Korte aantekeningen Conceptuele poezie symposium Berlijn
Het is me een raadsel waarom het Conceptuele poëzie symposium onlangs, in Berlijn juist op 1 Mei moest plaatsvinden. In Berlijn betekent de dag van de arbeid namelijk ‘georganizeerde anarchie’. Rellen zijn gegarandeerd. Dit jaar; een vrouw die door een Molotov cocktail werd geraakt en een Nazi demonstratie in Kopenick van 50 man die tegemoet werd gelopen door 3000 anti-Nazi demonstranten.
Met andere woorden, de grote Uferhallen (een mooie voormalige tram remise) waar het symposium plaatsvond bleven redelijk leeg tijdens het Conceptuele poëzie symposium. Hieronder wat korte, incomplete notities van de vier inleidende papers. Helaas niets van de poëzie voordrachten later op de dag (van Rob Fitterman, Kenneth Goldsmith, Vanessa Place, Kim Rosenfield).
De vier papers waren bedoeld om wat algemene discussiepunten naar voren te brengen. Ze werden gepresenteerd Ulla Haselstein, Andrew Gross, and Catrin Gersdorf, allemaal verbonden met de JFK Graduate school in Berlijn. Vanessa Place, de enige dichteres van de vier, las een essay voor. En Rob Fitterman gaf een korte inleiding:
Rob Fitterman, korte inleiding
Context is alles. Het belang van gemeenschap voor het delen van ideeën. In de discussie die na de presentaties plaatsvindt beaamt Kenneth Goldsmith dit met zijn opmerking dat Conceptueel schrijven een platform moet zijn voor discussie. ‘Als conceptuele werken geen nawerking hebben, dan zijn ze mislukt.’
Een gedeeld kenmerk van Coneptuele dichters is dat ze bestaande text in een nieuwe context plaatsen, in plaats van nieuwe text te creeren. Fitterman doet dit door het gebruik van Google zoektermen, Goldsmith is hier het meest radicaal in met zijn direct overschrijven van bestaande text, Kim Rosenfield door het gebruik maken van texten uit verschillende disciplines, en Vanessa Place onderzoekt in haar poëzie het idee van excess.
Vanessa Place, ‘Gone With The Wind: The Cantos of Nothing’
Hele mooie voordracht. Deel essay, deel lang proza gedicht. In plaats van Goldsmith’s dictum te volgen om geen nieuwe taal meer te produceren, omdat er al meer dan genoeg in de omloop is, neemt Vanessa Place dit idee tot het andere extreem; namelijk, excessief veel taal te produceren.
Het feit dat Vanessa Place naast dichteres ook advocaat is werd duidelijk door haar gebruik van wettelijk vocabulair. Ze gaat bijvoorbeeld in veel detail in op een recente voltrekking van de doodstraf in America (details die ik ironischerwijze niet heb genoteerd..). Ze noemt plaats, tijd van executie en citeert een verklaring van de veroordeelde, ‘Ik ging het huis niet in met de intentie om mevrouw x te vermoorden.’
Deze gedetailleerde en concrete informatie is ingebed in eindeloze herhalingen van zinnen over ‘niets’ zoals (paraphrase, geen citaten): ‘dit betekent niets voor me, er is hier niets gebeurd, er is niets over.’ Op deze manier ontstond er een specifieke geschiedenis, vanuit wat leek op een oneindig en anonieme text over ‘niets’. In de tweede helft van het gedicht/essay verschuift de nadruk van ‘niets’ naar het idée van veroordeling; we veroordelen niet alleen de mensen op death row, maar elkaar de hele dag door.
Paar citaten uit de tekst:
‘The negative capability of weeping search engines…imagination is a failure of the imagination… this I has nothing to do with you… you read me as potential, that is to say the nothing to come…I is a utility like electricity’
Ulla Haselstein, ‘On Gertrude Stein’
Inleidende lezing over Gertrude Stein als voorloper van Conceptuele schrijvers. Sprak over hoe Stein de grens tussen proza en poëzie onderzoekt. Hoe Stein door het afbreken van communicatie de mogelijkheid schept om op de materialiteit van taal te richten. Als voorbeeld wordt gegeven haar conceptuele gedicht ‘Five words in a line.’ (1930)
Haselstein bespreekt het gedicht ‘Orange in’, van Tender Buttons als over 1. Object (sinassappel), 2. Oorsprong (origin), 3. Een gedicht dat orange in een context plaatst waar het vervolgens ook in verdwijnt. Herhaling in ‘Orange in’, namelijk: ‘a no, a no since, a no since when, a no since when since…’, als, 1. Onschuld (innocence), 2. Een nonsense
Catrin Gersdorf (Berlin), ‘Objectivity and Conceptual Writing’
Stelde de vraag, in hoeverre probeert conceptuele poëzie objectief te zijn? Maakt analogie met wetenschappelijke methodologie van Verlichting (Francis Bacon), en noemt driedeling van objectiviteit van Donna Haraway: 1. Ontologisch: epistemologische vraagstukken, 2. Mechanisch (voorbehoud van oordeel, onderdrukking van wilvolle intentie), 3. A-perspectivisch (het omzeilen van individuele idiosyncratie van morele filosofie; dus niet wetenschappelijke objectiviteit, maar de onpersoonlijke immersie in kennis van de filosoof). Voor Donna Haraway is objectiviteit altijd verbonden met context, situatie ≠ transcendenteel. Waardoor sociale identiteit altijd bron wordt voor objectieve kennis.
Gersdorf stelt dat Conceptueel schrijven objectiviteit nieuw leven geeft niet als epistemologische waarde, maar als poetische waarde. Alhoewel, volgens haar het neologisme ‘sobject’ (uit de nieuwe Notes on Conceptualisms, van Vanessa Place en Rob Fitterman) nog altijd wordt overheersd door het object. Vanessa Place is het hiermee oneens, weet alleen niet precies wat haar antwoord was, geloof dat ze benadrukt dat het word ‘sobject’ alleen is bedoeld als een andere manier om over de zogenaamde dialectiek subject/object na te denken (zogenaamd omdat het nooit oplost in een synthese).
Andrew Gross, ‘Prose Poems and Line Breaks. Some Limits of Verse in Modern Prosody’
Vraagt waar de grens is tussen poëzie en proza. Waar houdt poëzie op en begint proza? Concludeert dat de marge van het boek het nieuwe enjambement is.
Stelt dat lyrische poëzie schrijven is dat doet alsof niemand het doorheeft. ‘eloquence is heard, poetry is overheard.’ Hij legt een verband met ‘absorptie’ in schilderkunst: schilderen alsof de mensen de schilder niet doorhebben. Gross noemt dit negeren van de realiteit van de situatie door de dichter, ‘onoprecht’. De transcriptie van Conceptuele poëzie noemt hij inhuodelijk neutraal, en een lyrische poëzie die deze ‘onoprechtheid’ heeft overwonnen.
Gross haalt David Shapiro aan, en zijn notie van ‘dramatizatie’, een anti-lyrisch absorberen van het gedicht in de thematiek/context waar het uit put. Gross noemt in dit verband ook Northrop Frye’s onderscheid tussen doodle en babble; de respectievelijk visuele-axis en verbale-axis van het lyrisch gedicht. Dramatizatie, of ‘oprechte absorptie’ zou een versmelting van deze twee factoren betekenen.
Als historisch gerelateerd voorbeeld noemt Gross de modernistische vervanging van ‘absorptie’ met ‘decorum’. Bijvoorbeeld: de overname van Yeats in zijn bloemlezing Oxford Book of Modern Verse (1936) van een volledige passage uit Paters’ Renaissance, als zijnde vrije vers (zie hier voor een toelichtend commentaar hierover van Yeats); The Waste Land als een videospel; Marianne Moore die een dichtbundel uitgaf met index naar onderwerp (iets waar Zukofsky ook mee speelt wanneer hij in ‘Poem beginning ‘The’’ een index toevoegt, die alfabetisch gerangschikt is, en dus voor de lezer, voor het werkelijk naslaan van informatie uit het gedicht, zo goed als onbruikbaar is (Mark Scroggins’ Poem of a Life)).
Gross eindigt met de stelling dat conceptuele poëzie deze absorptie van poëzie met context volledig waarmaakt, hij noemt als voorbeeld Kenneth Goldsmith’s Day (een volledige krant woord voor woord overgeschreven). Day is niet hetzelfde als slechts informatie, stelt Gross, want het is in boekvorm gepubliceerd. Gross vindt daarom dat de marge van het boek de nieuwe regel is, het nieuwe enjambement. En dat het boek als object in de toekomst een belangrijke rol zal blijven spelen voor (het denken over) poëzie .
Vanessa Place verwacht dat dit minder het geval zal zijn, maar dat de materialiteit van het boek zeker voor bepaalde poetische praktijken nodig zal blijven. Kenneth Goldsmith vindt dat zij vast zit in het denken van haar (onze) generatie, en dat de dagen van het boek geteld zijn. Wij zijn de laatste generatie die zo’n nadruk zullen plaatsen op het boek als object. Hij denkt dat mensen die opgroeien met internet, ‘the ‘digital natives’, will skew the whole thing beyond our imagination.’
Michalis Pichler voegde nog een interessante opmerking toe tijdens deze discussie over het boek; namelijk ‘dat het onderscheid tussen visuele kunst en poëzie reactionair is, op de zelfde manier als het onderscheid dat ooit gemaakt werd tussen schilderkunst en sculptuur.’ Vanessa Place is het daar niet mee eens. Kenneth Goldsmith is het er niet mee eens. Ik vind het een leuke gedachte, maar er lijkt mij toch ook een fundamenteel onderscheid te bestaan, omdat poëzie nu eenmaal onlosmakelijk verbonden is met taal …
Illustratief voorbeeld is van videodichter Tom Konyves die in de comment box van de recente post (12 Mei) van Ron Silliman over videopoëzie, de poetische grondslag uitlegt van videopoëzie, en hoe dit verschilt van videokunst:
‘What differentiates videopoems from experimental (non-narrative) films is that videopoetry is based on the considered, sometimes curious juxtaposition of language (spoken or visual text) with images and sound. It is the text that drives the work; its presence is the essential link between the identifiable parts (edits or scenes). It is also the source of inspiration for the work.’
Ik vind het zeer bedenkelijk om poezie die geschreven wordt aan de hand van een formule, vanuit een formulistische benadering ‘conceptueel’ te noemen. Ik vind dingen als ‘Flarf’ nu juist geen conceptuele kunst omdat ze niet op een idee maar een formule gebaseerd zijn. Het is dus formalistische kunst, en zeker geen conceptuele. ‘Conceptueel’ is iets vooral als het niet in een formule te stoppen valt, omdat het uitgangspunt hier een uniek idee is.
Jeroen: prachtig, dank!
Martijn: Maar formalistisch is ook niet correct; het is namelijk niet zo dat de werken per formule gegenereerd worden, maar /dat voor elk werk een formule ontworpen wordt/.
Of conceptueel het juiste woord is kun je over twisten; vanuit kunsthistorisch perspectief klopt het, de houding van deze dichters komt goed overeen met wat Sol LeWitt beschrijft in zijn Paragraphs on Conceptual Art. “The idea becomes the machine that creates the art”, enz. En zijn Sentences on Conceptual Art begint:
“1. Conceptual artists are mystics rather than rationalists. They leap to conclusions that logic cannot reach.”
en zinnen bevat als
“5. Irrational thoughts should be followed absolutely and logically.”
Ik ben me ervan bewust dat het vooral om een persoonlijke definitie gaat – maar voor mij maakt het groot verschil of we met Malevich te maken hebben of met een Malevich kloon. De malevich kloon is immers nog steeds kunst die vanuit een concept/idee wordt gemaakt maar omdat het idee niet meer uniek genoemd kan worden is het formulistisch, hoewel het volgens het boekje inderdaad nog ‘conceptuele kunst’ zou zijn.
(en ja, Malevich is een symbolist, maar ik vind symbolisme en conceptualisme veel verwanter dan conceptualisme en formalisme, nog zo’n persoonlijke mening)
Datzelfde gaat voor flarf ook op: de methodiek is niet uniek omdat die sterk lijkt op de krantenknipsels van de dadaisten, het enige nieuwe is dat er een ‘ander soort krant’ gebruikt wordt – ergo ik vind dat formalistisch, omdat een idee dat niet aan de basis staat per definitie een gekloond idee is en dat naar mijn mening een geformuleerd concept dat sterk lijkt op andere concepten de poten onder het bestaansrecht van conceptuele kunst uitzaagt – het formulisme als zodanig is feitelijk de industriele revolutie van de conceptuele kunst, waarin ‘concepten’ een soort massaproductie worden en niet meer uniek hoeven zijn.