Archive for April, 2008
Mannentips (aanvullende aantekening)
Als je wat minder van oude hammonds en pre-reggae houd zou je ook, als
je bij het open raam staat met je meid onder de sterrenhemel, deze plaat op
kunnen zetten. Prachtige soul van O.V. Wright, helaas nooit echt populair geworden.
Zeer zwaartekracht bevorderend:
De schaakkampioen
Ik was een jaar of tien oud en zat al een jaar of 2, 3 op de schaakclub in Mierlo. Dat hoorde schijnbaar zo, Mierlo was een schaakdorp. Ik was eigenlijk veel te onrustig voor dat spel, zat altijd op mijn stoel te wippen en te zingen tijdens het schaken, meestal tot groot ongenoegen van mijn tegenstander. Ik nam het spel ook volstrekt niet serieus, wat ook vaak de nodige irritaties opleverde. Toch speelde ik wel aardig en wellicht zelfs bij vlagen erg goed, want ik werd toch uitgekozen om mee te doen aan de Brabantse jeugdkampioenschappen. Ik had al wel vaker toernooien gespeeld en had er eigenlijk een hekel aan, maar goed een uitverkorene heeft geen keuze dus ik naar Den Bosch.
Het ging allemaal heel aardig, met weinig moeite bereikte ik de wedstrijd die zou gaan om het doorgaan naar de finalepartij. Maar juist op die wedstrijd kwam ik de meest gevreesde tegenstander van dat toernooi tegen. Ze hadden het overal al rondbazuind, er was een Chinees wonderkind van een jaar of acht aanwezig die de gedoodverfde winnaar van de kampioenschappen was. Superserieus kereltje, met zijn vader als trainer erachter, met een kladblok erbij, notities makend over welke fouten zijn wonderzoon beging. Ik zat aan mijn tafel en hij kwam tegenover mij zitten, zijn gouden aura spatte over de stukken heen.
Ik begreep instinctief dat dit alles of niets zou gaan worden. Dit moest ik bloedserieus gaan nemen anders had ik geen schijn van kans. De jongen, wiens naam ik me niet herinner, was een emotieloze denkmachine. Heldere blik, nooit je direct aankijken. Alleen het bord. Ik besloot dat ik alles op alles zou gaan zetten om te pogen die partij te winnen. Ik hou namelijk niet van jongetjes met gouden aura’s die je niet aankijken. Een archetypische confrontatie, en tegelijkertijd het einde van mijn schaakcarriere.
Heb ik dan verloren? Nee. Ik heb mijn brein op dusdanig fanatieke wijze ingezet tijdens de 85 minuten dat de wedstrijd duurde dat ik, tijdens een in vlagen briljant middenspel, op zodanige voorsprong kwam dat na een dik uur duidelijk was dat de partij voor hem niet te winnen was. Hij gaf het op, nog altijd zonder een spoor van emotie te tonen. Ik had echter mijn hersenen zo overbelast dat ik in de daarop volgende finalepartij geen interesse meer kon opbrengen om daadwerkelijk nog mijn best te doen. Ik barstte van de koppijn. Ik werd dus tweede, en besloot daarna dat ik professioneel schaken een vervelend gebeuren vond. Ik heb sinds die kampioenschappen alleen nog sporadisch af en toe een potje voor de lol gespeeld.
De poeziewereld, deel zoveel
Ik had vandaag in de Guardian een discussie met ene Jane Holland over twee gedichten die zij daar ter commentaar had gepost. Ik zal de crux van mijn argumenten even in het Nederlands vertalen:
1. Men moet een gedicht altijd eerst als geheel beoordelen voor men over details begint. Wat probeert het gedicht te bereiken, wat is het voor gedicht, voegt het gedicht iets toe aan de bestaande canon.
Ik zie vaak mensen poezie bekritiseren die het echt alleen maar over bepaalde kleine details hebben. Dat vind ik geen poeziekritiek, evenmin als ik ‘die camerahoek was niet goed’ en ‘die boom had een wat fletse kleur’ geen goede filmkritiek vind als het over de laatste film van Lynch gaat.
Een film kan veel slechte details bevatten, slecht camerawerk, slechte decors, etc. en toch een steengoede film zijn. Een film kan prachtige camerawerk bevatten, prachtige decors, prachtige kleuren waar je ‘ooooh’ en ‘aaaah’ over kunt roepen maar het is toch een bereslechte film.
In de poezie is het niet anders. Helaas hebben de meeste mensen echter niet het overzichtsvermogen op die wijze naar gedichten te kijken.
2. De toestand in de Britse poeziewereld lijkt al even schizofreen als die in de Nederlandse: je schrijft blijkbaar ofwel poezie voor de gewone man, ofwel voor academici.
Andere smaken bestaan schijnbaar niet. Je bent ofwel begrijpelijk voor de groenteboer op de hoek en de heren ‘academici’ kijken je met de nek aan, ofwel je schrijft zaken die alleen door de heren Academici op hun waarde kunnen worden geschat.
Alsof zo’n tweedeling in de maatschappij uberhaupt zou spelen.
Alsof er niet zoiets als Academische kitsch zou bestaan.
Er bestaat juist heel veel poezie die ik als Academische kitsch zou typeren. De meest wezenlijke taak van de criticus is nu juist de scheidslijn tussen kitsch en echte kunst duidelijk te maken. Gebeurt dat in de Nederlandse poeziewereld eigenlijk wel? Naar mijn idee niet. Ik heb namelijk sterk de indruk dat alle Academici van een soort geheim genootschap lid zijn die schijnbaar, ergens in een donker achterkamertje bij kaarslicht, ooit onder elkaar een eed hebben gezworen dat ze alles wat ze ooit van elkaar onder ogen kregen Grote Experimentele Kunst zouden gaan vinden. Ik heb de term academische kitsch zover ik weet nog nooit horen vallen; dat typeert toch wel op welk niveau de Dames en Heren Literatoren in Nederland kunnen opereren.
Turks vakmanschap vs Chinese rommel
Vandaag naar Sultanamet geweest om van wat bevriende Nederlanders wat spullen op te pikken. Omdat zij, op mijn aanraden, in Hotel Ararat verbleven dacht ik ik neem meteen Karavanserai mee en geef een kopie aan Haydar, de eigenaar van dat hotel die als 2 druppels water op Leonard Cohen lijkt. Helaas was Haydar er niet dus ik heb het boek achtergelaten met de instructie dat Nederlandse gasten hem te bruikleen krijgen.
Sultanamet is waarschijnlijk het meest toeristische deel van Istanboel, alle grote moskeeen liggen daar. Ik kom er vrij weinig, want veel is er niet te beleven. Er zijn wel leuke parkjes en je kunt her en der leuk flaneren en waterpijp roken, maar dat kun je op andere plekken ook in Istanboel.
Na Sultanamet zijn we naar de winkel van Vildan’s vader gelopen. Die heeft naast de Grand Bazaar een kledingzaak. De halve straat daar is de familie Boran. Dat is een erg komisch iets. Wel gezellig ook, want je wordt van her naar der getrokken. En het mooiste is nog dat een oom en een neef allebei een Carbotti zaak hebben. Ik hou van mooie kleren. Ik kocht eerst vaak bij Marks & Spencer, maar die zijn Amerikaans (Of Brits? Zal wel Brits zijn), verschrikkelijk duur, en alles wordt in China gemaakt. Daar voel je je niet echt lekker bij, al hebben ze dan overal ‘eco’ op geplakt en ‘eerlijke handel’. Nee, geef mij maar Carbotti. Echt superhemden maken die, veruit superieur aan kwaliteit van wat je bij Marks & Spencer of andere dure zaken zou kopen. Weet niet hoe duur die hemden in Europa verkocht worden, maar ik koop 3 ultrafijne superhemden voor 25 euro bij Ome Boran. Vaak geeft hij ze ook gratis maar ik kom zo vaak dat ik liever betaal nu.
Turken zijn ongelofelijke vakmensen. Ze maken alles na wat er maar na te maken valt. En dat doen ze dan 10 keer beter dan het origineel. Ik kocht bijvoorbeeld een keer Gucci gymschoenen voor 30 euro, duidelijk nep natuurlijk, maar zagen er prachtig uit. Gym er al 2 jaar op en zien er nog als nieuw uit. Echt prima schoenen. Die echte Gucci’s hadden al 20 keer uit elkaar gelegen. Tip dus voor de Istanboel bezoeker: ja, het is bijna zeker nep wat je koopt. Maar het is 3 tegen 1 beter van kwaliteit dan die in china gemaakte rommel van westerse dure merken.
Karavanserai gearriveerd
De bundel is eindelijk ook hier gearriveerd. Ik woon op een eiland en dan moet je eraan wennen dat de post er standaard twee weken langer over doet. Soms heb ik medelijden met de postbode. Ik bestel wel eens van die dikke, zware boeken van Amazon en die moet hij dan speciaal voor mij de heuvel op dragen. Ik woon nogal hoog op de heuvel namelijk. Enfin, Karavanserai is echt een prachtboek geworden. Alle lof naar de mensen van Nieuw Amsterdam. Ik heb als een ware narcistische mongool meteen een vak in mijn boekenkast met mijn eigen boek weten vullen.
Wat ik wel inmiddels heb ondervonden is dat het wachten op recensies een erg vervelend gevoel is. Daarom heb ik besloten dat totaal in de kiem te gaan smoren door het te compenseren met creativiteit. Ik had vanavond een interview op Stadsradio Helmond, in het programma cultuurbarbaren. Dat wordt al vele jaren verzorgd door Wim Maasakkers en is simpelweg het beste Nederlandstalige cultuurprogramma dat er op de radio te vinden is. Ik merkte dat het naar binnen werken van een paar glazen wijn voor een uitzending een smerend effect heeft op de vloeibaarheid van je spraakkunsten. Ik heb dat toendertijd bij die Dunya prijs ook geprobeerd, in de trein een hele fles wijn naar binnen gewerkt maar helaas bleek bij aankomst dat ik eerst een hele lezing van Komrij moest uitzitten en tegen de tijd dat ik het podium op moest was de wijn alweer uitgewerkt.
Aan de orde kwam onder andere dat ik tegen het voorlezen van poezie ben. Naar mijn mening is voorlezen iets wat je voor kinderen doet. Onder volwassenen voorlezen vind ik volstrekt uit den boze. Daarnaast vind ik poezie iets wat zich tussen de schepper (mij) en de rest van de kosmos afspeelt. Aangezien de lezer onderdeel uitmaakt van de rest van de kosmos vind ik poezie voorlezen een dubbelzinnig iets. Het schrijven was al een wisselwerking – waarom deze wisselwerking nog eens herhalen? Wat voor doel dient dat? Wim Maasakkers had er begrip voor. Een fantastisch programma, dat ‘cultuurbarbaren’.
Bespiegelingen in de nacht
Mensen, ik kan de slaap niet vatten. Dan maar even hier posten. Na mijn redelijk vlotte start als literaire recensent kreeg ik deze week een domper te verwerken. Ik had de Heer Risee verzocht mij een plaats toe te kennen in de redactie van In Letterland. De Heer Risee heeft mijn verzoek echter afgewezen, om onduidelijke redenen. Een rare man. Eerst schrijft hij dat hij graag zou zien dat Kees Ceelen alle literaire bladen in Nederland gaat vullen en vervolgens wijst hij je af als je een bescheiden plekje in zijn eigen blad vraagt. Typerend voor het literair klimaat in Nederland: van voren word je geprezen en van achteren met een mes in de rug gestoken.
Ook in de liefde zit het even niet mee. Ik ben al 15 jaar vrijgezel, mijn eerste huwelijk is op de klippen gelopen. Ik had een paar weken geleden wat afspraakjes met een nette dame uit Bladel met wie ik op de ouderavond een stichtelijk gesprek had gevoerd over haar oudste zoon. Wij zijn vervolgens een paar keer op stap geweest o.a. naar het volarium en het prehistorisch dorp. Enfin, na een leuke dag thuis samen nog een borrel gedronken. Maar toen begon het. Waarom wij niet in de huiskamer konden zitten. Ik had haar al uitgelegd dat dat de kamer is van mijn Kaketoe, Horatius. En dat Horatius slechts zelden pottenkijkers in zijn kamer toelaat. Vrouwen begrijpen dat niet. Dat je een levensgezel een eigen kamer geeft, en al helemaal niet de hele huiskamer. Mijn vorige beminde, juf Fransen, probeerde het aanvankelijk te aanvaarden maar ook bij haar speelde de jaloezie parten.
Gottegotogot. Gottegogot. Wat heb ik een schijthekel aan die besprekingen van Alain Delmotte! Ja, sorry hoor, maar ik verander even van onderwerp. Een mens moet af en toe stoom afblazen. Alain Delmotte, de man die nog nooit een negatieve recensie heeft geschreven. Alain Delmotte, de man die zijn pen doopt in chloroform. De bureaucratische badeend der poezierecensenten. Vandaag draaide hij er weer een lange, gezapige, sloom tikkende eierwekker van een recensie uit. Over die huppelende padvinderspoezie van Kurt de Boodt. U kunt het hier allemaal lezen
Toch lucht het op zo af en toe een beetje te schrijven, al is het dan in die kermismolen van Benders. Wullen is tenminste nergens meer te bekennen, dat scheelt al de helft aan gebakken lucht. Nee mensen, neem maar van mij aan: de meeste vrouwen willen je er alleen maar onder krijgen, net als de slechte poezie. Ik wens jullie een fijne nacht toe.
Kees Ceelen
The desert of love
When I see her,
words build a nest in my mouth.
I can’t sing. My head’s an egg.
The sun’s brooding on my neck.
I will eat my way
through her, some day, like
a dead man
would eat through
a fata morgana,
slowly, leaving nothing
to the begging wind.
How the
living howl
of living.