Author Archive
De Piet van Baeke gaat winnen, zegt Piet
Niemand heeft mij ooit uit kunnen leggen wat Piet eigenlijk in de poezie te zoeken heeft. Want gedichten schrijven kan hij niet. En iemand die het zalvende geneuzel van Hamelinck verkiesbaar stelt boven het werk van D’haen: laten we even wel wezen, die verdient met pek en veren het toneel afgevoerd te worden. Kijkt u maar op het weblog van Ingmar Heytze. Daar staat een gedicht van die Hamelinck waar de honden geen brood van lusten. Ik citeer alleen de eerste regels want het hele werk zou mijn spijsvertering dermatig ontregelen dat ik voor mijn nachtrust moet vrezen:
Passasti
Van over de blakte van haar zilververte, uit een wittebroodsstad
vloog ze huwelijksgewijze ten ompopulierden paradijze op mij toe.
Beste mensen, weet u wie ik wel eens zou willen ompopulieren? Uit de blakte van zijn zilververte? Die verdwaalde gewichtsheffer, Piet Gerbrandy, met zijn circusdirecteurensnor en zijn dikke zeemansvingers. Van waaruit is die hofnar ooit bij de Volkskrant komen binnenwaaien? Het kofschip? Als dit soort gepriel, dit soort pretentieuze tierlantijntjespap, deze recht uit de tandeloze vergetelheid ontsproten kapperfantasietjes voor poezie door moeten gaan, nou, dan is Kees Ceelen niet meer van de partij.
Helaas is Piet echter establishment. Had hij bij mij in de klas gezeten dan had ik wel raad met die Gerbrandy geweten. Ik ken mijn pappenheimers. Ik weet precies waarom die man zo’n imposante snor liet groeien. Hij is de zelfbenoemde circusdirecteur van het Nederlandse Prijzencircus. In de leeuwenkooi zul je hem echter nooit aantreffen: zijn voorkeur voor bargoense pietpraat verraad zijn clownesque verleden. Piet, Piet, vertel eens, wie gaat er volgend jaar de VSB poezieprijs winnen? Kijk nog eens in de kristallen bal, want het circus breekt alweer op en trekt verder.
Kees Ceelen
De Vampier van Gerrit Achterberg
Zo mensen, het weekeinde zit er weer op. Uit de statestieken hier op de onderhoudspagina blijkt dat mijn artikelen het meeste worden gelezen op Loewak. Dat is een hele opsteker, dat ik op mijn leeftijd nog graag gelezen wordt door mensen. Olaf Risee van In Letterland plaatste vandaag zelfs een heel artikel over mij. Dank, het doet mij deugd dat er nog mensen zijn die wel weten waar de klepel nog hangt.
Er zijn ook negatieve reacties. Daar zal ik mij even tegen verweren. Allereerst ene ‘Jolie’ die te beroerd is haar achternaam te vermelden. Of ik soms Peter Wullen ben. Dit is nou typisch dat literaire ‘ons kent ons’ wereldje: onbekende mensen bestaan in niet in Literair Dorp Nederland. Als je je als onbekende wilt manifesteren moet je waden door een woud van verdachtmakingen. Wilt u soms mijn telefoonnummer?
En met alle respect, maar die Wullen is overduidelijk een groentje die moeite heeft de eigen veters aan elkaar te knopen. Onbegrijpelijk dat Benders die kerel in de hoofdredactie heeft gezet. Maar ja, wat verwacht je van iemand die meent dat een literair blad voldempen met drugsvideos op een of andere wijze bijdraagt aan de sfeer. Of dat gemekker van die Benders over zijn ADHD of zijn dagindeling: die kerel is in staat zijn boodschappenlijstjes online te posten alsof ze van marsepein zijn.
Om maar niet te spreken over zijn plannen voor dit blad: een fatsoenlijk literair blad krijg je toch niet door jan en alleman postrechten te geven? Benders, je hebt ze niet alle vijf. Eerst Wullen in de hoofdredactie zetten en dan een waslijst schrijvers publiceren waar je nooit wat van hoort. Wie zijn die mensen, ik heb ze hier nog niet één keer zien posten.
Nee, vooralsnog is het die oude Kees, die ‘stoffige leraar’, die hier de kar moet trekken. En dat doet Kees door af te sluiten met voor de afwisseling eens een mooi gedicht, van de hand van niemand minder dan Gerrit Achterberg:
Vampier
Melaats van een bemoeienis,
die langs mijn nachten sluipt;
die met de morgen binnenbreekt;
zich over mijn huid
uitstrekt, gelijk een bruid,
en kust het vlezen woord,
dat in mijn keel geboren wordt.
Voeten gaan zwaar en leeg
door het deeg van den dag;
de helleveeg glimlacht
tegen den engel, die niets vermag.
Gerrit Achterberg
Kwibuskenner Hans Groenewegen
Vandaag, beste mensen, wil ik het eens hebben over het feit dat het treurig is gesteld met de Nederlandse poeziewereld. Dat zeg ik u als ervaren poezielezer die al meer dan 30 jaar poezie leest. Nederlandse poezie, ja, want dat buitenlandse gedoe laat ik graag andere vakken over. Ik heb alle grote namen uit de Nederlandse poezie tot in finesse gelezen: Marsman, Bloem, Achterberg, ja, zelfs af en toe Lucebert. Als het weekeinde aanbreekt net als nu zul je mij niet voor de treurbuis zien zitten: ik kruip op de bank met een boek.
Als leraar word je echter in de poeziewereld niet serieus genomen. Vroeger ging ik wel eens naar literaire bijeenkomsten. Vadsige aardappelzakken drommen samen om, nippend aan een goedkoop wijntje, hun borrelpraat de leegte in te strooien. Je word er als onderwijzer met de nek aangekeken. Jij hebt geen bundeltje uitgegeven. Jij hoort er niet bij, bij de elite van kletsmajoren en beroepszwetsers. Beste mensen, laten we even wel wezen: 90% van wat er in de Nederlandse poeziewereld rondloopt loopt daar puur en alleen voor een enkele reden: aanzien. Deze broedelende kneuzen menen dat het recyclen van gebakken lucht een literaire aangelegenheid is. Kom daar maar eens tussen staan als serieus poezieliefhebber. Gezwets, daar heeft een beetje poezieliefhebber een broertje dood aan. Gezwets is de Grote Antipool van de Poezie, Gezwets is het meest poeziedodende instrument uit de menselijke kundenkoffer.
Deze week was het weer raak. In Letterland. Weer twee bundels die ik niet hoef te gaan kopen. Beide afkomstig uit de stal van één man, zo heb ik begrepen, ene ‘Hans Groenewegen’. Die man ken ik niet. Hij lanceerde afgelopen week liefst twee dichters mijn huiskamer in via In Letterland: Samuel Vriezen en Kurt de Boodt. Dit ga ik even bespreken.
Allereerst Samuel Vriezen. Ik kan na het lezen van de voorpublicatie niet anders dan concluderen dat dit rare kwibuspoezie is. En dat Benders het dan bespreekt, tja, dat hoort zowiso niet het werk van vrienden bespreken. Hoe serieus kun je zo’n recensie nou nemen?
Dat soort poezie is aan mij niet besteed, daarom zal ik er niet veel woorden aan vuil maken. Het dient echter gezegd te worden dat bij Vriezen tenminste nog een serieuze ondertoon in het werk speelt.
Mijn mond viel echter open toen Groenewegen later in de week ineens met ene ‘Kurt de Boodt’ kwam aankakken. Mensen, wat een ellende. Groenewegen begint al met grif toe te geven dat hij de Boodt niet eens kent en nooit ontmoet heeft voor hij het bundeltje heeft uitgegeven. En dan volgt een enorm lang kletsverhaal van Groenewegen, waarbij je denkt: blij dat ik dit niet heb hoeven aanhoren. Schijnbaar is ter zake komen niet poetisch genoeg, tegenwoordig. Schijnbaar moeten de keeltjes drooggeluld worden om meer borreltjes te verkopen. Het ellenlange, wazige relaas wordt gevolgd door enkele van de meest knullige gedichten die mij afgelopen jaar onder ogen zijn gekomen. Ik citeer er eentje:
Hop paardje hop
Ernst maximaliseren om te doen uitbarsten lach
banden over Oostende tok! tok! harp in de branding
opblaasballen aan het lijntje van Zwitserse wandel
stokken met pince-nezs picknicken in driedelig pak
ja = nee koest Fifi hier zeg ik al dat afval pootje
baden onder overspelige rokken strooi zand tussen krasse
tandjes ju ju paardje! blozen als zeezieke tsaren in ochtend
bladen bloedbaden troosteloze zondagen ‘t kindje kent
z’n mama niet boze koetjes grazen en jij krijgt niemendal.
Beste mensen, bent u er nog? Wat is dit voor oeverloos gereutel recht uit het toverballenapparaat? Moet ik daadwerkelijk een kletsverhaal van 2 uur lang aanhoren om vervolgens een plakkerige poezielolly in mijn keel te krijgen geschoven door een overjaarde puber die, getooid in een veel te krap padvindersbroekje, rare huppelsprongen op het podium staat te maken?
Op de televisie zie je wel eens programma’s waarin men een aantal halfgare idioten vrij gebruik van een camera geeft. Zulke mensen gaan dan steevast ‘lekker gek doen’ voor de camera. Ze trekken wat malle gezichten, en hop paardje hop het televisieprogramma is alweer klaar. Ook Kurt de Boodt doet ‘lekker gek voor de camera’ en Kwiebuskenner Hans Groenewegen vond hem rijp voor een groter publiek. Hij noemt namelijk in bovenstaand gedicht een schilder, beste mensen, en dat is intellectueel. Zo intellectueel dat je er een stukje van twee uur over gaat schrijven.
Nee, die Hans Groenewegen zal ik nooit meer serieus nemen.
De uitgever en het nablijflokaal
wat Buehler in alle hazerigheid hier kwam neerplempen. Je zult nooit leren recenseren of schrijven als je zo doorgaat. Je lijkt mij een nogal ontvlambare jongeman die niet de tijd neemt stukjes daadwerkelijk te lezen. Opletten, huiswerk maken, niet voor de beurt spreken. Meer heb ik er niet over te zeggen.
Als onderwijzer moet je vanuit de eenzame hoogte lesgeven. Een onderwijzer die zich identificeert met de leerling is een verloren onderwijzer. Een onderwijzer die zich ‘invoelt’ in zijn leerlingen staat binnen korte tijd over Games en Handies te kleppen en werkt zo mee aan de algehele taalverloedering.
Wat mijns inziens altijd een onderbelichtte rol in het onderwijs en ook de literatuur heeft gehad is het nablijven
Het nablijven is een bezinningsperiode voor de leerling. Bedoeling is dat hij zijn zondes en gedrag gaat overdenken. Ook in de literatuur zouden schrijvers en dichters zulke periodes moeten inlassen. Desnoods zou de uitgever eraan te pas moeten komen. Niet meteen aan het volgende boek gaan werken als een tiepverslaafde chimpansee maar eerst een tijdje nablijven en overdenken wat nu eigenlijk allemaal verkeerd is gegaan bij het vorige project.
De weerbarstige, corrupte inborst van de mens kennende zal daar echter wel niets van komen vandaar mijn idee dat juist Uitgevers een soort nablijflokaal zouden moeten inrichten voor hun fonds schrijvers. Daar hoeft verder geen liniaal of stok aan te pas te komen, het is puur een bezinningskwestie. Goed voorbeeld van taalverloedering ook: vroeger noemde iedereen het nablijven, tegenwoordig noemen ze het ‘mediteren’ en verdienen ze er nog geld mee ook. Als ‘nablijfspecialist’ ben je een banneling, als ‘meditatiespecialist’ wordt je met open armen ontvangen. Zie daar de volslagen taalverloedering van deze tot op het bot corrupte maatschappij in haar meest nijpende verschijningsvorm.
Wanneer heeft een schrijver of dichter genoeg nagebleven? Als hij in een persoonlijke openbaring al zijn tekortkomingen voor zich ziet en boete weet te doen voor de geest. Als een nieuw mens zal hij het nablijflokaal van de Uitgever verlaten en eindelijk eens boeken gaan schrijven die zoden aan de dijk zetten.
Kees Ceelen
Met een boek op de bank
Beste mensen,
Het spijt mij als mijn oproep tot het sturen van dichtbundels overkwam als ‘adverteren’, mensen die graag mij hun boek of dichtbundel willen laten bespreken kunnen beter even contact opnemen met mijn facebook profiel daarop staat mijn email adres vermeld. Het is niet mijn bedoeling om u verder lastig te vallen met mijn persoonlijke sores.
Dat de Heer Buehler Joods is vind ik niet zo heel relevant, ik begrijp eerlijk gezegd niet wat dit met de discussie te maken heeft. Hij had de persoonlijke keuze zijn gedicht te verantwoorden maar dit heeft hij nagelaten, ik vind dan dat hij zijn geloofwaardigheid als dichter heeft verspeeld. Een dichter moet ten alle tijden het werk kunnen verantwoorden, vind ik, zelfs midden in de nacht als men hem pardoes wakker schudt.
Het regent vandaag in Eindhoven, perfect weer dus om lekker met een boek op de bank te kruipen. Ik zal deze week weer een bundel bespreken die ik heb gelezen, stuur uw boeken naar mijn faceboek profiel en ik zal ze binnen een maand lezen en bespreken. Ook kranten die interesse hebben in mijn besprekingen zijn welkom, behalve het Eindhovens Dagblad.
Over de eigen paapse keutels uitglijden
Kees Ceelen
xxxxxx xxxxxxxx xx
xxxx xx Eindhoven
En voor dichters die weigeren dit te doen zal ik de consumentenservice van Olaf Risee nuttigen die het ons mogelijk maakt een bundel te bekijken zonder deze eerst te moeten aanschaffen. Overigens wel eigenaardig dat Risee er meteen Benders op zet na mijn bespreking, alsof die twee onder één hoedje spelen. Op een positieve bespreking hoeft Benders niet te rekenen, een goed onderwijzer laat zich niet lijmen.
En dat die Maurice Buehler hier zijn poedelbad Latijn komt bezigen naar aanleiding van mijn bespreking: was het mijn student geweest dan had hij gewis een paar uurtjes na moeten blijven om tot bezinning te komen. Een soumis avant la lettre, want als Buehler ruggengraat had gehad had hij zijn werk verdedigd in plaats van als een euneuch in de coulissen over zijn eigen paapse keutels uit te glijden.
Kees Ceelen
