De poeziewereld, deel zoveel
Ik had vandaag in de Guardian een discussie met ene Jane Holland over twee gedichten die zij daar ter commentaar had gepost. Ik zal de crux van mijn argumenten even in het Nederlands vertalen:
1. Men moet een gedicht altijd eerst als geheel beoordelen voor men over details begint. Wat probeert het gedicht te bereiken, wat is het voor gedicht, voegt het gedicht iets toe aan de bestaande canon.
Ik zie vaak mensen poezie bekritiseren die het echt alleen maar over bepaalde kleine details hebben. Dat vind ik geen poeziekritiek, evenmin als ik ‘die camerahoek was niet goed’ en ‘die boom had een wat fletse kleur’ geen goede filmkritiek vind als het over de laatste film van Lynch gaat.
Een film kan veel slechte details bevatten, slecht camerawerk, slechte decors, etc. en toch een steengoede film zijn. Een film kan prachtige camerawerk bevatten, prachtige decors, prachtige kleuren waar je ‘ooooh’ en ‘aaaah’ over kunt roepen maar het is toch een bereslechte film.
In de poezie is het niet anders. Helaas hebben de meeste mensen echter niet het overzichtsvermogen op die wijze naar gedichten te kijken.
2. De toestand in de Britse poeziewereld lijkt al even schizofreen als die in de Nederlandse: je schrijft blijkbaar ofwel poezie voor de gewone man, ofwel voor academici.
Andere smaken bestaan schijnbaar niet. Je bent ofwel begrijpelijk voor de groenteboer op de hoek en de heren ‘academici’ kijken je met de nek aan, ofwel je schrijft zaken die alleen door de heren Academici op hun waarde kunnen worden geschat.
Alsof zo’n tweedeling in de maatschappij uberhaupt zou spelen.
Alsof er niet zoiets als Academische kitsch zou bestaan.
Er bestaat juist heel veel poezie die ik als Academische kitsch zou typeren. De meest wezenlijke taak van de criticus is nu juist de scheidslijn tussen kitsch en echte kunst duidelijk te maken. Gebeurt dat in de Nederlandse poeziewereld eigenlijk wel? Naar mijn idee niet. Ik heb namelijk sterk de indruk dat alle Academici van een soort geheim genootschap lid zijn die schijnbaar, ergens in een donker achterkamertje bij kaarslicht, ooit onder elkaar een eed hebben gezworen dat ze alles wat ze ooit van elkaar onder ogen kregen Grote Experimentele Kunst zouden gaan vinden. Ik heb de term academische kitsch zover ik weet nog nooit horen vallen; dat typeert toch wel op welk niveau de Dames en Heren Literatoren in Nederland kunnen opereren.
