De ellende van het poezierapport
Poezierapport is de meest ellendige recensiesite die ik ken. Dat ligt vooral aan het feit dat er wat recensenten huizen die het obsessieve stijlmiddel van de smaak hanteren. Zien wij ooit kunstrecensies waarin de recensent poogt te redeneren dat schilderijen geen schilderijen zijn? Muziekrecensies waarin de recensent drie pagina’s lang redeneert dat die CD geen muziek is? Yves Joris heeft er uiteraard geen probleem mee. ‘Dit is geen poezie’ oreert hij voortdurend in een bespreking van bundel van een oude, gelovige man wiens naam ik kwijt ben. Als een ware martelaar bestormt Joris de wat lauwe maar niet onaardige gedichten waarbij hij voortdurend de rode kaart uit de zak trekt. Indien Joris een scheidsrechter was was het zo’n figuur die voor elk akkefietje fluit maar vergeet drie penalties toe te kennen. Zo’n man die hard staat te roepen bij elke schouderduw dat dit geen voetbal is. Voetbal, dat is een bepaald hersenspinsel in zijn hoofd waaraan de wereld zich aan moet passen. Dertien-in-een-dozijn fluiters, die al een half opstel nodig hebben om er een negatief regeltje uit te persen. Kale fluitmagnaten die de grootste onzin ophemelen en kleine, vriendelijke en saaie poezie van katoen geven. Mag ik het even zeggen: dit zijn geen recensies. Men moet immers de dokter zijn eigen medicijnen voeren.
Maar goed, Yves Joris, nietszeggend als de man is, is een engel vergeleken bij Delmotte. Die man is een slaaptablet op pootjes. Ik heb geen enkele bespreking van hem kunnen afronden zonder mijn ogen met luciferhoutjes te stutten. Dat heilige huisje ‘schrijven is schrappen’ gaat klaarblijkelijk niet voor recensenten op.
Minimalisten die surrealisten verwijten niet minimaal genoeg te zijn. Expressionisten die impressionisten onder de neus wrijven niet flamboyant genoeg te zijn. Realisten die symbolisten symboolgebruik verwijten. Zie daar het kakelhok van de gemiddelde nederlandse recensent, de dictatuur van de ongetrainde, vastgeroeste smaak.
Het is een universeel fenomeen: de kalende veertiger die nog steeds dag in dag uit naar de muziek luistert van zijn tienerjaren. Dat is MUZIEK, mijnheer. En dat, dat beste mensen is zeer zeker geen muziek. Men moet het beheer van de esthetiek vooral aan dit soort kalende veertigers laten. Stelt u zich eens voor dat de wereld, al was het maar een enkel moment, zou vergeten wat POEZIE is.
En dan hebben we natuurlijk ook nog de befaamde zijlijn: Peter Wullen, de Zoef-de-Haas van mislukte recensenten, de man die dezelfde dag dat hij Karavanserai ontving al zijn recensie had geschreven en deze een maand later, nadat ik hem op zijn hazentoefje had getrapt, in negatieve zin heeft aanpast. Zo integer is mijnheer Wullen wel: jammer alleen dat het niemand wat kan schelen. Voorts poogt Wullen vervolgens ook nog recensent Erik Lindner, die hoog boven zijn niveau uittorent, op wat flauwiteiten te pakken. Kan poezierapport niet alvast een plek voor deze fabeltjeskrant-recensent inruimen?
In zijn kielzog een zak hooi met usb-plug: Marc Tiefental, die roept: “Benders was namelijk zo dom geweest Michaux in zijn gedichten te parafraseren, wat in pozie neerkomt op plagiaat”. Zozo. Dat soort reacties kun je schijnbaar in poezieland verwachten als je een bundel uitgeeft. Maakt niet uit dat Michaux gewoon bij name wordt vermeld: nee, plagiaat is plagiaat, ook als de naam van de auteur er gewoon bij staat. Nou, dat weten we dan ook weer. Ik stel voor dat we deze Tiefental snel een pluchen zetel bij poezierapport geven, of in Awater, naast de uitzakkende stoel van Hoorne. Dan maken we Bert Kuijpers de volgende Dichter des Vaderlands en is het circeltje mooi rond.
Maar goed, Yves Joris, nietszeggend als de man is, is een engel vergeleken bij Delmotte. Die man is een slaaptablet op pootjes. Ik heb geen enkele bespreking van hem kunnen afronden zonder mijn ogen met luciferhoutjes te stutten. Dat heilige huisje ‘schrijven is schrappen’ gaat klaarblijkelijk niet voor recensenten op.
Minimalisten die surrealisten verwijten niet minimaal genoeg te zijn. Expressionisten die impressionisten onder de neus wrijven niet flamboyant genoeg te zijn. Realisten die symbolisten symboolgebruik verwijten. Zie daar het kakelhok van de gemiddelde nederlandse recensent, de dictatuur van de ongetrainde, vastgeroeste smaak.
Het is een universeel fenomeen: de kalende veertiger die nog steeds dag in dag uit naar de muziek luistert van zijn tienerjaren. Dat is MUZIEK, mijnheer. En dat, dat beste mensen is zeer zeker geen muziek. Men moet het beheer van de esthetiek vooral aan dit soort kalende veertigers laten. Stelt u zich eens voor dat de wereld, al was het maar een enkel moment, zou vergeten wat POEZIE is.
En dan hebben we natuurlijk ook nog de befaamde zijlijn: Peter Wullen, de Zoef-de-Haas van mislukte recensenten, de man die dezelfde dag dat hij Karavanserai ontving al zijn recensie had geschreven en deze een maand later, nadat ik hem op zijn hazentoefje had getrapt, in negatieve zin heeft aanpast. Zo integer is mijnheer Wullen wel: jammer alleen dat het niemand wat kan schelen. Voorts poogt Wullen vervolgens ook nog recensent Erik Lindner, die hoog boven zijn niveau uittorent, op wat flauwiteiten te pakken. Kan poezierapport niet alvast een plek voor deze fabeltjeskrant-recensent inruimen?
In zijn kielzog een zak hooi met usb-plug: Marc Tiefental, die roept: “Benders was namelijk zo dom geweest Michaux in zijn gedichten te parafraseren, wat in pozie neerkomt op plagiaat”. Zozo. Dat soort reacties kun je schijnbaar in poezieland verwachten als je een bundel uitgeeft. Maakt niet uit dat Michaux gewoon bij name wordt vermeld: nee, plagiaat is plagiaat, ook als de naam van de auteur er gewoon bij staat. Nou, dat weten we dan ook weer. Ik stel voor dat we deze Tiefental snel een pluchen zetel bij poezierapport geven, of in Awater, naast de uitzakkende stoel van Hoorne. Dan maken we Bert Kuijpers de volgende Dichter des Vaderlands en is het circeltje mooi rond.

Awater, Hoorne, Pozierapport, je kan ze allemaal van me stelen. Niet zo je bundel, thans openbaar erfgoed onttrokken aan de dichter. die zal ik alsnog kopen n lezen.
Probeer anders eens de Chinese wijze om lange tenen in te korten.
En ik zie zo gauw geen wijzigingen in Peter Wullen’s http://www.urbanmag.be/artikel/1338/een-hollandse-magi%CBr-in-istanboel of is het het ‘onaf en schetsmatig’? Dat is niet nader onderbouwd en spreekt ie zelf eigenlijk tegen