Author Archive
idealisme is inderdaad een hersenziekte
19 maart is welbeschouwd niet eens zo heel lang geleden, maar toch: ik achtte de kans toen nog groot dat ik op een dag als vandaag naar Sparta – Go Ahead Eagles moest gaan kijken en M.H. Benders’ stukje Idealisme is een hersenziekte kwam me wat overdreven voor.
Inmiddels heb ik, af en toe onderbroken door alweer zo’n glansrijke overwinning waarmee Sparta deelname aan de nacompetitie ontliep, “Schets van een geschiedenis van de leer van het idele en het rele” gelezen. Daarin legt dhr. A. Schopenhauer dingen uit die ik nu alweer ben vergeten. Dat is ook niet erg want daarna las ik allerlei teksten van en over dhr. J. Derrida, die dat vergeten als een vitaal en noodzakelijk onderdeel van het denken schijnt te beschouwen. Benders had gewoon gelijk: idealisme — het opkroppen van ‘waarheidsmomenten’ — is inderdaad een hersenziekte.
Waar Westerse filosofen elkaar eeuwenlang vliegen afvingen omtrent de vraag welke dingen zich in de wereld bevinden en welke in ons hoofd, probeert Derrida de eenheid tussen wereld en hoofd te herstellen. Zijn loon is dat hij door neo-conservatieven (lees: herboren marxisten) en andere reactionaire systeemdenkers als een nihilist wordt afgeschilderd. Als er geen waarheid is die met fallisch machtsvertoon boven de werkelijkheid uit kan torenen, is er volgens deze patinten: nihil, niets. De gewoonte om Derrida een deconstructivist te noemen en zijn intellectuele voorvader Friedrich Nietzsche een filosoof met een hamer, draagt ook al weinig bij aan de beeldvorming. Beiden zijn geen slopers maar herstellers. De blauwdrukken die door hun voorgangers aan de wereld zijn opgelegd worden niet verwoest maar teruggeleid naar hun rechtmatige plaats: in de werkelijkheid en niet daarboven. Bij Nietzsche gaat dat met harde hand; bij Derrida met zachte. Gedachten gaan niet over de wereld maar zijn in de wereld. Bij Nietzsche strijden ze in de wereld; Derrida zoekt voortdurend de intimiteit op. Hij wijst elk idee van elkaar uitsluitende begrippen af. De dingen en de woorden spelen samen; ze laten elkaar niet onberoerd. Derrida legt dit uit in woordspelerig Frans waar ik meestal geen bal van begrijp — maar intimiteit moet dan ook ervaren worden, niet begrepen.
Op Google Video is om het moment dat ik dit schrijf de documentaire ‘Derrida’ beschikbaar. We zien de filosoof anderhalf uur lang vriendelijk commentaar geven op het feit dat hij bezig is om vriendelijk commentaar te geven ten behoeve van een anderhalf uur durende documentaire. Hij laat daarnaast zijn witte haar knippen in een beeldig model waar Geert Wilders een puntje aan kan zuigen en trippelt omringd door een filmcrew met zijn handtasje over een asfaltweg. Filosofen die hij als een moeder beschouwt, kent hij niet. Hoogstens, zo laat hij doorschemeren, een van zijn navolgers. Oftewel: zichzelf.
Harry, Harrie, Hans en Henk
Harry Slinger verveelt zich zo. Omstreeks 1980 kun je er niet omheen als je per ongeluk STAD Radio Amsterdam aanzet. (In 1980 zet je STAD Radio Amsterdam nooit expres aan.)
Wat is het probleem? Harry woont in Amsterdam-Noord en het is daar “voor jongeren een onbewoonbaar oord”. “Het kost veel tijd om in de stad te komen/Weinig kroegen en bioscopen/Alleen een telefooncel en die zullen we slopen/Want ik verveel me zo in Amsterdam-Noord.”
Slingers lied, dat tot stand kwam door een eenmalige samenwerking met de Amerikaanse componist Bob Dylan, is een exponent van een muziekstroming die aan een herwaardering toe is. Waar Amerikaanse voorbeelden zich vanouds spiegelen aan tot de verbeelding sprekende ambachten als vrachtwagenchauffeur, souteneur of ijscoverkoper, probeerden Nederlandse artiesten aan het einde van de jaren zeventig een stem te geven aan een van de populairste beroepsgroepen van dat moment: de welzijnswerker. In het derde couplet van “Ik verveel me zo” dragen Slinger en zijn groep Drukwerk voor de nijpende problematiek in Amsterdam dan ook een oplossing-op-maat aan: ‘Waar we nu voor willen pleiten/Een eigen ruimte met activiteiten/Zelfstandig wonen en arbeidsplaatsen/Een bioscoop en dat niet als laatste”
Slinger legt zijn eisenpakket op tafel met een accent dat we moeilijk ‘onvervalst’ kunnen noemen. Hij doet zo hard zijn best om elke lettergreep lekker Amsterdams te laten klinken, dat we van de weeromstuit gaan twijfelen of we hier niet met een ludieke Brabantse cabaretier van doen hebben. Toch is bijna dertig jaar na dato van de oorspronkelijke charme van het lied nog niets verloren gegaan. Het is onmiskenbaar het beste nummer dat Bob Dylan ooit heeft gemaakt.
Slinger was niet de eerste welzijnswerker die naar de zangmicrofoon greep. Zijn collega Hans Sanders richtte jaren eerder in Eindhoven al de groep Bots op: een band met zo veel sociaal engagement dat zelfs Duitsers het goed vonden. De roadie van Bots verdiende aan een optreden net zo veel als de zanger/liedjesschrijver want Sanders was van mening dat alles eerlijk gedeeld moest worden. “Er is genoeg voor iedereen.”
In Nederland behaalde Bots zijn grootste succes met het lied “Zeven dagen lang”: een verwarrend pleidooi voor de zevendaagse werkweek waarbij ook nog eens veel uit een vat gedronken moet worden. Het mag dan ook geen verrassing heten dat Sanders later een café begon. De schoonmaker van dit café verdiende veel minder dan Sanders zelf. Volgens Sanders was dit rechtvaardig aangezien hij voor het oprichten van zijn bedrijf een aanmerkelijk financieel risico had genomen. Ik ben geneigd dit met hem eens te zijn maar toen hij in 2003 bij wijze van come-back opnieuw met anti-kapitalistische liedjes het podium opzocht, was de glans er toch een beetje vanaf.
Eind 2007 overleed Hans Sanders en het televisiejournaal beschouwde dat terecht als belangrijk nieuws (dat wil zeggen: het Vlaamse televisiejournaal).
In de stad Utrecht legde welzijnswerker Henk Westbroek weer andere accenten dan de hardwerkende Hans Sanders en de door bioscopen geobsedeerde Harry Slinger. Het sociale onbehagen van de vroege jaren tachtig resulteert bij Westbroek niet in werkbare oplossingen maar in escapisme. Hardop dagdroomt hij erover zich te laten gijzelen, zijn polsen door te snijden of naar België uit te wijken. Uiteindelijk is ook hij maar een café begonnen.
Hagenaar Harrie Jekkers leek van alle geëngageerde popmuzikanten nog het meest op een zingende welzijnswerker maar hij was het niet. Hij was leraar Engels. Daar gaat mijn stukje.
