Redacteuritis
Zoals je goede en slechte schrijvers hebt, heb je uiteraard ook goede en slechte redacteuren. Ik was er een beetje huiverig voor om met een grote uitgever in zee te gaan, nu bijna twee jaar geleden. Ik had een angstbeeld van een redacteur die zeer duchtig in je gedichten ging zitten schrappen, zich met elke metafoor bemoeide en die vooral wilde dat je je stijl aanpaste aan een gangbare trend in de poeziewereld. Die angst was uiteraard ongegrond: bij het eerste gesprek op het kantoor van Nieuw Amsterdam bleek al dat Jasper Henderson vooral allerlei nuttige suggesties deed over welke richting ik op zou kunnen gaan met de bundel. Dat werkte voor mij goed - ik heb over elke suggestie die hij deed nagedacht en er is uiteindelijk een resultaat uitgekomen dat dankzij zijn suggesties beter is dan het zou zijn geweest zonder begeleiding, hoewel Jasper die begeleiding bij mij redelijk minimalistisch heeft gehouden. Dat zal hij waarschijnlijk bij een ander weer niet doen - en dat hoort ook zo: een goed redacteur moet naar mijn mening zijn strategie op de persoon waarmee hij te maken heeft afstemmen. De een heeft een strenge blik en veel kritiek nodig, de ander suggesties en een achteruitkijkspiegel. Hoe dan ook, mijn beeld van het werk van een redacteur is daarmee nu wel veranderd.
Afgelopen jaar zag ik echter een opmerking van Adriaan Krabbendam, ook redacteur van beroep, op de website ‘Schrijvers op Elkaar’ die inmiddels wegens succesloosheid is opgeheven. De opmerking betrof een brief van twee dames waarin werd gespeculeerd over meditatiemethodes naar aanleiding van een opmerking van David Lynch dat hij meditatiemethodes gebruikte om zijn films tot stand te laten komen.
Krabbendam schreef hierover het volgende:
Uitwisselingen over meditatietechnieken en gevolgde therapieën of welke goeroes ze weten te slijten komt op mij niet over als een gedachtewisseling over (het) schrijverschap. Dat zijn geen duiken in het diepe, maar poedelsessies in het kinderbadje in de achtertuin. “Maar als jij er niets mee kunt, lees je het toch niet?†klinkt zo vanaf het scherm een beetje arrogant. Ik krijg het toch op m’n bord? Alsjeblieft, voor jou, laat het gerust onaangeroerd als het je niet aanstaat – een beetje typische culinaire verwelkoming. Hoe dan ook, ik vind de info over welke goeroes er bezocht zijn en welke al dan niet fantastische meditatietechnieken die te bieden hebben hier niet op z’n plaats. Schrijverschap heeft niets te maken met het slikken van aspirines of speurtochten naar een vermeend dieper ik. Net als bij Lynch: nooit geweten dat ie er zulke praktijken opna hield en dergelijke bedenkelijke uitspraken deed, terwijl ik veel van z’n kunst erg goed vind. Maar het komt wel vaker voor dat ik het kunstwerk meer waardeer dan de meningen en al dan niet ongure praktijken van de maker. (Ik dacht zelfs eerst dat het een grap was, “een methode van David Lynchâ€. Maar helaas…)
En ik dacht uiteraard terstond: blij dat dit mijn redacteur niet is, zeg. Zo’n figuur die het niet kan nalaten een filmgenie als Lynch te gaan zitten voorkauwen wat hij wel of niet en publique mag zeggen. De drolligheid ten top, en daar moet je dan als schrijver aan vastgekluisterd zitten. Dat het schrijverschap niks te maken heeft met speurtochten naar je diepere ik, en dat je als je daar al naar speurt je van Adriaan er je mond over moet houden. Je vraagt je dan of hoe bijvoorbeeld ‘Les Fleurs du Mal’ er onder begeleiding van Krabbendam uit was komen zien: Charles had niks mogen zeggen over zijn wietgebruik, want wat moeten de buren daar wel niet van denken. Absint? Groene Fee? Doe eens normaal, Charles, moet de lezer dat op zijn bord krijgen? Ongure praktijken, vindt Adriaan, en daar zouden wij smakelijk om kunnen lachen ware het niet dat deze mijnheer sinds een jaar de enige poezieadviseur van het Fonds der Letteren is geworden. Het devies? Vooral veel over hoofddoekjes schrijven, komende jaren.
