If spring would exist
on the middle of the ocean
(It doesn’t. The ocean is too fickle
for seasons) I’d imagine it as
the slow emergence of an old wreck
like me with new treasure, every day.
She’d be the little waves that crash it,
time and time again, like some sort
of flowers, perhaps, or maybe just
a foaming maze: hiding all year, like me,
until new beginnings flock us.
Prachtig abstract collagewerk van Mark Bradford:
Zeker een kunstenaar om in de gaten te houden!
Ik ben even 10 dagen uit de roulatie omdat ik naar de Kabak Vallei ga, alwaar ik in Reflection Camp ga verblijven. Bekijk foto’s op de website van Reflection Camp

Nog een vreemde half-surrealist: Russel Drysdale. Vaak wordt deze australische schilder tot het australisch surrealisme gerekend, maar ik vind hem veel eerder een impressionistisch magisch realist, hoewel hij inderdaad hier en daar een surrealistisch werk maakte maar die vind ik persoonlijk een stuk minder geslaagd, hoewel beter dan van de meeste europese surrealisten. Drysdale weet op zeer vaardig wijze een magistrale sfeer op te roepen. Kijk bijvoorbeeld naar onderstaand schilderij, ‘The station yard’, wat een van mijn favorieten is. Meer schilderijen van Drysdale

Toen de Nederlandse dichter Ilja Pfeijffer een jaar geleden van zijn uitgever te horen kreeg dat hij een boek over de online game ‘Second Life’ moest gaan schrijven omdat de Arbeiderspers graag van haar toch wat stoffige imago af wil komen zag Pfeijffer daar aanvankelijk als erkend dichter en Graecus weinig brood in. Hij gaf aan veel liever een boek te schrijven over een wat klassieker onderwerp. Achteraf bezien is hij echter blij dat zijn uitgever hem heeft weten overhalen, want het openen van een kantoor in ‘Second Life’ blijkt wereldwijd een daverend succes voor Pfeijffer, de Arbeiderspers en de Literatuur in het algemeen.
Al drie dagen na de opening van het virtuele kantoor blijkt het online storm te lopen.
‘Ik kan al dagenlang mijn avatar nauwelijks meer bewegen’ aldus een verbijsterde Pfeijffer, die eigenlijk diep in zijn hart niet al te hoge verwachtingen van dit project had, ‘het hele kantoor zit dag en nacht bomvol literatuurliefhebbers. En niet alleen Nederlanders, nee, wereldwijd: Amerikanen, Chinezen, Brazilianen, je kunt het zo gek niet verzinnen of het is hier al langsgeweest’.
Wat de literatuurliefhebbers precies naar het virtuele kantoor van de Arbeiderspers trekt is Pfeijffer echter niet helemaal duidelijk. ‘Hoewel ik als Graecus vijf talen tot in redelijke perfectie beheers kan ik niet altijd even goed duiden wat deze mensen eigenlijk in ons kantoor komen zoeken. Ze lijken vooral geinteresseerd in het maken van vreemde bewegingen en het uitslaan van een jargon dat ik niet direct precies kan plaatsen’ aldus de verbouwereerde Graecus.
Wij ondervroegen enkele avatars in Second Life om te weten te komen wat hen precies naar het kantoor van de Arbeiderspers trok, dat inmiddels een waar literair mekka binnen Second Life is geworden.
Avatar ‘Broedminne der Rooswuft’ wilde ons aanvankelijk niet ter woord staan maar na enig aandringen en flashen bleek het om een dertienjarige scholier uit Nederhorst te gaan die recentelijk helemaal in de ban raakte van Pfeijffers poezie. ‘Gurre slethoeven van spinnoden’, zo verzucht de dertienjarige, ‘uitgebeende merkworgel van drippende eierspenen’. Meer kregen wij helaas niet uit hem los omdat hij met de armen flappend snel uitlogde.
Meer succes hadden we met de vrouwelijke Amerikaanse Avatar ‘Spleenwold kissfurry Blip’; wij troffen haar aan terwijl ze een poging deed de avatar van Pfeijffer tot iets te bewegen wat wel iets weghad van het klassieke ‘paardjerijden’. ‘It’s the ozonned barfle of blissing’ zo liet zijn ons desgevraagd weten, ‘ A Knowtowed widdowmop of Quantarine Piss!’. Helaas logde dit keer Pfeijffer plots uit, net nu we hem als Graecus even goed konden gebruiken.
Het mysterieuze succes van de Arbeiderspers in Second Life duurt inmiddels voort. De boekverkopen zijn inmiddels volgens een woordvoerder van de Arbeiderspers de pan uitgerezen. Niet in Second Life zelf, dat niet, want Avatars lezen geen boeken. Er blijkt echter wel degelijk een online behoefte te bestaan tot literaire expressie en de Arbeiderspers blijkt met Pfeijffer precies de juiste keuze te hebben gemaakt. ‘Het is iemand die zowel jong en oud, nederlander of buitenlander aanspreekt’ alsdus de woordvoerder van de Arbeiderspers, ‘schijnbaar is er toch iets universeels aan het werk van Ilja Pfeijffer waarin mensen zich makkelijk herkennen’.
Pfeijffer zelf heeft echter na enkele online signeersessies zulke chronische RSI klachten dat hij tegenwoordig meestal een standin in Second Life zijn avatar laat besturen.
‘Vrijpoffende Oeflul!’ is het laatste wat wij horen voor we zelf uit deze wonderlijke online wereld stappen.
Op de adalar vapur, de beruchte oude veerboot die van Istanboel naar de eilanden vaart, is het altijd goed toeven. Deze foto heb ik deze week ‘nachts genomen op de laatste veerboot terug naar huis

Dit is geen surrealisme. Albright wordt, vreemd genoeg, tot het magisch realisme gerekend hoewel zijn werk (welke in zekere zin zijn tijd vooruit was) veel meer weg heeft van….ja, van wat eigenlijk? Zijn techniek lijkt gebaseerd op russische avantgardisten zoals Filonov. Magisch realisme vind ik het zeer zeker niet.
Poor Room—There Is No Time, No End, No Today, No Yesterday, No Tomorrow, Only the Forever, and Forever and Forever without End (The Window) - Ivan Albright

Ik heb altijd een beetje een slechte verhouding gehad met het surrealisme en dan met name met de surrealistische schilderkunst. Veel surrealistische kunst vind ik potsierlijk en ijzig dicht aanleunen tegen kitsch. Anderzijds hou ik enorm van fantastische kunst en ben ik geboeid door kunstenaars die geplaagd worden door visoenen. Maar de steriele, freudiaanse visioenen van Dali vind ik niks en ook van Margritte ben ik geen groot fan. Allemaal veel te psychologisch, vind ik. Er zit iets gekunstelds aan, juist iets onvisionairs: de visioenen lijken geen product van een inval maar van een gekunstelde berekening. Goed voorbeeld van iemand waar ik een haat-liefde verhouding mee heb: Ernst Fuchs. Sommige van zijn etsen en tekeningen vind ik prachtig. Zijn schilderijen zijn soms ronduit lelijk. De architectonische projecten zijn, hm, interessant.
Fuchs is wel iemand die, net als Bosch, echt door visioenen geplaagd werd, dat voel je terug in zijn werk. Datzelfde gevoel heb ik bij de meeste andere surrealisten niet, wellicht op Max Ernst na.
Lees meer en bekijk werk van Ernst Fuchs
EZEKIEL van Ernst Fuchs:

Tonnus Oosterhoff publiceerde een gedicht op de Contrabas dat onmiddelijk door
wat mensen blind werd bejubeld. Ik sluit niet uit dat het hier werkelijk om een fantastisch gedicht gaat, maar ik zou dit wel eens onderbouwd willen zien, daarom loof ik bij deze een boekenbon van 100 euro uit aan de persoon die twee dingen aannemelijk kan maken:
1. Waarom dit een geweldig gedicht is
2. Waarom ‘Zwaluwen juballen ingesnoerd’ geen lelijk Nederlands is maar juist een prachtige metafoor.
Sluitingsdatum voor inzendingen is 20 juni. Tonnus Oosterhof zelf is van deelname uitgesloten maar mag wel deze actie medefinancieren als hij graag een bijdrage levert.
Ik was vanavond wat diffuus over het web aan het browsen en was benieuwd wat er van James Sheard was geworden, waar ik vroeger af en toe een correspondentie mee onderhield. Hij was destijds al een van de meest veelbelovende dichters van Engeland, met een door de pers goed ontvangen bundel ‘Scattering Eva’.
Hier een (prachtig) gedicht van hem in the Guardian
Tot mijn verbazing las ik dat hij twee jaar terug een gedicht over me schreef:
Poem for Martijn B.
Absurdist. Irritant. Friend.
They grow pale and bitter,
the endives of Brabant.
Tubed in cardboard,
they suck up the dark
musts of earthen floors.
Light cannot touch them.
So sweeten them
with gouts of cheese-sauce.
Smoke them out
with fattened bacon.
Soften them a little
in an oven set to stun.
Then let them grin upwards
from the Delftware,
their sharper teeth filed flat
beneath that bubbled wig.
James Sheard
Lees ook even de discussie die rond het gedicht losbarste
1. Hank Williams Sr.
2. Johnny Cash
3. Ralph Stanley
4. John Prine
5. Townes van Zandt
6. Marty Robbins
7. Jerry Jeff Walker
8. Randy Newman
9. Kris Kristofferson
10. Roger Miller
Strobogrammatics of sleepwalking:
the loon that escaped the mirror.
Even in his sleep still waiting,
full on binary touch – the schwalbe
his shadow makes on the wall
is the wolf number. Eleven is the return
of the cloned son in the ancient order
of familiars: roots that absorb him
as if he never went away. Expressionless
he takes his place, between
father (light) and mother (darkness)
and starts to whistle. Years later his face
is still (above all) a stain on the couch.
M.H.Benders, 23-05-2007
Ik ga jullie van nu af aan elke dag lastig vallen met gebrekkig turks. Ik ga mijzelf al dichtende turks leren.
Een vreselijk concept, ik geef het toe, maar gelukkig kunnen jullie het resultaat toch niet lezen. Ik begin er meteen vandaag mee.
Gunesh bir Canavardir kim işınleri bir saçdir.
Ben bu dokunim. Ben bu dokunim boÅŸal Elli.
Ben düsuyorum o benim aşkim şaşıryim,
elmesi yanık, çünkü seni çok seviyorum.
In het stukje over Erik Menkveld gaf ik af op het niveau van het Recensieblad ‘De Recensent’. Het kan echter altijd veel erger. Vergeleken bij een site als ‘Recensieweb’ is De Recensent een vrijhaven voor hoogstaande literaire kritiek. Recensieweb is een website waar ‘recensies’ worden geschreven die zo vlak en kleurloos zijn dat ze de naam ‘recensie’ niet eens waard zijn. Leest u zelf maar.
Vervolgens lees ik dat:
‘Op 24 mei organiseert Recensieweb een discussieavond over literaire kritiek op internet. In Perdu zullen Elsbeth Etty, Martijn Boven, Merel Roze, Nadja Cohen en Daan Stoffelsen met elkaar in gesprek gaan over de waarde van online recensies.’
“De nieuwe website is mogelijk gemaakt dankzij de financiële ondersteuning van het VSBfonds en het Peter Paul Peterich Fonds, beheerd door Prins Bernhard Cultuurfonds.”
Even samenvatten: een poezieclub (perdu) met een aardig programma leent zich uit aan een van de meest vlakke recensiesites van Nederland voor een discussieavond over de ‘waarde’ van online recensies.
Dit is een wel erg avantgardistisch concept, daar zit vast Vriezen weer achter.
Een zogenaamde spookvertaling: de vertaling van een vertaling, dus weinig authentiek maar toch gepost om de vlam levende te houden:
Op mijn woord
Je zit hoog op de stoel, met ijdel gekruiste benen
in schaamteloze zelfverlating. Je geeft ons ruim
de kans, zodat het je niet mag verbazen
dat uiteindelijk het lamplicht je verpoten zal.
Tussen je tanden, in-uit, kruipt je adem
alsof het aan een onzichtbare draad hangt.
Je dreef weg en veranderde terwijl je sliep.
Je kamt achteloos je haar in de spiegel.
Nu lees je, of kruist me weg als een duivel,
je gaapt, je knabbelt aan een snack;
je bent een hoer, geen twijfel mogelijk,
hou van me of niet, een hoer blijf je.
Je legt je neer met je eigen schaduw – hoe vrij –
met wie of wat, het kan je niks schelen;
maar hoe zul je ooit uit die armenmassa rijzen,
wat voor Gorgonhoofd zul je dan dragen?
Het verval knort aan je voeten – doe stoer,
laat het beest niet vredig zitten!
Je probeert zijn ogen te vinden, je offert hem
je vinger en hij sluit er zijn tanden op!
Je kruipt weg en onder je kussen
staat de volgende berg kussens stijf
als een brandstapel die je inkwartiert;
ik begin begrip voor je te krijgen.
Je bent een hoer, op mijn woord, een hoer
breek me niet af voor ik alles zeg! –
maar in het reces van je hart (ontken het maar!)
ligt een diepe, onmenselijke eenzaamheid.
Janos Pilinszky
Een van de redenen waarom ik graag op Buyukada woon: het is een natuurreservaat middenin een drukke stad. Je waant je in een 18e eeuwse western hier, omdat het enige vervoer op het eiland per paard is. Nog leuker is dat bijna alle dieren los rondlopen en dat er allerlei diersoorten zijn die in Nederland moeilijk te vinden zijn.
Zo heb je hier:
* Wilde paarden - ik vermoed dat er in totaal 50-100 pseudo-wilde paarden over het eiland lopen
* Vleermuizen - vooral ‘s avonds zichtbaar als je door de bossen loopt
* Een soort colibri wespen - geen idee wat dit is, nooit eerder gezien.
* Veel meeuwen en kraaien maar af en toe een zeearend en zelfs een keer een adelaar gezien.
* Dolfijnen - staat Istanboel bekend om, je ziet ze af en toe ook rond het eiland.
* Konijnen en eekhoorns
’S nachts door de bossen struinen is een mystieke ervaring op zichzelf, met op de achtergrond de
miljoenen lichtjes van Istanboel.
Hier wat foto’s die Pinar maakte op het eiland:



Ik ben sinds vorige week ook een bedrijfsblog begonnen. Mensen die interesse hebben in mijn design danwel commerciele activiteiten kunnen dat een beetje bij gaan houden. Ik zal proberen het allemaal een beetje up to date te houden, maar ik voel me wel steeds meer een soort digitale Gorgon…
Benim simdi Kuzguncukta geliyorum. Benim arkadasleri evleniyoruz, biz Berlin’da giddiyoruz. Turkce cok zor, evet, ama ben deniyorum. Belki gelecektim turkceyim Blog yaziyorum!
Dit is zo’n beetje hoe ver ik uit losse hand kom, nu. Voor mensen die dit niet kunnen lezen: het is erg gebrekkig Turks dat waarschijnlijk vol fouten staat. Dat ik na 2 jaar hier wonen pas op dit niveau zit is jammerlijk, maar ik moet zeggen dat het Turks leren me ook erg zwaar valt. Het lijkt wel alsof er geen ruimte in mijn hoofd zit om al die vreemde woorden te stallen. Ik heb nu echter weinig keuze, met een kind op komst, ik zal toch echt serieus aan de slag gaan moeten om het onder de knie te krijgen…
Na het opmaken van de inventaris: ik heb nu 90 gedichten die min of meer goed zijn, een concept, een lijn.
Hoeveel ervan gaan overblijven weet ik niet. Ik ga nu mijn herschrijf fase in, er zitten naar mijn idee nog teveel gedichten tussen die het ‘net niet’ gevoel uitwasemen. De bundel heeft de voorlopige werktitel ‘Karavanserai’ en zal bestaan uit twee series (‘Telraam’ en ‘Iconen van de Grote Stad’) en een reeks losse gedichten.
Het wordt hoe dan ook waarschijnlijk de meest Oosterse dichtbundel die door een Nederlander is geschreven, ik zit hier dan ook op het kruispunt van Oost en West. Delen van de bundel zijn geinspireerd op 1001 nachten, de Koran, de Kabbalah en de vroeg perzische cultuur. Ik hoop in Oktober te kunnen afronden, want er komt een klein prinsesje aan (als mijn droom klopt) en dan is de poezie even wat minder belangrijk. Voorlopig post ik hier dus geen poezie meer, maar ik ga wel door met het posten van allerhande kunstverkenningen.
Vladimir Khudobko, if you read this please send your contact info
to m.benders@gmail.com



“I too am visited by angels and devils, but I get rid of them.
When it is an angel I pray an old prayer, and he is bored;
When it is a devil I commit an old sin, and he passes me by.”
Kahlil Gibran, from: Sand and Foam
Ik ben normalerwijze niet zo’n enorme Gibran fan – te gelikt vind ik, ik maakte ooit de fout een boek met zijn brievencorrespondentie aan te schaffen en daar heb ik nog steeds zoete nachtmerries over, maar dit citaat is leuk.
Ik ben een gedicht begonnen over de Fee van Bagassa gebaseerd op het werk van de franse auteur Cazotte.
Er is echter op het web niets te vinden mbt dit verhaal. Cazotte schreef naar verluidt een behoorlijk aantal fantastische orientaalse verhalen die inmiddels publiek domein moeten zijn. Als iemand een plek weet waar ik deze zou kunnen lezen of downloaden zou ik hem dankbaar zijn. Lees meer over:
…en dus niet ‘beste’ acteur, dat is een ander lijstje
Meest stoere acteur:
1. Steve McQueen
2. Christopher Walken
3. Gary Oldman
4. Jack Nicholson
5. James Woods
6. Marlon Brando
7. Steve Buscemi
8. Willem Dafoe
9. Samuel L. Jackson
10. John Malkovich
Minst stoere acteur:
1. Richard Gere (deze plek kan nooit worden herroverd, lijkt me)
2. Brad Pitt (en slecht acteren ook)
3. Keanu Reeves (Vreselijke man en vreselijk acteur)
4. Pierce Brosnan (Slechtste bond ooit)
5. Kevin Costner (Brrrr)
6. Tom Hanks (Ik weiger pertinent films te kijken waarin Hanks speelt)
7. Tom Cruise (wat een gladde engerd)
8. Mel Gibson (enge propagandist)
9. Steve Martin (slechtste komiek ooit)
10. Last but not least: Sylvester Stallone, maar dat is eigenlijk geen acteur.
Een tijdje geleden zag ik op internet een oproep staan van Uitgeverij Van Oorschot die naarstig op zoek waren naar een recensent voor het boek ‘Met de meeste hoogachting’ van dichter Erik Menkveld. Wat nu, dacht ik, zijn recensenten tegenwoordig al zulke uitgestorven diersoorten dat je ze met een boekenbon moet paaien om over je producten te gaan schrijven? Ik kon destijds niet nalaten even te mailen, omdat het nu eenmaal moeilijk is hier Nederlandstalige boeken te krijgen. Zulke gezellige recensiewedstrijden zijn voor mij dan een mooie uitkomst, want een creditkaart om boeken te bestellen heb ik zelf niet.
Bijna een maand later brengt de bezwete postbode het recensie exemplaar aan mijn hoog op de heuvel in een buitenwijk van Istanboel gelegen voordeur. Van Oorschot laat in de bijgaande brief weten dat de ‘winnende’ recensent in het ‘boekenblad’ komt te staan en gratis drie boeken uit het fonds van Van Oorschot mag kiezen. Drie boeken, toe maar.
Er worden wel kwaliteitsrecensies verwacht, zo lees ik. Ik vermoed zelf dat Gerbrandy, Schouten, Jaeggi en Vriezen ook mee gaan doen en dat er dus een ware titanenstrijd tussen alle gevestigde poezierecensenten gaat ontstaan rondom die drie gratis boeken uit het Fonds van Van Oorschot. Ik besluit dus vooralsnog om als kansloze recenseervlo de strijdbijl toch op te pakken en sla vol goede moed het boek van Erik Menkveld open.
Menkveld heeft een boek uitgebracht met twaalftal brieven die door hem zijn geschreven aan allerlei zeer beroemde en zeer overleden karakters uit de wereldgeschiedenis. Zo schreef hij brieven aan Boeddha en Ezechiel, maar ook aan bijvoorbeeld Willem Kloos en Martinus Nijhoff. Dit alles naar voorbeeld van de Italiaanse dichter Petrarca die ooit in een ver verleden, volgens de boekomslag, hetzelfde deed.
Dat is meteen het eerste mankement van dit boekwerk: wat de brief als literaire vorm eigenlijk leuk maakt is dat de brief ook beantwoord kan worden. Wat Menkveld, in navolging van Petrarca, schreef zijn eigenlijk geen brieven maar eerder monologen. Tweede mankement ligt in de keuzes van mensen die Menkveld’s brieven mogen ontvangen: literaire en religieuze reuzen en niet bijvoorbeeld het meisje dat in de Albert Heyn op de hoek werkt. Dit heeft als gevolg dat de brieven inhoudelijk helemaal niet zo persoonlijk zijn als Menkveld ze graag wil doen lijken: het zijn veilige kijkdoosjes waarin hij zijn literaire smaak aan de wereld etaleert, maar is dat een manier om tot literatuur te komen?
Menkveld geeft zelf in zijn boek eigenlijk de clou al uit handen in de brief die hij aan Schumann schrijft. Hij beschrijft hierin nogal uitvoerig een gebeurtenis rond een pianostukje van Schumann dat hem aan het huilen maakte. Een lange monoloog volgt waarin Menkveld filosofeert over, ja, over wat eigenlijk? Over hoe het kan dat een stukje pianomuziek bij hem tranen laat rollen. Tot een antwoord op die vraag komt het niet, maar wel laat Menkveld weten dat Schumann in zijn ‘Lijst’ staat, de lijst van muziekstukken die op zijn begrafenis afgespeeld zullen worden. ‘Omdat ik ze wil laten voelen wie ik was’ voegt Menkveld dan als leitmotiv toe.
En het is dat leitmotiv dat als een dikke, rode draad door dit boek heenloopt. Menkveld wil ons laten voelen wie hij is. Niet door ons daadwerkelijk een blik in zijn priveleven te gunnen – nee, de brieven aan ex geliefden of aan zijn moeder waren naar alle waarschijnlijkheid niet literair genoeg.
Menkveld is eerder de papieren equivalent van de vage kennis die, als je hem met een bezoek vereert, je in een stoel dwingt en vervolgens ongegeneerd zijn hele platencollectie de revue laat passeren. U kent zulke types vast wel. In daadwerkelijke gesprekken zijn zij niet geinteresseerd. Vandaar ook dat zij liefst met reeds lang overleden subjecten verkeren. Die luisteren tenminste aandachtig naar hun monologen.
‘Met de meeste Hoogachting’ is dan ook vooral een boek dat interessant is voor mensen die zijn geinteresseerd in de persoon Erik Menkveld. De laatste brief in het boek richt hij dan ook aan zijn drie kinderen, om hen alvast voor later te laten zien wie pappa eigenlijk is. Dat mag aandoenlijk zijn, op zichzelf, maar het levert mijns inziens nauwelijks interessante lectuur op. De monologen zijn daarvoor simpelweg niet diepgravend genoeg, de onderwerpen te conventioneel, de invalshoeken te belegen.
Zo eindigt zijn brief aan Boeddha bijvoorbeeld met de gedachte dat hij, als westerling, moeite heeft met geloven. Jammer alleen voor Menkveld dat 2 minuten op Google zelfs al genoeg is om te ontdekken dat zijn hele verhaal rond ‘Sammaditthi’ als een tang op een varken slaat. En dat was nu net de hele invalshoek waar de brief aan Boeddha op gebaseerd was,op dat idee dat ‘Sammaditthi’ een geloofsvereiste is. Een gemiste kans dus eigenlijk en die indruk had ik consistent van het begin tot het einde van dit boek.
M.H.Benders
Uit de vele ergernissen die een mens het leven zuur kunnen maken vind ik de ‘wedstrijdober’ nog wel de meest verschrikkelijke. Een ervaren restaurantbezoeker weet dat er in wezen drie verschillende types obers bestaan: de goede ober, de verkeerde ober en de wedstrijdober. Ik geef even de typebeschrijvingen:
A) De Goede Ober: kenmerk van de goede ober is enkelvoudig: je merkt niet dat hij aanwezig is, maar desondanks loopt het hele etentje van A tot Z uitermate vlekkeloos. Pas als je het establishement verlaat wordt hij even zichtbaar door je even vriendelijk toe te knikken. Zulke obers zijn in de praktijk echter zeldzaam, een fervent restaurantbezoeker weet dat helaas het gros der obers uit types B of C bestaan.
B) De Verkeerde Ober: kenmerk van deze Ober is dat hij meent in een self-catering restaurant te werken en dat het uw schuld is dat hij te weinig verdient. Hij benadert dan ook elk verzoek om wat service met een vertraging van pakweg 5 minuten. Gewoon, om je even duidelijk te maken dat hij liever brandweerman of dichter had willen worden. Hij meent dat oberen eigenlijk beneden zijn waardigheid is; een tip geven aan deze ober heeft dan ook geen enkele zin, je zult hiermee alleen zijn minachting wekken. Zit je in een restaurant met een ober van het type B dan kun je het beste al bij je bestelling de rekening al vragen.
Veel erger dan type B is:
C) De Wedstrijdober.
Voor deze ober is oberen een spannende wedstrijd. De wedstrijdober heeft een ongebalanceerde hormoonhuishouding en dat zul je merken ook. Je zit met je partner aan tafel en hij kijkt je voortdurend recht in het gezicht aan, zonder enige scrupules. Voor hem ben jij geen mens. Je bent een wandelende finishlijn. Je hoeft maar even een foute vingerbeweging te maken of nerveus met je glas te spelen of hij snelt als een dolle hond op je tafel af. Je kunt geen intiem gesprek beginnen want je weet dat hij, zodra je ook maar van je glas durft te nippen, het weer bij gaat staan vullen middenin je gesprek over haar G-spot en dan moet je weer even lachen als een boer met kiespijn. De Wedstrijdober is niet zo opgefokt omdat hij bang is zijn baan te verliezen, dat is een algemeen misverstand. Nee, de Wedstrijdober is zo omdat hij zich stierlijk zou vervelen als hij geen sport van zijn beroep maakte. Daarom is elke beweging voor hem een startschot en elke kruimel die jij laat vallen zijn nieuwe trofee. De wedstrijdober is het ergste wat een restaurant kan overkomen, maar helaas: er zijn teveel mensen die elkaar zowiso niks te vertellen hebben, en voor zulke paartjes is de wedstrijdober juist een welkome afwisseling op de eigen gezapigheid.
Daarom kijk ik, voor ik een restaurant binnenstap, altijd eerst even hoeveel paartjes er binnen zitten en hoe vol hun glas zit. Neem maar van mij aan dat er weinig mis kan gaan met je avond als hun glas halfvol of zelfs leeg is.
In een nogal komisch artikel in de Volkskrant klappen fondsdirecteuren, nu het erop lijkt dat de gelden anders verdeeld gaan worden, plots uit de school: bij het verdelen van kunstsubsidies is vaak sprake van ‘vriendjespolitiek’.
Ik noem dit artikel komisch omdat eenieder al decennia alleen de jaarverslagen van de toegekende subsidies van het Mondriaan Fonds hoeft op te vragen om te zien hoe de vork in de steel zit. Het zijn altijd dezelfde namen die de grote poet vangen. In de literatuur is het volgens mij niet veel anders.
Dat de fondsdirecteuren op de valreep nog even met zo’n ‘bekentenis’ komen aanzetten onder het mom van ‘voortschrijdend inzicht’ - tja, het is een triest, maar ook al te christelijk trekje: op de valreep nog even de bekering, want er komt een nieuwe wind aan.
Mijns inziens is het veel slimmer om ofwel geen subsidies te verstrekken, ofwel door middel van een kunstbelasting van 10 euro per maand 200.000 kunstenaars van een redelijk inkomen te voorzien zonder daaraan rare eisen te stellen. Van die 200.000 mensen wordt dan wel verwacht dat zij al hun werk publiek domein maken. Een regeling die veruit superieur is aan dit gefrot in de marge waarbij enkele al redelijk bekende kunstenaars grote bedragen vangen op basis van het feit dat ze al redelijk bekend zijn en, dus, een vriendje hebben in de grote kunstcommissie.
Let u vooral ook even op de Machiavellistische angel in het stuk: de door Ter braak voorgestelde oplossing:
‘In plaats van veel kunstenaars een beetje te geven zouden minder kunstenaars een hoger bedrag moeten krijgen.’ Voor mensen die graag willen zien waaruit ‘een beetje’ bestaat in Grachtengordel jargon verwijs ik graag naar de jaarverslagen van Het Mondriaan Fonds. Wat een gotspe.
Top 10 mensen die ik niet serieus kan nemen:
1. Mensen die ‘Dead Poets Society’ een goede film over poezie vinden
2. Mensen die ‘Taxi Driver’ niet in hun top 10 beste films aller tijden hebben staan
3. Mensen die Woody Allen leuker vinden dan Louis de Funes
4. Mensen die uitspraken doen als ‘Radicalisering begint bij de hoofddoek’
5. Mensen die niet de kriebels krijgen in theaterstoelen
6. Mensen die hun buikspieren gebruiken bij het voordragen van poezie
7. Mensen die op de kaft van hun boek zetten in welke poezieblaadjes ze gestaan hebben
8. Mensen die menen dat ze gecanoniseerd zijn omdat ze in een bloemlezing staan
9. Mensen die vinden dat David Lynch niks over meditatie mag schrijven
10. Mensen die Kees Engelhart inhuren voor een huiskamervoordracht.
Het Eurovisie Songfestival kijk je doorgaans alleen als je last hebt van hardnekkig cultuurmasochisme.
Ik heb daar nogal last van en dus kijk ik elk jaar weer, waarschijnlijk omdat ooit, lang geleden, er een zweem van gezelligheid en borrelnootjes rond deze avond hing. Tot mijn grote verbazing werd echter dit jaar het festival niet gewonnen door de, mijns inziens, gedoodverfde winnaar, de Oekraine, die met een veel te voor de hand liggende inzending kwamen (Dame Edna op Methadrine) en dus wel zouden winnen, maar nee. Het songfestival werd dit jaar gewonnen door een hysterische, aggressieve dikke kogelstootster met bepantserde bril die een uiterst saai en onaantrekkelijk liedje zong.
Wat is hier aan de hand, dacht ik meteen. Waarom die lekkere rocktravestiet uit Zweden niet? Moeten wij hier een soort nostalgische hang naar de oude communistische tijden in zien? De tijden dat mannen in het oostblok zich alleen konden verlekkeren aan kogelstootsters en zwemmers? Hebben al deze oude kameraden massaal de mobiel van hun neefje gekaapt toen ze deze forse ode aan de sloopkogel het podium zagen bestijgen? Of is er een ander verklaring te vinden, is dit een soort massaal mobiel protest tegen de vergiftiging van Slobodan Milosevich?
Die laatste optie lijkt wellicht vergezocht, maar bedenk dat dit eigenlijk de eerste publieke mogelijkheid was sinds de dood van Milosevic om massaal een publieke stem te laten horen. Zien wij hier een nieuw soort democratie ontstaan? Een protestdemocratie die zich manifesteert via televoting? Het zijn spannende en moeilijk te duiden tijden. Volgend jaar kijk ik weer. Laten we hopen dat dit jaar geen belangrijke Brit wordt vergiftigd.
Meer werk op zijn website
