De schaakkampioen
Ik was een jaar of tien oud en zat al een jaar of 2, 3 op de schaakclub in Mierlo. Dat hoorde schijnbaar zo, Mierlo was een schaakdorp. Ik was eigenlijk veel te onrustig voor dat spel, zat altijd op mijn stoel te wippen en te zingen tijdens het schaken, meestal tot groot ongenoegen van mijn tegenstander. Ik nam het spel ook volstrekt niet serieus, wat ook vaak de nodige irritaties opleverde. Toch speelde ik wel aardig en wellicht zelfs bij vlagen erg goed, want ik werd toch uitgekozen om mee te doen aan de Brabantse jeugdkampioenschappen. Ik had al wel vaker toernooien gespeeld en had er eigenlijk een hekel aan, maar goed een uitverkorene heeft geen keuze dus ik naar Den Bosch.
Het ging allemaal heel aardig, met weinig moeite bereikte ik de wedstrijd die zou gaan om het doorgaan naar de finalepartij. Maar juist op die wedstrijd kwam ik de meest gevreesde tegenstander van dat toernooi tegen. Ze hadden het overal al rondbazuind, er was een Chinees wonderkind van een jaar of acht aanwezig die de gedoodverfde winnaar van de kampioenschappen was. Superserieus kereltje, met zijn vader als trainer erachter, met een kladblok erbij, notities makend over welke fouten zijn wonderzoon beging. Ik zat aan mijn tafel en hij kwam tegenover mij zitten, zijn gouden aura spatte over de stukken heen.
Ik begreep instinctief dat dit alles of niets zou gaan worden. Dit moest ik bloedserieus gaan nemen anders had ik geen schijn van kans. De jongen, wiens naam ik me niet herinner, was een emotieloze denkmachine. Heldere blik, nooit je direct aankijken. Alleen het bord. Ik besloot dat ik alles op alles zou gaan zetten om te pogen die partij te winnen. Ik hou namelijk niet van jongetjes met gouden aura’s die je niet aankijken. Een archetypische confrontatie, en tegelijkertijd het einde van mijn schaakcarriere.
Heb ik dan verloren? Nee. Ik heb mijn brein op dusdanig fanatieke wijze ingezet tijdens de 85 minuten dat de wedstrijd duurde dat ik, tijdens een in vlagen briljant middenspel, op zodanige voorsprong kwam dat na een dik uur duidelijk was dat de partij voor hem niet te winnen was. Hij gaf het op, nog altijd zonder een spoor van emotie te tonen. Ik had echter mijn hersenen zo overbelast dat ik in de daarop volgende finalepartij geen interesse meer kon opbrengen om daadwerkelijk nog mijn best te doen. Ik barstte van de koppijn. Ik werd dus tweede, en besloot daarna dat ik professioneel schaken een vervelend gebeuren vond. Ik heb sinds die kampioenschappen alleen nog sporadisch af en toe een potje voor de lol gespeeld.
