Archive for October, 2008
Cultuur contra Civilisatie
Cultuur contra civilisatie – De hoogtepunten van de cultuur en die van de civilisatie liggen ver uiteen: men moet zich omtrent het peilloos diepe antagonisme tussen cultuur en civilisatie niet laten misleiden. De grote momenten van de cultuur waren altijd, moreel gesproken, tijden van corruptie; en anderzijds waren de tijden van gewild en afgedwongen dierentemmen (‘civilisatie’ -) van de mens tijden van onverdraagzaamheid voor de meest vergeestelijkte en dapperste naturen. Civilisatie wil iets anders dan wat cultuur wil: misschien iets tegengestelds…
Friedrich Nietzsche, uit ‘Herwaardering van alle Waarden’, Uitgeverij Boom
Istanbul, de koningin der opiaten
Mijn ouder vriendin Ilse is hier op bezoek. Ik had haar al bijna 20 jaar niet gezien. We waren jonge punks, destijds, politiek aktief en hopeloos naief en ook onbeholpen. Raar natuurlijk iemand te zien die je bijna 20 jaar niet gezien hebt, maar Ilse en ik hadden destijds wel een band. Dat was nog steeds zo, ze schoot meteen in de lach toen ze me op het vliegveld zag en we hebben de hele week door Istanbul gelopen, gepraat, raki gezopen en gefilosofeerd.
Istanbul is voor mij een soort opiaat. Het geheim van een goed opiaat is dat je het intense besef hebt dat je niet relevant bent. Dat je niets bent, dat je niet bestaat. Dat niks er ook maar een millimeter toe doet.
Mensen die nooit opiaten gebruikt hebben begrijpen daar natuurlijk niets van. Zij vinden het hele idee irrelevant te zijn een deprimerende gedachte. Toch is dit juist de magie van een grote stad: de volslagen gelukzaligheid van het onbeduidend zijn, het getorpedeerd worden met indrukken tot je zintuigen lens zijn.
Wellicht is het zelfs zo dat mensen die in een grote stad wonen onterecht van arrogantie worden beschuldigd. Want in dat grote, verzengende niets waarin niets er toe doet is ook de bezoeker vaak volslagen irrelevant. Dat merk je bijvoorbeeld in Berlijn of Parijs. Maar dat is nu juist het snufje extra ook weer wat Istanbul te bieden heeft: een gigantisch metropool met eigenlijk overal katten, tierlantijntjes, knusse straatjes, montere mensen, vlekkeloze bediening, transparante sfeer – Istanbul is de koningin der opiaten, een glitterend doolhof voor de ziel waaruit het nooit meer ontsnapt. Ik sprak een keer een oude Turkse man die zijn hele leven nooit Istanbul uit geweest was. ‘Dit is mijn gevangenis’ zei hij en hij gebaarde om zich heen. Ik zei hem dat met zulke mooie gevangenissen de vrijheid zelf een vervelende cipier wordt. Of dat had ik eigenlijk willen zeggen. Ik denk zelf ook niet dat ik hier ooit nog weg zal gaan.
De toneelhaak, jongens, de toneelhaak…
Je leest echt de meest abjecte onzin als je even wat literaire essays doorbladert. Goed voorbeeld is deze zin die ik recentelijk tegenkwam, al ben ik vergeten waar:
‘Poezie is experimentele literatuur’
Ja, natuurlijk, denk je dan. En schilderen is experimentele kunst.
Het is werkelijk niet te filmen hoe belabberd oppervlakkig de pamfletistische denktrant van sommige zogenaamde ‘essayisten’ kan zijn.
Het ultieme icoon van de gekwelde dichter
Ik ben een fervent tegenstander van voorlezen, maar voordragen daarentegen vind ik een kunstvorm op zichzelf. De ultieme meester in het voordragen van poezie was uiteraard Dylan Thomas. Ik heb na hem geen enkele dichter meer gehoord die zijn performances weet te benaderen – hoewel ik geen groot fan van Pound ben, in wiens werk ik een soort fopintellectualisme ontwaar (hoewel je in zijn enorme geldingsdrang wellicht ook een voorloper van het postmodernisme kunt zien – het gedicht als boekenkast) – waren de voordrachten van Pound juist weer erg bijzonder; niet zozeer omdat ze perse zo goed waren maar juist omdat er zo’n enorme lading op lag: Pound is het ultieme icoon van de gekwelde dichter als banneling, terwijl Eliot eigenlijk het ultieme icoon van de gekwelde dichter als bureaucraat is. Ik zie tussen deze beiden een soort polariteit van miskenning spelen: Pound, het eeuwige onbegrepen genie en Eliot, het roepende genie uit een woestenij van boeken. Als ik de drie belangrijkste Amerikaanse dichters van de 20e eeuw zou moeten benoemen zijn dat voor mij Pound, Eliot en Williams. Niet omdat ik dat ook de beste dichters vind – ik hou niet zo van Pound, ben een groot fan van Williams en een beperkt liefhebber van Eliot, maar deze drie hebben voor mij de grootste iconiclastische lading. Dat is eigenlijk ook een soort voordracht, maar dan in het metafysieke.
Ik begrijp niets van die voorleescultuur
Ik ben nog steeds ziek. Morgen komt een vriendin die ik al een 15 jaar niet gezien heb naar Istanbul en ik moet haar ophalen van het vliegveld wat zo’n 5 uur reizen vanaf het eiland is – gelukkig wel grotendeels zittend en theedrinkend op het schip.
Waarschijnlijk ga ik binnenkort verhuizen. Ik heb nu bijna 4 jaar op het eiland gewoond, maar we gaan nu waarschijnlijk een huis kopen in Kuzguncuk, een pittoreske wijk langs de Bosperus. Erg centraal dus, wat voor de verandering wel eens leuk is. Ik zal het eiland wel missen maar we kunnen uiteraard mochten we ooit willen het huis daar weer verkopen en dan weer op het eiland gaan zitten.
Wat ik vandaag dacht: als poezieliefhebber schraag je je gevaarlijk dicht aan tegen mensen die het Nationaal Dictee leuk vinden. Vandaar natuurlijk ook dat al deze kommaneukers zo’n grote waarde hechten aan ‘gevaarlijke poezie’ – je ziet daar zo’n op het pootje van zijn bril zuigende miskleun bij voor wie een verkeerd geplaatse apostrofe een waar adrenalinekanon is.
Nee, dat voorlezen is een volstrekt freudiaans verschijnsel, niet te onderscheiden van zijn deelgenoot voorkauwen. Ook bij deze laatste activiteit is de grote algemene deler een gebrek aan eigen tanden. Hoe ouder ik word hoe meer ik in begin te zin dat die hele voorleescultuur een samenzwering is: mensen die voorgelezen willen worden, dat zijn geen lezers, net als voorgekauwd voedsel de echte eter tegen de borst zou stoten. Ik begrijp helemaal niets van die voorleescultuur, net zoals ik niets begrijp van mensen die voor hun lol gaan zitten vergaderen.
Turkse toeristenindustrie ligt compleet op zijn gat
Ik ben al de hele week geveld door een keelgriep, vandaar dat ik weinig op de Loewak sites heb gepost. Vorige week waren mijn ouders hier – zij reizen elke zomer 3 maanden met de caravan door Turkije en komen dan ook 2 keer bij mij logeren. Uit hun verhalen begreep ik dat er hier eigenlijk een enorme crisis aan de hand is, een crisis die tot nu toe in de pers hier compleet verborgen wordt gehouden. Volgens mijn ouders, die dus in juli en augustus in tal van badplaatsen in Turkije geweest zijn, staat bijna alles overal leeg. Zelfs vreselijke toeristenplekken als Kusadasi en Bodrum: er was nauwelijks een toerist te bekennen. Hele stranden vol met lege stoelen.
Ik voorspelde dat vele jaren geleden al, maar men bleef hier als een gek bouwen, het kon niet duur en gigantisch genoeg zijn. De hele kustlijn werd verpest met monsterlijke gedrochten van Hotels, die eerst grotendeels vol Engelsen en Duitsers zaten en later steeds meer werden aangevuld met Russen. Dit jaar was dus een onvoorstelbaar rampjaar voor de Turkse toeristenindustrie maar men blijft daar tot nu toe mooi weer over spelen.
Lang zal men dat niet volhouden. Er is in de laatste 2 weken ook 6 miljard aan buitenlands kapitaal van de Turkse banken terug getrokken. De lira, die afgelopen jaar vreemd hoog stond, heeft laatste week bijna 20% van zijn waarde verloren. Ook de huizen die men en masse voor toeristen gebouwd heeft raakt men aan de straatstenen niet meer kwijt. Men ziet aan de zuidkust hele spookdorpen vol nieuwbouw.
Ik vermoed dat dit zich binnen niet al te lange tijd gaat vertalen naar een behoorlijke crash van de Turkse markt. Jammer dat er op zo’n volstrekt kortzichtige wijze is gepoogd om van Turkije een nieuw Spanje te maken. Ik ben dit jaar zelf niet naar Zuid Turkije geweest, vooral wegens Mavi, maar vorig jaar was ik er in Oktober, in een ecologische boerderij (Sundance) en ik kon mijn ogen niet geloven: het ene na het andere discoschip legde luid bonkend op het mooie natuurgebied aan. Deze discoschepen zijn dus volgens mijn ouders ook nergens meer te bekennen. Ik hoop dat Turkije eens aan een wat slimmere toeristenstrategie gaat werken die niet meer inspeelt op het goedkoopste en domste marktsegment.
Rectificatie
Ik schreef laatst een recensie van Holub waarin ik te kennen gaf dat de Oosteuropese poezie met de nobelprijs van Szymborska eindelijk erkenning kreeg, maar eerder ontving de Tjechische dichter Seifert hem ook al in 1984 en Milosz ontving hem in 1980 – de erkenning vond dus al veel eerder plaats, sterker nog Oost europa heeft juist een grote nobeldichtheid qua dichters dus de opmerking was misplaatst.
Rob Schouten: De leukste thuis
In de Awater van dit najaar een korte recensie van Karavanserai van de hand van Rob Schouten, die, ontegenzeggenlijk de druk van veertig jaar journalistieke ervaring op zijn schouders voelende, de bijzonder spitsvondige suggestie doet dat mijn overgewicht zich laat vertalen naar de afmetingen van mijn bundel. ‘Poezie Obesitas’ heet zijn stukje en het centreert zich, naast de hem gebruikelijke ‘leukste thuis’ mimiek, rond het oneigenlijke argument dat het allemaal te dik, teveel, te overvloedig is.
Waarom vind ik dat een oneigenlijk argument? Omdat ik met Karavanserai nu juist iets wilds en visionairs neer wou zetten wat zich nu juist eens niet netjes binnen de perken hield, zoals het gros van de Nederlandse poezie meestal doet. Om dan de uitbundigheid of afmetingen als contra-argument op te voeren: dat vind ik geen kritiek, dat vind ik pure gemakzucht, net zoals ik ‘Maradonna, het is een prima voetballer maar hij zou niet zoveel moeten pingelen’ geen voetbalkritiek vind maar een idiote opmerking.
Een van mijn favoriete kunstenaars momenteel is Fred Tomaselli. Ik kan me al zeer levendig inbeelden wat de heren Critici bij zijn werk zouden gaan schrijven:
‘Ja, een talentvolle man die Tomaselli maar zijn werk is wel erg druk. Moet dat nou, al die uitbundige kleurtjes en gepriegel? Dat schrikt mij als kijker toch wel een beetje af’
Dit soort hersenloos popi-jopi gebazel kun je natuurlijk ‘kunstkritiek’ noemen. Ik hoop dat u het mij niet kwalijk neemt als ik daar zelf anders over denk.
Ik ergerde mij eerder al aan Schouten door zijn volstrekt zouteloze recensie van ’4 zinnen’ van Samuel Vriezen. Mijn recencie is, hoewel positief bedoeld, al even irritant. Jammer, want het gaat er steeds meer op lijken dat Awater eigenlijk het beste argument is tegen de invloed van Komrij op de Nederlandse poezie. Maar goed, ik hou zowiso niet van ‘clubjes’.
Surrogaatpoezie: Tongebreek van Breukers
Aan slechte poezie heb ik geen hekel, net als ik geen hekel heb aan slechte films. Die kijk ik gewoon niet. Ze zijn makkelijk te vermijden, aan de titel en de beschrijving zie je meestal al dat het de zoveelste formulistische torture porno is die zo de prullenbak in kan.
Waar ik wel een hekel aan heb is surrogaatpoezie. Dat zijn gedichten die veelvuldig gebruik maken van het stijlmiddel van de suggestie, zozeer zelfs dat hele gedichten puur en alleen uit suggestie bestaan. Er is geen concept, er is geen plot, er is geen spanning: nee, er is alleen de suggestie van een concept, de suggestie van een plot, de suggestie van spanning. Surrogaatpoezie, dus.
Dat is geen poezie die perse iemand nadoet. Je kunt volstrekt authentieke surrogaatpoezie schrijven zonder een enkele dichter als voorbeeld te hebben. Bij surrogaatpoezie draait het erom dat het poetische zelf puur en alleen uit suggestie bestaat: geen lichamelijkheid, geen diepte: slechts een oppervlakkig bundeltje verwijzingen en suggesties als poetica.
Een voorbeeld. De nieuwe dichtbundel van Chretien Breukers. Zoals u weet mag ik de man niet, dus neemt u mijn woorden vooral niet als objectief aan (en ik zal zijn bundel verder ook niet bespreken) maar zijn schrijfstijl is precies wat ik bedoel als ik het heb over surrogaatpoezie. Neem het titelgedicht: ‘Tongebreek’:
Tongebreek
Wij konden ons verstaan. Wij stemden met ons in.
Toen brak van één de tong. Hem sloeg de taal uiteen.
De titel (tongebreek) wordt in regel twee van het gedicht al weer letterlijk herhaald, zonder dat dit enige toegevoegde waarde heeft. Een zalvend, walmend ‘wij’ toontje wordt aangeslagen. Let ook op de slechte dubbelrijm in regel twee: (‘van een – uiteen’)
Het was een stille dag. Wij wisten het nog niet.
Het was een stille dag, maar desondanks werden wij door de taal uiteen geslagen, maar we wisten het nog niet.
Wij zouden snel verspreid. Wij zouden ruw verstrooid.
Wij zouden wel eens willen weten waarom deze afschuwelijk drammerige, suggestieve zinnen voor poezie zouden moeten doorgaan.
Wij zouden weg van huis en haard. Onze vaders
achterlatend naar een verre streek. Zonder naam
Zou u ook wel eens weg van huis en haard, uw vader achterlatend
naar een verre streek? Zonder naam, nog wel?
en met een dikke strot. Mompel klonk voortdurend
om ons heen. Gelach. Geklaag. Gebed. Geteem.
Zonder naam, met een dikke strot, zouden wij van huis
en haard, met mompel om ons heen en geteem.
Mozeskriebel, wat een suggestieve rommel.
De wereld was zo groot. Wij werden her en der
gemoord. Geduld. Gehoord. Zij konden ons verstaan
Kunt u ons nog verstaan, of bent u ook gemoord?
en deden dat met harde hand. Of zacht. Of niet.
Enfin, het is eigenlijk te slecht om woorden aan vuil te maken. Maar zoals altijd zul je zien dat er lieden genoeg zijn die gaan roepen dat dit geweldige poezie is. Daar doe je niks aan. We leven in een tijd waarin de esthetica door verregaand propagandisering gecorrumpeerd is. Waarin de suggestie van een debat een debat moet heten, de suggestie van een verhaal een verhaal moet zijn: we leven in de tijd van het surrogaatdenken en de hapklare katholieke kletsmystiek van Breukers, die feitelijk niets omvat dan een besmuikt gemompeld aflaat aan het adres van de Kerk, dat is wat tegenwoordig poezie moet heten.


