Geen reserve
Geen reserve
Door ‘gebarsten’ totaal onthand =
(in dit geval) ontziend,
daardoor niet duidelijk
(kunnende denken)
denkende kunnen,
waardoor, ja zo stroomt dat
zo pakt dat elkaars tandwiel,
de hand misgrijpt, dus toch
onthand en wordt orde in hoofd
gemopper, gemompel, monkelen;
het lonken der dingen naar bevallige landing
in zacht blikveld mislukt met veel poeha.
Zo ben ik met bloeddoorlopen ogen gevloerd,
onthoofd door
de brilglasbarst.
Elma van Haren
Uit: ‘L’, Liber Amicorum voor de 50ste verjaardag
Dichter/Uitgever Maarten van den Elzen
Uitgeverij Hoenderbossche Verzen, Uden 2004.
Commentaar