Archive for December, 2007
Omdat gezonde jongens af en toe hun eigen woorden aanhalen
‘Een dichter moet de crashtestdummie zijn in de Lelijke Eend van de tijd’
M.H.Benders
Herwaardering van Muzeale Waarden in de Poezie
Herwaardering van Muzeale Waarden in de Poezie
Vanaf de oudheid tot aan het einde van de 19e eeuw, met uitschieters tot in de zestiger jaren van de 20e eeuw plachtte elke dichter onoperabel te zijn zonder een Muze. In de tweede helft van de 20e eeuw veranderde het literaire klimaat echter en werd het hele idee van de ‘Muze’ lacherig naar de prullenmand verwezen. Het was de tijd waarin de poezie zich naar gangbare socialistische waardes begon te voegen: de poezie moest voor het volk geschreven worden, moest begrijpelijk worden – niet voor een belezen persoon begrijpelijk, nee, voor de man op de straat. En die man op de straat had weinig behoefte aan dichters die iets abstracts als een Muze aanvoerden, aan dichters die een leven leefden dat eigenlijk buiten zijn grip lag. De dichter moets zelf een man van de straat worden. Hij had geen diva’s meer maar was getrouwd, had een saai baantje en was. wellicht op zijn poezie na, al net zo vervelend en klein als de man op de straat zelf. Op deze wijze poogde de literaire wereld, met de verkoopcijfers als eeuwige excuustruus, een soort zelfnivellering toe te passen die uiteindelijk
geleidt heeft tot de complete demystificatie van de poezie en, paradoxaal genoeg, ook juist tot een aardige daling van de verkoopcijfers.
Wat is namelijk het geval? Poezie wordt voornamelijk gelezen door mensen die het mysterie zoeken. Mensen die juist iets willen lezen dat zich niet aan hen aanpast maar boven hen uitstijgt, vervoert, een wereld laten zien die anders is, groter, schrikbarender wellicht of tenminste uitdagend. En of dat op een ‘begrijpelijke’ danwel ‘onbegrijpelijke’ wijze gebeurt is dan van weinig belang – de schijntegenstelling ‘hermetisch – begrijpelijk’, uitgevonden door dezelfde sociaalpoeziewerkers in de zestiger jaren, is een volstrekt vals en onnatuurlijk paradigma dat volledig de plank misslaat. In Nederland is de oorsprong van deze schaduwbokspartij te vinden in het conflict tussen Bertus Aafjes enerzijds en de Vijftigers anderzijds. Aafjes, die van critici doorgaans het ongelijk in de schoenen geschoven kreeg omdat hij als ultraconservatief de waarde van de Vijftigers weigerde erkennen. Dezelfde Aafjes die zich nog onbeschaamd van een Muze bediende en met grote regelmaat gedichten schreef waarin deze wezens opdoken.
Had Aafjes dan achteraf bezien toch gelijk met zijn compromisloze, conservatieve instelling? Nee, uiteraard niet. De man had zelfs volstrekt ongelijk in zijn potsierlijke gevecht tegen nieuwe ontwikkelingen in de poezie. Doordat hij echter zo overduidelijk ongelijk had vond er een soort verkettering van Aafjes plaats in de literaire wereld, een verkettering die tot op de dag van vandaag een beetje doorspeelt. Ik denk namelijk dat juist op dat punt in de Nederlandse literaire geschiedenis het valse paradigma is ontstaan dat al een jaar of vijftig veel literaire discussies weet te verzieken, door de literatuur in twee schijnkampen te verdelen en te doen alsof deze elkaar uitsluiten.
Jhon Balance van de Britse avantgardeformatie Coil zei ooit dat een kunstenaar het leven moet leven dat andere mensen angst aanjaagt. De kunstenaar of dichter moet pogen datgene te verwoorden wat ofwel niemand onder woorden durft te brengen, ofwel niemand onder woorden kan brengen. Dat vereist experimenteerdrift. Een experimenteerdrift die zich vaak niet zal beperken tot een papieren laboratorium (als bijv. bij Eliott) – het grote mankement bij veel ‘experimentelen’ is meen ik juist dat hun experimenteerzucht zich beperkt tot het uiterst afgebakend speelterrein van hun eigen medium. Voor de grote Experimentelen uit het verleden, mensen als Baudelaire bijvoorbeeld, was zoiets ondenkbaar. Toch is dit juist de grote zwakte
van veel recenter werk wat als experimenteel te boek wil staan: het is het resultaat van een sterk afgebakend experiment dat geen deel uitmaakt van een groter geheel, als bijvoorbeeld van de net overleden Stockhausen. Het zijn de Eliotts van de poezie – zeer nauwkeurig tot op de millimeter op papier experimenteren maar het eigen leven buiten schot houden. Die veiligheid, echter, straalt ook door naar het werk zelf. Dat voel je, als lezer.
De functie van een Muze was van oudsher meer dan alleen het inspireren van een dichter. De muze was veel eerder een alchemische component van het gedicht zelf. De muze is de sublimatie en verpersoonlijking van het gesamtkunstwerk dat een dichter met zijn leven poogt te fabriceren – de belichaming van zijn Grote ideaal, of juist de belichaming van wat hem ontbreekt. Wezenlijk en onmisbaar, omdat juist door de sublimatie van de interactie met zijn Muze hij in contact treed, door de kracht van de allesverterende liefde, met datgene wat hem vreemd is: de ander.
Het beslechten van de grenzen tussen het ik en jij is het primaire slagveld van elke dichter. Het is een slagveld dat men tegenwoordig echter slechts schoorvoetend betreedt. Men is tevreden een eigen eilandje te zijn, werkjes te maken die fungeren als eigen kleine versies van een grote, onzichtbare werkelijkheid die onbenoemd blijft. Pogingen tot universaliteit worden ofwel als onmogelijk afgedaan ofwel als pretentieus of overbodig. Het Amour Fou bestaat niet meer, of heeft tenminste een melkertbaantje, een hypotheek en drie krolse katten.
Het is in deze hunkering naar universaliteit waar ik echter echte experimenteerdrift zie. Geen genoegen nemen met grenzen tussen verschillende media is daarbij echter niet genoeg. De dichter of kunstenaar moet zichzelf als testobject nemen, als een crashdummie in de lelijke eend van de tijd. Slechts door zichzelf niet te ontzien maakt de dichter kans de barrieres te slechten tussen hemzelf en de lezer, die feitelijk niets liever wil dan dat deze grenzen beslecht worden. Hij zoekt ernaar. De dichter is, immers, uiteindelijk de Muze van de lezer. Het is dus aan hem om meer te doen dan alleen de lezer wat inspiratie geven. Want voor inspiratie heb je inderdaad niets stoffigs als een Muze nodig. Daarvoor ijken zich de gangbare mediakanalen al afdoende.
M.H.Benders, 09-12-2007
Alison Nastasi
Achtste en laatste Muze van de Wachttoren van Karavanserai: Alison Nastasi. Ik ken Alison vrij kort maar we zijn nu samen een kunstproject aan het opzetten tussen Istanboel en Philadelphia, waar zij woont. Bedoeling is dat we elkaar steeds via handgeschreven brieven instructies posten die we dan ook gaan uitvoeren.
Hieronder wat ouder werk van Alison, ze heeft zelf ook een blog waar dit en meer te zien is.







Klaar
Karavanserai is af.
Move me – by Olga Mink
Olga Mink, een van de Aartsmuzen van de Wachttoren uit mijn opkomende bundel Karavanserai. Ik ken Olga al een jaar of? 18? Jezus, de tijd vliegt. Olga ook:
