Author Archive
Het meisje dat te veel van lucifers hield
Een bizarre melancholie grijpt je naar de keel, wanneer je gewend bent geraakt aan die absurde mengeling van het gedachtengoed van Spinoza, Saint-Simon en middeleeuwse ridderromans. Een gedachtengoed dat een jonge vrouw (of is het een man?) bijeensprokkelt om haar (zijn)leven houvast te bieden, nadat haar (zijn) vader zich op een ochtend, banaal als alle andere, heeft opgehangen. Meer verklappen over het plot van dit fascinerend werk van Gaétan Soucy `La petite fille qui aimait trop les allumettes’ dat kunnen Hollandse recensenten veel beter. Dat zijn dé nawouwelaars bij uitstek.
De achterlijkheid van religies gaat in dit verhaal van nog geen honderdvijftig pagina’s hand in hand met een diepe behoefte aan zingeving, aan liefde en oriëntatie in het leven. Rondom ons treffen we slechts een woestenij aan. Een woestenij, jà , maar wel een waar we van houden, omdat we geen andere kennen. Onze naasten springen er echter op een ongehoord barbaarse manier mee om. Ze offeren onschuldige lammeren voor hun eigen platte behoeften en wij zijn veroordeeld daarbij dadeloos toe te zien. Dadeloos? Diep van binnen janken we ons wezenloos, maar we nemen het tambourijn ter hand en dansen mee rond de brandstapel. Overal waar de dood zich breed maakt, daar wordt een god geboren, even bruut, medogenloos en overschillig als zijn voorgangers.
Soucy is een van de weinige schrijvers uit Québec die het gered heeft zonder ten onder te gaan aan het predikaat streekschrijver. `La petite fille qui aimait trop les allumettes’ is een prachtig, adembenemend boek, een speurtocht naar de ziel en door de taal. Soms dacht ik dat het Québequois, het Joual – letterlijk: paardefrans – niet goed begreep. Een paar pagina’s verderop bleek echter dat dat wat ik niet begreep uitgelegd werd. Een krakkemikkige uitleg, zoals te verwachten viel van mensen die woorden niet rationeel hanteren, maar intuïtief, als een onvolmaakt instrument om te duiden waar het in dit leven om draait. Voortdurend klinkt in de zinnen de grote achting door voor dit instrument. Dat maakt het verhaal in meerdere passages tot een vreemdsoortige liturgische tekst. En dat staat dan weer in schril contrast met de horrorwereld waarin je stapje voor stapje, met vallen en opstaan, wordt binnengeleid.
Er waren momenten dat ik dacht dit moeten jongeren lezen die zich identificeren met de gothic-stromingen, de black metal van Ulver of Sigur Ross. Het verhaal heeft zelfs lichte Buffy the vampire slayer-elementen. Maar er is niets `kemp’ aan dit boek. Het is van begin tot het einde doortrokken van een diepe, treurige ernst die als reuma in je botten kruipt. Tranen van levenspijn zijn me in de ogen gesprongen.
Houlala, c’est heavy par bout, zoals Gabriele, een Canadese lezer verzuchtte.
Jo Willems, Cultuurpaleis, 2008
Proust again!
Proust, altijd weer Proust. La Prisonnière deze keer. De verteller, Marcel, ligt in bed na een nacht ruziën met zijn gevangen liefde. Onverhoopt heeft hij heerlijk geslapen. Volkomen verkwikt laaft hij zich aan de geluiden die van straat komen, de venters die in zijn rijke buurt hun waar te veil aanbieden: oesters, garnalen, makrelen (maquereaux = pooiers), asperges. De scharensliep en de voddenman wedijveren met de uien en sinasappels. Het is een groot koor, wiens gepsalmodieer M. terecht vergelijkt met gewijde gezangen. In Carol Reeds `Oliver Twist’ zit een scène, waarin Oliver, fris gered uit de handen van Fagin en Sykes, net als M. na een zoete nachtrust de blinden van het raam wegduwt om de straatventers, die hun waar uitzingen te kunnen zien. Ik ben een boon als het koor van Prousts straatventers niet model heeft gestaan voor het lied Who will buy uit Reeds musical. Proust heeft op deze pagina’s het lied in taal gecomponeerd, dat bij Reed gezongen kan worden. Toeval bestaat niet.
Jo Willems, Cultuurpaleis, maart 2008
Ware liefde – de taal?
Ware liefde is met zijn tweeën kippenbouillon eten uit één soepbol. Maar vanochtend, bij de eerste zonnestraal al trok mijn liefje een vies zuurpruimengezicht en riep: ‘Je tong is droog.’ Toen moest ik aan de wijze woorden van haar vader denken: het huwelijk bestaat uit het oplossen van problemen met zijn tweeën die je alleen nooit gehad zou hebben.
Proust keek heel anders tegen de liefde aan. Voor hem stond liefde gelijk aan het onbekende. Maar ik denk dat liefde bij Proust eerder gelijk staat aan angst: verlatingsangst. Daar komt de arme Marcel helaas niet achter in Prousts niet te stuiten woordenstroom À la recherche du temps perdu. In het deel Albertine disparue schittert hij daarom niet minder met een krachtig bon mot dat mij op het lijf geschreven lijkt: ‘Laissons les jolies femmes aux hommes sans imagination.’ Droge tong of niet!
In een heel ander boek vond ik de volgende zinnen:
‘Comme de bien entendu, la petite Julie va commencer les hostilités avec Max par une fellation qui renvoie les pipes traditionelles au placard. Les amateurs de turlute (wat een fantastische uitdrukking, jóh) en douceur devront chercher ailleurs: Max poussait tellement fort dans la gorge de sa chèrie du moment que la malheureuse était sur le point d’étouffer. (…) Son pétard (alweer zo’n schoonheid) est lui aussi mis à rude épreuve.’
Nu vraag ik me af of die Max een homme sans imagination is, die niet verder komt dan Julie éffrayée en des pipes violentes?
Wat kan ik zwelgen in die taal. Vernederlands het Frans: ‘Liefje, kom je even turluten?’
Ook denk ik aan mijn eerste lessen Frans. Daarin laaft la bonne la tasse en fuumt papa een pipe. Wat deed maman ondertussen met de pipe van papa?
Papa fume la pipe,
Maman pipe papa
Of… was Maman le sigaar?
Jo Willems, Cultuurpaleis, maart 2008.
Vel voor vel
Was het niet Friedrich Nietzsche die beweerde dat er niets verderfelijkers voor de mens bestaat dan zich ‘s ochtendsvroeg vol te laten lopen met andermans gedachtegoed? Ik kan het daar absoluut niet mee eens zijn. Wat een plezier verschaft mij mijn vroeg leeshalfuurtje. Alsof ik weer kind ben en de ochtendmis moet dienen. Het lezen in de vroege ochtenduren verzoent mij met de onafwendbare nieuwe dag, het lezen in de vroege ochtenduren is de onontbeerlijke warming up voor de enige spier die telt (behalve die andere dan): het verstand.
Hedenochtend vroeg was het weer eens zover. De lectuur was van dien aard, dat het leek alsof bovengenoemde spier een injectie van metabole-stereoïden ontving.
Zittend aan het aanrecht lepelde ik slaapdronken mijn kommetje Dokkumer vruchtenmuesli met magere yoghurt naar binnen om daarna, gewapend met een mok dampend hete koffie, mijn zetel aan het raam op te zoeken voor een herlezing van À la recherche du temps perdu. Bij de eerste regels was het al raak. In het laatste deel van Du coté de chez Swann, het deel getiteld Nom de pays: le nom, begint Proust voor de zoveelste keer te jeremiëren over al die slaapkamers in welke hij de slaap maar niet heeft kunnen vatten. En tussen al die mijmeringen door komt hij met de bewering dat echte schoonheid niet iets kunstmatigs is en niet voor Prousts eigen lol en comfort gecreëerd. Schoonheid is volgens Proust van een heel andere orde. Schoonheid is noodzakelijk, onveranderlijk, onontbeerlijk. Schoonheid is derhalve slechts aan te treffen in de natuur en in grote kunstwerken.
Deze stelling vulde mij aangenaam met allerhande behaaglijke gedachten. Totdat de koffie zijn werking liet gelden en mijn nog rustende ingewanden het ‘ontwaakt, ontwaakt’ begon toe te schreeuwen. Spoorslags begaf ik mij naar het toilet om mij aldaar mijn zondig door veel vlees eten verontreinigd lichaam weer te reinigen. Terwijl ik daar op Gods alziend Oog – de Wc-bril – druk doende was met mijn ochtendritueel, begon ik de wanden van mijn nauwe heiligdom te betrachten. Bij het aanschouwen van het door mij zojuist gebracht offer voelde ik mij waarlijk een hogepriester. Totdat de rol closetpapier mijn aandacht trok. Ineens, in een flits, was ik ervan doordrongen dat die Proust eigenlijk ook alleen maar wat voor zich heen fantaseert.
De goed gevulde rol was voor mij als de brandende braamstruik was. Ik hoorde het Ehejeh asjer ehejeh – Ik ben die ik ben en ik zal zijn die ik zal zijn. Wat een schoonheid. En dan nog een schoonheid zonder meer kunstmatig en louter gemaakt was voor mijn lol en comfort. Als in een visioen zag ik de wonderbaarlijke werkelijkheid achter elk van die grijze kringloopvelletjes (nergens is dit woord meer op zijn plaats). Ik zag de duizend zachte, maar o zo sterke, dubbele vloeien, die enerzijds dun genoeg zijn, zodat je ze in elke bilinkeping kunt inbrengen, maar anderzijds dik genoeg, zodat je er niet met je tastende vingers doorheen glijdt.
Van de ene overweging kwam de andere. Wat voor hollanders (niet het volk, maar het werktuig), welbakken en machines waren voor het vervaardigen van dit papier ontworpen? Hoeveel mensen hadden niet de beste tijd van hun leven gegeven om na te denken over de procédés om deze onontbeerlijke attributen van onze beschaving de juiste vorm en maat te geven? Wie had zich niet allemaal het hoofd gebroken over het meten van de scheurweerstand, trekvastheid en het opzuigende vermogen van de voor mij hangende velletjes?
Wat ik aanschouwde mocht waarlijk een wonder heten. Maar was het Prousts natuur? Was het Prousts kunst?
Leo Herberghs – geen mantel, maar een hoed
Voor Campert is de taal een jas waar hij van alles in kan bewaren, Arends kan zich in de jas beschutten tegen de rukwinden van de waanzin en Faverey heb ik ooit de noodkreet horen slaken: ‘Ik ga rekenen, straks gaat de jas weer dicht en zien we niets meer van het bloeden.
Is een nieuwe taal net zo iets als een nieuw kostuum? Je voelt je feestelijk en bent geneigd je te gedragen zoals het kostuum het beveelt. ‘Beminde gelovigen’, is een kostuum net als ‘Hallo, broekenpoepers!’ Eigenlijk zouden ze bij het signalement van misdadigers veel meer nadruk op hun taal moeten leggen. Want haren kun je knippen en verven zonder het te zien, maar een taal verraadt je altijd.
Leo Herberghs is anders dan Campert, Arends en Faverey. Hoewel hij veel weet en veel heeft meegemaakt, is hij een zonnig mens. Hij heeft een mantel niet echt nodig. Wat hij nodig heeft is een hoed. Een hoed die je elke ochtend weer kunt lichten om de wereld te begroeten. Had ik een hoed, ik lichtte hem voor hem (wie was dat ook weer? Teirlinck, Elschot? En voor wie werd de hoed ook alweer gelicht? Boontje?
(Ik heb trouwens een hekel aan literaire raadselspelletjes in de trant van: ‘Behalve den man die de Sarphatistraat de mooiste straat van Europa vond, heb ik nooit een wonderlijker iemand ontmoet dan den uitvreter’ – even snel uit het hoofd geciteerd – Wie was die man? Wanneer iemand het antwoord weet, mag hij het best op deze site zetten!).
Maar ik heb hem niet op – de hoed. Daarom eer ik Leo maar op papier. Daar kan hij dan één, twee, drie, vier een hoedje van vouwen, van papier.
Vrouwen en jassen, ook een interessant onderwerp. Bij vrouwen is volgens mij de stofkeuze heel belangrijk. Bij mannen de pasvorm.
Jo Willems, Sint Jozef, 2008
