Cultuur contra Civilisatie
Cultuur contra civilisatie – De hoogtepunten van de cultuur en die van de civilisatie liggen ver uiteen: men moet zich omtrent het peilloos diepe antagonisme tussen cultuur en civilisatie niet laten misleiden. De grote momenten van de cultuur waren altijd, moreel gesproken, tijden van corruptie; en anderzijds waren de tijden van gewild en afgedwongen dierentemmen (‘civilisatie’ -) van de mens tijden van onverdraagzaamheid voor de meest vergeestelijkte en dapperste naturen. Civilisatie wil iets anders dan wat cultuur wil: misschien iets tegengestelds…
Friedrich Nietzsche, uit ‘Herwaardering van alle Waarden’, Uitgeverij Boom
Istanbul, de koningin der opiaten
Mijn ouder vriendin Ilse is hier op bezoek. Ik had haar al bijna 20 jaar niet gezien. We waren jonge punks, destijds, politiek aktief en hopeloos naief en ook onbeholpen. Raar natuurlijk iemand te zien die je bijna 20 jaar niet gezien hebt, maar Ilse en ik hadden destijds wel een band. Dat was nog steeds zo, ze schoot meteen in de lach toen ze me op het vliegveld zag en we hebben de hele week door Istanbul gelopen, gepraat, raki gezopen en gefilosofeerd.
Istanbul is voor mij een soort opiaat. Het geheim van een goed opiaat is dat je het intense besef hebt dat je niet relevant bent. Dat je niets bent, dat je niet bestaat. Dat niks er ook maar een millimeter toe doet.
Mensen die nooit opiaten gebruikt hebben begrijpen daar natuurlijk niets van. Zij vinden het hele idee irrelevant te zijn een deprimerende gedachte. Toch is dit juist de magie van een grote stad: de volslagen gelukzaligheid van het onbeduidend zijn, het getorpedeerd worden met indrukken tot je zintuigen lens zijn.
Wellicht is het zelfs zo dat mensen die in een grote stad wonen onterecht van arrogantie worden beschuldigd. Want in dat grote, verzengende niets waarin niets er toe doet is ook de bezoeker vaak volslagen irrelevant. Dat merk je bijvoorbeeld in Berlijn of Parijs. Maar dat is nu juist het snufje extra ook weer wat Istanbul te bieden heeft: een gigantisch metropool met eigenlijk overal katten, tierlantijntjes, knusse straatjes, montere mensen, vlekkeloze bediening, transparante sfeer – Istanbul is de koningin der opiaten, een glitterend doolhof voor de ziel waaruit het nooit meer ontsnapt. Ik sprak een keer een oude Turkse man die zijn hele leven nooit Istanbul uit geweest was. ‘Dit is mijn gevangenis’ zei hij en hij gebaarde om zich heen. Ik zei hem dat met zulke mooie gevangenissen de vrijheid zelf een vervelende cipier wordt. Of dat had ik eigenlijk willen zeggen. Ik denk zelf ook niet dat ik hier ooit nog weg zal gaan.
De toneelhaak, jongens, de toneelhaak…
Je leest echt de meest abjecte onzin als je even wat literaire essays doorbladert. Goed voorbeeld is deze zin die ik recentelijk tegenkwam, al ben ik vergeten waar:
‘Poezie is experimentele literatuur’
Ja, natuurlijk, denk je dan. En schilderen is experimentele kunst.
Het is werkelijk niet te filmen hoe belabberd oppervlakkig de pamfletistische denktrant van sommige zogenaamde ‘essayisten’ kan zijn.
Het ultieme icoon van de gekwelde dichter
Ik ben een fervent tegenstander van voorlezen, maar voordragen daarentegen vind ik een kunstvorm op zichzelf. De ultieme meester in het voordragen van poezie was uiteraard Dylan Thomas. Ik heb na hem geen enkele dichter meer gehoord die zijn performances weet te benaderen – hoewel ik geen groot fan van Pound ben, in wiens werk ik een soort fopintellectualisme ontwaar (hoewel je in zijn enorme geldingsdrang wellicht ook een voorloper van het postmodernisme kunt zien – het gedicht als boekenkast) – waren de voordrachten van Pound juist weer erg bijzonder; niet zozeer omdat ze perse zo goed waren maar juist omdat er zo’n enorme lading op lag: Pound is het ultieme icoon van de gekwelde dichter als banneling, terwijl Eliot eigenlijk het ultieme icoon van de gekwelde dichter als bureaucraat is. Ik zie tussen deze beiden een soort polariteit van miskenning spelen: Pound, het eeuwige onbegrepen genie en Eliot, het roepende genie uit een woestenij van boeken. Als ik de drie belangrijkste Amerikaanse dichters van de 20e eeuw zou moeten benoemen zijn dat voor mij Pound, Eliot en Williams. Niet omdat ik dat ook de beste dichters vind – ik hou niet zo van Pound, ben een groot fan van Williams en een beperkt liefhebber van Eliot, maar deze drie hebben voor mij de grootste iconiclastische lading. Dat is eigenlijk ook een soort voordracht, maar dan in het metafysieke.
Ik begrijp niets van die voorleescultuur
Ik ben nog steeds ziek. Morgen komt een vriendin die ik al een 15 jaar niet gezien heb naar Istanbul en ik moet haar ophalen van het vliegveld wat zo’n 5 uur reizen vanaf het eiland is – gelukkig wel grotendeels zittend en theedrinkend op het schip.
Waarschijnlijk ga ik binnenkort verhuizen. Ik heb nu bijna 4 jaar op het eiland gewoond, maar we gaan nu waarschijnlijk een huis kopen in Kuzguncuk, een pittoreske wijk langs de Bosperus. Erg centraal dus, wat voor de verandering wel eens leuk is. Ik zal het eiland wel missen maar we kunnen uiteraard mochten we ooit willen het huis daar weer verkopen en dan weer op het eiland gaan zitten.
Wat ik vandaag dacht: als poezieliefhebber schraag je je gevaarlijk dicht aan tegen mensen die het Nationaal Dictee leuk vinden. Vandaar natuurlijk ook dat al deze kommaneukers zo’n grote waarde hechten aan ‘gevaarlijke poezie’ – je ziet daar zo’n op het pootje van zijn bril zuigende miskleun bij voor wie een verkeerd geplaatse apostrofe een waar adrenalinekanon is.
Nee, dat voorlezen is een volstrekt freudiaans verschijnsel, niet te onderscheiden van zijn deelgenoot voorkauwen. Ook bij deze laatste activiteit is de grote algemene deler een gebrek aan eigen tanden. Hoe ouder ik word hoe meer ik in begin te zin dat die hele voorleescultuur een samenzwering is: mensen die voorgelezen willen worden, dat zijn geen lezers, net als voorgekauwd voedsel de echte eter tegen de borst zou stoten. Ik begrijp helemaal niets van die voorleescultuur, net zoals ik niets begrijp van mensen die voor hun lol gaan zitten vergaderen.



Commentaar