Monthly Archives: May 2009

Ik weet dat het er is

Ik weet dat het er is

Het moet er zijn, dat woord,
dat ene woord dat mij verklaart waarom mijn stem
het nu begeeft. Om jou,

om jou te zien moest ik wel duizend meisjes zien,
duizend maal duizend blikken.
Bloos ik ? Ik bloos. Ach, waarom ben je toch zo mooi ?

Zelfs als ik straks, wie weet,
weer uit mijn woorden kom, denk niet dat ik niet weet
waarheen ik wil. We zullen

wijn drinken,wilde wijn, er zal geschater zijn
en het gefluister voor
voor je mij je straat, je huis, jelichaam binnenleidt –

een dichter, denk ik, kwam nu met een metafoor.
Maar ik heb haast. Dus je heet C. Dag C.
Proost me toe en neem me mee.

Menno Wigman

uit: “L”; Liber Amicorum voor de 50ste verjaardag
van Maarten van den Elzen.
Hoenderbossche Verzen, Uden 2004.

De doodstraf in kaart

Van GOOD en Kiss me I’m Polish, (klik om te vergroten)

trans0409deathrow

Boeren en borsten

Onderstaande komt van de website van Universiteit Leiden:

Vorig jaar publiceerde Sanskritist Herman Tieken de eerste Nederlandse vertaling van de Kamasoetra direct uit het Sanskrit. Hij kwam toen in één moeite door met een heel nieuwe interpretatie van dit werk. Die luidt: de Kamasoetra is niet bedoeld als handboek voor seks, maar als droogkomische persiflage op een bekend traktaat voor vorsten.

De Kamasoetra, die waarschijnlijk stamt uit de derde eeuw na Christus, diende eeuwenlang als lees- en citeervoer voor een stedelijke elite van geletterde mannen die niet hoefden te werken voor de kost.

Maar de Kamasoetra was niet het enige boek over liefde en seks in het klassieke India. Na de Nederlandse vertaling van de Kamasoetra publiceerde Sanskritist Herman Tieken, nu met een Britse collega, in het Engels een andere klassieker: de Sattasaī. Een bundel gedichtjes over liefde, seks en huwelijk op het Indiase platteland. Een paar fragmenten:

Who is not captivated by a woman’s breasts,
That, like a good poem,
Are a pleasure to grasp,
Are weighty, compact, and nicely ornamented?

(Poems of Life and Love p. 193, nr. 651)

With its leaves pushing through
The gaps in the fence
The castor oil plant seems to be telling
The youths of the village
“Here lives a farmer’s wife With breasts this big”

(p. 19, nr. 6)

When he comes what shall I do?
What shall I say?
And how will it be?
The girl’s heart trembles
At her first chance to be reckless

(p. 31, nr. 52)

Traveler,
If you ever want to see your wife again,
You’d better take another road.
For in this wretched village
The landowner’s daughter
In her desperation,
Is fishing with a very wide net

(p. 155, nr. 515)

When her rivals take a freezing cold bath
Before dressing for the festival,
The youngest wife shows her privileged position
By not bothering

(p. 93, nr. 274)

Poems of Life and Love in Ancient India. Hāla’s Sattasaī. Translated from the Prakrit and introduced by Peter Khoroche and Herman Tieken. SUNY Series in Hindu Studies, Albany. Zie ook de Universitaire Nieuwsbrief voor nog twee stukken over Tieken’s alternatieve interpretatie van de Kamasoetra

DJ QBert – Emergency Scratcher

DJ Qbert Spiderman Battle

Het engagement van de modelburger – reactie op een nonchelant manifest

Ilja Pfeijffer en Erik Jan Harmens publiceren een bloemlezing ‘ik ben een bijl’ met een manifest in Trouw waarin zij oproepen tot ‘riskante poëzie’.

Samuel Vriezen plaatst een stuk online waarin hij aangeeft dat het ‘engagement’ waar beide heren zich op beroepen feitelijk een ideologie is.

Uiteraard is engagement een ideologie, maar ik denk dat die ideologie al sinds de vijftiger jaren overheerst – het idee is dat de kunstenaar zijn maatschappelijk nut moet bewijzen. De maatschappij bestaat niet om het grote individu mogelijk te maken, zoals Nietzsche dat bijvoorbeeld voor ogen had, maar juist andersom: het individu bestaat om het de maatschappij, de groep naar de zin te maken. ‘Riskante poëzie’ wordt in deze context dan ook gedefinieerd als ‘Wij verwachten van de literatuur niet dat zij oplossingen biedt, maar wel dat zij de wereld verandert.’ – want oplossingen bieden vereist intelligentie, de wereld veranderen kan iedereen. Het is de overbekende Hollywood formule: jij bent de oplossing. Jij bent de spil waarom de wereld draait. Het enige wat je hoeft te doen is de wereld te veranderen. Oplossingen hebben we verder een broertje dood aan, want daar moet je voor nadenken. Het enige wat je hoeft te doen is met je magische literaire stokje zwaaien, en alles komt goed. Pure, onversneden Disney.

Pure Disney is ook de rol die Pfeijffer zichzelf in de literaire wereld heeft aangemeten de laatste 10 jaar. Hij fladdert als een soort consensusfee boven het NRC rond, af en toe iemand aantikkend met zijn toverstokje, het vleesgeworden pluizige establishment. Pfeijffer is feitelijk een modernistische parodie binnen een postmoderne omgeving. Al zijn voorbeelden, van Pound tot Lucebert, zijn modernisten. Hij ageert enerzijds tegen de autonomie (Faverey, ) en anderzijds tegen het populisme, een typische bemiddelaarsrol. Zijn aversie tegen de autonomie lijkt me authentiek, zijn aversie tegen populisme betreft vooral het soort populisme welke zijn positie bedreigt – een positie die zich vooral kenmerkt door instant-engagement in de vorm van paniekradicalisme en rituele zelfverminking.

Dit soort instant-engagement beheerst de laatste twintig, dertig jaar het gros van alle Hollywoodscripts. Dat je precies dezelfde ideologie vervolgens als ‘manifest’ in de Trouw aantreft typeert nu juist de rol die literatuur tegenwoordig nog heeft: een bultenaar die achter een groep hardlopende bedriegers aansjokt. Het ‘riskant’ uit ‘riskante literatuur’ moet u dan ook vooral zien als een diepgewortelde wens meer ontploffingen in gedichten waar te nemen. Want ook die ideologie is naar de poëzie doorgesijpelt: een gebrek aan substantie kun je met afdoende ontploffingen heel leuk maskeren.

Pfeijffer poneert twee oppervlakkige tegenstellingen en kiest ‘radicaal’ de kant van een van deze twee. Dat deed hij als ik me niet vergis in de jaren negentig ook al in die ‘vorm versus inhoud’ discussie die ook al als een tang op een varken sloeg. Deze ‘radicale keuze’ is wellicht steeds anders maar de achterliggende structuur is precies dezelfde: een discussie aanzwengelen met schijnargumenten en daarna niet meer thuis zijn. Het zijn de acties van een kamikazefetisjist.

Wat ik bijvoorbeeld eens interessant zou vinden is eens te horen wat er precies zo ‘riskant’ is aan de poezie die Pfeijffer in de ‘Canon van de Europese Poezie’ opnam. Ik wil het antwoord best voorkauwen: het riskante van deze selectie lag hem in het feit dat er ook niet-Europese dichters in staan opgenomen. Haha. Wat een leuk grapje. Heel riskant, hup, op naar het volgende hap-snap stellinkje.

Het typische kenmerk van de postmoderne autoriteit is dat hij het verzet steeds doelbewust saboteert door het te assimileren. Om die reden zijn bijna alle reclames van grote ondernemingen doorspekt van rebellie. Om die reden zijn het regerende partijen die al 100 jaar de dienst in Amerika uitmaken rond verkiezingstijd beide symbolen van de grote verandering. Om die reden zijn het altijd long-time insiders uit Den Haag (Fortuyn, Verdonk, Wilders) die ineens het verzet tegen Den Haag vertegenwoordigen: het zijn feitelijk pogingen van het establishment om het daadwerkelijk verzet onklaar te maken, het zijn pionnen in een systeem dat doelbewust elke daadwerkelijke verandering onmogelijk wil maken. In datzelfde licht zie ik de bloemlezing van Harmens en Pfeijffer ook. Hier zien we iemand die al een dikke tien jaar onderdeel uitmaakt van het establishment pretenderen dat hij het verzet is, dat hij, gelauwerde autoriteit en glimmend radertje in de consensusmachine, ergens tegen ‘in verzet’ komt en de taal die hij erbij bezigt is volstrekt analoog aan de taal die politici bezigen als zij verzet assimileren: schreeuwerige taal die zelfs geen analyse van drie secondes overleeft.

Er is geen sprake van daadwerkelijke tegenstellingen in de politiek. Wat je ziet is dat steeds figuren als Verdonk of Wilders door het systeem gebruikt worden om het totale perspectief te laten verschuiven. Het systeem heeft daarvoor steeds trekpaarden nodig die, door bestaande ideologieën op een extreme wijze in te vullen diezelfde ideologieën ‘nieuw leven’ inblazen om te voorkomen dat er daadwerkelijk iets verandert. Precies hetzelfde mechanisme zie je in de poëzie ook: het modernistische, industriële idee dat de gevestigde orde bepaalt wat hip is (de bloemlezing) en dat wij, gevestigde dichters, wel even zullen laten zien wat radicaal, gevaarlijk en verzet is – resulterend in een bloemlezing vol amechtige braveriken die grotendeels allang onderdeel uitmaken van die gevestigde orde of dat graag zouden willen zijn.

Het verschil tussen bloemlezingen vanuit modernistisch en postmodernistisch perspectief is daarbij opvallend. De modernistisch bloemlezing is de bloemlezing met de autoriteit als rebel die voor iedereen bepaalt wat hip is. De postmoderne bloemlezing is een bloemlezing van een autoriteit die zich bewust is van de absurditeit van bovenstaande en het dus persifleert. Hotel New Flandres is een postmoderne bloemlezing omdat de bloemlezers zich uiteraard ten volle bewust zijn van de absurditeit van het toepassen van een hotel-sterren systeem op de poëzie – een provocatie naar de nog steeds modernistische bloemleescultuur in Nederland en Vlaanderen. Alleen al om die reden heeft die bloemlezing het volle bestaansrecht.

Wat van belang is bij een bloemlezing is nadrukkelijk niet of er goede gedichten in te lezen zijn. In elke bloemlezing staan op een of andere manier wel goede gedichten – niet zo moeilijk ook om uit een enorme poëzieaanwas wat goede gedichten te selecteren. Dat is net als beurskoersen voorspellen bij wijze van spreken iets wat je een gorilla kunt laten uitvoeren.

Nee, van belang bij een bloemlezing is wat het politieke bestaansrecht van die bloemlezing is. Elke bloemlezing als zodanig is een staatsgreep op de consensus, een poging de eigen smaak als norm te
presenteren en een poging om blijvende invloed op iets ongrijpbaars als een ‘canon’ te bewerkstelligen. De bloemlezing is de georganiseerde religie van de literatuur.

Wie dus met een bloemlezing komt moet zich niet vervolgens gaan beklagen dat hij die bloemlezing ook nog eens moet verantwoorden – hoe volstrekt risicoloos is dat, hoe nonchalant, om een bloemlezing uit te brengen en dan, nadat er zo’n 6 artikelen als reactie op internet verschijnen dit te schrijven:

Tot dusver heeft alleen Marc Reugebrink iets interessants opgemerkt, dat een niet-academicus eigenlijk geen bloemlezing zou mogen maken. Daar ben ik het niet mee eens, maar daar kun je wel wat mee.”

De stukken van Samuel Vriezen, Jeroen van Rooij en ondergetekende waren dus gewoon niet interessant. Het stuk van Reugebrink was klaarblijkelijk zo interessant dat Harmens er iets in leest wat er totaal niet in te lezen valt. Moeten wij van zo’n figuur nu echt nog te horen krijgen dat nonchalance in de literatuur een misdaad is?

Pfeijffer en Harmens vinden kritiek niet interessant. Als modernistisch establishment en autoriteiten die constant zichzelf saboteren vinden zij vooral de echo’s van hun eigen kreten interessant. De bloemlezing ‘ik ben een bijl’ is een typische weerspiegeling van onze tijd: het is het vleesgeworden neoconservatisme in de literatuur, met een modernistisch sausje. Harmens beweert dat het typische van poëzie geschreven in de jaren nul ‘de warmte, de familiebanden, het persoonlijke’ is – weer een typisch neoconservatief geluid: de familie als engagementswapen – de republikeinse campagne zat er vol mee.

Of neem een andere typische ontwikkeling binnen Hollywood de laatste jaren: de zogenaamde ‘torture flick’. Films die martelen als entertainment brengen. Volstrekt synchroon aan de terugkeer van het politiek martelen. Wie denkt dat dat toeval is zit met zijn kop in het zand: hier wordt doelbewust de tolerantie van het grote publiek voor dit fenomeen opgerekt. De basisvraag hier is: waarom komt het politieke martelen terug. Daar heeft niemand het over. Men veronderstelt een enorme naïviteit aan de zijde van de martelaars: alsof die mensen gewoon niet weten dat martelen totaal niet effectief is. Niemand wijst erop dat informatiegaring wel eens totaal niet het doel van deze praktijken zou kunnen zijn. Het is opnieuw de ‘extremistische positie’ die als functie het oprekken en verschuiven van het hele waardesysteem heeft. Het is een kapingspoging, maar nooit een kapingspoging van buitenaf.

Is het dan niemand opgevallen dat er in Irak alleen koppen werden gesneld in de maand na Abu Graib? Je maakt mij niet wijs dat iets wat wordt gepresenteerd als onderdeel van een cultuur alleen bij wat onaangename fotos aan het licht komt. Er worden elke dag familieleden vermoord, er is elke dag wel een aanleiding tot een extreme reactie.Het feit dat alleen de maand na Abu Graib de koppen rijkelijk op internet videos rolden wijst op een gefabriceerde tegenstelling: kijk, hun zijn nog erger dan ons. Zulke gefabriceerde, propagandistische tegenstellingen tref je vervolgens ook in de literatuur aan. Deze bloemlezing is nodig, omdat het alternatief erger is. Dat is de politieke boodschap van ‘ik ben een bijl’, en interessant is dan eens te analyseren waar beide heren zo bang voor zijn.

Kunt u zich een pornofilm voorstellen die begint met een introductie waarin met zwaar aangezette stem wordt verkondigd dat sex wild moet zijn en vooral niet saai? Dat is zo’n beetje het manifest wat Harmens / Pfeijffer hebben geschreven. Het probleem is alleen dat het manifest veronderstelt dat er daadwerkelijk veel mensen rondlopen die vinden dat sex saai moet zijn. U mag ze mij eens aanwijzen. Volgens mij vindt jan-en-alleman dat poezie gevaarlijk en riskant moet zijn. Ik heb nog nooit een essay gelezen waarin iemand uitgebreid redeneert dat poezie vooral saai en veilig moet zijn.

Het probleem van dit manifest is dus vooral dat het onder woorden brengt wat al talloze keren is gezegd door zo’n beetje iedereen die in de poëziewereld rondkruipt. Het moet allemaal gevaarlijk zijn, riskant, adembenemend, en welk superlatief men nog maar meer kan verzinnen. Dat de meeste poëzie en de meeste dichters nog geen deuk in een pak boter zouden kunnen slaan, dat het schriele mannetjes zijn met een bleke hobby die zelfs op het enige vlak waar ze nog mee zouden kunnen tellen – het intellectuele – allang door de werkelijkheid ingehaald zijn (wat ze aan zichzelf te danken hebben – wie constant de underdog uithangt en incompetente dagdromers en zwabberaars tot woordvoerders kiest is bijna volautomatisch uitgerangeerd) – u begrijpt, deze mannetjes is er veel aan gelegen nog enigszins gevaarlijk over te komen.

Er zijn zelfs nog mensen die in de naaktfoto van Pfeijffer een provocatie zien. Dat zijn mensen die helemaal niets begrijpen van het mechanisme van de provocatie. In een omgeving waarin iedereen vindt dat je ‘gevaarlijk’ moet lijken ben je juist provocatief als je zegt van rustige, saaie poëzie te houden. Ik stel dat je om in Nederland door een breder publiek te kunnen worden geaccepteerd je geen keuze hebt dan jezelf een clownsneus op te plakken als je je kop boven het maaiveld uitsteekt. Pfeijffer deed alleen Wolkers na, omdat hij zich van dat feit bewust is: brede acceptatie krijg je alleen door jezelf af en toe flink voor lul te zetten.

En engagement, dan? Geen spoor van te bekennen in het hele oeuvre van Pfeijffer. De naaktfoto typeert loepzuiver wat het type engagement is wat bij hem past: het engagement van de brave modelburger die niets te verbergen heeft. Die alles met jan publiek wil delen, omdat hij wezenlijk niets te delen heeft. Die graag zijn privacy inruilt voor een stukje extra ‘veiligheid’, net als de mensen die op Schiphol graag in hun nakie gaan staan. En dat is best een beetje riskant, maar om een heel andere reden dan hij zelf vermoedt.

M.H.Benders, Istanboel, 28-05-2009

Commentaar

De nieuwe Benders



'Wôld, Wôld, Wôld!' heet de derde dichtbundel van Martijn Benders. Een lijvige dichtbundel met 222 pagina's. De bundel heeft een aantal verassingen voor u in petto en kwam uit in drie versies.

Koop de bundel nu!



'Wat koop ik voor jouw donkerwilde machten, Willem' heet de tweede dichtbundel van Martijn Benders.

Koop de bundel nu!