Drie vergeten juwelen uit de platenkast van Benders

Vandaag drie vergeten juwelen uit de muziekdoos van Benders, platen die fantastisch zijn maar niet al te bekend. Dit keer met twee juwelen uit de 90′er jaren en eentje uit de 80′er jaren. Alle drie platen die ik deze maand het
meest heb gedraaid.

We beginnen in de tachtiger jaren met Prefab Sprout:

Prefab Sprout

‘Steve McQueen’ van Prefab Sprout is een geweldige plaat. Een plaat die beter wordt elke keer dat je hem beluisterd. Typische jaren tachtig sound, maar toch zeer origineel. Ondergesneeuwd door tal van veel minder getalenteerde New Wave bandjes. Prefab Sprout is veel beter. Dikke aanrader.

Op naar de jaren 90. Deze prachtplaat van Tackhead:

Tackhead

Enorm goed en helaas kennen maar weinig mensen het. Gruizig, wild, edgy en poetisch: bijna alles uit de ON U Sound stal is goed maar deze plaat van Tackhead is echt zo’n beetje gruim de la gruis. ‘Tackhead Tape Time’ heet de plaat en hij is in 2004 opnieuw uitgebracht maar het origineel is meen ik uit 1991.

Butthole surfers

‘Piough’ van de Butthole Surfers is een van hun meest ondergewaardeerde platen. Geniale plaat, vooral als je van ruiger, onvoorspelbaar gitaarwerk en gruizige, grillige en conceptueel hilarische muziek houdt. Dit is een van hun betere platen, zeker geen mindere. Het geweldige ‘Golden Showers’, de rare ‘Lonesome Bulldog’ variaties en het geweldige gitaarwerk op P.S.Y. maken deze plaat tot een onmisbare ervaring.

Franciszek Starowieyski (Bratkówka, 8 juli 1930 – 23 februari 2009)

Starowieyski is een Poolse ontwerper die vooral bekend werd met zijn prachtige posterontwerpen. Drie dagen geleden overleed hij in Warschau op 79-jarige leeftijd. De affiches van Starowieyski kenmerken zich door de prachtige typografie, de absurdistische onderwerpen en zijn innoventief gebruik van muterende vormen.

In 1998 veroorzaakte Starowieyski nog een schandaal door in het EU kantoor van de Poolse regering een naakte, rubensachtige vrouw die Polen voorstelde door de Stier van Europa door het slijkt te laten trekken.

Veel posterwerken van Starowieyski zijn hier te zien

Hier een algemene site over poolse posters met ontzettend veel interessante affiches.

Marc Kregting over Richard Minne

Op het recent opgezette Kregtingarchief een prima artikel van Marc Kregting over Richard Minne. Richard Minne was een Vlaams dichter en prozaschrijver wiens werk altijd wat in de marge is blijven hangen. Zonde, want Minne was inderdaad een heel bijzonder figuur in de Vlaamse literatuur. Zijn bijnaam was ‘de Bijter’ vanwege het sarcastische en scherpe karakter van zijn werk. In 2001 verscheen bij de Arbeiderspers de biografie ‘De vrijheid nog veroveren. Richard Minne 1891-1965′ wat een kleine Minne-revival teweeg bracht. Het artikel van Kregting is in hetzelfde jaar geschreven. Kregting schrijft:

Voor mij als doorsnee Hollander is het speciaal dat ik aan Minne hang. De grens bij Wernhout heeft vanuit Noord-Nederland bezien weg van een loopgraaf. Men mag zich daar niet veel illusies over maken. Zelfs het kanon Van Ostaijen klinkt boven de rivieren als een dienstpistool; onlangs hoorde ik een gereputeerd professor met meesmuilende instemming van zijn toehoorders gewagen van ‘de bekende onbegrijpelijkheid van Van Ostaijen’. De reputatie van Gezelle in Nederland is vergelijkbaar met die van Gorter: virtuoos dichter, averechts gedachtegoed. Van de Woestijne raakt niet buiten de poorten van de universiteit. Minne voert hen overigens allen op in gedichten, als bloot onderdeel van zijn werkelijkheid. Ik vrees dat Claus de enige Vlaming is die boven de rivieren enigszins serieus wordt genomen.

Lees het hele artikel

Vliegtuig crash Amsterdam: geen brandstof meer

Volgens Turkse nieuwsbronnen die burgemeester Michel Bezuijen van Haarlemmermeer citeren is het turkse toestel wat net in Amsterdam is neergekomen neergestort omdat de brandstof op was.

9 doden en meer dan 50 zwaargewonden. De brandstof was op? Op een routinevlucht Istanbul-Amsterdam? Als dat waar is bewijst het dat de luchtvaart industrie wel erg omhoog zit om te proberen de kosten te drukken. Ten koste van onze veiligheid, dus. Vliegt u maar met minder brandstof, heer Piloot.

Is er dan geen controle op een vliegtuig voor de vertrekken of ze genoeg brandstof ana boord hebben? Het is een vreemd verhaal. Ik vlieg zelf ook vaak met Turkish Airlines dus ik heb er wel graag uitsluitsel over.

De Ex Libris werken van Serik Kulmeshkenov

De in Kazachstan geboren grafische kunstenaar Serik Kulmeshkenov is een van de weinige kunstenaars die zich vandaag de dag nog toeleggen op het speciale kunstgenre van de Ex Libris werken. Ex Libris zijn speiale boekzegels die mensen gebruiken om hum boekencollectie van een persoonlijke stempel te voorzien. De werken van Serik Kulmeshkenov zijn prachtige voorbeelden van waarom dit kunstgenre zeker niet moet verdwijnen.

Serik Kulmeshkenov

Ex libris Natalya Chebotar / size 90mm x 90mm, 2005.

Serik Kulmeshkenov

Ex libris Sergey and Irina Khrapov / size 80mm x 105mm, 2008

Serik Kulmeshkenov

Ex libris Paul Elliott / size 65mm x 82mm, 2008.

Deze en nog veel meer schitterende Ex libris werken kunt u op de website van Serik Kulmeshkenov bekijken. Elke boekliefhebber zou toch zo’n zegel in zijn bezit moeten hebben, vind ik.

In de hel van Guantanamo

Guantanamo is volgens de Duitser Murat Kurnaz een martelkamp.
Kurnaz schreef een boek over zijn gevangenschap in Guantanamo: In de hel van Guantanamo.

De man met Turkse roots heeft vijf jaar van zijn leven naar eigen zeggen onschuldig vastgezeten in het VS-gevangenenkamp op Guantanamo voor terreurverdachten.

Kurnaz zei in 2001 in Guantanamo op 19-jarige leeftijd te zijn terechtgekomen nadat hij in Pakistan door mensen aan de Amerikanen was ‘verkocht’. Kort na zijn arrestatie kwamen de Amerikanen al tot de bevinding dat hij onschuldig was. “Ik was geen terrorist, maar dat probeerden ze van me te maken”, aldus Kurnaz die naar eigen zeggen een document moest ondertekenen waarin stond dat hij een terrorist was en dat hij samen met al-Qaida tegen de VS had gevochten. Daarbij onderging de man martelingen als elektroshocks, ‘waterboarding’ en hing hij vijf dagen aan zijn polsen aan een plafond. “Maar ik heb nooit getekend”, klonk het.

Kurnaz noemde Guantanamo niet zomaar een martelkamp, maar een professioneel martelkamp waar ook erg veel jonge kinderen zaten. Die kregen dezelfde behandeling als de rest, zo getuigde hij.

Het boek is hier te bestellen

Een bloemlezing is een databank

Op NRC boeken wordt een rechtszaak uitgelicht van een Duitse Universiteit die een rechtszaak aanspande tegen een uitgever van een CD rom met ‘1000 beste gedichten’. De Europese rechter concludeerde in deze dat een bloemlezing een ‘databank’ is en dat dus daarop het databankrecht van toepassing is. Zo beschrijft NRC de zaak:

Een uitgever publiceert een cd-rom met de titel 1.000 gedichten die iedereen moet hebben. Daarvan zijn er 856 precies hetzelfde als een bloemlezing die door een universiteit is gepubliceerd. Aan die selectie, uit 20.000, heeft een professor tweeënhalf jaar gewerkt – de (Duitse) universiteit gaf er 34.900 euro aan uit. En de professor bracht 1.100 gedichten bij elkaar.

De commerciële uitgever erkent de universitaire lijst als leidraad te hebben gebruikt. Er zijn een paar gedichten weggelaten en enkele toegevoegd. De universitaire lijst is „kritisch onderzocht”. De letterlijke tekst van de gedichten heeft de uitgever uit eigen digitale bronnen gehaald. Er is niets letterlijk gekopieerd. Maar het idee en de uitwerking van de bloemlezing zijn grotendeels overgenomen. De universiteit vindt dat de uitgever hun databankenrecht schond. De universiteit voelt zich auteur van een compilatie en „fabrikant van een databank”. :

Lees meer op NRC Boeken

In dezelfde redeneertrant zou je kunnen stellen dat het ‘Verzamelde werk van..’ een databank is. Immers, er is daarvoor een selectie gemaakt uit een grotere hoeveelheid werk die uniek is. Dat is lastig, omdat het betekent dat wanneer een bepaalde uitgever bepaalde gedichten van Rilke kiest voor een verzameld werk je zou moeten uitvogelen of jouw uitgever daar niet voor 70% op zou moeten of mogen lijken. Bijna onbegonnen werk, en bovendien vereist het dichters met een groot oeuvre.

Ben jij dus een dichter met een klein oeuvre, dan ben je van nu af aan officieel een databankramp.

Dichter slaagt erin kwart jaarsalaris te verdienen

De Vlaamse dichter Marc Pairon staat al 3 weken in de Vlaamse boeken top 100 met zijn 4 poeziebundels die hij voor 2 euro per stuk verkoopt. In totaal zouden er 37.000 exemplaren over de toonbank zijn gegaan.

Dit nieuws wordt op diverse websites als een soort triomftocht voor de poëzie gebracht. Wie echter even nadenkt, bedenkt dat:

* Productiekosten per bundel: 1.35
* Aandeel Winkelier: 0.25
* Aandeel distributeur: 0.25

Totale kosten per bundel: 1.85

Pairon verdient dus 0.15 cent per dichtbundel. In totaal heeft hij, door krakkemikkige valentijnspoëzie op Valentijnsdag voor een spotprijs aan de man te brengen, het volgende verdiend:

37000 * 0.15 = 5550 euro

Een heus kwart jaarsalaris, dus. Toegegeven, het is net wat meer dan je met een normale dichtbundel zou verdienen.
Maar je moet er wel een hele diepe buiging voor maken, en bovendien is dit business model jaarlijks maar voor één persoon te behalen. Op valentijnsdag, ja. Met goedkope liefdesrommel.

Frikandellen met carnaval verkopen levert heel wat meer op, en kost minder moeite.

Bladluis, Erwin Vogelezang in pdf downloadbaar

Sinds vandaag kunt u de debuutbundel Bladluis van Erwin Vogelezang die in 2006 verscheen gratis downloaden vanaf zijn site. Een ontwikkeling die steeds meer navolging lijkt te krijgen. Onlangs kwam Tsead Bruinja naar buiten met 3 gratis te downloaden bundels. Als je Hanz Mirck naar zijn niet meer te bestellen eerste vraagt krijg je die bijvoorbeeld netjes per mail toegezonden. En zo zullen er meer zijn. Maar nu dan Erwin. Een goede ontwikkeling want poëzie mag zo breed mogelijk worden verspreid. Het zou een standaard moeten zijn: na 3 jaar gaat elke bundel digitaal. Downloaden nu.
Gewoon even doen.

Wat ik zeg als niemand spreekt

Op NRC Boeken een recensie van Ilja Pfeijffer over de nieuwe dichtbundel van Nachoem Wijnberg, ‘het leven van’. Hij schrijft onder andere:

In al deze opzichten en vooral in dat laatste opzicht zijn de gedichten in Het leven van fundamenteel afwijkend. Dit is geen bundel van verzen, maar van zinnen. Als ik het zo zeg, zeg ik het verkeerd. Ook een verhalenbundel of een roman is opgebouwd uit opeenvolgende zinnen. Maar zo is dit niet. Dit is helemaal anders.

Het fenomeen prozapoëzie is Pfeijffer dus schijnbaar ontgaan, evenals de hele ‘New Sentence’ beweging. En de invalshoek die nu net wel de moeite van het bespreken waard is – of dit soort pseudo-autobiografische poëzie in de mode is, aangezien Tjitske Jansen vorig jaar met ‘Koerikoeloem’ aan kwam zetten, met een engiszins vergelijkbaar uitgangspunt; nee, daar ga je het als criticus natuurlijk niet over hebben. Je schrijft liever gewaagde stellingen neer als:

Deze bundel is een soort Tractatus logico-philosophicus, behalve dan dat hier de logica soms ver te zoeken is.

Bent u er nog? Fijn. Deze bundel is namelijk een soort telefoonboek, maar dan zonder namen of nummers.
Heel scherpzinnig opgemerkt van Ilja. Gelukkig ziet hij in de volgende passage een ‘estafette’ in de bundel, want de eerste en laatste zinnen sluiten bij elkaar aan. De criticus sluit af met de observatie dat deze poëzie, zelfs als het geen poëzie mocht zijn, gewoon waar is. Waar, ja. Want wat zei Wittgenstein ook alweer, ‘The logic of the world is prior to all truth and falsehood’. Juist, ja.

De hele bespreking leest u hier

The house of Wittgenstein – A Family at War’ van Alexander Waugh op Boekblad

Op boekblad een bespreking van het nieuwe boek van Alexander Waugh – ‘The house of Wittgenstein – A Family at War’, een biografie over de familie Wittegenstein. Niet zomaar een familie, want:

De Wittgensteins waren ooit met z’n achten, maar drie van de broers pleegden al jong zelfmoord. Een verdween, de ander pleegde zelfmoord op het slagveld en Kurt deed het door arsenicum in te nemen in een Weens cafe, luisterend naar de pianist die het nummer speelde dat hij net had aangevraagd. De overige vijf, Gretl, Helene, Ludwig, Paul en Hermine waren schathemelrijk en vochten elkaar geregeld de tent uit – hence tweede betekenis van de ondertitel.

Lees het hele artikel

Rectificatie i.v.m. Kluger Hans

Terwijl de webmaster druk bezig was het ontwerp van Loewak te vernieuwen is een onverlaat, een ranzige sprookjesuil, bezig geweest het nieuwe literaire tijdschrift ‘Kluger Hans’ op totaal irrelevante wijze te recenseren met ellenlang gezever over kabouters en paddestoelen.

Uiteraard is dat niet het niveau dat u van Loewak gewend bent en de voltallige Loewak redactie biedt hiermee zijn excuses aan en laat weten dat betreffende uil zeer zeker niet opnieuw toegang zal krijgen tot het redactie-materiaal van Loewak.

Met Kluger Hans is niks mis, en ook op de paddestoel van Risee is niks aan te merken. Ik schrijf dus alsnog even een serieuze recensie, wat kort gehouden omdat de tijd mij ontbreekt:

‘Kluger Hans’ is een nieuw Vlaams Literair tijdschrift. Wat allereerst opvalt is de bijzondere, mooie vormgeving van het blad. Een zeer geslaagde vormgeving die wij graag vaker terug zouden zien komen.

De inleiding van het blad vond ik wat nietszeggend. “Kluger Hans staat voor een literatuur die het contact zoekt met de omringende wereld, die het poëtische in de werkelijkheid blootlegt en die pragmatisch is. Kluger Hans draagt geen fundamentele waarheden uit, maar heeft wel iets te zeggen.” zo lezen we, en als openingsstatement voor een nieuw Literair blad is dat natuurlijk niet bijzonder sterk, want dit stukje zou je zo in elk literair blad kunnen plakken. Bestaan er daadwerkelijk bladen die geen contact met de omliggende wereld zoeken? Bladen die niet ‘het poëtische in de werkelijkheid bloot willen leggen’? De schrijver van deze inleiding heeft er duidelijk niet bij stil gestaan dat zulke statements veel te algemeen geldig zijn om de geboorte van een nieuw literair blad mee in te huldigen.

Hierna volgt een lang gedicht van de Amerikaanse dichteres Spahr. ‘Zij onderzoekt de onmogelijkheid van communiceren’, zo lees ik, maar ze kiest daar vervolgens wel een hele gemakzuchtige methodiek voor: ze neemt drie van elkaar losstaande elementen (wetenschappelijke termen vooral over bloed, persoonlijke observaties, porno) en vermengt deze in een lang gedicht om deze elementen met elkaar in interactie te laten komen. Eerst kies je dus drie dingen die nauwelijks gerelateerd zijn, die laat je vervolgens met elkaar in interactie gaan en dan beklaag je je op metafysieke wijze over de ‘onmogelijkheid tot communiceren’ – tja, zo lust ik er nog wel een paar. Spahr houdt zich keurig aan het stramien der postpostmoderne avantgardisten, en haar poëzie is zeker niet onaardig om te lezen maar ook niet bijzonder spannend. Daarvoor is de gebruikte methodiek te bekend en voorspelbaar, en reikwijdte van haar voornemen gewoon te beperkt. Dat ultradroge postflarf toontje begint me nu al de keel uit te hangen.

Bovendien blijft onduidelijk waarom ‘Kluger Hans’ met een al doorgebroken Amerikaans dichteres opent. Wat is de functie van een literair blad eigenlijk, vraag je je dan af. Is dit niet ongeveer hetzelfde wat de Contrabas ook doet: af en toe een Amerikaanse Avantgardist door de potpourri mengen, voor de goede orde en de goede vorm. Het is wel heel makkelijk om op zo’n manier zelf ‘vernieuwend’ te lijken – terwijl het alleen maar leunen op een bestaande consensus is.

Het tweede item is een verhaal van de Tjechische schrijver Jan Balabán. Over dat verhaal kan ik vrij kort zeggen dat het me totaal niet wist te boeien. De inleiding zegt iets over de ‘minimalistische stijl’ van de schrijver maar ik trof juist veel passages aan die ik onscherp, waaierig en oninteressant vond. Voorbeeldje:

Op weg naar zijn werk bleef hij beneden zoals elke dag bij de brievenbussen
staan. Zijn ervaren blik werd getrokken door iets wits. Door de ronde gaatjes in
het grijze metaal keek hij in zijn brievenbus, er lag een brief. Niets bijzonders,
hij kreeg allerlei brieven, uitnodigingen voor conferenties, herinneringen van
de bibliotheek, maar deze brief was, zag hij, anders. Het adres was met de hand
geschreven. Ja, met de hand. Hij deed een stap naar achteren. Ik laat hem daar
liggen, wat moet ik op dit moment met een brief? Die ga ik toch met me mee
sjouwen. Het zou nog een tijdje duren voor hij aan die brief toekwam. Later pas,
wanneer hij in staat was de gebeurtenissen van de toen juist aangebroken dag
naar waarde te schatten, besefte hij dat hij maar één ding echt wilde: die op hem
wachtende brief in de brievenbus ontvluchten.

Veel overbodige details. Details die het fragment overduidelijk niet spannender maken en alleen bladvulling lijken zijn. Een vertaalfout: brieven ’sjouw’ je niet.

Opnieuw is niet duidelijk waarom dit verhaal in Kluger Hans staat. De opening heeft het over: ‘Om het half jaar wisselt de Europese Unie van voorzitter. De eerste helft van 2009 is Tsjechië dat. In de rubriek ‘Richting EU’ presenteert Kluger Hans telkens de literatuur
uit dat land.” – een literair blad dat zich dus niet richt op wat van belang is maar wat toevallig de EU voorzitter is op dit moment? Is dat een literair uitgangspunt?

Item drie is een voorpublicatie van Jan Deuvaert’s roman ‘Aldus Antoine’. Het verhaal opent met een droge inleiding, en vervolgens de zin ‘De volgende twee maanden verliepen zoals ze nog tweehonderd jaar hadden mogen verlopen.’ – geen sterke openingszin, vind ik, want die ‘tweehonderd jaar’ is veel te opzichtig irrelevant. Wat volgt is een soort van streekroman verhaal, hier een korte typische passage:

Juli werd genoteerd als de warmste julimaand ooit. Maar ondanks de airco
in de viswinkel bleef mijn lichaam uitzetten. De afgelopen weken had mijn puberteit
voor een tweede maal toegeslagen.
Ruth merkte op hoe mannelijke klanten hun ogen niet van mijn borsten konden
afhouden.
De klanten vergisten zich. Mijn borsten richtten zich niet tot hen maar tot de
handen die ze ’s avonds zouden zoeken.

en:

Eerlijk? Rationeel werd daar boven maar weinig overwogen. De dagen vlijden
zich neer als lome goden en mijn hersens hadden zich aan die gezapige toestand
aangepast. Alles was zoals het was en het was goed; het was beter dan het
ooit was geweest.

Dit typeert zo’n beetje de stijl van het hele verhaal. Wie vind dat ‘de dagen vlijden zich neer als lome goden’ schitterende literatuur is zal bij Deuvaert goed aan zijn trekken komen. Ik vind dit eerder kabbelende pietpraat en ik vraag mij af wat dit in een literair blad te zoeken heeft.

Item vier is een essay van Xavier Roelens over Hotel New Flandres. Het is een ellenlang essay dat drijft op maar één of twee kernargumenten, wat het als essay bijzonder saai maakt omdat je opnieuw het idee hebt dat er eindeloos doorgepraat wordt over iets wat je allang hebt begrepen. Ja, er staan wat dichters niet in HNF die er eigenlijk in hadden moeten staan als de drie musketiers lekker consequent geweest waren. Goh. Nou. Moeten daarmee liefst vijf pagina’s gevuld worden? Opnieuw: te conformistisch, teveel aanleunen op een bestaande hype (HNF), teveel ‘erbij willen horen’ zonder scherpe argumentatie.

Dan als laatste het stuk van Olaf Risee. Dat is eigenlijk het leukste stuk uit het blad. Olaf gaat dapper zelf ook naakt op de foto als tegenhanger voor Pfeijffer. Zijn stuk beargumenteert wezenlijk dat Pfeijffer heeft nagelaten de vernieuwer te zijn die hij bij zijn ‘aantreden’ wel voorgaf te willen zijn. Dat is natuurlijk een beetje naief, dat idee dat mensen die roepen vernieuwers te zijn ook daadwerkelijk vernieuwers zijn. Meestal is dat natuurlijk niet zo. Mensen roepen dat omdat ze de aandacht willen trekken met iets anders dan hun werk. Dat is bij voorbaat al een verdacht gegeven, natuurlijk.

Het stuk is daarom vooral een soort relaas van een teleurgestelde fan. Risee zit er op de foto ook een beetje sip bij. Dat wekt uiteraard sympatie op, want iedereen is wel eens zwaar teleurgesteld in een idool geweest. Maar als kritiek heeft het uiteraard weinig body, want dat Pfeijffer geen grote vernieuwer is dat wist zo’n beetje iedereen al.

Het eerste nummer van Kluger Hans lijkt me daarom geen overtuigende openingszet. Wat het blad vooral mist is een duidelijke literaire formule: het mist een duidelijk bestaansrecht. Een Amerikaans avantgardist, een Tjechisch schrijver, een streekroman, een schoolmeesteressay en een teleurgestelde fan: wat hebben deze zaken met elkaar te maken? De onmogelijkheid tot communicatie is geen literair uitgangspunt.

M.H.Benders – Istanbul, 20-02-2009

De paddestoelendans van Kluger Hans

Zo, lieve kijkbuiskindertjes, u mag van mij best weten dat Mijnheer de Uil enige autoriteit heeft als het aankomt op kabouters en pauwenstaarten. Het mannelijke pauwtje ontvouwt zijn enorme staart om indruk te maken op de vrouwtjes en mannelijke concurrenten af te schrikken. Helaas voor de pauw heeft echter de natuur vergeten dat het met zo’n zware, dikke staart moeilijk wegrennen is en vandaar ook dat de pauw een geliefd maal is voor menig sluwe vos.

Vandaag plofte ‘Kluger Hans’ op de digitale deurmat in het sprookjesbos. Ik had al een en ander over het blad vernomen omdat een van de redacteuren, Dhr Olaf Risee, mij regelmatig via het bossmoelenboek liet weten dat hij een pauwenstaart van Golathiaanse proporties in zijn kabouterbroek koesterde. Een en ander naar aanleiding van de naaktfoto van Kabouter Pfeijffer, die achterop zijn nieuwe sprookjesboek prijkt.

Nu is Pfeijffer natuurlijk een apart geval. Die foto is als het ware de ultieme bekentenis. De boodschap die hij uitstraalt is vooral de boodschap der ultieme schattigheid. Hier zit overduidelijk een vriend van de hele mensheid te glimmen. Een ongevaarlijke, maar hele aardige vriend. Een knuffel-literator die u met geen mogelijkheid iets door de strot zou kunnen rammen. Een hele aardige man, om het maar even kort samen te vatten.

De foto riep bij Risee echter grote verontwaardiging op. Ik snap dat wel. Risee geeft in zijn stuk zelf al aan dat hij aanvankelijk hoopvolle gevoelens koesterde richting Pfeijffer. Hier zou een man bezig gaan die de literaire wereld wakker ging schudden. En wat is er uiteindelijk van geworden? De ultieme knuffelbeer die je zo even zonder gene aan je kleine nichtje uit zou lenen. Risee besloot dat het anders moest, en zo werd de contra-foto in Kluger Hans geboren.

Nu mag u best van mij weten dat Mijnheer de Uil aardig wat tijd heeft gestoken in het bestuderen van het mannelijk geslacht. Van Rocco Siffredi tot Pierre Woodman, van Ron Jeremy tot Zilveren Paultje, ik ben vrij goed onderlegd in de kunst van de penis-esthetiek. De boodschap van Olaf Risee dat hij iets van stuurknuppel proporties in knuffelberenland zou werpen riep dan ook op zijn beurt bij mij weer hoopvolle gevoelens op. Eindelijk iemand die zijn enorme totempaal in het hoenderhok gooit, dacht ik, eindelijk een vent die wel weet dat Abraham zijn mosterd niet uit dunne knijpzakjes trekt. Ik sloeg dan ook vol verwachting ‘Kluger Hans’ open en bladerde meteen naar de beruchte foto.

Helaas. Een typisch kenmerk van de mannelijke pauw is dat hij de eigen staart nooit goed weet te duiden. Dat wil zeggen: vraag een pauw naar zijn staart en ze hebben allemaal de grootste, de mooiste, de breedste en verzint u nog maar wat superlatieven erbij. De staart van Dhr Risee is echter van een doorsnee formaat. Dat hij net iets groter lijkt is een optische truuk, veroorzaakt door het feit dat het kaboutertje wat eraan vastzit naar verhouding zo klein is.

Behalve dat Mijnheer de Uil veel van penissen weet, weet hij ook veel van literatuur. De penis is de paddestoel waarin de boskabouterziel van de man huist. Een mooie paddestoel hoeft niet perse een mooie kabouter te bergen: er zijn genoeg aartslelijke kabouters die in prachtige paddestoelen wonen. Maar zodra er uit een – toegegeven vrij klein behuisde – paddestoel een literator komt stappen en vervolgens komt een andere literator zijn paddestoel uit en begint in tegenreactie te oreren: nou, dan wordt het tijd dat Mijnheer de Uil eens goed naar de paddestoelen zelf gaat kijken.

De paddestoel van kabouter Risee staat wat scheef, waarbij het niet duidelijk is of de paddestoel van Risee van nature scheef staat of dat hij te lui was om zijn paddestoel even voor de foto recht te trekken. Wat nog meer opvalt is dat de sporenzakken, wat toch een essentieel onderdeel van de paddestoel is, vind ik, juist weer relatief klein is bij Risee, dit in tegenstelling tot bij Pfeijffer die juist weer een behoorlijke berenzak had dan verhoudingsgewijs natuurlijk. Nog erger is dat hetzelfde opgaat voor de kroonluchter van de paddestoel, de hoed. De hoed is uiteraard wat een paddestoel een paddestoel maakt. Die is echter bij Risee te smal ten opzichte van de basis, waardoor het hele ‘paddestoel’ idee verdwijnt en je meer aan een raket gaat denken, wat natuurlijk ook een heel mooi ding is, een raket. Maar een echte paddestoel is het niet.

Het moet gezegd worden dat de paddestoel van Kabouter Risee in lengte de paddestoel van Kabouter Pfeijffer weet te kloppen. Zijn paddestoel is ongeveer even lang als het goedkope Nokia mobieltje dat langs hem op de oude kabouterbank ligt. Ik kan echter niet anders dan concluderen dat de moedige staatsgreep op de literaire paringsdans door Risee is mislukt. De boodschap van Kabouter Pfeijffer’s foto was: schattig. Maar wat voor boodschap straalt Risee’s foto precies uit? Iemand met veel kopzorgen, die nerveus zijn been onder zijn andere been verbergt. Iemand die snel even een foto maakt maar te lui is om zijn paddestoel even netjes recht te zetten. Iemand die niet begrijpt dat ook de accessoires bij een paringsdans van belang zijn: weg met die goedkope mobiel en die stereo van de rommelmarkt. De sjieke boekenkast van Pfeijffer, daar kun je toch geen zelfgetimmerde boekenplankjes tegenover zetten met nota bene de Bijbel als enig zichtbare boek?

Nee, de kunst van de paringsdans is aan Risee volstrekt niet besteed. Zijn stuk gekant tegen Pfeijffer heeft dezelfde tekortkomingen: te kleine basis, en de hoed is niet goed. De basis is mager, dat is zijn bewondering voor Ilja. Het middenstuk is breed, ellenlang gezever over dat Ilja geen groot vernieuwer is, een overbekend gegeven. De hoed is weer te klein: dat is de foto zelf die gewoon niet extreem genoeg is om indruk te maken. Jammer, maar toch een plakplaatje van Mijnheer de Uil want natuurlijk wel dapper van Kabouter Risee om zo van leer te trekken. Daar lusten we in het grote sprookjesbos allemaal wel pap van.

Oh ja, en dan heeft Mijnheer de Uil ook nog de rest van het blaadje gelezen. Daar stonden welgeteld 2 verhalen en 1 gedicht in van mensen uit vergelegen bossen. Ook reageert Kabouter Roelens op het grote sprookjeshotel van zijn buurkabouter van Bastelaere. Kabouter Roelens heeft op dat stukje flink zijn best gedaan, maar helaas kan Mijnheer de Uil het in twee zinnen samenvatten: er staan wat kabouters niet in het sprookjesboek die er wil in hadden moeten staan, vindt Roelens. Waarom maakt Kabouter Roelens dan zelf geen sprookjesboek? Nou, omdat hij indruk wil maken op Kabouter van Bastelaere, natuurlijk. Opnieuw een paringsdans, dus.

Het gedicht vondt Mijnheer de Uil wel aardig, maar ook een beetje te conformistisch. Men neme drie elementen en men mengt deze met gortdroge humor tot een totaalgedichtje en dan is de grap dat die drie dingen die eigenlijk niks met elkaar te maken hadden dan toch in interactie blijken treden! Nou, dat weten we dan ook weer, het is zeer hip hoor, Juffrouw Ooievaar, maar waarom moest dit zo prominent in het blad? Dat werd niet duidelijk.

Nee, Kluger Hans is duidelijk een paard dat nog aan het sprookjesbos moet wennen. Hier kunnen wij allemaal tellen, en Mijnheer de Uil telt nog wel ten beste. In de grote boze mensenwereld, lieve kijkbuiskinderen, heet zo’n paard al snel een bijzonderheid te zijn. Daarom had Kabouter Risee er beter aan gedaan het blad niet ook in het sprookjesbos te droppen, waar de paddestoelen immers welig tieren.

Een interview met Gerrit Komrij

Loewak hield een interview met Gerrit Komrij, van wie recentelijk het boek Vila Pouca verscheen. Komrij gaf antwoord op elf vragen:

1. U heeft net een roman uitgegeven, Vila Pouca, kroniek van een dorp. U woont al lang tenminste een groot deel van het jaar in Portugal. Betekent dat dat u zich ook deels Portugees voelt? In hoeverre gelooft u persoonlijk in de universele mens, dwz de mens die zich aan alle omstandigheden kan aanpassen?

Me Portugees voelen zal ik nooit. Hoe meer ik van de Portugezen aan de weet kom, hoe minder ik er van begrijp. En hoe meer begrip ik koester, nolens volens, voor de Nederlanders: van een afstand zijn ze toch wel heel absurd. Ik kan niet tegelijk van absurd theater houden en de Nederlanders over het hoofd zien. Ik zou nooit naar dat land willen terugkeren, maar de Hollander blijft in me zitten. Het heeft allemaal met je moeder te maken, vrees ik. Ik zou overal kunnen wonen. Of ik me aan alle omstandigheden kan aanpassen (genocide, kannibalisme) geloof ik niet, er moet wel een keukentafeltje, een potlood en papier in de buurt zijn. En iets te lezen, als het even kan.

2. In Nederland heerst een poëzieklimaat waarin men zichzelf vaak al snel op de borst weet te kloppen. Dat begon ooit al met Nijhoff die schreef dat de Nederlandse poëzie het hoogste niveau ter wereld had, maar ook hedentendage bestaat diezelfde teneur nog ruimschoots. In hoeverre bent u het met die teneur eens, is de Nederlandse poëzie inderdaad van hoger niveau dan de poëzie zoals deze elders wordt bedreven?

Ik weet te weinig (of liever gezegd helemaal niets) van de Pakistaanse of Zimbabwaanse poëzie om daar een sluitend antwoord op te geven, maar voor zover ik de poëzie ter wereld ken is dat lariekoek. Wat Nederland als specifieke bijdrage te bieden heeft wordt verwaarloosd en geminacht, en wat de Nederlandse dichters als hun internationale niveau beschouwen is doorgaans epigonisme, mimicry en mosterd na de maaltijd.

3. Uw bekendste werk is de zgn. ‘Dikke Komrij’, een bloemlezing van de gehele Nederlandse poëzie. Ik hoor vaak het verwijt aan uw adres dat u met deze bloemlezing de vernieuwers en de avant-garde in de Nederlandse poëzie wat links heeft laten liggen. Vindt u dat zelf een terecht verwijt? Heeft u een conservatief zelfbeeld, of juist niet?

Toen de bloemlezing ontstond waren de Vijftigers almachtig. Ik was een dichter toen, en nog niet de bloemlezer die uit me geconstrueerd werd. Iedere dichter vecht tegen dominantie. De Vijftigers moesten terug, weg, het hok in. Vade retro. Vergeet niet, er lag in dit tijd een verstikkende deken over de Nederlandse literatuur. In mijn schooljaren had je in het proza al de Grote Drie, dat hield maar niet op. In de poëzie verklaarden de Vijftigers dat ze de enigen en de laatsten waren. Dat laat je als jonge dichter niet op je zitten.

’t Lag en ligt niet in mijn natuur vernieuwers en avant-garde links te laten liggen, dat is een perfide vertekening, wat ik wel wilde, deels bewust en deels onbewust, was een scheiding aanbrengen tussen de talenten en de epigonen. Ik wilde de alleenheerschappij van de Vijftigers relativeren door ze te plaatsen in een traditie. Zo origineel als de vaderlandse poëziebeschouwers dachten waren veel Vijftigers ook weer niet, het was internationaal gezien meer een inhaaloefening dan een revolutie. Voor mij was het een gewoon doorgangsstation, geen eindstation.

De beschuldigende wijsvinger met ‘conservatief’ erop heeft misschien een kans gekregen, niet omdat ik tegenover avant-garde zou staan, maar omdat ik nogal houd van wat men dan wel hardnekkig ‘vormvast’ noemt, maar wat veel meer spelen met vormen is.

Vorm is niet zo’n simpel iets als ze vaak beweren. Wat mensen als Driek van Wissen vormvast noemen, met duidelijke zelftrots, is niet meer dan dreunbestendigheid. TaTOEM TaTOEM TaTOEM heeft niks met vorm te maken. De keer dat je afwijkt is interessanter, en moeilijker, dan de honderd keer dat je gehoorzaamt.

Ik heb weinig op met de nostalgische, traditionele vormvastheid, met dichters die doen of er een eeuwlang niets in de poëzie is gebeurd. Wat dat betreft heb ik me toch altijd meer verwant gevoeld met Oulipo – maar dan, wie had daar in die tijd in Nederland van gehoord?

4. U schreef recentelijk: “Waarom al die huichelaars na de moordaanslag op Dichter des Vaderlands de Eerste nu niet ineens opnieuw moesten gaan doen of de poëzie ze een lor kon schelen.” – wat bedoelt u daar precies mee? Was het beëindigen van het DDV-schap te wijten aan een conflict met bepaalde personen? Waarom hield u die functie eigenlijk voor gezien, en wat is er naar uw mening mis met de organisatie?

Ik kan niet zeggen wat er mis was met de organisatie, want de organisatie was ik. Als er achter de schermen al iets gebeurde, dan heb ik daar niets van gemerkt, dus waarschijnlijk gebeurde er weinig. Ik vond juist dat er meer moest gebeuren en dat ze mij niet moesten laten doormodderen met het pluimstrijken bij potentiële sponsors en het te grabbel laten gooien van mijn goeie naam, al was ik zo langzamerhand de enige die van mezelf vond dat ik nog over zoiets beschikte.

Door ‘af te treden’ wilde ik een discussie op gang brengen over de zin, te ja of te nee, van het DdV-schap. Toen ik het voor gezien hield is er niet één, ik herhaal niet één, krantje of journalistje of lokaal nieuwsgaardertje langs geweest om te vragen: Wat is er eigenlijk precies aan de hand? Wat bezielde je? Wat ging er mis? Kom op met de diepere achtergronden! In de dagen erna niet en in de maanden erna ook niet. En dat bewees precies waar het me om begonnen was: niemand was van plan er iets van te maken en het spel ook maar een beetje mee te spelen, zelfs niet in een relativerende en verschijningsvorm. Wel stond er meteen in het noorden een messiaanse intrigant op die een eigen verkiezinkje ging organiseren, waardoor mijn schriktherapie meteen werd vertroebeld en in de kiem gesmoord.

5. Een ander bekend contra-argument tegen uw bloemlezingen welke men vaak hoort is dat deze op niets anders gebaseerd zouden zijn dan het principe van de ‘goede smaak’, terwijl bijvoorbeeld kunstenaars als Picasso al een eeuw geleden aantoonden dat goede smaak feitelijk geen goede leidraad voor ontwikkeling is. Wat vindt u van dit argument?

Ik heb geen idee wat ´goede smaak´ is. Zolang ik leef is ‘goede smaak’ voor mij net zo’n scheldwoord geweest als ‘fatsoenlijk’ en ‘Tom van Deel’.

Dat goedesmaaksyndroom is waarschijnlijk ontstaan door het feit dat de bloemlezingen in de loop der jaren katholieker, dat wil zeggen breder zijn geworden. Nu, dat heeft louter een economische reden. Het gebloemlees is begonnen als een programma – kijk, dat vind ik en daar sta ik. Na tien jaar is zoiets wel bekeken. Een statement doe je maar één keer. Daarna heb je twee mogelijkheden: of je stopt er mee, of je houdt het succes vast en de plaats die het boek heeft verworven in de boekhandel. Ik heb voor de tweede mogelijkheid gekozen. Of ik daar goed aan deed weet ik niet.

En toen wilde ik – iets anders zat er ook niet op – de poëzie wat meer in kaart brengen, zoals dat heet, er een museum van maken, je geeft er maar een naam aan. De majesteitelijke objectiviteit en een verrukkelijke menslievendheid deden hun intrede, maar om die nu ‘goede smaak’ te noemen… Ik begrijp goddank uit welke hoek de kwaadsprekerij waait.

6. Door u zo nadrukkelijk op te werpen als kronikeur van de Nederlandse Letteren heeft u feitelijk veel minder tijd gehad om aan een eigen oeuvre te werken. Heeft u daar achteraf bezien spijt van? Wat zou u als u terug kon gaan in de tijd anders doen?

Heb ik mij als iets opgeworpen? Maak het een beetje. Ik ben nieuwsgierig, bemoeiziek, ik bijt graag en ik heb stekels, veel meer ook al niet. Ik spring steevast als een militair in de houding zodra ik het woord ‘oeuvre’ hoor. Maar als we deze spotternij even laten voor wat het is: ja, er is sprake van bittere spijt, ik had nooit één regel over het gestuntel van anderen moeten schrijven, ik had geen bloem moeten lezen van die verdoemde akker. Het is het sociale dier in me en de stakker die naar vriendschap haakt, laten we het daar op houden.

7. Vooral in de jaren tachtig en negentig bestond bij veel Nederlandse dichters het idee dat ze ‘vereeuwigd’ waren als ze in uw bloemlezing vermeld stonden. In bepaalde kringen bestond het idee dat men ‘niet meetelde’ als dichter als men niet in de Dikke Komrij stond. U heeft zich daarover, zover ik weet, nooit publiekelijk uitgelaten maar hoe kijkt u zelf tegen dit fenomeen van de ‘vereeuwiging’ aan en tegen de functie van Canons in het algemeen?

Ja, zover is het gekomen. Miserere. Mag men dan niets ‘doen’ met poëzie uit plezier? Uit baldadigheid? Zonder politieke pretenties? Ik zou zomaar een bloemlezing willen maken met gedichten van alleen maar vriendjes (heel dunne bloemlezing) of met gedichten die al onze poëzierecensenten en poëziefilosofen buitengewoon zullen ergeren (heel dikke bloemlezing).

Tis toch treurig dat schrijvers zelf zo verbeten bezig zijn met hun rangnummer en positie binnen de literatuur. Dat lijkt me een zaak voor onderzoekers en wetenschappers. Ik maak me sterk dat deze drang (canonvorming, cijferrapporten) vaker voorkomt bij lieden die hun al of niet vermeend dichterschap combineren met een universiteitsbaan. Bij de ideologische sekte van de campusdichters. Ze kijken als sociologen, analisten en strategen naar de literatuur, en ze zijn vertrouwd met het toontje van de meester. Als wetenschappers mogen ze dat doen, maar als dichters diskwalificeren ze zich.

8. De boekenbijlagen in kranten zijn steeds kleiner geworden, de literaire tijdschriften hebben allemaal een paar honderd abonnees. Tegelijkertijd was er de opkomst van internet en de internetkronieken. Gelooft u dat dit een goede of een kwalijke ontwikkeling is? Zou u nu zelf nog een uitgever zoeken als u net moest beginnen?

De kranten hopen door zich te conformeren aan de smaak van niet-lezers meer lezers te trekken, wat natuurlijk onbegonnen werk is. En de internetwereld is vooralsnog een ongeorganiseerde liederlijke chaos.

Ik ben dol op ongeorganiseerdheid, liederlijkheid en chaos, en ik vrees de dag dat het kranten- en boekenbijlagenmodel zich daar overheen zal leggen.

Ik zou zeker een uitgever zoeken als ik nu zou beginnen, behalve natuurlijk als ik een veilige baan had als psychiater of arts of keurig met mijn schaapjes op het droge stond door mijn positie binnen de academische wereld. Betaald poëzieprofessor, nog beter dan autocoureur of eigenaar van een oliebron! Maar als je van het schrijven moet leven heb je royalty’s en op zijn tijd een voorschotje nodig. Dat is op het web niet geregeld. Literatuur die liefdewerk oud papier moet blijven bloedt dood. De makers vermageren ontstellend.

Aan de andere kant, de literatuurhyena’s liggen in allerlei hoeken al weer op de loer om dit ook op internet allemaal fijn voor de schrijvertjes te regelen. Zodat ze opnieuw het leeuwendeel van de opbrengst kunnen opstrijken.

9. Wat vind u van het algemene niveau van de poëziekritiek in Nederland? Om het wat specifieker bij naam te noemen: hoe ziet u de dominante positie die bijvoorbeeld de grote krantenrecensenten als Pfeijffer en Gerbrandy verworven hebben (dominantie die overigens alweer aan het afkalven is, maar dat terzijde)?

Bij sommige dichters of would be-dichters zie je een haast krampachtig streven om de poëzie onder de dichters te houden. Dat is natuurlijk curieus. Dat is incest. Critici moeten daar niet aan mee doen. Critici schrijven voor een lezerspubliek, en niet voor collega’s. Critici moeten een brug slaan (om het voor een keertje braaf te zeggen) en niet op een uitkijktoren of verhoging plaatsnemen. Het zal wel niet te omzeilen zijn dat critici tot een school behoren of tot een vriendengroepje, maar ze moeten daarvoor luid en duidelijk verantwoording afleggen. Dit alles gebeurt te weinig.

De positie van Pfeijffer en Gerbrandy (je bedoelt de twee grootste landelijke dagbladen, NRC Handelsblad en De Volkskrant) wordt vooral afgekalfd door de directies en redacties van die dagbladen. Ik zou het toejuichen als ze elke week een hele pagina kregen voor een mooi stuk over poëzie, met daartussendoor elke dag een bespreking van een bundel. Dan héb je tenminste iets om voor of tegen te zijn.

10. Gelooft u bijvoorbeeld dat het een goed idee kan zijn juist de poëziekritiek te subsidiëren en de productie juist minder? Hoe ziet u het verschijnsel gesubsidieerde kunst?

Het huidige idee van literaire subsidie (aka Fonds voor de Letteren) gaat niet uit van kwaliteit, maar van goede bedoelingen. Aan goede bedoelingen heb je niets in de literatuur. Het is cent voor cent weggegooid geld.

Ik zie duizenden dichters en dichtertjes om me heen en ze schrijven duizenden gedichten. Dat maakt misschien een miljoen gedichten per kwartaal. Om dat te subsidiëren, daar moet je toch niet aan denken?

De kritiek zou wat meer moeten geselen. Maar gesubsidieerde poëziecritici geselen niet, dat is bekend. Die geven een tikje en delen dan weer suikerklontjes uit. Anders komt hun subsidie te vervallen.

11. Heeft u nog een boodschap aan beginnende dichters, die wellicht door de bomen het bos niet meer zien? Heeft u ook een boodschap voor de gevorderde dichters?

Boodschap is een groot woord. Ik zou alle dichters, beginnend of gevorderd, het brengen van boodschappen willen afraden. Ik zou de beginnende dichters willen toefluisteren: houd van je zelf en vermijd de schriftgeleerden. Ik zou de gevorderde dichters willen toeroepen: houd eens wat minder van je zelf en dicht nog eens wat.

Novo Universalis spreekt zich uit tegen Stadsdichterschap Ingmar Heytze

Jullie komen met een publiek statement dat jullie gekant zijn tegen het stadsdichterschap van Ingmar Heytze, waarom?

Omdat, laten we even wel wezen, die man al veel teveel gedichten over Utrecht heeft geschreven.

Maar is dat niet juist de taak van een stadsdichter, dan?

Indien men ’stad’ definieert als een entiteit die zichzelf niet kan relativeren, wellicht. Waren wij Utrecht geweest dan hadden we zeer zeker niet Ingmar Heytze tot stadsdichter gemaakt. Wie zit daar nu op te wachten, nog meer gedichtjes over Utrecht?

Mensen die in Utrecht wonen en die de schoonheid van hun leefplek bezongen willen zien?

Wat is het essentiele verschil met Rembrandt die zijn halve leven lokale machthebbers moest schilderen? Als je daar geen probleem in ziet moet je inderdaad maar poëzie schrijven om mensen mee te behagen. Maar zulke behaagziekte is niet perse een kunstzinnig uitgangspunt, behalve als Heytze eens een flinke serie gedichten schrijft over hoe lelijk, klein en oninteressant Utrecht feitelijk wel niet is.

Maar wat als Heytze nu daadwerkelijk Utrecht een mooie stad vindt, waardig om een gigantische reeks gedichten aan te wijden?

Dat is in wezen stadspropaganda. Wij zien geen verschil met dichters die in de tijden van de USSR staatskunst maakten om het bestel te verheerlijken. Aangezien milde kritiek onderdeel uitmaakt van het bestel ‘parlementaire democratie’ is de aanwezigheid van zulke milde kritiek geen anti-propagandistisch teken.

Wat stellen jullie zelf dan als alternatief voor?

Wij zien dichters niet als verlengstuk van de plaatselijke VVV. Wij zijn voor het stadsdichterschap, maar tegen de stadspropaganda. De Stadsdichter moet naar onze mening meer macht krijgen, zodat hij de stad kan herscheppen naar zijn eigen beeltenis, als een soort lokale God. Op die manier krijg je allemaal absolute mini-dictatuurtjes die de mensen ertoe zullen aanzetten de poezie eens wat serieuzer te nemen.

Verder zouden wij verbieden dat een stadsdichter over zijn eigen stad mag schrijven. Dat vinden wij gewoon een veel te gemakzuchtig uitgangspunt.

Zie ook: de plannen van DDV Benders