Archive for March, 2007
Denvis liegt dat het barst
Dit is nu al de tweede keer dat ik The Denvis publiekelijk zie beweren dat wij samen opgegroeid zijn. Niets is echter minder waar. Deze geslaagde rocker op zijn retour probeert natuurlijk een graantje mee te pikken van mijn succes. Ik begrijp dat wel, maar wil toch even zeggen dat het zeer zeker onjuist is te beweren dat wij samen opgegroeid zijn. Ik zat op de stoere katholieke basisschool Den Boogerd in Mierlo, terwijl Denvis op het pretentieuze openbare schooltje ‘T Schrijverke zat. Den Boogerd en ‘T Schrijverke waren elkaars uitersten – toen wij in de vijfde klas zaten zaten we al katholiek aan de meisjes te friemelen en zat The Denvis nog met zijn vingers in de zandbak. Wij vraten bij Friettent het Heuveltje terwijl die ‘openbaren’ altijd naar friettent ‘t Huuske gingen. Een plastic kot dat niet eens een gokkast of pacman consule binnen had staan. Het is dan ook geen wonder dat Denvis later, toen ik hem als tiener voor het eerst ontmoette, totaal geen verstand van computers bleek te hebben. Ik, met Pacman en Donkey Kong opgegroeid, had met die pixels geen enkele moeite. Ik heb Dennis dan ook voor het eerst ontmoet op het Strabrecht College in Geldrop. Ik was inmiddels al een stoere punkert en Denvis was, geheel in traditie van ‘t Schrijverke, een langharige hardrocker met krullen geworden. Dennis kwam van de Mavo naar het Strabrecht toe en probeerde zich meteen bij de stoerste punkert in te lijmen samen met zijn maat Richard, die woonde ook in Mierlo en die klierden wij altijd omdat hij dan altijd met zijn luchtbuks naar buiten kwam en begon te schieten.
Later is het toch nog goedgekomen tussen mij en The Denvis en heb ik uit medelijden met de jongen en zijn in de friettent opgelopen digitafobie nog wat films en webpagina’s voor hem gemaakt. Moraal van het verhaal is dat iets eenvoudigs als een schoolkeuze een enorme invloed op het leven van je kind kan hebben. Nu the Denvis zelf papa is geworden kan hij dat goed in zijn oren knopen.
Ik en mijn schoonbroer
Dit weekeinde gaat mijn schoonbroer trouwen en aangezien dat in Turkije een hele belevenis is ben ik een paar dagen uit de roulatie.
Twee foto’s: Ayhan zelf, bij mij thuis genomen en een foto waarop ik en mijn schoonbroer gezamenlijk poseren.
Wellicht post ik na het weekeinde meer foto’s…


De vooruitgang staat nergens voor
In een tijd waarin politiek martelen er weer vrolijk bijhoort, waarin verdachtes als sneeuw voor de zon verdwijnen en Oost Europa een centje bijverdient door wat Gulags speciaal voor Uncle Sam te draaien is het niet verwonderlijk een nieuwsbericht te lezen waaruit blijkt dat ook de electroshock therapie weer een frisse nieuwe kijk op het leven biedt voor veel jonge mensen.
Ik vraag me toch wel geregeld af hoe het eigenlijk moet zijn om nu in je tienertijd te zitten. Depressief worden is er ook al niet meer bij, behalve als je een paar duizend volt door je hersenpan wilt in strafkamp Meerkanten, alwaar deze eeuwenoude beproefde methode weer in het leven is geroepen, geinspireerd door Dr Frankenstein zelf. Het zijn spannende tijden.
(Over Frankenstein gesproken: het logo van de Meerkanten is een zwaaiende Frankestein met gekrompen hoofd, schijnbaar getekend door een net behandeld patient: een uitstekend voorbeeld dus van doeltreffend logodesign, zie hun website)
Ik maak er al een tijd lang een sport van om het volgende dieptepunt in menselijke waardigheid, op weg naar 1994, te voorspellen. Mijn kaartenbak raakt echter in razend tempo leeg. Depressief worden wij daar niet van, want het is en blijft een klein planeetje en er moet zo nodig poezie geschreven worden want met liefde alleen lukt het allemaal niet altijd. Maar mocht ik ooit nog depressief worden dan weet ik het stopcontact te vinden. De vooruitgang staat nergens voor.
Pijproker zoekt commissie
Piet Gerbrandy kan gerust met pensioen. Tot die conclusie ben ik vandaag gekomen nadat ik de nieuwe bijdrage van Rutger Cornet de Groot aan de Nederlandse literatuurkritiek heb doorworsteld. In een ronkend essay van liefst 3000 woorden doet ‘De Cornet’ uit de voeten wat hem het meest na aan het hart ligt, welzeggend ‘heren en hun boeken die zich om zo te zeggen chiastisch tot elkaar verhouden’. Komt daar dezelfde ‘erotiek’ weer bovendrijven die ‘De Cornet’ eerder al in Heytze’s brandkastgedicht ontwaarde? Nee, ditmaal pure bewondering, zoals uit het vervolg blijkt: ‘waar de man van wetenschap op het onpoëtische karakter van het huidige veld wijst, daar trakteert een van de voornaamste exponenten van dat veld ons op een dikke verzameling van de meest actuele poëzie.’
Daar kunnen we het mee doen. Chretien Breukers is een van de voornaamste exponenten van het Nederlandse Poezieveld. Weer een intellectuele mijlpaal uit de gevreesde pen van wannabe commissiecriticus De Groot, maar een paar duizend woorden later wordt het allemaal nog bonter: ‘Het is Breukers’ verdienste dat hij het geduld waartoe hij oproept nÃet heeft willen opbrengen voor deze poëzie, die van het internet in het bijzonder, om ons te trakteren op het grootste en meest complete overzicht van de poëzie in deze onzekere tijden, - al is het duidelijk dat deze poëzie voor hemzelf een baken is tegen de moderniteit die ze uitdrukt.’
Het is dus Breukers verdienste dat hij het geduld waartoe hij oproept niet heeft willen opbrengen voor zijn eigen bloemlezing. Een bloemlezing die overigens, vindt de Cornet, zelfs ‘ongepubliceerde dichters canoniseert’
Toe maar. Zou die canon zich dan vervolgens weer chiastisch tot mannen en hun boeken verhouden, of is er weer iets erotischers aan de hand? Is het langdradige gebeuzel van een commissiezoekende, pijprokende salonintellectueel literatuurkritiek? Nee, daarvoor is het nog lang niet wollig genoeg. Buiten enkele ‘chaistische parels’ bestaat de rest van het essay vooral uit voor de hand liggende opsommigen en schoolboekjes retoriek. Goed genoeg voor de Contrabas, maar in een echte literatuurcommissie moet je iets sparrender uit de hoek kunnen komen, de Groot.
In een verweer op de Contrabas beweert De Groot vervolgens dat hij best dure woordjes als ‘chiastisch’ mag gebruiken. Maar natuurlijk, De Groot, alleen het probleem is: je gebruikt het op totaal incorrecte wijze. Mannen die zich kruiselings met hun boeken verhouden? Ik zie hier geen gat in, maar wellicht ben ik gewoon
niet erotisch onderbouwd genoeg om zulke dure woordjes multidimensionaal op te vatten…
Kip zonder kop
Een van de meest vervelende dingen die ik kan verzinnen: critici die elkaar als een kip zonder kop nabauwen. Bijzonder pijnlijk wordt dat als het op negatieve wijze gebeurt bij een goed kunstwerk, gedicht of film. Amerikaanse filmcritici bauwen elkaar echter bij voortduring na. Ik vermoed dat ze, voor ze een film daadwerkelijk durven bespreken, vele uren met elkaar aan de telefoon hangen. Een andere verklaring voor iets als dit kan ik persoonlijk niet vinden. Wat we hier zien is een klassefilm, een van de betere uit zijn soort, die door Amerikaanse critici op volstrekt oppervlakkige en nietszeggende wijze de grond in wordt geschreven. Allemaal ook nog doodleuk met ongeveer dezelfde argumentatie: wie een site als Rotten Tomatoes een beetje nauwgezet volgt weet dat Amerikaanse critici doodsbang zijn om uit de toon te vallen. Wellicht is dat een kenmerk van critici in het algemeen - de nachtmerrie van elke criticus, dat je een werk de hemel in prijst wat al je collega’s afkraken - het ultieme schapengedrag, dus eigenlijk; de criticus als het meest elitaire schaapje die op de kudde vooroploopt maar wel angstvallig terugkijkt of de kudde wel blijft volgen. Die kudde is niet veel beter, want ook op IMDB doet de film het niet goed; een magere 5 komma 7 terwijl seriegedrochten daar nog beter scoren. Wel zie je dan bij dit soort films een grotere spanning tussen de meningen: het is ofwel 10 sterren, ofwel 1 of 2 sterren wat het publiek voor deze film over lijkt te hebben. Dat maakt het des te eigenaardiger dat de filmcritici gezamenlijk de film niks vinden. Ik ben toch echt niet van gisteren en weet zeker dat, hoe je ook naar deze film kijkt, een beetje serieus filmcriticus dit zeker geen slechte film zal vinden. Schijnbaar zijn die tegenwoordig dus dunbezaaid, wat mijn stelling onderschrijft dat niet de kunst maar de kunstkritiek gesubsidieerd dient te worden.
Wie de lezer kent doet niets meer voor de lezer
Toen ik nog niet met een uitgever in onderhandeling was over een dichtbundel uitgeven was gedichten schrijven veel makkelijker. Waar blijft die bundel nou, Benders, hoor ik jullie denken - nou, dat zal ik jullie even uitleggen. Ik ben inderdaad aan iets aan het werken wat ik als een soort van ‘magnum opus’ beschouw. In de loop van dat proces werd me gevraagd of ik interesse had in een publicatie en ben ik eens bij een uitgever langsgeweest om daarover te praten.
Als een dichter een gedicht schrijft heeft hij een publiek in zijn hoofd, dat valt niet te ontkennen. Tot voor kort zaten in dat publiek bij mij streng kijkende filosofen, koningen, ex-vriendinnen, popsterren en een enkele vrij onbekende buitenlandse dichter hier en daar (plus als het regende soms Achterberg of Vroman) tussen dikke rijen aandachtig luisterende bloedmooie vrouwen. Tot voor kort? Ja. Sinds ik serieus een publicatie overweeg zie ik opeens daar op de eerste rij Piet Gerbrandy zitten als ik mijn ogen sluit. Dat is voor mij een enorm probleem en dat ligt vooral aan het feit dat ik Piet Gerbrandy niks te vertellen heb.
Gerbrandy is echter niet van de stoel weg te branden, hoezeer ik ook mijn best doe hem bij het tiepen te negeren. Hij zit daar en speelt verveeld met zijn imposante snor. Erger nog, naast hem heeft Pfeijffer plaatsgenomen, die op schoot het dode lijk van Lucebert laat paardjerijden. En alle bloedmooie vrouwen die mijn gedichten altijd zo gewillig aanhoorden zijn vervangen door de koppen van Alexis de Roode, Vroukje Tuinman, Astrid Lampe, Samuel Vriezen en wat al niet meer zij. Buiten hoor ik het razende getoeter van de scooter van Heytze en als ik goed luister hoor ik het vestje van Chretien Breukers zacht ruisen.
Daar zit je dan met je witte word documentje. Jullie begrijpen dus wel dat het verkassen naar Turkije niet geholpen heeft. Ja, ik ben Komrij een stuk symphatieker gaan vinden. Komrij zat zowiso altijd al in mijn publiek, alleen had hij meestal een papieren zak over zijn hoofd en dat heeft hij tegenwoordig ook al niet meer.
Ik vraag u dus nederig om geduld te oefenen tot ik een methode heb gevonden mijn oude vertrouwde publiek voor mijn poezie terug te winnen.
