Istanbul, de koningin der opiaten
Mijn ouder vriendin Ilse is hier op bezoek. Ik had haar al bijna 20 jaar niet gezien. We waren jonge punks, destijds, politiek aktief en hopeloos naief en ook onbeholpen. Raar natuurlijk iemand te zien die je bijna 20 jaar niet gezien hebt, maar Ilse en ik hadden destijds wel een band. Dat was nog steeds zo, ze schoot meteen in de lach toen ze me op het vliegveld zag en we hebben de hele week door Istanbul gelopen, gepraat, raki gezopen en gefilosofeerd.
Istanbul is voor mij een soort opiaat. Het geheim van een goed opiaat is dat je het intense besef hebt dat je niet relevant bent. Dat je niets bent, dat je niet bestaat. Dat niks er ook maar een millimeter toe doet.
Mensen die nooit opiaten gebruikt hebben begrijpen daar natuurlijk niets van. Zij vinden het hele idee irrelevant te zijn een deprimerende gedachte. Toch is dit juist de magie van een grote stad: de volslagen gelukzaligheid van het onbeduidend zijn, het getorpedeerd worden met indrukken tot je zintuigen lens zijn.
Wellicht is het zelfs zo dat mensen die in een grote stad wonen onterecht van arrogantie worden beschuldigd. Want in dat grote, verzengende niets waarin niets er toe doet is ook de bezoeker vaak volslagen irrelevant. Dat merk je bijvoorbeeld in Berlijn of Parijs. Maar dat is nu juist het snufje extra ook weer wat Istanbul te bieden heeft: een gigantisch metropool met eigenlijk overal katten, tierlantijntjes, knusse straatjes, montere mensen, vlekkeloze bediening, transparante sfeer – Istanbul is de koningin der opiaten, een glitterend doolhof voor de ziel waaruit het nooit meer ontsnapt. Ik sprak een keer een oude Turkse man die zijn hele leven nooit Istanbul uit geweest was. ‘Dit is mijn gevangenis’ zei hij en hij gebaarde om zich heen. Ik zei hem dat met zulke mooie gevangenissen de vrijheid zelf een vervelende cipier wordt. Of dat had ik eigenlijk willen zeggen. Ik denk zelf ook niet dat ik hier ooit nog weg zal gaan.
Commentaar