Een van de mensen die mij het meest heeft beinvloed in mijn tienerjaren: R.A.Lafferty Ik heb zijn boeken sindsdien niet meer gelezen, maar kan me zijn korte verhalen nog zeer levendig voor de geest halen. Ik heb maar twee boeken van hem gelezen: 900 grootmoeders en ‘Dagen van gras, dagen van stro’ beide destijds door Meulenhoff uitgegeven, meen ik.
Briljante, conceptuele science fiction. Lafferty is eigenlijk de enige zogenaamde ‘science fiction’ schrijver die de overstap waagde naar het magisch realisme of het absurdisme, hoewel je van the ‘Hitchhikers guide’ wellicht hetzelfde zou kunnen zeggen, maar van die reeks ben ik nooit zo’n grote fan geweest. Lafferty is gewoon veel beter maar, helaas, ook veel minder bekend.
Ik kreeg gister een kopie van ‘Plebs’ in de bus hier waarin 2 van mijn gedichten staan. Helaas heeft een overenthousiaste vormgeefster de structuur van de gedichten veranderd. Onbegrijpelijk zoiets, maar goed het kwaad is al geschied. Wie de gedichten in oorspronkelijke vorm wil lezen moet wachten op de bundel.
‘Meander’ is een online literatuurblad waar een beetje poezieliefhebber een haat-liefde verhouding mee zal hebben. Soms zijn er interessante artikelen of gedichten te lezen. Vaak ook echter zaken die getuigen van een veel te slap redactioneel beleid. Ik noem maar een uiterst slappe recensie van ene Rieuwert Krol, die laat weten dat de nieuwe bundel ‘Herbergzaam’ van Francie van der Hurk ‘een goede bundel is die niet bijzonder opmerkelijke gedichten bevat’. Bent u er nog? Even hierboven citeert hij ‘een ontroerend stuk’ uit de bundel:
Ik schil piepers flinter
hongerwinter dun
Piepers hongerwinter dun schillen? Een van de meest banale en kitscherige beelden die ik afgelopen maanden ben tegengekomen. Ik ben zowiso niet zo’n fan van de Harmonie, die net als Meander een veel te laks redactioneel beleid lijken te voeren.
Verder bevat de nieuwe Meander editie wat nogal slappe gedichten, zie hier, hier en hier.
Als je dit leest dan vraag je je toch af wat eigenlijk het bestaansrecht van zo’n blad is? Dit had net zo goed op www.dichttalent.nl kunnen staan.
Van de tjechische animator Svankmajer:
Het proefmanuscript voor de bundel is af! 66 gedichten in 4 delen. Ik ben er bijzonder
tevreden over. Ik hou jullie op de hoogte!
Bla bla bla.
Die Feuerwehr ist da.
Oya Kasap, 27-06-2007
Of het iets met elkaar te maken heeft weet ik niet, maar deze vreselijke hittegolf hier heeft een ongekende boost aan mijn poetische productievermogen geleverd. Ik heb daarvoor nu een verklaring verzonnen. De hitte maakt het bloed dikker, waardoor allerlei gedachtes minder de kans krijgen en de dichter veel beter in eigen werk kan schrappen. Alleen de meest stevige constructies hebben nog de macht het verdikte bloed in het brein te passeren. Men heeft er naar ik weet nooit onderzoek naar verricht maar ik zeg u: is er een hittegolf, ga dan gedichten schrijven. Zonder airco of ventilator.
Anderzijds zou het ook kunnen dat de verzengende hitte de dichter dichterbij een soort universele doodsdrang brengt waardoor hij veel scherper gaat schrijven. Hoe dan ook, onthou deze tip: hoe heter, hoe schrijfvaardiger.
In de catagorie: zonder pijprokende zangeressen
In de catagorie: pijprokende zangeressen:
Niet te geloven eigenlijk hoeveel talent er vandaag de dag te vinden is op kunstvlak, vooral in Amerika.
Far out, deze shit. Check de volgende kunstenaars eens:
Deze maand nog te zien in de Jonathan Levine Gallery, de show opende gisteren.
En ik ben een grote fan van Jeff Soto, check hem Hier en Hier
Prachtwerk, toch?
Een van de websites die ik met grote regelmaat bezoek: FecalFace
Een zeer uitgebreide site met een prachtige selectie hedendaagse Amerikaanse kunstenaars. Ik ben een grote fan van Amerikaanse kunst omdat deze vaak zo illustratief is en ik heb een bepaalde voorliefde voor illustratieve kunst. Europese kunst is vaak eerder abstract en de Russische vaak eerder klassiek of romantisch.
Bekijk bijvoorbeeld het prachtige werk van Dalek, van Ferris Plock of van Andrew Schoultz, die met gemak mijn top 25 van favoriete kunstenaars haalt…
Ik heb vandaag de hand weten leggen aan het laatste nieuwe gedicht van mijn bundel, een gedicht genaamd ‘Malech Almeuti’. Alle gedichten zijn dus klaar. Ik heb nogmaals zitten tellen en schrappen en er blijven 90 gedichten over waarvan ik er 66 geselecteerd heb voor opname. Dat getal symboliseert namelijk het Magnum Opus, dus ik wil het liefst dat de bundel danwel 66 danwel 77 gedichten gaat bevatten. ‘77’ is de numeratie van het arabische woord voor nacht, laylah. Aangezien de bundel deels op 1001 nachten gebaseerd is is dat wel toepasselijk. Nu begint dus de daadwerkelijke herschrijf fase, maar het einde is nu al een stuk naderbij en ik ben zowaar al tevreden met wat ik aan het maken ben.
When they look down, far away, and envy our faces,
our movements, speech or just our ability
to hug – when the light has known its own belly
to be full of stars and dust: just listen
they are the earlobes of the night. No one’s there.
Just peppy, shiny ornaments. For those who care:
when they look down, far away, their hollow sounds
brim the vacancies of the sky’s kennels but
they’re not empty. Nor do these watchers sleep.
They turn, over and over, in their vast magnetic keeps.
And they bite. Softly, but not a soul comes near.
Chained faceless to their kennels they fear our footsteps
which rise, night after night, from the close orbits of our dreams.
The laundry held captive by windows.
Behind them these moles in their vase.
Blind over scents do my vows break,
the beach just a theatre of waves.
A milky way loop of lace curtains
prompts me to cinnamoon latch.
I try not to stare to the floor, shuffle
on record for groove & with moonbite.
Weather grows fine in your kitchen,
sunlight seared thin at bake moo.
I love you. Let’s climb chairs.
We have conversation, we untalk.
From the girth of skillets we cake
walk over tight panache machetes.
Slit from the cadence of whistling
a kettle warms hands, warms even us.
She’s ruggy like an early started summer,
talks as if her words are straws you clasp.
Ofcourse she has a boyfriend, what a bummer.
Her eyes the honey of every courting wasp
glazing this room – she doesn’t mind none
offering her white teeth to the lights
and she, the friggin queen of all barhives
will answer them whenever you’re in sight.
Just to answer you. She has no choice,
no will of her own because her voice
is just the blend of all souls that straw there,
wishing they’re the ones that fail to see her.
We work out every day on the edge of the pool
which isn’t too large but it has lights under water.
They shine like carbonised soup at night and I think
of closing my eyes or get another drink at the Cork.
We eat strawberries with forks here in the morning
as soon as the nurse says the light is too thin
after the cocks crow spinning like magnets I swear
sometimes I see her take off that bikini in a window.
They have great drinks here but I never remember
the names. Upset with the rub of summer crickets
go off in palm trees like cheap car alarms.
Sometimes the girls get lonely, I see them
bounce in the warm mirror of my sunglasses.
But I’m afraid to rise and lose my tan –
one has to keep an angle to shine even later.
One day I’ll start my car and drive to sea,
slow as a sip of bourbon they’ll all follow me
On a dame blanche of waves I will swallow
all the little lemmin girls who cream to be saved.
Scratching of oranges and backgammon pieces.
Furtiveness on the street. In the teahouse an old man
that keeps losing himself. His eyes are wornout beads
broken out of a rosary. Chiming
of prayers. On the background the roar
of three bridges that uphoist the Bosperus.
It’s too hot to sleep. He’s got a bottle
of cologne, his grey hair
smells of sweat and lemon. Tonight he will
drive his cab and shyly ask passengers
to point the way. In the mirror
he sees the phantoms of a nightlife
he can’t comprehend. He looks on the meter.
His city is a city with streets and birds,
neighbours and flowers on wooden balconies.
This place is something else. His children will
leave it one day. They will pick him out
of the teahouse, while he’s just dozing off
like today. It is hot and he’ll sleep
and wake up bewildered in a city
with streets and birds and neighbours that whistle
like wasps around the honey of nightcaps
or sunlight. His hair will smell
of lemon, his hand will search the rosary and
he will shyly ask us,
one last time, to point him the way to
this house, to this long street.
M.H.Benders, 23-06-2007
Ik roep vandaag uit tot gedichtendag, omdat het 42 graden is. Bij 42 graden blijf je binnen en ga je gedichten schrijven, danwel oud werk in het engels op je weblog posten. Ik begin met het eerste maar zal later vandaag een selectie engelstalige gedichten posten.
Een gedicht van mijn hand in de zich tragisch voortslepende Hassnae affaire. Breukers noemt het initiatief op de Contrabas ’seksistisch’ maar die is dan ook nog nooit publiekelijk met vriendin gesignaleerd. Ondertussen probeert Eus het met scherpschutterij, zal hij de duistere romantiek van Benders daarmee onklaar maken of zal een derde, vierde of vijfde hond met het bot gaan weglopen? We zullen zien.
Het is 40 plus graden. Ik heb geen airco of ventilator. Het is windstil. Ik heb allerlei klussen op de computer die af moeten en mails die beantwoord moeten worden. Er is al de hele dag geen water, dus een douche nemen is er niet bij. Het is te heet om naar het strand te lopen.
Ik vind airco’s eigenlijk decadent maar ik heb er nu een besteld, want dit weer gaat komende week aanhouden.
Helaas blijkt een waterput aanleggen minder doenlijk. Istanbul heeft een groot waterprobleem, als het niet genoeg regent is er gewoon niet genoeg water voor iedereen en worden tijdelijk hele stadsdelen afgesloten. Gemiddeld denk ik dat we anderhalve dag per week zonder water zitten hier. Een keer hebben we vier opeenvolgende dagen geen water gehad. Dat is verschrikkelijk. Ik besef nu pas hoe belangrijk het is om water te hebben. Helaas zal dit probleem in de nabije toekomst alleen maar groter worden, vooral als IStanboel komende 20 jaar nog eens verdubbeld in aantal inwoners…
Die katzen voegeln sich
Oya Kasap, 20-06-2007
(Deel 1)
Phil Collins in Den Haag
Zijn pet moest af. Hij schikt zich
naar het idee voortaan dossiers
te plukken in plaats van snaren.
Net als Slobodan zit hij in
kalend licht, zure regen slaat
tegen de gestroopte ruiten.
‘Misdaden tegen de menselijkheid’.
De aanklager houdt het kort.
Vingers zoeken oren. Iemand rukt
zijn koptelefoon af. Microfoontjes
trillen in witgeverfde muurspijkers.
Zijn dood wordt een doofpotaffaire
met een vluchtige autopsie en
stroperig bassende bureaucraten.
With the enthusiasm of an ant
that discovers a bread crumb
she bites into the rock
of his confidence.
He becomes a hauled wonder.
A black, privatised stone
coldly pressing family hands
winding in the sense
of his seaworthiness.
But what chats him up
is that he keeps his dark
secret so unmoved as if
a sea keeps rewinding him
to his words that bed
like fossils in the sloping blinds
fullfilling an unsettled promise
of inviolable commends.
M.H.Benders, 19-06-2007
“I am sure that I am Jesus Christ and I am the living god and my fans are my body, my spiritual body. My fans hear my vibe. They feel my feelings. They hear my music and they want to go to bed and have sex. Because when you go to bed and have sex and it is nice, when you are coming your wife says “Jesus Christ, the sex is nice!” When it’s not nice, she will find another man to say “Jesus Christ” with.”
Ik ben weer terug na een lange week in Kabak te zijn geweest. Kabak is een natuurvallei aan zee waar wat ecologische kampementen zijn die je na een half uur de berg aflopen kunt bereiken. Er is veel flora en fauna, ik heb onder andere slangen, schildpadden en een groot aantal eigenaardige insecten gezien. Vroeger was ik bang voor dergelijke insecten tot ik op een dag besefte dat de beschrijvingen van engelen in de religieuze boeken eigenlijk betrekking hadden op dit soort wezens. Sindsdien beschouw ik insecten als deze als engelen, feeen of andersoortige gevleugelde boodschappers en doe ik vaak eens wens als ik er een dichtbij zie komen of maak ik er een praatje mee. Voor u mij terzijde schuift als een wauwelende boomknuffelaar: ze spreken inderdaad zelden terug, maar ik wijt dat aan mijn zondige en decadente liefdesleven. Onderstaande fotoserie is gemaakt bij de waterval van Kabak door mijn lieflijke echtgenote, Vildan Boran.








