Het dichtersatelier
Ik ontving gister het volgende mailtje:
Geachte heer M. Benders,
Ik volg de opleiding Lifestyle Adviseur op de Jan des Bouvrie Academie en ben bezig met een onderzoek naar ateliers van schrijvers/dichters.
Ik zou u graag een paar vragen willen stellen en ik hoop dat u deze wilt beantwoorden en terug sturen. U kunt mij erg helpen met het beantwoorden van deze vragen:
1. Waaraan moet een dichtersatelier voldoen? Wat zijn de belangrijkste aspecten, wat kan er niet missen in een atelier van een schrijver/dichter?
2. Beïnvloedt de plaats van schrijven uw gedichten? In welke omgeving werkt u het prettigst?
3. Waar vindt u inspiratie voor uw verhalen/gedichten? (in het atelier of elders?)
Zou u eventueel een foto mee kunnen sturen van uw atelier of schrijfkamer?
Hilde
Mijn antwoord:
Hoi Hilde,
Wat leuk om van je te horen! Uiteraard beantwoord ik je vragen met alle plezier.
1. Naar mijn mening moet een dichtersatelier aan een aantal primaire eisen voldoen. Ten eerste en het allerbelangrijkste: het moet een inspirerende omgeving zijn waar de dionysische elementen de apollonische niet perse overstemmen maar toch zeker wel dominant aanwezig moeten zijn. Ik zelf werk het prettigst in een omgeving waar de lichamelijkheid en geestelijkheid in goed evenwicht kunnen zijn.
2. Ja, zeker weten. Ik zou het nog sterker willen stellen, volgens mij worden de meeste gedichten direct door de omgeving geschreven en zit je daar als dichter maar een beetje nutteloos tussen, vandaar dat dichters van oudsher vooral manieren zoeken om zichzelf uit te schakelen als bemiddelaar, door middel van vrouwelijk schoon, bijvoorbeeld.
Ik hecht een foto aan deze mail vast van mijn atelier in Mierlo. Mijn maten Richard en Dennis zijn erop te zien, zoals je ziet inspireert de omgeving niet alleen de dichter zelf. De dichterlijke roes is een van de hoogst aangeschreven vormen van euforia. Het is een ingewikkelde klus dat in een interieur te verwerken, maar soms vind je precies de juiste balans, zoals hier.
Met vriendelijke groeten uit Istanbul,
Martijn Benders

ZERO POEM/POEM ZERO
Toon gedicht van David-Baptiste Chirot, met opnames van de visuele ‘partituur’
- – -
Whitman verkoopt Levi’s..
… in onderstaand filmpje waarin hij zijn gedicht ‘Amerika’ voordraagt. Asociaal misbruik van de ‘dichter van de democratie’? Of een samenwerking van twee oer-Amerikaanse ikonen? Een erg mooi filmpje in elk geval. (Via Slate).
America
Centre of equal daughters, equal sons,
All, all alike endear’d, grown, ungrown, young or old,
Strong, ample, fair, enduring, capable, rich,
Perennial with the Earth, with Freedom, Law and Love,
A grand, sane, towering, seated Mother,
Chair’d in the adamant of Time.
- – -
Paul Zukofsky doet ‘A’ cadeau
Vorige week publiceerde Paul Zukofsky een open brief aan iedereen die het werk van zijn vader Louis (1904-1978) (en zijn moeder Celia) wil citeren. Het is het meest onredelijk, haatdragend, en cynisch stuk schrijven dat ik ooit heb gelezen. Misschien, wordt er hier op gewezen, heeft deze toon te maken met het feit dat Paul Zukofsky (die zelf viool virtuoos was, dirigent en veel muziek opnam – en onderwerp is van Louis Zukofsky’s enige roman Little) blijbaar ‘niets meer heeft’:
[PZ] who really contributed so much to contemporary music and who recorded more American music over his span as both a violinist and a conductor than anybody—people forget what he contributed, you know. He has nothing now. Typical of a situation as a conductor. He can’t play anymore because he’s got some problems.
Aldus componist Milton Babbit . Hoe dan ook, het is een triest gebeuren. PZ is als anderen al hebben opgemerkt, in goed gezelschap: Stephen Joyce bemoeilijkt ook al jaren wetenschappelijk onderzoek naar het werk van zijn grootvader en wordt uitgenodigd naar congressen om hem te vriend te houden.Het is niet verbazend dat, als in dit lange verslag staat vermeld, Paul Zukofsky de stappen van Joyce toejuigt:
when Stephen Joyce succeeded in muffling a whole field of study with a combination of litigation and bravado, others took notice. Paul Zukofsky, the son of the poet Louis Zukofsky, said of Stephen’s efforts, ‘What I’ve heard sounds very, very good. He is a staunch defender of rights.
Ook de erven van Beckett zijn berucht om het tegenwerken van het gebruik van en opvoeren van stukken. ‘The Samuel Beckett estate sues theatre companies that mount unorthodox productions of the plays. A year after Stephen announced his suit against Danis Rose’s “Ulysses,” the Nabokov estate fought an unsuccessful battle to prevent the publication in English of “Lo’s Diary,” an Italian novel based on “Lolita.”
Tenslotte werd recentelijk door de Spiegel bericht over een nog een hele nare (en enigzins ingewikkelde) geschiedenis aangaande vele brieven en andere nagelaten geschriften van Kafka. Zijn vriend Max Brod deed de volle nalatenschap van de geschriften toekomen aan zijn secretaresse (en volgens sommige, minnares) Ester Hoffe. De rest van het verhaal is onnodig ingewikkeld om te herhalen, maar volgens het artikel heeft ze veel van de geschriften verkocht, soms zelfs geld aangenomen zonder er wat voor te overhandigen (hoe ze dat voor elkaar heeft gekregen wordt er niet bij verteld). Een ding is duidelijk schrijft de Spiegel, Ester Hoffe heeft de nalatenschap gebruikt om zichzelf te verrijken (het gaat om ong. een miljoen Euro. Haar dochters zien hier overigens niets van).
Een niet geheel verbazende ironie van het de recente aankonding van Paul Zukofsky is dat ik nu opeens de onverwacht blijde ‘eigenaar’ ben van Louis Zukofsky’s ‘A’, en dat is nu voor iedereen mogelijk: iemand heeft namelijk net het boek in zijn geheel gratis op internet gezet als gratis downloadbaar Torrent bestand. Ook ironish is dat Paul’s vader zelf een handje van had om te ‘citeren’ van anderen: in de zelfde tijd als Walter Benjamin maar (volgens biograaf Mark Scroggins) zonder van zijn werk op de hoogte te zijn, werkte Zukofsky met een soortgelijke methode, namelijk een boek over Shakespeare, Bottom: On Shakespeare (1963) dat voornamelijk uit citaten bestaat. Vervolgens maakte Celia Zukofsky ter nagedachtenis aan de dood van haar man een boekje dat ook bestond uit citaten, ditmaal van Zukofsky zelf.
Schlemiel Ratelband en de norm
Ratelband is als schlemiel net zo nuttig voor de media als Wilders. Kijkcijfers vereisen schlemielen. Democratie vereist schlemielen. Zonder schlemielen kijkt of stemt niemand meer. Ergo, de dikbetaalde schlemiel is de brandstof van de mediacratie: brood en spelen.
Een van de meer hardnekkige misverstanden tegenwoordig is het idiote idee dat de ‘meerderheid de norm bepaalt’. Dat is in een democratie nu juist niet zo. Ten eerste is seksualiteit als zodanig geen ‘norm’, want iets is pas een norm als er ook een achterliggende waarde aan gekoppeld kan worden. De uitspraak ‘Homoseksualiteit is afwijkend want wijkt af van de norm’ is retorische onzin.
Wat je wel zou kunnen zeggen is: ‘Homoseksualiteit is bij heteroseksuelen afwijkend van de norm’. Dat is een correct standpunt. Heteroseksualiteit is in Nederland echter niet ‘de norm’ – wie dat beweert heeft niets maar dan ook helemaal niets van de principes van de democratie en de secularisatie begrepen.
Wij hebben met elkaar afgesproken dat seksualiteit een persoonlijke vrijheid is. Dat eenieder vrij is in het beleven en uitoefenen van zijn seksualiteit, wat deze verder ook behelst. Dat is onze ‘norm’. Ratelband wijkt dus juist van deze norm af. Ratelband beweert dat ‘heteroseksualiteit de norm is’ alsof Nederland in een Iran is omgetoverd, waar heteroseksualiteit inderdaad ‘de norm’ is.
Je ziet dit misverstand wel vaker, het idee dat ‘de meerderheid’ automatisch bepaalt wat de ‘norm’ is. Het is echter een protofascistisch principe, zeker geen democratisch. In een democratie worden minderheden juist beschermd doordat er ‘normen’ worden ingesteld die juist niet gebaseerd zijn op het alleenrecht van een meerderheid.
Daarna maakt Ratelband het nog een stapje bonter door als wanna-be demagoog te pogen de veronderstelde ‘volkswoede’ over het verhogen van de AOW leeftijd naar de homogemeenschap te kanaliseren. Moet jij langer doorwerken? Dat ligt aan die homo’s! Niet vreemd dus dat deze griezelige mijnheer in hetzelfde stuk de zin van zijn bestaan prijsgeeft: ‘Ik ben hier om me voort te planten’..
Kort commentaar over commentaar op commentaar
Op Harriet schrijft John O’Connor over commentaar op commentaar (van leraren op schrijfwerk van studenten). Hij haalt Raymond Carver aan die blijkbaar zei dat het enige dat je in een recensie mag schrijven is ‘Goed gedaan! Ga zo door!’ In een reactie wijst iemand erop dat dit weinig zin heeft omdat een aspirerende schrijver dan nooit iets leert en dat je slecht schrijven gewoon bij de naam moet noemen. Eerlijkheid niet inruilen voor aanmoediging. Dat vind ik in principe een mooi principe. Alhoewel er genoeg situaties denkbaar waarbij de voorkeur ligt bij ofwel zeer directe kritiek, ofwel juist voornamelijk aanmoedigende woorden.
Maar waarom niet gewoon beide. Een manier van critizeren die uiteindelijk wel affirmatief is bedoeld. Er is sowieso veel te veel verontwaardiging, vete, wrok in poëzie land (zoals dat natuurlijk geld voor elke sub-kring). Dus affirmatieve kritiek die net zo goed uiterst negatief kan zijn, als het maar niet iets wil afbreken, maar juist de nadruk legt op het mogelijke.
David Foster Wallace gaf volgens een oud collega altijd schrijfopdrachten aan zijn studenten terug die met vier kleuren waren gecorrigeerd (gehoord in de Kelly Writer’s House podcast ‘Remembering DFW 2008′). Een mooie combinatie van zeer uitvoerige, maar tegelijkertijd met veel aandacht opgeschreven kritiek. Een aandacht en (over)gevoeligheid die tekenend is voor al zijn schrijven (zowel zijn essays als fictie).
Ook een mooi voorbeeld van affirmatieve kritiek is Gilles Deleuze, die op zijn bijzondere wijze filosofen becritizeerde – door hun ideeën op tegendraadse manieren in een ander kader te plaatsen – maar dat nooit deed zonder een sterk gevoel van affirmatie door zijn schrijven heen te laten spreken. Deleuze over commentaar (in mijn vertaling uit het Engels, weet niet waar hij dit schrijft, het staat op de achterkaft van Desert Islands):
Als je iets niet bewondert, als je er niet van houdt, dan heb je geen reden om er een woord over te schrijven. Spinoza of Nietzsche zijn filosofen wiens critische en destructieven krachten ongeëvenaard zijn, maar deze macht komt altijd voort uit affirmatie, van vreugde, van een cultus van affirmatie en vreugde, van de urgentie van het leven tegen zij die het leven willen verminken en verstikken.
- –
En dan hier nog wat lekker eenvoudig destructief destructieve kritieken van William Logan, geplaatst in een reactie (op dat stuk in Harriet) door Mark Ford ‘Samurai Critic’ van de NYT Sunday Book Review:
‘Almost everything Graham writes offers the swagger of emotion, pretentiousness by the barrelful and a wish for originality that approaches vanity — she’s less a poet than a Little Engine that Could, even when it Can’t.’
[Billy Collins is] ‘…the Caspar Milquetoast of contemporary poetry, never a word used in earnest, never a memorable phrase. . . . If such poems look embarrassing now, what are they going to look like in 20 years?’
[Ted Kooser’s poems come] ‘slathered in sentiment like corn on the cob with butter,’
[Gary Snyder’s poems are compared to] “the disconnected thoughts of a man trying to make verse with magnets on a refrigerator door.’
[Anne Carson’s are like] ‘parlor games of extraordinary tedium.’
Commentaar