De ratten komen hun holen weer uit
Ik was verdrietig toen ik hoorde over de voortijdige dood van Michael Zeeman. Ik weet niet wat ik van Zeeman als dichter vond, maar als criticus en journalist vond ik hem een bovengemiddeld intelligent en fijnbesnaard persoon, die kritiek niet onder stoelen of banken stak. Naar ‘Zeeman met boeken’ keek ik altijd graag, en de artikelen die hij schreef waren, voor zover ik ze gelezen heb, puik genoeg.
Des te onbegrijpelijker dat er een hele kudde misnoegde figuren Zeeman’s dood aangrijpen om eens flink zijn vermeende vuile was buiten te hangen. Ik ben er niet de persoon voor om het pseudo-christelijk doofpotten toontje te waarderen – Gerrit Komrij schreef recentelijk op Facebook dat hij niet snapte waarom de dood van Vinkenoog steeds in verband werd gebracht met poezie – dat is een wat stekelige maar zeker geen onfatsoenlijke opmerking: kritiek op iemands werk hebben mag altijd, maar staat mijlenhoog boven het uithangen van allerlei roddels, achterklap en vuile was over iemands leven. Wanneer je iemands dood aangrijpt om – vaak ook nog eens in een groter podium als een landelijke krant – juist dat te etaleren ben je niets meer of minder dan een enorme zielepiet.
Edwin Fagel signaleert het al: die stukken in het Parool, van niemand minder dan (wie?) Jos Bloemkolk, bekend van zijn grote betrokkenheid bij de wereld der letteren – nee, dit kan niet door de beugel.
Dat het ook nog een graadje erger kan: ook schlemielenlog Geen Stijl doet nog even een duit in het zakje, om het feest helemaal rond te maken.
Het zet je wel te denken voor wie je als Nederlands schrijver eigenlijk schrijft. Wanneer zelfs het meest primaire fatsoen ontbreekt, wanneer alles wat ook maar een millimeter boven het maaiveld uitsteekt door het gepeupelte gelynched wordt, dood en wel: het motiveert niet bepaald om je nog in te spannen enige publieke prestatie te leveren, om het maar zo zacht mogelijk te zeggen. En deze algehele debilisering, die volgens mij deels debet is aan slecht voedsel en deels aan een slechte opvoeding: ik kan alleen maar blij zijn dat Michael Zeeman hem maar deels heeft moeten meemaken. Bah. Rust zacht, Heer Zeeman.
Staar poëtica
Als je hetzelfde woord achter elkaar blijft herhalen heeft dat al snel een vervreemdend effect. Een speelltje dat veel kinderen spelen. Nico Vassilakis heeft dit toegepast op het visuele aspect van taal en hier een boek van gemaakt met een ‘Staring poetics’.
Deel proza poezie, post-concrete poezie, Fluxus post kunst, deels mechanische tekeningen die doen denken aan Francis Picabia. Protracted Type is hier gratis te downloaden, of te koop.
-
staring at textpo creates the potential for vispo’ ..
‘In order to say language you are forced to use language. The inmpossible nature of getting there.’
‘And now that we stare into any number of screens a day we, ourselves, are caught.’
Letter as event: ‘a letter has no beginning and no end’
‘Stare your way into a word till the meaning of the word is gone then allow each letter to achieve its visual potential.’
‘Burn the cohesive bonds between letters.’
‘Words make a prison for letters.’
-
Een ander visueel gedicht van Vassilakis:
Duizend Plateaus in plaatjes
Marc Ngui heeft een hele serie mooie visuele interpretaties van Deleuze/Guattari’s Milles Plateaux gemaakt. Plaatjes. Best wel een illustratieve toevoeging zelfs, bij het lezen.
-
Bezwaarschrift & een sociale buurt
Jullie horen niet al teveel van me. Dat is omdat ik erg druk ben met wat nieuwe projecten. Loewak gaat binnenkort ook in opzet veranderen: er blijft een kernredactie over en de rest verhuist naar elders, maar daarover later meer.
De laatste twee maanden waren denk ik de gelukkigste maanden van mijn leven. Dat heeft ermee van doen dat ik me bijzonder gelukkig voel in de nieuwe buurt waar ik woon. Het is namelijk de meest sociale omgeving waar ik ooit heb mogen wonen, en ik heb toch op aardig wat plekken gewoond. Basaal bezien betekent dat dat ik een groot deel van mijn dag aan het gemeenschappelijke zwembad doorbreng. Het frappante is dat ik de enige aanwezige vent ben, tussen een stuk of 20 erg vriendelijke en soms ook bekoorlijke meisjes en dames. Dat is omdat hun mannen moeten werken, uiteraard, en dat vind ik ook helemaal niet erg. Of dat lang goed kan gaan weet ik niet, maar theoretisch levert het in elk geval tot nu toe geen problemen op.

Ons zwembad
Het is een fantastische buurt. Ik merk dat sociaal zijn ontzettend leuk is. Mijn overbuurmeiden zijn twee kunstenaressen die in de Yacht design business zitten en daar ga ik nu ook in zitten. Een van hen leert me nu dagelijks Turks, dus dat schiet een stuk beter op. Kortom, ik vermaak me hier uitstekend, morgen geef ik Pool party ter ere van mijn verjaardag, alle dames waren al aan het bakken geslagen naar verluidt dus dat wordt weer flink bikken morgen, zoals elke dag eigenlijk. Het is een raadsel dat ik mijn gewicht op peil heb weten houden. Ik luister veel naar Wham.
Wat hebben we verder nog. O ja, ik had geen stimuleringssubsidie gekregen van het Fonds van de Letteren. Belachelijk natuurlijk. Uiteraard heb ik een flink bezwaarschrift geschreven, want je moet je niet zomaar bij de gebakken peren neerleggen dat doe ik morgen wel. Ik citeer een klein stukje uit het bezwaarschrift:
“Mijn primaire bezwaar tegen het Fonds van de Letteren in zijn huidige opzet is dat het Fonds tegenwoordig alleen nog bestaat uit mensen die op basis van hun ‘referentiele’ ervaring zijn aangenomen en niet wegens hun daadwerkelijke aanzien of prestaties in de gemeenschap der Letteren. Er ontstaat zo, net als in Den Haag, een bovenlaag die totaal de voeding met de achterban kwijt is, omdat de natuur of het wezen van zulke referentiele ervaring is dat iemand al zijn tijd moet stoppen in het lobbyen en hebben van nevenfuncties om de referentiele ervaring geloofwaardig te houden – het ontbreekt hem dus aan tijd boeken te schrijven die voor daadwerkelijk aanzien zouden zorgen – met als gevolg dat iemand uiteindelijk vooral goed blijkt in het hebben van referenties en nevenfuncties en met politiek of literatuur pro forma weinig te maken heeft. Zo kan het gebeuren dat wij Ministers van Economie hebben met nauwelijks enige economische ervaring, zo kan het gebeuren dat het Fonds van de Letteren vol zit met mensen die barsten van de referenties maar nauwelijks iets op literair vlak hebben gepresteerd.
Wie niet ziet waarom zo’n ‘perpetuum mobile’ van referentiele ervaring bezwaarlijk is in het geval van het Fonds van de Letteren denkt niet goed na. We hebben hier te maken met een persoon die in zijn functie andere dichters moet gaan vertellen welke richting zij in zouden moeten slaan (‘werkplan op kwaliteit toetsen’ noemen jullie dat, geloof ik). Wie beargumenteert dat dit geen superieur inzicht in de mechanisaties van de poezie en het dichterschap vereist is, mijns inziens, ofwel totaal niet serieus over het systeem waarin hij wordt geacht te geloven (‘het is nou eenmaal zo’) of het ontbreekt hem aan de intelligentie in te zien dat wij hier te maken hebben met een literair ponzi schema dat, door middel van de luchtbel van referentiele ervaring, de hele financiele structuur van de Nederlandse Letteren in bedwang houdt. Op dit punt is een vergelijking met de huidige kredietcrisis best op zijn plaats, waar een vergelijkbare problematiek speelde.”
Uit: Hoofdstuk 2 van het Bezwaarschrift tegen het Fonds van de Letteren, ‘Structurele tekortkomingen in de procedures en werkwijzes van het Fonds van de Letteren’
Nu weer aan het werk, maar eerst een mooi feest houden. Ik hou jullie op de hoogte van de ontwikkelingen omtrent Loewak.
Martijn

Commentaar