Monthly Archives: September 2009

De oneindig zich herhalende Dag

Een imitatie van een imitatie van een fictief verhaal. Oftewel, (in dit geval) zou men met Oscar Wilde kunnen zeggen, ‘Life imitates Art far more than Art imitates Life.’

In een bekend verhaal van Jorge Borges, schrijft een fictieve Pierre Menard de gehele Don Quichote woord voor woord foutloos over. Menard’s versie is natuurlijk veel rijker aan verwijzingen, omdat het uit bijna vierhonderd jaar meer geschiedenis kan putten dan het origineel.

Kenneth Goldsmith deed er voor Day een jaar over om een dag uit een krant over te typen (en hij scande ook grote delen).

Nu heeft Kent Johnson, meester van de literaire zwendel (een sortement literaire Sokal) Day, de al nageschreven krant, in zijn volledigheid nageschreven. Het boek is te koop voor $30 (redelijke prijs; Goldsmith’s Day kost $20), compleet met gefabriceerde blurbs (niet)geschreven door Juliana Spahr:

If the 836-pp. Day established Kenny Goldsmith as without a doubt the leading conceptual poet of his time, the 836-pp. Day by Kent Johnson may well be remembered for nudging the politics of Conceptual Poetry out of blithely affirmative, institutional framings, and into truly negational, critical spaces.

Christian Bök:

With Day, Kent Johnson claims his place as one of the major figures of this new writing, showing, in single move, how Conceptual Poetry has been nearly forty years behind the politics of Institutional Critique.

en Kenneth Goldsmith zelf:

Indeed, Kent Johnson’s Day stands as the first Conceptual gesture of its kind in the history of American poetry: An open, literal theft of an entire “book,” exhibited without shame, as a new and strange Work of Art in our Museum of Modern Poetry. I can only tip my hat.

‘…an infinitely small vocabulary’

‘Echte dichters hebben geen rijbewijs.’, poneerde een vriendin van me eens. Ik heb die opmerking nooit empirisch bevestigd, maar er zijn me sindsdien wel veel dichters zonder rijbewijs opgevallen. Dat zullen dan wel de echte zijn.

Zou er ook een boven gemiddeld aantal dichters homoseksueel (m/v) zijn? Dat past dan natuurlijk wel erg netjes in een stereotype beeld van zowel dichter als homoseksueel als sensibel en overgevoelig. Het is natuurlijk ook een compleet onbenullige vraag (en daar komt bij dat ik persoonlijk niet veel voel voor vast omlijnde categorieen voor het omschrijven van seksualiteit).

Toch kunnen specifieke gevallen die vraag op een andere manier oproepen, misschien bijvoorbeeld heeft de homoseksualiteit van een dichter invloed op zijn taalgebruik? Zowel homoseksuelen als dichters spreken namelijk de taal van de minderheid, waarbij ‘minderheid’ op twee manieren moet worden gelezen. Ze vormen twee statistische minderheden in de maatschappij, maar belangrijker is dat ze de taal van de meerderheid, van de heersers, van de homogeniserende slogans van het kapitalisme, van binnenuit opbreken. Een minderheids taal is een taal die de heersende taal vervormt, anders maakt, eigen maakt door vreemd te maken, eigen maakt door onderdrukte – maar ook in de heersende taal inherente – structuren, patronen, te laten spreken. Zo zingt Leonard Cohen, geoefend in de dubbelzinnigheid, ‘From the wars against disorder, from the sirens night and day, from the fires of the homeless, from the ashes of the gay: Democracy is coming to the U.S.A.’

‘Littérature mineure’ is een begrip van Deleuze/Guattari dat ze beschreven in Kafka: pour une littérature mineure (1986), als 1. ‘deteritorrialiserend’ (van het gevestigde, van de norm afwijkend), 2. fundamenteel politiek geladen (alleen al omdat het van het gevestigde afwijkt), 3. gemeenschappelijk (omdat alleen in een devenir-mineur, een kleiner-worden de mogelijkheid tot verandering ligt).

(Wat is het toch een fijne bijkomstigheid dat een littérature mineure de lezer ook nog eens slimmer maakt; laatst vastgesteld door onderzoekers aan de University of British Columbia. Voor dit onderzoek kregen twee groepen hetzelfde verhaal van Kafka te lezen. Maar terwijl een groep de oorspronkelijke versie las, was voor de tweede groep het verhaal aangepast zodat het trapsgewijs, met logische stappen verliep. Na het lezen kregen beide groepen een oefening in het herkennen van patronen in een serie letters. Lezers van het oorspronkelijke, absurdistische verhaal waren vervolgens aanzienlijk beter in het herkennen en herinneren van deze patronen.)

Was Kafka homoseksueel? Ik geloof niet dat dat onder Kafka kenners (Kafkaisten?) de consensus is, maar in internet comment streams blijkt er veel over de vraag te zijn gediscussieerd, vaak met bevestigend antwoord. Nu zijn comments op sites natuurlijk wel de laatste bron voor betrouwbare informatie (alhoewel er nu juist op poëzie blogs opvallend evenwichtige en aimabele discussies worden gevoerd). We laten ‘Butter’ even aan het woord, (uit een reactie op een artikel waarin wordt gesteld dat Kafka homoseksueel was): ‘Kafka was a gay dude and he used his writing to deal with the surrounding conflict.’

Ongeacht of dit nu met betrekking tot Kafka klopt, het is zeker waar dat homoseksualiteit over het algemeen gepaard gaat met persoonlijk / maatschappelijk conflict, wat vervolgens door veel schrijvers wordt verwerkt in hun boeken. Datzelfde geldt natuurlijk net zo goed voor andere minderheden wat vaak tot vernieuwing leidt, omdat dat nu eenmaal van de marge komt. ‘… Many or most of the figures who re-created modern writing were gay, or Irish, or Jewish.’ schrijft Gregory Wood in A History of Gay Literature: The Male Tradition.


*

Deze gedachten over het verband tussen homoseksualiteit, marginalisatie, en poëzie werden aangespoord door de onlangs in Nederlandse vertaling uitgebrachte Verzamelde gedichten van Federico García Lorca (vertaald door Bart Vonck). Het deed me namelijk denken aan Lorca’s erotische ‘Ode for Walt Whitman’ (1930):

You gave a cry like a bird

With his prick pierced through by a needle

Enemy of satyrs

Enemy of the grape

And lover of bodies under rough cloth.

Not for one moment, tight-cocked beauty,

Who in mountains of coal, advertisements, and railroads

Had dreamed of being a river and of sleeping like one

With a particular comrade, one who could put in your bosom

The young pain of an ignorant leopard.

Not for one moment, blood-Adam, male,

Man alone in the sea, beautiful

Old Walt Whitman.

Because on the rooftops

Bunched together in bars

Pouring out in clusters from toilets

Trembling between the legs of taxi-drivers

Or spinning upon platforms of whiskey

The cocksuckers, Walt Whitman, were counting on you.

[…]

The cocksuckers, Walt Whitman, the cocksuckers,

Muddy with tears, meat for the whip,

Tooth or boot of the cowboys.

Want ook Whitman (1819-1892) was homoseksueel, en beschrijft één biograaf, Lorca vond hem een ‘pure ‘mannelijke’ homo, niet een geaffecteerd figuur, zoals Lorca zichzelf zag.’ Or your shoulders of corduroy worn thin by the moon / Or your muscles of a virgin Apollo.’

Het fragment van ‘Ode for Walt Whitman’ komt uit een vertaling van Jack Spicer (1925-1965), met kenmerkend opstandig, grof taalgebruik. Het is geen toeval dat Spicer dit gedicht vertaalde, en de manier waarop evenmin. Spicer was een fan van Lorca, en ook hij was homoseksueel (net als opvallend veel andere dichters in zijn (in)directe omgeving: Robert Duncan, Robin Blaser, Landis Everson, en op iets meer afstand Allen Ginsberg, Jack Kerouac (bij gelegenheid, vertelt Ginsberg in een interview), Charles Olson, Frank O’Hara, James Schuyler, en John Ashbery). Spicer was een homorechten activist, zelf-verklaard anarchist (wat leidde tot zijn verwijdering van de universiteit, waardoor hij nooit zijn promotie onderzoek afsloot), en alcoholist (de oorzaak van een vroege dood). Geen wonder dus, dat zijn gedichten gekenmerkt worden door een punk opstandigheid, dat tegelijkertijd van een diepe menselijkheid getuigde, vol van bittere humor. En net zo min verbazend dat voor hem de dichter een medium was voor het absoluut Andere. Zijn eigen stem vertrouwde hij niet, zijn schrijf procedure bestond uit uren wachten op een ingeving van het Andere, wat hij provocerend en speels ook wel de Marsmannetjes noemde (luister op PennSound naar een serie lezingen die Spicer kort voor zijn dood hierover gaf).

Spicer’s debuut was After Lorca en is typerend voor zijn eigenheid, en speelse maar brilliante provocaties: hij liet de al 20 jaar overleden Lorca vanuit zijn graf een niet geheel overtuigde brief van steun schrijven. Dit was 1957, toen Auden in de jury zat van de Yale Younger Poets serie (voor debuten). En, zo staat er in de inleiding van My vocabulary did this to me (wat overigens Spicer’s laatste woorden waren), ‘Lorca is perhaps the only major international gay poet he could propose to rival Auden’s endorsement.’ Lorca schrijft aan Spicer:

The dead are notoriously hard to satisfy. Mr. Spicer’s mixture may please his contemporary audience or may, and this is more probable, lead him to write better poetry of his own. But I am strongly reminded as I survey this curious amalgam of a cartoon published in an American magazine while I was visiting your country in New York.’ The cartoon showed a gravestone on which were inscribed the words: ‘HERE LIES AN OFFICER AND A GENTLEMAN.’ The caption below read: ‘I wonder how they happened to be buried in the same grave.

In After Lorca staan ook zes ‘antwoorden’ aan Lorca, waarin Spicer zijn poëtica uiteenzet:

Words are what stick to the real. We use them to push the real, to drag the real into the poem. They are what we hold on with nothing else. They are as valuable in themselves as rope with nothing to be tied to.

I repeat – the perfect poem has an infinitely small vocabulary.

*

En, zoals reeds vermeld bij Knack, liet vanuit een heel andere hoek ook Leonard Cohen zich inspireren en vormde Lorca’s ‘Little Viennese Walz’, om tot het nummer ‘Take This Waltz’.

En alhoewel Leonard Cohen niet homoseksueel is beschrijft hij wel al zijn ganse artistieke loopbaan (waaronder twee experimentele romans), (sexuele) verhoudingen en verlangens tussen mensen (in een verzet tegen elk vastgeroest normatief beeld van wat seksualiteit, familiestructuur zou ‘moeten’ inhouden). Door deze lyrische, weerbarstige erotiek, heeft Leonard Cohen toch meer gemeen met Spicer, Lorca, en tot op zekere hoogte zelfs Whitman dan een eerste aanblik zou doen vermoeden. De lijn die Walt Whitman, Lorca, Leonard Cohen, en Jack Spicer verbindt is er dus niet een van tijdsgebonden chronologie, maar een van intensiteiten, affecten, gemoedstoestanden. Weer uit de inleiding van My vocabulary did this to me:

As his last letter to Lorca suggests, the mingling of poets in the sheets of a book is the mingling of lovers, but this union suggests an eros beyond sex, through which their textual bodies become as indistinguishable as bodies decaying together in the earth…in effect made new; ‘the pieces of the poetry or of this love.

-

‘Homosexuality’

Roses that wear roses

Enjoy mirrors.

Roses that wear roses must enjoy

The flowers they are worn by.

Roses that wear roses are dying

With a mirror behind them.

None of us are younger but the roses

Are dying.

Men and women have weddings and funerals

Are conceived and destroyed in a formal

Procession.

Roses die upon a bed of roses

With mirrors weeping at them.

uit: Jack Spicer, My vocabulary did this to me: the collected poetry of Jack Spicer, Gizzi, Peter; Killian Kevin (eds.), Middletown: Wesleyan University Press, 2008, p. 6

Alistair Noon vertaalt Duitse expressionist August Stramm

Er is een – gratis te downloaden – boekje verschenen met vertalingen (naar het Engels) van twaalf gedichten van de Duits expressionistische dichter August Stramm (1874-1915). De gedichten komen uit ‘Tropfblut. Gedichte aus dem Krieg’ in August Stramm, Gedichte Dramen Prosa Briefe (Reclam, ed. Jörg Drews, 1997). Kort, claustrofobisch, opvallende beelden, afwijkende syntax.

Uit een begeleidend essay van de vertaler Alistair Noon:

Born in 1874, August Stramm was an idiosyncratic figure in German poetry. An
employee of the Berlin post office whose first major piece of writing was a doctoral
thesis on the introduction of worldwide postal charges, he came to literature
relatively late in life. [...]

Both his significance in the canon and his biography
are summed up in a poem by Ernst Jandl, which begins: ‘he august stramm /
abridged very / the german poem // him august stramm / the first world war /
abridged …’

-

Evening
Tiredness stitches.
Dullness dims.
Prayers press down.
The wounding sun
caresses you.

-

Zand animatie over WWII internet hit

Kseniya Simonova (1985) tekent met zand op een glazen plaat een animatie over de Tweede Wereldoorlog. Nogal zwaar onderwerp + mooi, in elkaar verdwijnende tekeningen = een overvloed aan tranen in het publiek. Het filmpje is dan ook zomaar zeer populair geworden op internet, het is al meer dan 2 miljoen keer bekeken. Veel kranten geven haar aandacht. The First Post vindt het nodig om toe te voegen dat Simonova’s schone uiterlijk vast niets met het winnen van de ‘Oekraïne Heeft Talent’ prijs te maken heeft. (De muziek – een acoustische versie van ‘Nothing else matters’ – hielp ook niet echt mee).

Haar onderwerp, meldt de Telegraph, is de oorlog aan het Oostfront (1941-1945), in Oekraïne ook wel de Grote Patriotische Oorlog genoemd. Een vierde van de bevolking overleefde de oorlog niet; 8-11 miljoen doden op een bevolking van 42 miljoen.

-

De kweekvijver, revisited

Op weblog de Contrabas een discussie over ‘het literair tijdschrift als kweekvijver voor talent’.

Maar waarom wordt de hamvraag niet beantwoord, namelijk waarom een selectiemechanisme (uitgever) een ander selectiemechanisme nodig zou hebben om te kunnen selecteren. Dat is toch klinkklare onzin. Je zegt er eigenlijk mee dat de redacteuren van uitgevers niet in staat zijn werk op kwaliteit te beoordelen. Dat doen wij wel voor hen.

Het tijdschrift als een soort talentenjacht, dat is toch een door en door commercieel idee juist.

De enige prangende vraag die zo’n constructie oproept is dezelfde als die de Beurs van Berlage oproept: zou een gorilla het soms beter doen.

Daar zou een onderzoek naar gedaan moeten worden.

Wat overigens wel interessant is aan deze discussie is dat hij de algemene maatschappelijke en economische tendens volgt: het google-model economie waar de tussenpersonen worden uitgeschakeld.

Dezelfde argumenten die je in deze draad tegenkomt (‘de literatuur gaat teloor zonder tussenpersonen’) vind je in vrijwel alle economische sectoren terug (‘zonder tussenpersoon geen betrouwbare hypotheek’)

Interessanter dan het gemeier van deze tussenpersonen is de vraag of het google-model op lange termijn wel kan werken. Naar mijn idee niet, namelijk. Het is gebaseerd op het idee dat je alles permanent gratis aan kan bieden, waarin ik een wraakmotief van de consument ontwaar: alles moet gratis, want ik ben boos over het systeem.

Het is in principe een nieuwe vorm van protestcommunisme.

Daar doen wij gezellig even aan mee middels een gelegenheidsgedichtje:

De naam is debat

Het onderhouden van een kweekvijver
vereist ophoging met een gouden randje,
zodat de brulkikker, bij gebrek aan tandjes
meent dat de hemel op de horizon gloort.

Het stinkt er, maar niemand die dat stoort.
Als het maar pruttelt, overloopt van talent.
Soms waggelt er een dikke bromvlieg langs
die in het water pist, maar alles went

want vretend van het eigen excrement
zul je ooit de vijver ontgroeien, zal je tong
geen vlieg beroeren maar cement

dat uit oren, neus en mond zal vloeien
tot je een standbeeld van jezelf bent
en je tong zich inmetselt
in zelfbemoeienis.

Ken je me nog?
Uit de kweekvijver?
Aangenaam.

M.H.Benders

Beautiful People

Een beetje om het clichebeeld van de turk in de Nederlandse media te ondermijnen, maar je ziet hier zoveel mooie mensen in Istanbul en dit zijn allemaal foto’s van vrienden. We beginnen met de unieke figuur Cem, die bijna altijd in tijgerprinted tanga’s door Istanbul ronddwaalt en drummer is:

Of Ozgur, de dromerige computerprogrammeur:

Of Deniz, grafisch ontwerper en kunstenares:

Tussen al dat moois ben ik natuurlijk per definitie een minderwaardige schoonheid, hoewel ik mijn best doe laatste tijd daar verandering in te brengen. En dat misschien wel nooit gaat lukken, maar toch ben ik wel trots op mezelf dat ik het niet opgeef. Het ego moet gepropagandiseerd worden. Daarom nu:

null
null

Commentaar

De nieuwe Benders



'Wôld, Wôld, Wôld!' heet de derde dichtbundel van Martijn Benders. Een lijvige dichtbundel met 222 pagina's. De bundel heeft een aantal verassingen voor u in petto en kwam uit in drie versies.

Koop de bundel nu!



'Wat koop ik voor jouw donkerwilde machten, Willem' heet de tweede dichtbundel van Martijn Benders.

Koop de bundel nu!