet de Groot aan de Nederlandse literatuurkritiek heb doorworsteld. In een ronkend essay van liefst 3000 woorden doet ‘De Cornet’ uit de voeten wat hem het meest na aan het hart ligt, welzeggend ‘heren en hun boeken die zich om zo te zeggen chiastisch tot elkaar verhouden’. Komt daar dezelfde ‘erotiek’ weer bovendrijven die ‘De Cornet’ eerder al in Heytze’s brandkastgedicht ontwaarde? Nee, ditmaal pure bewondering, zoals uit het vervolg blijkt: ‘waar de man van wetenschap op het onpoëtische karakter van het huidige veld wijst, daar trakteert een van de voornaamste exponenten van dat veld ons op een dikke verzameling van de meest actuele poëzie.’
Daar kunnen we het mee doen. Chretien Breukers is een van de voornaamste exponenten van het Nederlandse Poezieveld. Weer een intellectuele mijlpaal uit de gevreesde pen van wannabe commissiecriticus De Groot, maar een paar duizend woorden later wordt het allemaal nog bonter: ‘Het is Breukers’ verdienste dat hij het geduld waartoe hij oproept nÃet heeft willen opbrengen voor deze poëzie, die van het internet in het bijzonder, om ons te trakteren op het grootste en meest complete overzicht van de poëzie in deze onzekere tijden, - al is het duidelijk dat deze poëzie voor hemzelf een baken is tegen de moderniteit die ze uitdrukt.’
Het is dus Breukers verdienste dat hij het geduld waartoe hij oproept niet heeft willen opbrengen voor zijn eigen bloemlezing. Een bloemlezing die overigens, vindt de Cornet, zelfs ‘ongepubliceerde dichters canoniseert’
Toe maar. Zou die canon zich dan vervolgens weer chiastisch tot mannen en hun boeken verhouden, of is er weer iets erotischers aan de hand? Is het langdradige gebeuzel van een commissiezoekende, pijprokende salonintellectueel literatuurkritiek? Nee, daarvoor is het nog lang niet wollig genoeg. Buiten enkele ‘chaistische parels’ bestaat de rest van het essay vooral uit voor de hand liggende opsommigen en schoolboekjes retoriek. Goed genoeg voor de Contrabas, maar in een echte literatuurcommissie moet je iets sparrender uit de hoek kunnen komen, de Groot.
In een verweer op de Contrabas beweert De Groot vervolgens dat hij best dure woordjes als ‘chiastisch’ mag gebruiken. Maar natuurlijk, De Groot, alleen het probleem is: je gebruikt het op totaal incorrecte wijze. Mannen die zich kruiselings met hun boeken verhouden? Ik zie hier geen gat in, maar wellicht ben ik gewoon
niet erotisch onderbouwd genoeg om zulke dure woordjes multidimensionaal op te vatten…
