De vernieuwing als stijlkenmerk
Vriezen noemde mij laatst de dichter wiens observaties juister zijn dan de werkelijkheid. Een mooi compliment, maar het zette me weer aan het denken over die werkelijkheid, wat wij als zodanig ervaren. Als vroege tiener was ik altijd op zoek naar manieren om van die werkelijkheid te ontsnappen. Poezie was daar een van - maar lang niet de enige methodiek die ik bezigde: punk, magie, science-fiction, hogere wis en natuurkunde; ik heb zowat alle wegen geprobeerd die geschikt leken om de realiteit als zodanig ofwel te ontvluchten ofwel te wijzigen. Je hebt dan altijd mensen die later in een soort roes van berouw laatdunkend doen over de interesses die ze als tiener hadden, maar ik ben daar gelukkig niet een van. Ik vind dat onzin.
Ik leef nog immer in het magische universum dat ik als tiener ontdekt heb. Een universum waarin alles wat gebeurt min of meer aan jezelf te verwijten valt. Ik beoefen nog steeds meditatie en yoga, probeer mijn muzieksmaak te ontwikkelen (als ik ergens een hekel aan heb is het wel mensen die hun hele leven alleen naar de muziek luisteren die ze als tieners goed vonden) en blijf experimenteren met allerlei technieken, hoewel ik weet dat op poetisch vlak mijn poezie niet direct het meest experimenteel is. Maar ik denk dat je je daarop ook kunt verkijken - een experimentele levenshouding is wellicht belangrijker dan het experiment als stijlmiddel.
Of wat zeg ik nu: laat dat ‘wellicht’ maar gewoon weg. Het is zeker veel belangrijker dan een stijlmiddel - dat is het grote mankement van de zogenaamde papieren avantgarde: hij bestaat eigenlijk uit mensen die alleen experimenteren op papier en voor de rest een doodnormaal leventje leiden. Is dat bezwaarlijk? Voor de kunst of poezie zelf natuurlijk niet, hoewel ik wel geloof dat die ‘normaalheid’ altijd doorsijpelt in het werk zelf. Een politiek manifest van een salonsocialist is wellicht goed geschreven, maar meestal niet noodzakelijkerwijs geloofwaardig als ding-an-sich.
Het manierisme is wezenlijk geen avantgardistisch verschijnsel, dus het ‘experiment’ als stijlmiddel is een dood leven beschoren. Vraag is alleen wie nu eigenlijk de experimentelen zijn: wat is het verschil tussen Hans Vlek en Van Bastelaere? De een heeft een duidelijk experimentele levenshouding en conventioneler werk, de ander juist andersom. Toch denk ik dat de poezie van Vlek wezenlijk bezien veel experimenteler is omdat hij gestoeld is op het leven van de auteur en niet op een stijlmiddel of maniertje. Iemand die er vroeger naar verluidt ‘op ramde’ als je een andere ‘poetica’ als hem bezigde; dat zie ik liever dan alweer een schools opstel van een of andere salonintellectueel.
Anderzijds is Vlek natuurlijk wel behoorlijk naief aangaande zijn spirituele, warrige zoektocht naar zichzelf. Experimenteel is eigenlijk ook maar een vies woord. Er moet toch een beter woord te verzinnen zijn voor het soort poezie dat me voor ogen staat. Radicaal? Nee, dat dekt de lading ook niet. Hoe noem je poezie dus die het gevolg is van een experimentele levenshouding i.p.v. een experimenteel maniertje? Dus geen huismannen die op de meest originele, sprankelende wijze met taal spelen tussen de thee en afwas door maar woorden van mensen die bewust de grenzen van het bestaan of het bewustzijn zelf opzoeken. Dichternauten? Dat woord heeft wel wat. Geeft meteen ook een wezenlijke grens aan: Rimbaud en Baudelaire waren bijvoorbeeld dichternauten, maar Shelley en Keats bijvoorbeeld weer niet. Blake weer wel, etc.
Wie zijn in Nederland dan eigenlijk dichternaut? Niet zoveel mensen, waarschijnlijk. Poezie is in Nederland meer een tweederangs intellectueel spelletje dat schrijvers tussen drie boeken door even spelen en daarna bij hun uitgevers dumpen om ook even te laten zien dat ze universeel getalenteerd zijn. Poezie als levenstijl betekent in Nederland niet dat je de grenzen van jezelf opzoekt maar dat je een boek vol schrijft over je dagelijkse beslommeringen of over je fobie voor lange teennagels. De echte dichternaut is in het hollandse landschap zowiso een kort leven beschoren: in een land waar twee of drie echte critici te vinden zijn tiert het onkruid welig - en nee, ik ga hier niet nog eens een pleidooi plaatsen voor het subsidieren van de poeziekritiek.
Ik weet wel wat jullie nu denken: wat een hopeloos gedateerde romantiek allemaal. Er zijn helemaal geen dichternauten, Benders zit zich gewoon stierlijk te vervelen daar op dat eiland. Maar hoewel het woord als zodanig inderdaad wat wollig aandoet, vind ik de stelling als zodanig zeker wel raak. Een goed gedicht is naar mijn mening per definitie experimenteel, radicaal, vernieuwend of raak. De literaire kritiek doet echter al sinds de zestiger jaren pogingen de ‘vernieuwing’ te institutionaliseren, door deze te koppelen aan bepaalde stijlkenmerken. Wat voor alternatief heb ik dan aan te dragen, poezie als levenswijze? Dat interpreteert eenieder weer anders - voor de meeste mensen betekent dat hun hele leven tussen dichtbundels slijten, maar dat is nu juist precies wat ik niet bedoel.
Wat heeft poezie wezenlijk gemeen met mijn andere tienerinteresses: magie, science fiction, hogere wis- en natuurkunde en punk? Om met die laatste te beginnen, de punk was, mits serieus genomen, een van de meest zuivere vormen van de ‘do it yourself’ ideologie; het idee dat je zelf je leven in eigen hand moet nemen, een anti-consumeer houding. Zelf je eigen werkelijkheid scheppen omdat de bestaande werkelijkheid niet voldoet.
Diezelfde definitie gaat ook op voor de Magie, hoewel deze zich meer richt op het bewustzijn zelf en niet zozeer op de sociaal/politieke identiteit. Mensen als Gurdjieff, Castaneda en Crowley zijn de ‘do it yourself’ ideologen van de spirituele wereld, die mentale technieken leren om jezelf te ‘verlossen’ ipv afhankelijk te zijn van kerken of workshops. Science fiction: het scheppen van alternatieve werelden en deze zo geloofwaardig mogelijk maken voor de lezer. Hogere wis-en natuurkunde: wetmatigheden die bewijzen dat de wereld op andere levels heel anders functioneert dan deze. Kortom, er loopt een dikke rode lijn door al deze zaken, zij hebben allen te maken met het scheppen van een eigen werkelijkheid.
Nu is de hamvraag: kun je bij het scheppen van een eigen werkelijkheid ‘vernieuwend’ bezig zijn? Dat lijkt mij namelijk niet. Dat is namelijk dubbelop: ofwel het lukt je een eigen werkelijkheid te scheppen, ofwel je schept iets dat deel uitmaakt van de bestaande werkelijkheid en niet ‘eigen’ genoeg genoemd kan worden. De ‘vernieuwings’ ideologie heeft echter een ander uitgangspunt: zij koppelt iets als een stijlkenmerk aan die eigenheid, wat naar mijn mening een fout uitgangspunt is, omdat dat stijlkenmerk juist deel uitmaakt van diezelfde bestaande werkelijkheid. Kortom, om het even wat bondiger samen te vatten: de pretentie van vernieuwing is feitelijk bezien het ergste soort conservatisme. Het is een beetje als de ‘democratie’ (moeilijk dat woord tegenwoordig nog zonder aanhalingstekens te gebruiken) - een systeem dat alleen zichzelf tolereert.

Het lijkt me dat je hier toch iets te makkelijk over de mogelijkheid van een experimentele vorm, of werkwijze, heen stapt. Zo loop je wel het risico te blijven hangen in een vorm-of-vent type discussie.
Ook beweer ik dat elk goed kunstwerk in principe al vernieuwend is. En, last but not least, zet ik vraagtekens bij salonexperimenten – wat is het nut van de pretentie van experimenteelheid als deze zich niet doorvertaald naar het dagelijkse leven? Dan krijg je een ‘even gek doen op papier’
soort van poezie. En zoals ik al zei: dat kan best een geslaagd gedicht opleveren, maar daar blijft het dan ook bij. Een geslaagd experiment vind ik het dan niet, want het nut van experimenten is nu juist het doorbreken van grenzen.
Het dagelijks leven laat ik zelf (in mijn dagelijks leven) verder graag aan de dichter of lezer. Het is natuurlijk wel de ultieme droom: je leest, of ziet, of hoort iets dat je leven verandert. Maar wat verandert er dan? Zo zag ik in Madrid eindelijk eens die late doeken van Goya. Die hond! Ongeloofelijk! Schokkend! Jammer wel dat ik nu, terug in het werelddorpje Amsterdam, nog steeds koffie moet drinken en belasting moet betalen en zo…
begint je stuk over vernieuwing en (conservatisme ) eindelijk ergens op in te gaan, houd het op..!
leuke introductie, hoor.. maarreh…heb je ook nog werkelijk iets zinnigs hierover te melden??
greetz.olga
ps. fijne paashazen.
Waarschijnlijk niet. Ik ben bang dat ik geen grote vernieuwer ben. Ik heb helemaal geen zin om kamers opnieuw te behangen. Ik staar naar het oude oma behang en schrijf dingen. Ik ben veel te nostalgisch om vernieuwing na te streven maar heb wel enige bewondering voor mensen die daartoe wel pogingen doen. Mensen zoals jij die knokken tegen het establishment als ik. Die in de marge met pixels pielen in Tokyo, terwijl die luie Benders naar zijn kleine stukje zeebehang staart. Kortom, er valt veel aan mij te vernieuwen, maar ik vertrouw eerder op jouw kundigheid in deze en wacht gespannen af…