Archive for the ‘Poezie’ Category
Jo Willems over Karavanserai
Jo Willems schrijft op zijn weblog over Karavanserai:
Karavanserai van Martijn Benders is een van de opmerkelijkste gedichtenbundels die ik de laatste jaren in het Nederlands heb zien verschijnen. Of Benders een derwisj in zijn pozie is, zou ik niet durven beamen. Wel deed hij me soms aan Borges’ poezie denken: sterk verhalend, vol rake observaties die verwondering wekken, nieuwsgierigheid, melancholisch stemmen. Maar Borges is beeldvaster. Wanneer hij je aan de hand neemt, dan loopt het de straat in Buenos Aires met je af, tot het einde. Bij Benders moet je altijd oversteken, teruglopen, struikelen, je een geur in je neus laten duwen. En wanneer je tijdens het lezen als eens op je snufferd valt, staat het gedicht op zijn kop. Misschien dan toch een derwisj? In elk geval – ondanks de springerigheid in beelden – mag Benders van mij de epitetha die ik op Borges geplakt heb trots op zijn gedichten plakken. Hopelijk gaat dit nog groeien, zodat de kinderen over tien jaar elkaar met zijn zinnen om de oren slaan.
Recensie: ‘Nieuwe Sterrenbeelden’ van Peter Verhelst

Afgelopen april, tegelijk met mijn bundel Karavanserai, kwam de nieuwe bundel van Peter Verhelst, ‘Nieuwe Sterrenbeelden’, uit bij uitgeverij Prometheus. Het is een dikke bundel geworden, mooi vormgegeven maar met een zachtpapieren kaft die helaas drie tochten naar het strand later al behoorlijk verfrommeld is. Niet erg rugzakproof, dus.
De bundel bevat losse gedichten en wat cycli zonder dat deze in hoofdstukken zijn gerangschikt. Ook moet ik opmerken dat ik het eerdere werk van Verhelst niet ken zodat ik niet in staat ben vergelijkingen te trekken. Nieuwe Sterrenbeelden is dus de eerste bundel van Verhelst die ik lees. In een interview met de Poeziekrant laat Verhelst weten te vinden dat hij altijd onterecht als postmodern in de boeken is weggeschreven. Nu is die classificatie ‘postmodern’ natuurlijk zowiso vrij vlak omdat technisch bezien alle poezie die na de jaren 50 geschreven is postmodern is. Ik kan me best voorstellen dat zo’n zouteloze beschrijving een serieus dichter geen plezier zal doen.
Het eerste wat me aan de gedichten van Verhelst opviel is het filmische karakter van zijn werk. Verhelst is een ongenaakbaar goede cameraman die snel, scherp en vol vaart beelden oproept met zijn woorden die lang in het hoofd nagalmen. Zijn gedichten zijn van een ontstellend direkte lichamelijkheid; steeds weer zoekt hij middels zijn gedichten de confrontatie op met het lichaam – vooral het lichaam van zijn geliefde en van zichzelf. Om een voorbeeld te geven van het filmische karakter van zijn werk, hier het gedicht ‘klein mogadishu’:
KLEIN MOGADISHU
Raar maar
waar is alles gebleven waar we van droomden – is alles uiteindelijk toch maar
een hoop vet van een stoel in een afvoergeul glijdend?
Uit de plooi in het normale puilt materie: vrouw
met de armen rond de buik geslagen, buiten zichzelf geschud
op de vloer van een bankkantoor. Erboven een hoofd, geduwd
in een Mickey Mouse-masker. De man heeft de loop afgezaagd
van de dingen: gulpende kern onder de handen van de vrouw,
knipperlichtogen, rode vinger op zoek naar de alarmknop.
Men beweert dat materie bestaat
uit leegte, als hij al bestaat. Of dat de dingen niets meer zijn
dan mogelijke bewegingen van het bewustzijn, neuronenwindingen
waaruit vonken opspatten.
Een tepel trekt samen op de borst
van de vrouw. Een vlek vormt een plas
kloppend als een kinderhart. Een vlies trekt over de leegte
onder de hand van de vrouw, verhardt
tot een ruggengraatje.
Misschien zijn we getuige, misschien medeplichtig,
misschien zijn we ons leven anders aan het dromen, maar we knielen bij de vrouw
als betuigen we eer aan een wonder. Hoofdje, schouders, materie
in onze handen. De glazige navelstreng. We voelen ons menselijk
Na de feiten trekt betekenis terug in de dingen. Het masker lost op
en de man loopt achterwaarts het bankkantoor uit. De plas kruipt
in de vloertegels. De vrouw komt moeizaam overeind. We rapen
een brandende sigaret van het trottoir en elke keer als we zuigen
wordt de sigaret langer. We stappen in een auto en rijden naar huis.
We worden liefdevol gekust
Niet langer dan een seconde zijn we ons
van geen kwaad bewust.
(Voetnoot: twee inspringingen in het gedicht overleefden de wordpress opmaak niet.)
Wat dit gedicht bijzonder maakt is niet dat het over een bankoverval gaat, zoals dat in eerste instantie lijkt. Ook niet dat Verhelst deze achterstevoren op de poeziespoel legt, wat een sterk vervreemdend effect heeft. Het gedicht moet wel over een gebeurtenis tijdens Operation Restore Hope in Somalie gaan, maar wat Verhelst hier doet is op een vreemde wijze geboorte en dood aan elkaar binden. Het is een heel spannend gedicht dat ook volledig tijdloos en apolitiek te lezen valt, hoewel het dan wel een betekenislaag verliest – De Mickey Mouse is uiteraard de Amerikaanse indringer. Verhelst vermengt in een enkel gedicht dus politiek engagement, filosofie, lichamelijke spanningsvelden en dat allemaal rijdend in zijn achteruit. De slotconclusie van het gedicht is prachtig. Wijst deze op de onontkoombaarheid van het lot?
Verhelst is een meesterlijk stilist. Zelden zag ik zulke met verve uitgevoerde minimalistisch-absurdistische themawisselingen als bijvoorbeeld in zijn cyclus ‘ kijken in de zon’. Een prachtreeks waarin Verhelst als een klassiek meesterschilder de contrastwerking van het licht op het liefdesleven neerzet. Zijn werk komt altijd terug op de confrontatie met de ander. Zijn werk is beladen met een vervreemdende, symbolistische erotiek. In elk van de gedichten in de lichtreeks, en misschien wel door de hele bundel, lijkt de geslachtsdaad ofwel de basis ofwel de uitkomst ofwel het motief van het gedicht. Verhelst weet echter deze lichamelijkheid op zeer eigen wijze uit te lichten, vaak met een klinische tragiek en met een pallet van perspectiefwisselingen en vervreemdend contrast. Neem bijvoorbeeld het gedicht ‘in het donker licht een lamp te branden’:
IN HET DONKER LIGT EEN LAMP TE BRANDEN
We wisten van het bestaan af
van de donkere kamer. Het was een kwestie
van juiste tijd en plek om elkaar te vinden. Stilte
en donker dat je zenuwen lamlegt. Geduld om hitte
tot ontwikkeling te laten komen. We waren op de hoogte
van de voorwaarden voor een gelukkig leven.
Met uitgestoken handen gingen we de kamer binnen. Na een tijd
leek het donker op marsepein, van binnenuit verlicht, maar
het gedroeg zich als een lichaam, met alle gevolgen van dien.
In de donkere kamer brandde een lamp
en die lamp waren wij: gloeidraad en glas, gas en oog
om traag in uit te doven, lang nadat we zullen zijn
verdwenen. En ooit, en ooit. en ooit, zongen we, jubelde het
ons de ogen uit. Nooit, nooit, nooit, echode het.
‘Nieuwe Sterrenbeelden’ is een bundel die volstaat met gedichten als deze, gedichten die op een fragiele wijze de hoop optekenen, de hoop op een oplossing, op een ontwikkeling uit die donkere kamer van de menselijke geest. Verhelst zoekt steeds middels de lichamelijkheid de confrontatie met de ander, omdat hij die hoop niet opgegeven heeft. Steeds weer voert hij in de deze vaak heftige confrontaties zachte, discordante elementen ten tonele als bijvoorbeeld de marsepein in bovenstaand gedicht. Verhelst schrijft eigenlijk schrijnend mooie, tragische en eigentijdse liefdespoezie.
‘Nieuwe Sterrenbeelden’ is een belangwekkende, volwassen en geraffineerde bundel die Verhelst als een van de belangrijkste dichters die het Nederlands taalgebied momenteel rijk is neerzet. Het is mijns inziens zeker een van de beste werken die afgelopen jaren zijn verschenen en de bundel zal hopelijk een groter publiek weten vinden.
Ingmar Heytze over ‘Karavanserai’
Ingmar Heytze schrijft op het weblog ‘Blanco Regel’ het volgende:
Ik zit nu te lezen in Karavanserai van Martijn Benders, en dat is een mooi, sterk debuut, goed gestructureerd en met een behoorlijke dichtheid van geweldige gedichten – je kunt merken dat Benders geen obligate Nederlandse boekenkast bezit, maar ook veel over de grens leest, waardoor zijn eigen gedichten soms lezen als zeer goede vertalingen van Engelse gedichten.
De beste dichter van Nederland volgens Benders
U kent ze wel, die B-films die zo slecht zijn dat ze eigenlijk gewoon steengoed zijn geworden. Willem Adelaar is zo’n B-film. Ik heb hem slechts n keer zien optreden. Een kalende man in een vaal spijkerpak, die bij elk woordje over de microfoon heen glundert naar de 12 huisvrouwen die hem overal achterna reizen en bij elk woordje uit Adelaars mond geil aan hun parelkettinkjes trekken. Adelaar, de kwaaiste niet, geeft elk van hen een netjes afgemeten portie zelfgenoegen en torpedeert de arme vrouwen met de ene geniale inval na de andere. Leest u maar even mee:
Dit is door het latende kunnen
de wil die je uit zegt te geven
komt in een langs aan langs zijn
naar de beneden gerichte verwaaiing
Heeft u wel eens last van zo’n naar beneden gerichte verwaaiing? Die het latende kunnen wil zegt te gaan uitgeven? Langs aan langs nog wel? Nou, ik kan u verzekeren dat als u naar een optreden van Willem Adelaar gaat zulke naar beneden gerichte verwaaiingen u om de oren gaan vliegen. We lezen even verder:
onder beschutting daarin te laten
tegenover het door te vloeien
van slokkende berustbaarheid
Diep. Dit is diep. Heel diep. Je slokdarmen gaan ervan in de knoop zitten. De beschutting in regel 1 symboliseert natuurlijk die verwaaiing. Willem wil hiermee zeggen dat, hoezeer de boel ook aan het verwaaiien is, de zaak ook als beschutting kan worden ervaren tegenover het ‘doorvloeien’ van die, inderdaad, slokkende berustbaarheid. Ik voel hem. U ook? Sluit aan in de rij. Zijn spijkerpak begint nu pas warm te lopen:
mort zich door aan te dringen
het gescheelde uitdragende weten
blijkt ook het zicht te kerven
Dit is natuurlijk de dubbele bodem in het gedicht, de valkuil die Adelaar daar moedwillig eigenhandig met zijn grote sociologenhanden heeft ingegraven. Voelt u hem? Die mort, die zich, nadat hij de slokkende berustbaarheid heeft overwonnen, het gescheelde uitdragende ook blijkt het zicht te kerven? Kijk, poetisch is het natuurlijk niet, maar daar gaat het bij Adelaar niet om. Adelaar wil, net als zijn Duitse Bondgenoot, vooral glunderen. Gescheeld uitgedragen glunderen, met de ogen rondkervend door de beschutting van het kreunende publiek dat zo’n overdaad aan gevoel gewoon niet meer lijden kan. Adelaar gooit er nog een laatste strofe tegenaan:
de weersomzet tot duizelen brengt
geen uitstervende nog in bereik
noem jij mij de nabijheid
keer ik de uiterlijkheden.
Geloof mij maar, na zo’n gedicht moet je het oude taartenvet van de bierviltjes schrapen. Nee, Adelaar is dan wellicht de meest lachwekkende dichter van Nederland, maar dat past uiteraard prima in het rijtje meest lachwekkende MP, meest lachwekkende DDV, etc. Adelaar is gewoon onmisbaar en voor Nederland gewoon de beste dichter die momenteel voor handen is.
Het hele gedicht kunt u hier bij Mijnheer Vianen lezen.
De ellende van het poezierapport
Maar goed, Yves Joris, nietszeggend als de man is, is een engel vergeleken bij Delmotte. Die man is een slaaptablet op pootjes. Ik heb geen enkele bespreking van hem kunnen afronden zonder mijn ogen met luciferhoutjes te stutten. Dat heilige huisje ‘schrijven is schrappen’ gaat klaarblijkelijk niet voor recensenten op.
Minimalisten die surrealisten verwijten niet minimaal genoeg te zijn. Expressionisten die impressionisten onder de neus wrijven niet flamboyant genoeg te zijn. Realisten die symbolisten symboolgebruik verwijten. Zie daar het kakelhok van de gemiddelde nederlandse recensent, de dictatuur van de ongetrainde, vastgeroeste smaak.
Het is een universeel fenomeen: de kalende veertiger die nog steeds dag in dag uit naar de muziek luistert van zijn tienerjaren. Dat is MUZIEK, mijnheer. En dat, dat beste mensen is zeer zeker geen muziek. Men moet het beheer van de esthetiek vooral aan dit soort kalende veertigers laten. Stelt u zich eens voor dat de wereld, al was het maar een enkel moment, zou vergeten wat POEZIE is.
En dan hebben we natuurlijk ook nog de befaamde zijlijn: Peter Wullen, de Zoef-de-Haas van mislukte recensenten, de man die dezelfde dag dat hij Karavanserai ontving al zijn recensie had geschreven en deze een maand later, nadat ik hem op zijn hazentoefje had getrapt, in negatieve zin heeft aanpast. Zo integer is mijnheer Wullen wel: jammer alleen dat het niemand wat kan schelen. Voorts poogt Wullen vervolgens ook nog recensent Erik Lindner, die hoog boven zijn niveau uittorent, op wat flauwiteiten te pakken. Kan poezierapport niet alvast een plek voor deze fabeltjeskrant-recensent inruimen?
In zijn kielzog een zak hooi met usb-plug: Marc Tiefental, die roept: “Benders was namelijk zo dom geweest Michaux in zijn gedichten te parafraseren, wat in pozie neerkomt op plagiaat”. Zozo. Dat soort reacties kun je schijnbaar in poezieland verwachten als je een bundel uitgeeft. Maakt niet uit dat Michaux gewoon bij name wordt vermeld: nee, plagiaat is plagiaat, ook als de naam van de auteur er gewoon bij staat. Nou, dat weten we dan ook weer. Ik stel voor dat we deze Tiefental snel een pluchen zetel bij poezierapport geven, of in Awater, naast de uitzakkende stoel van Hoorne. Dan maken we Bert Kuijpers de volgende Dichter des Vaderlands en is het circeltje mooi rond.
Leuk stuk poeziediscussie
Op Leestafel ontstaat langzaamaan een aardige poeziediscussie nav wat van mijn gedichten:
De gearceerde stukken zijn van Pieter, een man die graag begrijpelijke boodschappen in gedichten ziet.
Gedichten publiceren is voor mij een vorm van communicatie.
Tja. Waarom hoor je dat eigenlijk bij schilders nooit, dat die schilderen om met het publiek te communiceren? Ik blijf dit een hele eigenaardige, op de 60′er jaren gestoelde maatschappelijk werker logica vinden. Kunst voor de begrijpelijke man. Wat ik niet goed begrijp is waarom dichters daar altijd mee om de oren worden gegooid en schilders niet.
De dichter(es) wil iets overbrengen op de lezer.
Waarom zou je niet poezie kunnen schrijven om met jezelf in het reine te komen, om maar een klein voorbeeld te noemen? Wat is dat voor een eigenaardige neiging om steeds maar de *primaire* functie van poezie een soort van maatschappelijke, didactische functie toe te schrijven? Ik vind dat echt nergens over gaan, het spijt me.
Bij de hermetische dichters vind je dit voor 100% terug omdat de inhoud van een hermetisch gedicht geen betekenis heeft, de naam zegt het al.
Dit is onzin. Hermetische poezie, in de zuivere zin van het woord, is poezie waarin verborgen sleutels zitten die je kunt gebruiken om de inhoud te ontsluiten. Het woord wordt echter ook foutief gebruikt om een soort brabbelpoezie mee aan te duiden die totaal geen betekenis heeft. Zulke poezie is helemaal niet hermetisch.
Zoals Dettie zou ik willen begrijpen wat bedoeld wordt; blijkt de dichter na afloop te zeggen: ik heb er niets mee bedoeld dan voel ik me als lezer verneukt.
Je lijkt mij een erg rationeel persoon, een alfa-persoon. Mijn gedichten zijn sterk visueel. Ik geloof dat daar de schoen wringt: een onvermogen dingen niet abstract maar juist visueel te zien.
In zijn eerste antwoord aan mij geeft hij zich al een beetje bloot; hij vindt het weergeven van het eerst bij je opkomende woorden (naturalisme) gekunsteld
Uitermate gekunsteld, want zeer bedrieglijk. Er zijn nauwelijks dichters te vinden die zomaar wat opkomende woordjes neerpennen en dan klaar zijn. De meest eenvoudige gedichten zijn juist bedrieglijk gekunsteld.
waardoor het woord gekunsteld zijn hele betekenis verliest omdat de meeste mensen onder gekunsteldheid het tegenovergestelde verstaan.
Maw naast de maatschappelijk werker theorien, de foutieve definities en de rationele, dualistische benaderingswijze verbiedt Pieter ook nog eens discussie over de inhoud want die inhoud is democratisch door het woordenboek vastgesteld.
Zo lust ik er nog wel een paar, Pieter.
