Redactie
Loewak is een internationaal opererend netwerk voor logische defensie. In een wereld die in snel tempo cultureel nivelleert vecht Loewak voor globale logische diversificatie en identiteitsversterking.
Ad network
Literair Nieuws

Archive for May, 2009

Hap-snap engagement

Erik Jan Harmens en Ilja Pfeijffer komen met een ‘manifesto voor riskante literatuur’ in Trouw.

Gert de Jager reageert op de contrabas, ik citeer:

Lucebert, Claus en Ponge hadden de nood der tijden tot in hun vezels ervaren en wisten waar ze het over hadden. Het lillen van kanonnenvlees was voor hen geen gratuite beeldspraak. Daarbij vergeleken zijn Pfeijffer en Harmens hopeloos verwende kinderen die tot de ontdekking komen dat de wereld niet alleen uit speelgoed bestaat. De laatste schroomt zelfs niet om de Endlösung erbij te halen om een punt te maken over ollekebollekes. Erg geestig allemaal. Entertainment voor de verveelde krantenlezer.

Lees de discussie op de Contrabas

Samuel Vriezen doet ook een duit in het zakje met een stuk op zijn weblog over hap-snap engagement. Hij doet daarin de volgende interessante observatie:

Interessant intussen is wel dat er kennelijk een enorme behoefte bestaat aan die geëngageerde toon, zonder dat er behoefte lijkt te bestaan aan een bijbehorende stelling. Men wil de wereld niet veranderen, niet echt tenminste, maar wel wil men het gevoel hebben dát men de wereld wil veranderen. Het begint er op te lijken dat dit verlangen naar engagement zélf inmiddels volstrekt ideologisch is geworden. Waarom is dat? Wat betekent dat?

Lees het hele stuk van Samuel Vriezen

Elders onstond op de Contrabas een opstootje over het persbericht wat Ilja Pfeijffer uitbracht over zijn in het italiaans geschreven toneelstuk, waarin hij betiteld wordt als ‘Nederlands meest controversiele schrijver’ en waarin gesteld wordt dat het stuk gespeeld wordt door ‘topacteurs’ – die discussie kunt u hier lezen

Uiteraard is engagement een ideologie, maar ik denk dat die ideologie al sinds de vijftiger jaren overheerst – het idee is dat de kunstenaar zijn maatschappelijk nut moet bewijzen. De maatschappij bestaat niet om het grote individu mogelijk te maken, zoals Nietzsche dat bijvoorbeeld voor ogen had, maar juist andersom: het individu bestaat om het de maatschappij, de groep naar de zin te maken. ‘Riskante poezie’ wordt in deze context dan ook gedefinieerd als ‘Wij verwachten van de literatuur niet dat zij oplossingen biedt, maar wel dat zij de wereld verandert.’ – want oplossingen bieden vereist intelligentie, de wereld veranderen kan iedereen. Het is de overbekende Hollywood formule: jij bent de oplossing. Jij bent de spil waarom de wereld draait. Het enige wat je hoeft te doen is de wereld te veranderen. Oplossingen hebben we verder een broertje dood aan, want daar moet je voor nadenken. Het enige wat je hoeft te doen is met je magische literaire stokje zwaaien, en alles komt goed. Pure disney.

Dit soort instant-engagement beheerst de laatste 20, 30 jaar het gros van alle hollywoodscripts. Dat je precies dezelfde ideologie vervolgens als ‘manifesto’ in de Trouw aantreft typeert nu juist de rol die literatuur tegenwoordig nog heeft: een bultenaar die achter een groep hardlopende bedriegers aansjokt. Het ‘riskant’ uit ‘riskante literatuur’ moet u dan ook vooral zien als een diepgewortelde wens meer ontploffingen in gedichten waar te nemen. Want ook die ideologie is naar de poëzie doorgesijpelt: een gebrek aan substantie kun je met afdoende ontploffingen heel leuk maskeren.

De enige fout die Vriezen mijns inziens maakt is het idee dat Pfeijffer ‘van positie wisselt’ – feitelijk doet hij dat helemaal niet: de ideologie is steeds precies dezelfde: het is de ideologie van de kamikazefetisjist. Maar goed, dat was dus ook precies de strekking van Vriezens stukje. Dat er een basishouding met schijnwisselingen bestaat.

Pfeijffer poneert twee oppervlakkige tegenstellingen en kiest ‘radicaal’ de kant van een van deze twee. Dat deed hij als ik me niet vergis in de jaren negentig ook al in die ‘vorm versus inhoud’ discussie die ook al als een tang op een varken sloeg. Deze ‘radicale keuze’ is wellicht steeds anders maar de achterliggende structuur is precies dezelfde: een discussie aanzwengelen met schijnargumenten en daarna niet meer thuis zijn. Het zijn de acties van een kamikazefetisjist.

Wat ik bijvoorbeeld eens interessant zou vinden is eens te horen wat er precies zo ‘riskant’ is aan de poezie die Pfeijffer in de ‘Canon van de Europese Poezie’ opnam. Ik wil het antwoord best voorkauwen: het riskante van deze selectie lag hem in het feit dat er ook niet-Europese dichters in staan opgenomen. Haha. Wat een leuk grapje. Heel riskant, hup, op naar het volgende hap-snap stellinkje.

Pablo Valbuena, Augmented Sculpture v. 1.2

Fotogeniek

Fotogeniek

Probeert hij mij te ramen met
zijn camera  ik ben er niet. Echt.
Een ander dan hij denkt te zien
ontzeg ik hem de ogen lippen
die hij liefheeft op papier.
Asymmetrisch blik ik neer
vertrek mijn mond trotseer het
tegenlicht ik maak mij
lelijk ongenaakbaar vreemd.
Ik houd altijd mijn ogen dicht.

Vrouwkje Tuinman

Uit :  “L”, Liber Amicorum
voor Maarten van den Elzen
Uitgeverij  Hoenderbossche Verzen
Uden, 2004

Versal in lucht

Versal 7 is uit, het jaarlijkse tijdschrift van Wordsinhere, het Amsterdams collectief voor Engelstalige literatuur. Nog niet gelezen, maar het ziet er alvast mooi vierkant en verzorgd uit. Het tijdschrift heeft sinds kort ook een virtuele tegenhanger in blogvorm.

versal7cover_149x149

Kort Dag – Krzyzstof Kamil Baczynski (1921 – 1944)

baczynski

Krzysztof Kamil Baczyński werd op 22 januari 1921 te Warschau geboren als zoon van de literaire criticus Stanislaw Baczynski & onderwijzeres Stefania Zieleńczyk. De laatste was een overtuigd katholiek maar werd door de Duitsers in verband met haar Joodse wortels gewoon als zijnde Joods beschouwd. Het feit dat Krzysztof (op 7 september 1922) gedoopt was, veranderde daar weinig aan. Als kind leed hij aan astma, had een slecht hart en zijn gezondheid werd constant bedreigt door tuberculose.

In 1933 begon hij zijn studies aan het Gymnasium te Warschau, alwaar hij in mei 1939 zou afstuderen. Baczynski debuteerde rond 1938 in Strzala – een tijdschrift dat uitgegeven werd door de organisatie Socialistische jeugd Spartacus, waar hij zelf ook deel van uit maakte. Na zijn afstuderen had hij zich voorgenomen zijn opleiding te vervolgen aan Warschau’s academie voor de schone kunsten, maar het uitbreken van de tweede wereldoorlog sneed hem de pas af & meer.

Gedurende de Duitse & Russische bezetting, bleef hij actief binnen de underground press & studeerde hij Poolse taal- & letterkunde aan de ondergrondse universiteit te Warschau. In 1943
sloot hij zich aan bij het Zóska battiljon, waarna hij zijn studies er aan gaf en zich volledig richte op zijn activiteiten voor het Poolse verzet.

Op 6 juli 1942 was hij getrouwd met Barbara Dranczynska (een medestudente). Het huwelijk resulteerde in ieder geval tot een interessante set aan erotioca, welke nog steeds een reputatie te verdedigen hebben binnen de Poolse literatuur. Vlak voor de opstand in het Ghetto van Warschau, gaf Baczynski zijn gedichten in kopie aan één van zijn vrienden in bewaring. Dankzij deze actie overleefde zij de oorlog. Als lid van een verzetsgroep nam Baczynski deel aan verschillende sabotage acties gedurende de beztting, waaronder het ontsporen van een Duitse militaire trein in de zomer van ’44.

Op 4 augustus 1944 werd hij dodelijk getroffen door een Duitse sluipschutter in de oude stad van Warschau. Hij ligt begraven op de Powaski begraafplaats, tezamen met zijn vrouw, die overigens zwanger was op het moment dat zij op 1 september 1944 om het leven kwam.

Terwijl hij in een razend tempo poëzie produceerde (gedichten die voor een groot deel handelen over de oorlog en waarin de liefde als enig efectief verdedigingsmiddel wordt aangevoerd) verschenen er gedurende zijn leven slechts 2 dunne bundeltjes.

Tropical dream

In this dream mosquitos bit through a tropical helmet
and wave on wave into the skull pours the night.
Raise up, raise up the palm’s black leaves,
he sky blood-red from heat – a copper-yellow roof!
Crocodiles – elongated slabs of lead,
like lead thump the hoofs of anxious antelopes.
Where flows the river like a word unbounded,
on to seacoasts, antilles, sudans?
Waters burble, stagnate, below there is no room for breath.
Negroes dry out, propped on idols, ill with sleep,
heaving their slabs of air, washed by water like death.
Along white shores trundle the pale grains of leprosy.
Then weary hands will fast upend the drawer -
from it a waft of fever blows
and seething bubbles flow on hands.
Ever lower sinks the smoke of stifling marshes
and one hears: off lifeless Negroes fall white ashes.

© Krzysztof Kamil Baczynski
vertaald door Alex Kurczaba

Korte aantekeningen Conceptuele poezie symposium Berlijn

Het is me een raadsel waarom het Conceptuele poëzie symposium onlangs, in Berlijn juist op 1 Mei moest plaatsvinden. In Berlijn betekent de dag van de arbeid namelijk ‘georganizeerde anarchie’. Rellen zijn gegarandeerd. Dit jaar; een vrouw die door een Molotov cocktail werd geraakt en een Nazi demonstratie in Kopenick van 50 man die tegemoet werd gelopen door 3000 anti-Nazi demonstranten.

Met andere woorden, de grote Uferhallen (een mooie voormalige tram remise) waar het symposium plaatsvond bleven redelijk leeg tijdens het Conceptuele poëzie symposium. Hieronder wat korte, incomplete notities van de vier inleidende papers. Helaas niets van de poëzie voordrachten later op de dag (van Rob Fitterman, Kenneth Goldsmith, Vanessa Place, Kim Rosenfield).

De vier papers waren bedoeld om wat algemene discussiepunten naar voren te brengen. Ze werden gepresenteerd Ulla Haselstein, Andrew Gross, and Catrin Gersdorf, allemaal verbonden met de JFK Graduate school in Berlijn. Vanessa Place, de enige dichteres van de vier, las een essay voor. En Rob Fitterman gaf een korte inleiding:


Rob Fitterman, korte inleiding

Context is alles. Het belang van gemeenschap voor het delen van ideeën. In de discussie die na de presentaties plaatsvindt beaamt Kenneth Goldsmith dit met zijn opmerking dat Conceptueel schrijven een platform moet zijn voor discussie. ‘Als conceptuele werken geen nawerking hebben, dan zijn ze mislukt.’

Een gedeeld kenmerk van Coneptuele dichters is dat ze bestaande text in een nieuwe context plaatsen, in plaats van nieuwe text te creeren. Fitterman doet dit door het gebruik van Google zoektermen, Goldsmith is hier het meest radicaal in met zijn direct overschrijven van bestaande text, Kim Rosenfield door het gebruik maken van texten uit verschillende disciplines, en Vanessa Place onderzoekt in haar poëzie het idee van excess.


Vanessa Place, ‘Gone With The Wind: The Cantos of Nothing’

Hele mooie voordracht. Deel essay, deel lang proza gedicht. In plaats van Goldsmith’s dictum te volgen om geen nieuwe taal meer te produceren, omdat er al meer dan genoeg in de omloop is, neemt Vanessa Place dit idee tot het andere extreem; namelijk, excessief veel taal te produceren.

Het feit dat Vanessa Place naast dichteres ook advocaat is werd duidelijk door haar gebruik van wettelijk vocabulair. Ze gaat bijvoorbeeld in veel detail in op een recente voltrekking van de doodstraf in America (details die ik ironischerwijze niet heb genoteerd..). Ze noemt plaats, tijd van executie en citeert een verklaring van de veroordeelde, ‘Ik ging het huis niet in met de intentie om mevrouw x te vermoorden.’

Deze gedetailleerde en concrete informatie is ingebed in eindeloze herhalingen van zinnen over ‘niets’ zoals (paraphrase, geen citaten): ‘dit betekent niets voor me, er is hier niets gebeurd, er is niets over.’ Op deze manier ontstond er een specifieke geschiedenis, vanuit wat leek op een oneindig en anonieme text over ‘niets’. In de tweede helft van het gedicht/essay verschuift de nadruk van ‘niets’ naar het idée van veroordeling; we veroordelen niet alleen de mensen op death row, maar elkaar de hele dag door.

Paar citaten uit de tekst:

‘The negative capability of weeping search engines…imagination is a failure of the imagination… this I has nothing to do with you… you read me as potential, that is to say the nothing to come…I is a utility like electricity’


Ulla Haselstein, ‘On Gertrude Stein’

Inleidende lezing over Gertrude Stein als voorloper van Conceptuele schrijvers. Sprak over hoe Stein de grens tussen proza en poëzie onderzoekt. Hoe Stein door het afbreken van communicatie de mogelijkheid schept om op de materialiteit van taal te richten. Als voorbeeld wordt gegeven haar conceptuele gedicht ‘Five words in a line.’ (1930)

Haselstein bespreekt het gedicht ‘Orange in’, van Tender Buttons als over 1. Object (sinassappel), 2. Oorsprong (origin), 3. Een gedicht dat orange in een context plaatst waar het vervolgens ook in verdwijnt. Herhaling in ‘Orange in’, namelijk: ‘a no, a no since, a no since when, a no since when since…’, als, 1. Onschuld (innocence), 2. Een nonsense

Catrin Gersdorf (Berlin), ‘Objectivity and Conceptual Writing’

Stelde de vraag, in hoeverre probeert conceptuele poëzie objectief te zijn? Maakt analogie met wetenschappelijke methodologie van Verlichting (Francis Bacon), en noemt driedeling van objectiviteit van Donna Haraway: 1. Ontologisch: epistemologische vraagstukken, 2. Mechanisch (voorbehoud van oordeel, onderdrukking van wilvolle intentie), 3. A-perspectivisch (het omzeilen van individuele idiosyncratie van morele filosofie; dus niet wetenschappelijke objectiviteit, maar de onpersoonlijke immersie in kennis van de filosoof). Voor Donna Haraway is objectiviteit altijd verbonden met context, situatie ≠ transcendenteel. Waardoor sociale identiteit altijd bron wordt voor objectieve kennis.

Gersdorf stelt dat Conceptueel schrijven objectiviteit nieuw leven geeft niet als epistemologische waarde, maar als poetische waarde. Alhoewel, volgens haar het neologisme ‘sobject’ (uit de nieuwe Notes on Conceptualisms, van Vanessa Place en Rob Fitterman) nog altijd wordt overheersd door het object. Vanessa Place is het hiermee oneens, weet alleen niet precies wat haar antwoord was, geloof dat ze benadrukt dat het word ‘sobject’ alleen is bedoeld als een andere manier om over de zogenaamde dialectiek subject/object na te denken (zogenaamd omdat het nooit oplost in een synthese).

Andrew Gross, ‘Prose Poems and Line Breaks. Some Limits of Verse in Modern Prosody’

Vraagt waar de grens is tussen poëzie en proza. Waar houdt poëzie op en begint proza? Concludeert dat de marge van het boek het nieuwe enjambement is.

Stelt dat lyrische poëzie schrijven is dat doet alsof niemand het doorheeft. ‘eloquence is heard, poetry is overheard.’ Hij legt een verband met ‘absorptie’ in schilderkunst: schilderen alsof de mensen de schilder niet doorhebben. Gross noemt dit negeren van de realiteit van de situatie door de dichter, ‘onoprecht’. De transcriptie van Conceptuele poëzie noemt hij inhuodelijk neutraal, en een lyrische poëzie die deze ‘onoprechtheid’ heeft overwonnen.

Gross haalt David Shapiro aan, en zijn notie van ‘dramatizatie’, een anti-lyrisch absorberen van het gedicht in de thematiek/context waar het uit put. Gross noemt in dit verband ook Northrop Frye’s onderscheid tussen doodle en babble; de respectievelijk visuele-axis en verbale-axis van het lyrisch gedicht. Dramatizatie, of ‘oprechte absorptie’ zou een versmelting van deze twee factoren betekenen.

Als historisch gerelateerd voorbeeld noemt Gross de modernistische vervanging van ‘absorptie’ met ‘decorum’. Bijvoorbeeld: de overname van Yeats in zijn bloemlezing Oxford Book of Modern Verse (1936) van een volledige passage uit Paters’ Renaissance, als zijnde vrije vers (zie hier voor een toelichtend commentaar hierover van Yeats); The Waste Land als een videospel; Marianne Moore die een dichtbundel uitgaf met index naar onderwerp (iets waar Zukofsky ook mee speelt wanneer hij in ‘Poem beginning ‘The’’ een index toevoegt, die alfabetisch gerangschikt is, en dus voor de lezer, voor het werkelijk naslaan van informatie uit het gedicht, zo goed als onbruikbaar is (Mark Scroggins’ Poem of a Life)).

Gross eindigt met de stelling dat conceptuele poëzie deze absorptie van poëzie met context volledig waarmaakt, hij noemt als voorbeeld Kenneth Goldsmith’s Day (een volledige krant woord voor woord overgeschreven). Day is niet hetzelfde als slechts informatie, stelt Gross, want het is in boekvorm gepubliceerd. Gross vindt daarom dat de marge van het boek de nieuwe regel is, het nieuwe enjambement. En dat het boek als object in de toekomst een belangrijke rol zal blijven spelen voor (het denken over) poëzie .

Vanessa Place verwacht dat dit minder het geval zal zijn, maar dat de materialiteit van het boek zeker voor bepaalde poetische praktijken nodig zal blijven. Kenneth Goldsmith vindt dat zij vast zit in het denken van haar (onze) generatie, en dat de dagen van het boek geteld zijn. Wij zijn de laatste generatie die zo’n nadruk zullen plaatsen op het boek als object. Hij denkt dat mensen die opgroeien met internet, ‘the ‘digital natives’, will skew the whole thing beyond our imagination.’

Michalis Pichler voegde nog een interessante opmerking toe tijdens deze discussie over het boek; namelijk ‘dat het onderscheid tussen visuele kunst en poëzie reactionair is, op de zelfde manier als het onderscheid dat ooit gemaakt werd tussen schilderkunst en sculptuur.’ Vanessa Place is het daar niet mee eens. Kenneth Goldsmith is het er niet mee eens. Ik vind het een leuke gedachte, maar er lijkt mij toch ook een fundamenteel onderscheid te bestaan, omdat poëzie nu eenmaal onlosmakelijk verbonden is met taal

Illustratief voorbeeld is van videodichter Tom Konyves die in de comment box van de recente post (12 Mei) van Ron Silliman over videopoëzie, de poetische grondslag uitlegt van videopoëzie, en hoe dit verschilt van videokunst:

What differentiates videopoems from experimental (non-narrative) films is that videopoetry is based on the considered, sometimes curious juxtaposition of language (spoken or visual text) with images and sound. It is the text that drives the work; its presence is the essential link between the identifiable parts (edits or scenes). It is also the source of inspiration for the work.’

De triomf van de bestuurlijke moraalkitsch

Het Fonds Beeldende Kunsten, Vormgeving en Bouwkunst is voor miljoenen euro’s opgelicht door het eigen hoofd Financiën. Clemens K. heeft tussen 2 februari en 3 maart 2009 een bedrag van 15,5 miljoen euro illegaal overgeboekt naar verschillende rekeningen in binnen- en buitenland en is sindsdien voortvluchtig.

Zie ook:

Kunstsubsidie vaak kwestie van vriendjespolitiek – De Volkskrant

voor meer berichtgeving over dit bizarre clubje, met directeuren die na 7 jaar uit ‘voortschrijdend inzicht’ concluderen dat geld aan vriendjes gespendeerd wordt..en dan als *oplossing* aandragen dat er meer geld naar minder mensen moet gaan, nota bene. Dat doel lijkt nu dus bereikt.

Ik ben ooit, toen ik nog intensief betrokken was bij kunstenaarsinitiatief de cacaofabriek, betrokken geweest bij aanvragen die wij destijds bij het Mondriaan fonds hebben gedaan en die jaar in jaar uit werden afgewezen, met volkomen onduidelijke motivatie (we waren niet ‘internationaal genoeg’ of iets dergelijks). Wij hebben toen de lijsten opgevraagd van mensen en initiatieven die wel subsidie kregen, en daarin tekende zich precies bovenstaan beeld af: over vijf jaar verspreid trof je vooral steeds dezelfde namen aan, die steeds een bedrag van bijvoorbeeld 60.000 euro vingen voor het ‘maken van een expositie in het buitenland’. Waren dat topnamen in de kunstwereld? Nee. Marginale figuren, mensen die alleen door hun eigen vriendenclubje als een belangrijk kunstenaar worden beschouwd, of als ‘belangrijk’ worden beschouwd op basis van, juist, die jaarlijkse expositie in het buitenland die door datzelfde clubje werd betaald.

Des te pijnlijker, natuurlijk, om te zien dat deze figuren zelfs twee jaar na dit artikel nog steeds op hun plek zitten, met hun ‘voortschrijdend inzicht’ – interessant is de parralel die je kunt zien met de Bush administratie: de top van de administratie is niet *verantwoordelijk*, nee, de top vervult de functie van hulpeloze klokkenluider. De top heeft ‘voortschrijdend inzicht’, tegenwoordig.

Dit is geen pleidooi van mijn kant voor het afschaffen van kunstsubsidies. Het is wel een pleidooi van mijn kant om de huidige corrupte en incompetente bestuurslaag per direct de laan uit te sturen en het systeem om te vormen naar een systeem waarin elke kunstenaar of initiatief op gelijkwaardige basis een redelijk basisinkomen aan kan vragen. Deze subsidieorganisaties zijn slechts een spiegelbeeld van de totale corrumpering van ons bestel – een bestel vol ministers die rugklachten krijgen van een Audi A6 met chauffeur. Zolang de bestuurslaag geen enkele verantwoordelijkheid meer heeft, en zich gedraagt als kleine kinderen rond een koektrommel – zolang zullen we ons jaarlijks de genante weerspiegeling van het Eurovision moeten laten welgevallen, waar drie oude, overbetaalde en ongetalenteerde zakken met de Glibberkoning van de NOS in de rug klaarblijkelijk nog steeds de illusie koesteren dat er publieke weerklank voor hun godvergeten moraalkitsch bestaat.

Steve McCaffery leest voor

Tijdens het recente Instal09 ‘festival voor exploraties op het gebied van geluid en muziek’ afgelopen Maart, gaf onovertroffen klankdichter Steve McCaffery (1947), een interpretatie van zijn eigen Carnival. Of als toch eventueel overtroffen; nog altijd altijd knap om dit:

2_10

te kunnen…verbalizeren. Het is een fragment van een in totaal veertig minuten durend optreden:

Ubu blogt

UbuWeb is er ook aan gaan geloven: een nieuw web log met nieuws over activiteiten rondom UbuWeb en updates op de site: ubuweb.tumblr.com

Recept voor een zalmpsalm

RECEPT VOOR EEN ZALMPSALM

O schone anadrome zomerzalm,
ik heb een hemelse paaiplaats
in mijn verhemelte – vergeet
de zware jaren langs de kusten
van Labrador, Amerika, ik zal je
laten rusten in aceto balsamico di
Modena
en olio di oliva extra vergine
zie je, we verdienen elkaar,
en als je daar nog even liggen blijft,
neem ik je mee op een hoge stroom
van droge Chardonnay, zodat je
één zult worden met mijn droom
van een zalige zalmenhemel, boven,
waar alle zalmen welkom zijn.

Ruben van Gogh

Uit : “L” 26 Dichters in het Liber Amicorum
t.g.v. de 50ste verjaardag van Maarten van den Elzen

Uitgeverij Hoenderbossche Verzen, Uden 2004.

Word Lid

Opererend onder de vleugels van de internationale denktank Novo Universalis zoeken wij mensen die mee willen werken intelligente oplossingen te bieden voor wereldproblematiek en wetenschappelijke of filosofische vraagstukken.

Klik hier om je te registreren

Ad network
Kunst Nieuws