Archive for February, 2009

De paddestoelendans van Kluger Hans

Zo, lieve kijkbuiskindertjes, u mag van mij best weten dat Mijnheer de Uil enige autoriteit heeft als het aankomt op kabouters en pauwenstaarten. Het mannelijke pauwtje ontvouwt zijn enorme staart om indruk te maken op de vrouwtjes en mannelijke concurrenten af te schrikken. Helaas voor de pauw heeft echter de natuur vergeten dat het met zo’n zware, dikke staart moeilijk wegrennen is en vandaar ook dat de pauw een geliefd maal is voor menig sluwe vos.

Vandaag plofte ‘Kluger Hans’ op de digitale deurmat in het sprookjesbos. Ik had al een en ander over het blad vernomen omdat een van de redacteuren, Dhr Olaf Risee, mij regelmatig via het bossmoelenboek liet weten dat hij een pauwenstaart van Golathiaanse proporties in zijn kabouterbroek koesterde. Een en ander naar aanleiding van de naaktfoto van Kabouter Pfeijffer, die achterop zijn nieuwe sprookjesboek prijkt.

Nu is Pfeijffer natuurlijk een apart geval. Die foto is als het ware de ultieme bekentenis. De boodschap die hij uitstraalt is vooral de boodschap der ultieme schattigheid. Hier zit overduidelijk een vriend van de hele mensheid te glimmen. Een ongevaarlijke, maar hele aardige vriend. Een knuffel-literator die u met geen mogelijkheid iets door de strot zou kunnen rammen. Een hele aardige man, om het maar even kort samen te vatten.

De foto riep bij Risee echter grote verontwaardiging op. Ik snap dat wel. Risee geeft in zijn stuk zelf al aan dat hij aanvankelijk hoopvolle gevoelens koesterde richting Pfeijffer. Hier zou een man bezig gaan die de literaire wereld wakker ging schudden. En wat is er uiteindelijk van geworden? De ultieme knuffelbeer die je zo even zonder gene aan je kleine nichtje uit zou lenen. Risee besloot dat het anders moest, en zo werd de contra-foto in Kluger Hans geboren.

Nu mag u best van mij weten dat Mijnheer de Uil aardig wat tijd heeft gestoken in het bestuderen van het mannelijk geslacht. Van Rocco Siffredi tot Pierre Woodman, van Ron Jeremy tot Zilveren Paultje, ik ben vrij goed onderlegd in de kunst van de penis-esthetiek. De boodschap van Olaf Risee dat hij iets van stuurknuppel proporties in knuffelberenland zou werpen riep dan ook op zijn beurt bij mij weer hoopvolle gevoelens op. Eindelijk iemand die zijn enorme totempaal in het hoenderhok gooit, dacht ik, eindelijk een vent die wel weet dat Abraham zijn mosterd niet uit dunne knijpzakjes trekt. Ik sloeg dan ook vol verwachting ‘Kluger Hans’ open en bladerde meteen naar de beruchte foto.

Helaas. Een typisch kenmerk van de mannelijke pauw is dat hij de eigen staart nooit goed weet te duiden. Dat wil zeggen: vraag een pauw naar zijn staart en ze hebben allemaal de grootste, de mooiste, de breedste en verzint u nog maar wat superlatieven erbij. De staart van Dhr Risee is echter van een doorsnee formaat. Dat hij net iets groter lijkt is een optische truuk, veroorzaakt door het feit dat het kaboutertje wat eraan vastzit naar verhouding zo klein is.

Behalve dat Mijnheer de Uil veel van penissen weet, weet hij ook veel van literatuur. De penis is de paddestoel waarin de boskabouterziel van de man huist. Een mooie paddestoel hoeft niet perse een mooie kabouter te bergen: er zijn genoeg aartslelijke kabouters die in prachtige paddestoelen wonen. Maar zodra er uit een – toegegeven vrij klein behuisde – paddestoel een literator komt stappen en vervolgens komt een andere literator zijn paddestoel uit en begint in tegenreactie te oreren: nou, dan wordt het tijd dat Mijnheer de Uil eens goed naar de paddestoelen zelf gaat kijken.

De paddestoel van kabouter Risee staat wat scheef, waarbij het niet duidelijk is of de paddestoel van Risee van nature scheef staat of dat hij te lui was om zijn paddestoel even voor de foto recht te trekken. Wat nog meer opvalt is dat de sporenzakken, wat toch een essentieel onderdeel van de paddestoel is, vind ik, juist weer relatief klein is bij Risee, dit in tegenstelling tot bij Pfeijffer die juist weer een behoorlijke berenzak had dan verhoudingsgewijs natuurlijk. Nog erger is dat hetzelfde opgaat voor de kroonluchter van de paddestoel, de hoed. De hoed is uiteraard wat een paddestoel een paddestoel maakt. Die is echter bij Risee te smal ten opzichte van de basis, waardoor het hele ‘paddestoel’ idee verdwijnt en je meer aan een raket gaat denken, wat natuurlijk ook een heel mooi ding is, een raket. Maar een echte paddestoel is het niet.

Het moet gezegd worden dat de paddestoel van Kabouter Risee in lengte de paddestoel van Kabouter Pfeijffer weet te kloppen. Zijn paddestoel is ongeveer even lang als het goedkope Nokia mobieltje dat langs hem op de oude kabouterbank ligt. Ik kan echter niet anders dan concluderen dat de moedige staatsgreep op de literaire paringsdans door Risee is mislukt. De boodschap van Kabouter Pfeijffer’s foto was: schattig. Maar wat voor boodschap straalt Risee’s foto precies uit? Iemand met veel kopzorgen, die nerveus zijn been onder zijn andere been verbergt. Iemand die snel even een foto maakt maar te lui is om zijn paddestoel even netjes recht te zetten. Iemand die niet begrijpt dat ook de accessoires bij een paringsdans van belang zijn: weg met die goedkope mobiel en die stereo van de rommelmarkt. De sjieke boekenkast van Pfeijffer, daar kun je toch geen zelfgetimmerde boekenplankjes tegenover zetten met nota bene de Bijbel als enig zichtbare boek?

Nee, de kunst van de paringsdans is aan Risee volstrekt niet besteed. Zijn stuk gekant tegen Pfeijffer heeft dezelfde tekortkomingen: te kleine basis, en de hoed is niet goed. De basis is mager, dat is zijn bewondering voor Ilja. Het middenstuk is breed, ellenlang gezever over dat Ilja geen groot vernieuwer is, een overbekend gegeven. De hoed is weer te klein: dat is de foto zelf die gewoon niet extreem genoeg is om indruk te maken. Jammer, maar toch een plakplaatje van Mijnheer de Uil want natuurlijk wel dapper van Kabouter Risee om zo van leer te trekken. Daar lusten we in het grote sprookjesbos allemaal wel pap van.

Oh ja, en dan heeft Mijnheer de Uil ook nog de rest van het blaadje gelezen. Daar stonden welgeteld 2 verhalen en 1 gedicht in van mensen uit vergelegen bossen. Ook reageert Kabouter Roelens op het grote sprookjeshotel van zijn buurkabouter van Bastelaere. Kabouter Roelens heeft op dat stukje flink zijn best gedaan, maar helaas kan Mijnheer de Uil het in twee zinnen samenvatten: er staan wat kabouters niet in het sprookjesboek die er wil in hadden moeten staan, vindt Roelens. Waarom maakt Kabouter Roelens dan zelf geen sprookjesboek? Nou, omdat hij indruk wil maken op Kabouter van Bastelaere, natuurlijk. Opnieuw een paringsdans, dus.

Het gedicht vondt Mijnheer de Uil wel aardig, maar ook een beetje te conformistisch. Men neme drie elementen en men mengt deze met gortdroge humor tot een totaalgedichtje en dan is de grap dat die drie dingen die eigenlijk niks met elkaar te maken hadden dan toch in interactie blijken treden! Nou, dat weten we dan ook weer, het is zeer hip hoor, Juffrouw Ooievaar, maar waarom moest dit zo prominent in het blad? Dat werd niet duidelijk.

Nee, Kluger Hans is duidelijk een paard dat nog aan het sprookjesbos moet wennen. Hier kunnen wij allemaal tellen, en Mijnheer de Uil telt nog wel ten beste. In de grote boze mensenwereld, lieve kijkbuiskinderen, heet zo’n paard al snel een bijzonderheid te zijn. Daarom had Kabouter Risee er beter aan gedaan het blad niet ook in het sprookjesbos te droppen, waar de paddestoelen immers welig tieren.

Een interview met Gerrit Komrij

Loewak hield een interview met Gerrit Komrij, van wie recentelijk het boek Vila Pouca verscheen. Komrij gaf antwoord op elf vragen:

1. U heeft net een roman uitgegeven, Vila Pouca, kroniek van een dorp. U woont al lang tenminste een groot deel van het jaar in Portugal. Betekent dat dat u zich ook deels Portugees voelt? In hoeverre gelooft u persoonlijk in de universele mens, dwz de mens die zich aan alle omstandigheden kan aanpassen?

Me Portugees voelen zal ik nooit. Hoe meer ik van de Portugezen aan de weet kom, hoe minder ik er van begrijp. En hoe meer begrip ik koester, nolens volens, voor de Nederlanders: van een afstand zijn ze toch wel heel absurd. Ik kan niet tegelijk van absurd theater houden en de Nederlanders over het hoofd zien. Ik zou nooit naar dat land willen terugkeren, maar de Hollander blijft in me zitten. Het heeft allemaal met je moeder te maken, vrees ik. Ik zou overal kunnen wonen. Of ik me aan alle omstandigheden kan aanpassen (genocide, kannibalisme) geloof ik niet, er moet wel een keukentafeltje, een potlood en papier in de buurt zijn. En iets te lezen, als het even kan.

2. In Nederland heerst een poëzieklimaat waarin men zichzelf vaak al snel op de borst weet te kloppen. Dat begon ooit al met Nijhoff die schreef dat de Nederlandse poëzie het hoogste niveau ter wereld had, maar ook hedentendage bestaat diezelfde teneur nog ruimschoots. In hoeverre bent u het met die teneur eens, is de Nederlandse poëzie inderdaad van hoger niveau dan de poëzie zoals deze elders wordt bedreven?

Ik weet te weinig (of liever gezegd helemaal niets) van de Pakistaanse of Zimbabwaanse poëzie om daar een sluitend antwoord op te geven, maar voor zover ik de poëzie ter wereld ken is dat lariekoek. Wat Nederland als specifieke bijdrage te bieden heeft wordt verwaarloosd en geminacht, en wat de Nederlandse dichters als hun internationale niveau beschouwen is doorgaans epigonisme, mimicry en mosterd na de maaltijd.

3. Uw bekendste werk is de zgn. ‘Dikke Komrij’, een bloemlezing van de gehele Nederlandse poëzie. Ik hoor vaak het verwijt aan uw adres dat u met deze bloemlezing de vernieuwers en de avant-garde in de Nederlandse poëzie wat links heeft laten liggen. Vindt u dat zelf een terecht verwijt? Heeft u een conservatief zelfbeeld, of juist niet?

Toen de bloemlezing ontstond waren de Vijftigers almachtig. Ik was een dichter toen, en nog niet de bloemlezer die uit me geconstrueerd werd. Iedere dichter vecht tegen dominantie. De Vijftigers moesten terug, weg, het hok in. Vade retro. Vergeet niet, er lag in dit tijd een verstikkende deken over de Nederlandse literatuur. In mijn schooljaren had je in het proza al de Grote Drie, dat hield maar niet op. In de poëzie verklaarden de Vijftigers dat ze de enigen en de laatsten waren. Dat laat je als jonge dichter niet op je zitten.

’t Lag en ligt niet in mijn natuur vernieuwers en avant-garde links te laten liggen, dat is een perfide vertekening, wat ik wel wilde, deels bewust en deels onbewust, was een scheiding aanbrengen tussen de talenten en de epigonen. Ik wilde de alleenheerschappij van de Vijftigers relativeren door ze te plaatsen in een traditie. Zo origineel als de vaderlandse poëziebeschouwers dachten waren veel Vijftigers ook weer niet, het was internationaal gezien meer een inhaaloefening dan een revolutie. Voor mij was het een gewoon doorgangsstation, geen eindstation.

De beschuldigende wijsvinger met ‘conservatief’ erop heeft misschien een kans gekregen, niet omdat ik tegenover avant-garde zou staan, maar omdat ik nogal houd van wat men dan wel hardnekkig ‘vormvast’ noemt, maar wat veel meer spelen met vormen is.

Vorm is niet zo’n simpel iets als ze vaak beweren. Wat mensen als Driek van Wissen vormvast noemen, met duidelijke zelftrots, is niet meer dan dreunbestendigheid. TaTOEM TaTOEM TaTOEM heeft niks met vorm te maken. De keer dat je afwijkt is interessanter, en moeilijker, dan de honderd keer dat je gehoorzaamt.

Ik heb weinig op met de nostalgische, traditionele vormvastheid, met dichters die doen of er een eeuwlang niets in de poëzie is gebeurd. Wat dat betreft heb ik me toch altijd meer verwant gevoeld met Oulipo – maar dan, wie had daar in die tijd in Nederland van gehoord?

4. U schreef recentelijk: “Waarom al die huichelaars na de moordaanslag op Dichter des Vaderlands de Eerste nu niet ineens opnieuw moesten gaan doen of de poëzie ze een lor kon schelen.” – wat bedoelt u daar precies mee? Was het beëindigen van het DDV-schap te wijten aan een conflict met bepaalde personen? Waarom hield u die functie eigenlijk voor gezien, en wat is er naar uw mening mis met de organisatie?

Ik kan niet zeggen wat er mis was met de organisatie, want de organisatie was ik. Als er achter de schermen al iets gebeurde, dan heb ik daar niets van gemerkt, dus waarschijnlijk gebeurde er weinig. Ik vond juist dat er meer moest gebeuren en dat ze mij niet moesten laten doormodderen met het pluimstrijken bij potentiële sponsors en het te grabbel laten gooien van mijn goeie naam, al was ik zo langzamerhand de enige die van mezelf vond dat ik nog over zoiets beschikte.

Door ‘af te treden’ wilde ik een discussie op gang brengen over de zin, te ja of te nee, van het DdV-schap. Toen ik het voor gezien hield is er niet één, ik herhaal niet één, krantje of journalistje of lokaal nieuwsgaardertje langs geweest om te vragen: Wat is er eigenlijk precies aan de hand? Wat bezielde je? Wat ging er mis? Kom op met de diepere achtergronden! In de dagen erna niet en in de maanden erna ook niet. En dat bewees precies waar het me om begonnen was: niemand was van plan er iets van te maken en het spel ook maar een beetje mee te spelen, zelfs niet in een relativerende en verschijningsvorm. Wel stond er meteen in het noorden een messiaanse intrigant op die een eigen verkiezinkje ging organiseren, waardoor mijn schriktherapie meteen werd vertroebeld en in de kiem gesmoord.

5. Een ander bekend contra-argument tegen uw bloemlezingen welke men vaak hoort is dat deze op niets anders gebaseerd zouden zijn dan het principe van de ‘goede smaak’, terwijl bijvoorbeeld kunstenaars als Picasso al een eeuw geleden aantoonden dat goede smaak feitelijk geen goede leidraad voor ontwikkeling is. Wat vindt u van dit argument?

Ik heb geen idee wat ´goede smaak´ is. Zolang ik leef is ‘goede smaak’ voor mij net zo’n scheldwoord geweest als ‘fatsoenlijk’ en ‘Tom van Deel’.

Dat goedesmaaksyndroom is waarschijnlijk ontstaan door het feit dat de bloemlezingen in de loop der jaren katholieker, dat wil zeggen breder zijn geworden. Nu, dat heeft louter een economische reden. Het gebloemlees is begonnen als een programma – kijk, dat vind ik en daar sta ik. Na tien jaar is zoiets wel bekeken. Een statement doe je maar één keer. Daarna heb je twee mogelijkheden: of je stopt er mee, of je houdt het succes vast en de plaats die het boek heeft verworven in de boekhandel. Ik heb voor de tweede mogelijkheid gekozen. Of ik daar goed aan deed weet ik niet.

En toen wilde ik – iets anders zat er ook niet op – de poëzie wat meer in kaart brengen, zoals dat heet, er een museum van maken, je geeft er maar een naam aan. De majesteitelijke objectiviteit en een verrukkelijke menslievendheid deden hun intrede, maar om die nu ‘goede smaak’ te noemen… Ik begrijp goddank uit welke hoek de kwaadsprekerij waait.

6. Door u zo nadrukkelijk op te werpen als kronikeur van de Nederlandse Letteren heeft u feitelijk veel minder tijd gehad om aan een eigen oeuvre te werken. Heeft u daar achteraf bezien spijt van? Wat zou u als u terug kon gaan in de tijd anders doen?

Heb ik mij als iets opgeworpen? Maak het een beetje. Ik ben nieuwsgierig, bemoeiziek, ik bijt graag en ik heb stekels, veel meer ook al niet. Ik spring steevast als een militair in de houding zodra ik het woord ‘oeuvre’ hoor. Maar als we deze spotternij even laten voor wat het is: ja, er is sprake van bittere spijt, ik had nooit één regel over het gestuntel van anderen moeten schrijven, ik had geen bloem moeten lezen van die verdoemde akker. Het is het sociale dier in me en de stakker die naar vriendschap haakt, laten we het daar op houden.

7. Vooral in de jaren tachtig en negentig bestond bij veel Nederlandse dichters het idee dat ze ‘vereeuwigd’ waren als ze in uw bloemlezing vermeld stonden. In bepaalde kringen bestond het idee dat men ‘niet meetelde’ als dichter als men niet in de Dikke Komrij stond. U heeft zich daarover, zover ik weet, nooit publiekelijk uitgelaten maar hoe kijkt u zelf tegen dit fenomeen van de ‘vereeuwiging’ aan en tegen de functie van Canons in het algemeen?

Ja, zover is het gekomen. Miserere. Mag men dan niets ‘doen’ met poëzie uit plezier? Uit baldadigheid? Zonder politieke pretenties? Ik zou zomaar een bloemlezing willen maken met gedichten van alleen maar vriendjes (heel dunne bloemlezing) of met gedichten die al onze poëzierecensenten en poëziefilosofen buitengewoon zullen ergeren (heel dikke bloemlezing).

Tis toch treurig dat schrijvers zelf zo verbeten bezig zijn met hun rangnummer en positie binnen de literatuur. Dat lijkt me een zaak voor onderzoekers en wetenschappers. Ik maak me sterk dat deze drang (canonvorming, cijferrapporten) vaker voorkomt bij lieden die hun al of niet vermeend dichterschap combineren met een universiteitsbaan. Bij de ideologische sekte van de campusdichters. Ze kijken als sociologen, analisten en strategen naar de literatuur, en ze zijn vertrouwd met het toontje van de meester. Als wetenschappers mogen ze dat doen, maar als dichters diskwalificeren ze zich.

8. De boekenbijlagen in kranten zijn steeds kleiner geworden, de literaire tijdschriften hebben allemaal een paar honderd abonnees. Tegelijkertijd was er de opkomst van internet en de internetkronieken. Gelooft u dat dit een goede of een kwalijke ontwikkeling is? Zou u nu zelf nog een uitgever zoeken als u net moest beginnen?

De kranten hopen door zich te conformeren aan de smaak van niet-lezers meer lezers te trekken, wat natuurlijk onbegonnen werk is. En de internetwereld is vooralsnog een ongeorganiseerde liederlijke chaos.

Ik ben dol op ongeorganiseerdheid, liederlijkheid en chaos, en ik vrees de dag dat het kranten- en boekenbijlagenmodel zich daar overheen zal leggen.

Ik zou zeker een uitgever zoeken als ik nu zou beginnen, behalve natuurlijk als ik een veilige baan had als psychiater of arts of keurig met mijn schaapjes op het droge stond door mijn positie binnen de academische wereld. Betaald poëzieprofessor, nog beter dan autocoureur of eigenaar van een oliebron! Maar als je van het schrijven moet leven heb je royalty’s en op zijn tijd een voorschotje nodig. Dat is op het web niet geregeld. Literatuur die liefdewerk oud papier moet blijven bloedt dood. De makers vermageren ontstellend.

Aan de andere kant, de literatuurhyena’s liggen in allerlei hoeken al weer op de loer om dit ook op internet allemaal fijn voor de schrijvertjes te regelen. Zodat ze opnieuw het leeuwendeel van de opbrengst kunnen opstrijken.

9. Wat vind u van het algemene niveau van de poëziekritiek in Nederland? Om het wat specifieker bij naam te noemen: hoe ziet u de dominante positie die bijvoorbeeld de grote krantenrecensenten als Pfeijffer en Gerbrandy verworven hebben (dominantie die overigens alweer aan het afkalven is, maar dat terzijde)?

Bij sommige dichters of would be-dichters zie je een haast krampachtig streven om de poëzie onder de dichters te houden. Dat is natuurlijk curieus. Dat is incest. Critici moeten daar niet aan mee doen. Critici schrijven voor een lezerspubliek, en niet voor collega’s. Critici moeten een brug slaan (om het voor een keertje braaf te zeggen) en niet op een uitkijktoren of verhoging plaatsnemen. Het zal wel niet te omzeilen zijn dat critici tot een school behoren of tot een vriendengroepje, maar ze moeten daarvoor luid en duidelijk verantwoording afleggen. Dit alles gebeurt te weinig.

De positie van Pfeijffer en Gerbrandy (je bedoelt de twee grootste landelijke dagbladen, NRC Handelsblad en De Volkskrant) wordt vooral afgekalfd door de directies en redacties van die dagbladen. Ik zou het toejuichen als ze elke week een hele pagina kregen voor een mooi stuk over poëzie, met daartussendoor elke dag een bespreking van een bundel. Dan héb je tenminste iets om voor of tegen te zijn.

10. Gelooft u bijvoorbeeld dat het een goed idee kan zijn juist de poëziekritiek te subsidiëren en de productie juist minder? Hoe ziet u het verschijnsel gesubsidieerde kunst?

Het huidige idee van literaire subsidie (aka Fonds voor de Letteren) gaat niet uit van kwaliteit, maar van goede bedoelingen. Aan goede bedoelingen heb je niets in de literatuur. Het is cent voor cent weggegooid geld.

Ik zie duizenden dichters en dichtertjes om me heen en ze schrijven duizenden gedichten. Dat maakt misschien een miljoen gedichten per kwartaal. Om dat te subsidiëren, daar moet je toch niet aan denken?

De kritiek zou wat meer moeten geselen. Maar gesubsidieerde poëziecritici geselen niet, dat is bekend. Die geven een tikje en delen dan weer suikerklontjes uit. Anders komt hun subsidie te vervallen.

11. Heeft u nog een boodschap aan beginnende dichters, die wellicht door de bomen het bos niet meer zien? Heeft u ook een boodschap voor de gevorderde dichters?

Boodschap is een groot woord. Ik zou alle dichters, beginnend of gevorderd, het brengen van boodschappen willen afraden. Ik zou de beginnende dichters willen toefluisteren: houd van je zelf en vermijd de schriftgeleerden. Ik zou de gevorderde dichters willen toeroepen: houd eens wat minder van je zelf en dicht nog eens wat.

Novo Universalis spreekt zich uit tegen Stadsdichterschap Ingmar Heytze

Jullie komen met een publiek statement dat jullie gekant zijn tegen het stadsdichterschap van Ingmar Heytze, waarom?

Omdat, laten we even wel wezen, die man al veel teveel gedichten over Utrecht heeft geschreven.

Maar is dat niet juist de taak van een stadsdichter, dan?

Indien men ‘stad’ definieert als een entiteit die zichzelf niet kan relativeren, wellicht. Waren wij Utrecht geweest dan hadden we zeer zeker niet Ingmar Heytze tot stadsdichter gemaakt. Wie zit daar nu op te wachten, nog meer gedichtjes over Utrecht?

Mensen die in Utrecht wonen en die de schoonheid van hun leefplek bezongen willen zien?

Wat is het essentiele verschil met Rembrandt die zijn halve leven lokale machthebbers moest schilderen? Als je daar geen probleem in ziet moet je inderdaad maar poëzie schrijven om mensen mee te behagen. Maar zulke behaagziekte is niet perse een kunstzinnig uitgangspunt, behalve als Heytze eens een flinke serie gedichten schrijft over hoe lelijk, klein en oninteressant Utrecht feitelijk wel niet is.

Maar wat als Heytze nu daadwerkelijk Utrecht een mooie stad vindt, waardig om een gigantische reeks gedichten aan te wijden?

Dat is in wezen stadspropaganda. Wij zien geen verschil met dichters die in de tijden van de USSR staatskunst maakten om het bestel te verheerlijken. Aangezien milde kritiek onderdeel uitmaakt van het bestel ‘parlementaire democratie’ is de aanwezigheid van zulke milde kritiek geen anti-propagandistisch teken.

Wat stellen jullie zelf dan als alternatief voor?

Wij zien dichters niet als verlengstuk van de plaatselijke VVV. Wij zijn voor het stadsdichterschap, maar tegen de stadspropaganda. De Stadsdichter moet naar onze mening meer macht krijgen, zodat hij de stad kan herscheppen naar zijn eigen beeltenis, als een soort lokale God. Op die manier krijg je allemaal absolute mini-dictatuurtjes die de mensen ertoe zullen aanzetten de poezie eens wat serieuzer te nemen.

Verder zouden wij verbieden dat een stadsdichter over zijn eigen stad mag schrijven. Dat vinden wij gewoon een veel te gemakzuchtig uitgangspunt.

Zie ook: de plannen van DDV Benders