Archive for October, 2009
Het dichtersatelier
Ik ontving gister het volgende mailtje:
Geachte heer M. Benders,
Ik volg de opleiding Lifestyle Adviseur op de Jan des Bouvrie Academie en ben bezig met een onderzoek naar ateliers van schrijvers/dichters.
Ik zou u graag een paar vragen willen stellen en ik hoop dat u deze wilt beantwoorden en terug sturen. U kunt mij erg helpen met het beantwoorden van deze vragen:
1. Waaraan moet een dichtersatelier voldoen? Wat zijn de belangrijkste aspecten, wat kan er niet missen in een atelier van een schrijver/dichter?
2. Beïnvloedt de plaats van schrijven uw gedichten? In welke omgeving werkt u het prettigst?
3. Waar vindt u inspiratie voor uw verhalen/gedichten? (in het atelier of elders?)
Zou u eventueel een foto mee kunnen sturen van uw atelier of schrijfkamer?
Hilde
Mijn antwoord:
Hoi Hilde,
Wat leuk om van je te horen! Uiteraard beantwoord ik je vragen met alle plezier.
1. Naar mijn mening moet een dichtersatelier aan een aantal primaire eisen voldoen. Ten eerste en het allerbelangrijkste: het moet een inspirerende omgeving zijn waar de dionysische elementen de apollonische niet perse overstemmen maar toch zeker wel dominant aanwezig moeten zijn. Ik zelf werk het prettigst in een omgeving waar de lichamelijkheid en geestelijkheid in goed evenwicht kunnen zijn.
2. Ja, zeker weten. Ik zou het nog sterker willen stellen, volgens mij worden de meeste gedichten direct door de omgeving geschreven en zit je daar als dichter maar een beetje nutteloos tussen, vandaar dat dichters van oudsher vooral manieren zoeken om zichzelf uit te schakelen als bemiddelaar, door middel van vrouwelijk schoon, bijvoorbeeld.
Ik hecht een foto aan deze mail vast van mijn atelier in Mierlo. Mijn maten Richard en Dennis zijn erop te zien, zoals je ziet inspireert de omgeving niet alleen de dichter zelf. De dichterlijke roes is een van de hoogst aangeschreven vormen van euforia. Het is een ingewikkelde klus dat in een interieur te verwerken, maar soms vind je precies de juiste balans, zoals hier.
Met vriendelijke groeten uit Istanbul,
Martijn Benders

ZERO POEM/POEM ZERO
Toon gedicht van David-Baptiste Chirot, met opnames van de visuele ‘partituur’
- – -
Whitman verkoopt Levi’s..
… in onderstaand filmpje waarin hij zijn gedicht ‘Amerika’ voordraagt. Asociaal misbruik van de ‘dichter van de democratie’? Of een samenwerking van twee oer-Amerikaanse ikonen? Een erg mooi filmpje in elk geval. (Via Slate).
America
Centre of equal daughters, equal sons,
All, all alike endear’d, grown, ungrown, young or old,
Strong, ample, fair, enduring, capable, rich,
Perennial with the Earth, with Freedom, Law and Love,
A grand, sane, towering, seated Mother,
Chair’d in the adamant of Time.
- – -
Paul Zukofsky doet ‘A’ cadeau
Vorige week publiceerde Paul Zukofsky een open brief aan iedereen die het werk van zijn vader Louis (1904-1978) (en zijn moeder Celia) wil citeren. Het is het meest onredelijk, haatdragend, en cynisch stuk schrijven dat ik ooit heb gelezen. Misschien, wordt er hier op gewezen, heeft deze toon te maken met het feit dat Paul Zukofsky (die zelf viool virtuoos was, dirigent en veel muziek opnam – en onderwerp is van Louis Zukofsky’s enige roman Little) blijbaar ‘niets meer heeft’:
[PZ] who really contributed so much to contemporary music and who recorded more American music over his span as both a violinist and a conductor than anybody—people forget what he contributed, you know. He has nothing now. Typical of a situation as a conductor. He can’t play anymore because he’s got some problems.
Aldus componist Milton Babbit . Hoe dan ook, het is een triest gebeuren. PZ is als anderen al hebben opgemerkt, in goed gezelschap: Stephen Joyce bemoeilijkt ook al jaren wetenschappelijk onderzoek naar het werk van zijn grootvader en wordt uitgenodigd naar congressen om hem te vriend te houden.Het is niet verbazend dat, als in dit lange verslag staat vermeld, Paul Zukofsky de stappen van Joyce toejuigt:
when Stephen Joyce succeeded in muffling a whole field of study with a combination of litigation and bravado, others took notice. Paul Zukofsky, the son of the poet Louis Zukofsky, said of Stephen’s efforts, ‘What I’ve heard sounds very, very good. He is a staunch defender of rights.
Ook de erven van Beckett zijn berucht om het tegenwerken van het gebruik van en opvoeren van stukken. ‘The Samuel Beckett estate sues theatre companies that mount unorthodox productions of the plays. A year after Stephen announced his suit against Danis Rose’s “Ulysses,” the Nabokov estate fought an unsuccessful battle to prevent the publication in English of “Lo’s Diary,” an Italian novel based on “Lolita.”
Tenslotte werd recentelijk door de Spiegel bericht over een nog een hele nare (en enigzins ingewikkelde) geschiedenis aangaande vele brieven en andere nagelaten geschriften van Kafka. Zijn vriend Max Brod deed de volle nalatenschap van de geschriften toekomen aan zijn secretaresse (en volgens sommige, minnares) Ester Hoffe. De rest van het verhaal is onnodig ingewikkeld om te herhalen, maar volgens het artikel heeft ze veel van de geschriften verkocht, soms zelfs geld aangenomen zonder er wat voor te overhandigen (hoe ze dat voor elkaar heeft gekregen wordt er niet bij verteld). Een ding is duidelijk schrijft de Spiegel, Ester Hoffe heeft de nalatenschap gebruikt om zichzelf te verrijken (het gaat om ong. een miljoen Euro. Haar dochters zien hier overigens niets van).
Een niet geheel verbazende ironie van het de recente aankonding van Paul Zukofsky is dat ik nu opeens de onverwacht blijde ‘eigenaar’ ben van Louis Zukofsky’s ‘A’, en dat is nu voor iedereen mogelijk: iemand heeft namelijk net het boek in zijn geheel gratis op internet gezet als gratis downloadbaar Torrent bestand. Ook ironish is dat Paul’s vader zelf een handje van had om te ‘citeren’ van anderen: in de zelfde tijd als Walter Benjamin maar (volgens biograaf Mark Scroggins) zonder van zijn werk op de hoogte te zijn, werkte Zukofsky met een soortgelijke methode, namelijk een boek over Shakespeare, Bottom: On Shakespeare (1963) dat voornamelijk uit citaten bestaat. Vervolgens maakte Celia Zukofsky ter nagedachtenis aan de dood van haar man een boekje dat ook bestond uit citaten, ditmaal van Zukofsky zelf.
Schlemiel Ratelband en de norm
Ratelband is als schlemiel net zo nuttig voor de media als Wilders. Kijkcijfers vereisen schlemielen. Democratie vereist schlemielen. Zonder schlemielen kijkt of stemt niemand meer. Ergo, de dikbetaalde schlemiel is de brandstof van de mediacratie: brood en spelen.
Een van de meer hardnekkige misverstanden tegenwoordig is het idiote idee dat de ‘meerderheid de norm bepaalt’. Dat is in een democratie nu juist niet zo. Ten eerste is seksualiteit als zodanig geen ‘norm’, want iets is pas een norm als er ook een achterliggende waarde aan gekoppeld kan worden. De uitspraak ‘Homoseksualiteit is afwijkend want wijkt af van de norm’ is retorische onzin.
Wat je wel zou kunnen zeggen is: ‘Homoseksualiteit is bij heteroseksuelen afwijkend van de norm’. Dat is een correct standpunt. Heteroseksualiteit is in Nederland echter niet ‘de norm’ – wie dat beweert heeft niets maar dan ook helemaal niets van de principes van de democratie en de secularisatie begrepen.
Wij hebben met elkaar afgesproken dat seksualiteit een persoonlijke vrijheid is. Dat eenieder vrij is in het beleven en uitoefenen van zijn seksualiteit, wat deze verder ook behelst. Dat is onze ‘norm’. Ratelband wijkt dus juist van deze norm af. Ratelband beweert dat ‘heteroseksualiteit de norm is’ alsof Nederland in een Iran is omgetoverd, waar heteroseksualiteit inderdaad ‘de norm’ is.
Je ziet dit misverstand wel vaker, het idee dat ‘de meerderheid’ automatisch bepaalt wat de ‘norm’ is. Het is echter een protofascistisch principe, zeker geen democratisch. In een democratie worden minderheden juist beschermd doordat er ‘normen’ worden ingesteld die juist niet gebaseerd zijn op het alleenrecht van een meerderheid.
Daarna maakt Ratelband het nog een stapje bonter door als wanna-be demagoog te pogen de veronderstelde ‘volkswoede’ over het verhogen van de AOW leeftijd naar de homogemeenschap te kanaliseren. Moet jij langer doorwerken? Dat ligt aan die homo’s! Niet vreemd dus dat deze griezelige mijnheer in hetzelfde stuk de zin van zijn bestaan prijsgeeft: ‘Ik ben hier om me voort te planten’..
Kort commentaar over commentaar op commentaar
Op Harriet schrijft John O’Connor over commentaar op commentaar (van leraren op schrijfwerk van studenten). Hij haalt Raymond Carver aan die blijkbaar zei dat het enige dat je in een recensie mag schrijven is ‘Goed gedaan! Ga zo door!’ In een reactie wijst iemand erop dat dit weinig zin heeft omdat een aspirerende schrijver dan nooit iets leert en dat je slecht schrijven gewoon bij de naam moet noemen. Eerlijkheid niet inruilen voor aanmoediging. Dat vind ik in principe een mooi principe. Alhoewel er genoeg situaties denkbaar waarbij de voorkeur ligt bij ofwel zeer directe kritiek, ofwel juist voornamelijk aanmoedigende woorden.
Maar waarom niet gewoon beide. Een manier van critizeren die uiteindelijk wel affirmatief is bedoeld. Er is sowieso veel te veel verontwaardiging, vete, wrok in poëzie land (zoals dat natuurlijk geld voor elke sub-kring). Dus affirmatieve kritiek die net zo goed uiterst negatief kan zijn, als het maar niet iets wil afbreken, maar juist de nadruk legt op het mogelijke.
David Foster Wallace gaf volgens een oud collega altijd schrijfopdrachten aan zijn studenten terug die met vier kleuren waren gecorrigeerd (gehoord in de Kelly Writer’s House podcast ‘Remembering DFW 2008′). Een mooie combinatie van zeer uitvoerige, maar tegelijkertijd met veel aandacht opgeschreven kritiek. Een aandacht en (over)gevoeligheid die tekenend is voor al zijn schrijven (zowel zijn essays als fictie).
Ook een mooi voorbeeld van affirmatieve kritiek is Gilles Deleuze, die op zijn bijzondere wijze filosofen becritizeerde – door hun ideeën op tegendraadse manieren in een ander kader te plaatsen – maar dat nooit deed zonder een sterk gevoel van affirmatie door zijn schrijven heen te laten spreken. Deleuze over commentaar (in mijn vertaling uit het Engels, weet niet waar hij dit schrijft, het staat op de achterkaft van Desert Islands):
Als je iets niet bewondert, als je er niet van houdt, dan heb je geen reden om er een woord over te schrijven. Spinoza of Nietzsche zijn filosofen wiens critische en destructieven krachten ongeëvenaard zijn, maar deze macht komt altijd voort uit affirmatie, van vreugde, van een cultus van affirmatie en vreugde, van de urgentie van het leven tegen zij die het leven willen verminken en verstikken.
- –
En dan hier nog wat lekker eenvoudig destructief destructieve kritieken van William Logan, geplaatst in een reactie (op dat stuk in Harriet) door Mark Ford ‘Samurai Critic’ van de NYT Sunday Book Review:
‘Almost everything Graham writes offers the swagger of emotion, pretentiousness by the barrelful and a wish for originality that approaches vanity — she’s less a poet than a Little Engine that Could, even when it Can’t.’
[Billy Collins is] ‘…the Caspar Milquetoast of contemporary poetry, never a word used in earnest, never a memorable phrase. . . . If such poems look embarrassing now, what are they going to look like in 20 years?’
[Ted Kooser’s poems come] ‘slathered in sentiment like corn on the cob with butter,’
[Gary Snyder’s poems are compared to] “the disconnected thoughts of a man trying to make verse with magnets on a refrigerator door.’
[Anne Carson’s are like] ‘parlor games of extraordinary tedium.’
Laleh Khorramian
Een van mijn favorite kunstenaars op dit moment – en ik heb er nogal wat, geef ik toe, want de laatste 10 jaar was er mijns inziens een complete hausse aan getalenteerde visuele kunst – weet niet in hoeverre dat aan internet te wijten is of aan grimmigere tijden, maar ik heb minstens een paar honderd kunstenaars zien passeren die ik zeer de moeite waard vond en dat is niet gering. Een van die mensen is de in Teheran geboren Laleh Khorramian die een bijzondere werkstijl heeft die drie stijlen met elkaar lijkt te combineren: abstract, narratief en structureel – collagekunst en druipkunst op een bijzonder narratieve en innovatieve wijze tot een prachtig beeld geknoopt. Schitterend werk. Hieronder twee voorbeelden en links:


Bekijk werk van haar op: Saatchi – Salon 94 of de Gavlak Gallery
De meest gespierde dichter van Nederland, fase 2
Inmiddels ben ik in fase 2 van mijn project ‘Meest gespierde dichter van Nederland’ beland, aangezien ik nu de grens ‘normaal gewicht’ ben gepasseerd. Als ik zeg ‘meest gespierd’ hoeft u geen uitpuilende bodybuildertaferelen te verwachten: een beetje lekker gespierd zijn is al genoeg om de tollenaren uit de tempel te verjagen, immers de concurrentie is gering. Het project is nog niet afgelopen:
Men wear masks to make themselves beautiful. But unlike a woman’s, a man’s determination to become beautiful is always a desire for death. – Yukio Mishima
Aanvang project: 28 Januari 2009. Gewicht: 127.8 kilo
17 Oktober 2009 – Einde fase 1: 91 kilo bij 1.91
Fase 2: Perfect gewicht: 82 kilo (Verwacht: December 2009)
Fase 3: Stabilisatie Perfect gewicht (3 maanden constant) (Verwacht: Maart 2009)
Fase 4: Stoppen met roken en zware spiertraining (Maart 2009)
Fase 5: Zwarte band in Karate halen (Onbekend)
Zoals jullie zien is het in principe een lang traject waarvan wel het einde gedefinieerd is. Een dichter zijn met de zwarte band in karate, dat lijkt me erg nuttig. Hieronder wat foto’s die deze week genomen zijn, zoals jullie zien ben ik behoorlijk veranderd.
Ook ben ik bezig met instappen in de yachting industry, samen met wat vrienden die een yacht interior design bedrijf hebben. De foto’s zijn bij hun op kantoor genomen.






De Reaktor – spekgladde zolen – een beschouwelijke recensie
De Reaktor is een nieuw ‘internetplatform’ (lees: uitgeklede wordpress kloon) die na ruim een jaar ontwikkeltijd door liefst drie verschillende bedrijven en gesubidieerd door liefst vier instellingen ons niet alleen grotendeels dezelfde oude bekende auteurs voortovert die ook elders de kweekvijvers bezetten – nee, voor de goede orde zijn er ook wat nieuwe, onbekende namen gezocht die, naar beste Machiavelliaanse traditie, makkelijk te vervangen zijn zodat de Staat ‘Reaktor’ geen discursiviteit te vrezen heeft.
Dat typeert precies dat lullige kweekvijver idee, de recycelende auteur en de ultieme *vervangbaarheid* van ‘nieuw talent’. Dat alle literaire blaadjes, met hun enorm unieke profielen, door dezelfde lui geschreven worden. Lui die ‘dit soort’ artikel naar dat blaadje sturen, en ‘dat soort’ artikel naar het andere unieke blaadje. Die dat weer geheid publiceren, want mijnheer stond ook in de andere blaadjes. Referentie-economie. Wat helemaal interessant is, zo te zeggen, is de absolute ontkoppeling van kritiek en polemiek. Dat zou vroeger, toen mensen nog echt voedsel aten, ondenkbaar geweest zijn: een blad met ‘literatuurkritiek’ zonder zelfs ook maar een miniem zweempje polemiek. Er bestond ooit een tijd waarin de polemiek als het hoogste literaire goed aangeschreven stond – als een essentieel onderdeel van kritiek zelfs – maar de brave schoolmeester-recensie heeft als ‘kritiektype’ gezegevierd: sterker nog, zelfs maar elke poging tot polemiek moet *op voorhand* onklaar gemaakt worden – brave, gezagsgetrouwe burgers met licht verteerbaar gezwets vermaken, wat zich alleen *in zijn lengte* als ‘diepgravend’ zou kunnen laten duiden, vandaar die constante referentie naar het waanidee dat ‘lange kritieken’ eindelijk weer mogelijk zijn, dankzij de Reaktor. De Reaktor, waar normale, voorzichtige en redelijke mensen zich mogen registreren en waar de vertrouwensbreuk als een halsmisdaad staat aangeschreven. We lezen in de algemene voorwaarden:
“U dient de website in al haar onderdelen te gebruiken als een normaal, voorzichtig en redelijk mens.”
Ook interessant om te lezen dat misbruik van vertrouwen bij wet verboden is. Enige vorm van belediging of eerberoving is volstrekt uit den boze, waarmee de polemiek meteen monddood gemaakt is, ten faveure van de ‘beschaving’ – de Reaktor is daarmee het internetboegbeeld geworden met precies dezelfde randvoorwaarden als de literaire bladen zelf: maak elke vorm van wildgroei onmogelijk, creeer een omgeving die zo beheersbaar mogelijk is door niet slechts te vereisen dat mensen zich eerst registreren om te kunnen reageren, nee, je stelt ook nog een waslijst eisen aan die registratie met allerlei kleinburgerlijke predicaten om te voorkomen dat er iets op dat ‘laagdrempelige platform’ kan gebeuren wat niet onder controle te houden is.
Dit alles dient uiteraard precies dezelfde kruidenierselite van middelmatigheid die al sinds de eerste geboortekrampen van het postmodernisme gerieflijk in het subsidiezadel zitten. Ik zie, net als Nietzsche, best enige noodzaak voor middelmatigheid en wat mij betreft mag alles wat middelmatig is best alle kranten en platforms bezetten. Maar je zou je wellicht eens kunnen afvragen of die kruideniers, die alleen van zich laten horen als ze denken dat hun winkeltje bedreigt wordt – of je aan zulke kleinzielige schoolmeesters de kritiek wel kunt toevertrouwen.
In Nederland is ‘de criticus’ van oudsher het paradepaardje van een bepaald type poetica, in plaats van dat hij met arendsoog boven alle poetica’s staat. Dat is primair clownesque, want juist kritiek moet niets te verdedigen hebben.
Het is een cabaretvorm: de voorspelbaarheid van een bepaald criticus is een voorwaarde voor diens bestaan juist *omdat* de lezer zich superieur wil voelen. Ergo: de Nederlandse lezer *tolereert* geen echte critici. De kruidenierselite wil ook vooral ‘voorspelbare meningen’ omdat men dan op voorhand recensies naar de mond kan schrijven. Iedereen is dus gebaat bij voorspelbaarheid, en zo zag de paradecriticus het leven. Dit is ook precies de reden achter de ontkoppeling die heeft plaatsgevonden tussen de kritiek en de polemiek – waarbij de polemiek van hoogste goed naar het verdomhoekje van de literatuur is verbannen. De literatuur is het domein van de beschaving, van de gegoede burger geworden – je zult op de Reaktor geen polemisch woordje aantreffen, geen kink in de kabel, geen wildgroei, geen echte kritiek. Dit is de speelplaats van dezelfde uitgerangeerde fopelite die al sinds jaar en dag op staatskosten mensen in slaap doen sukkelen, in het belang van de ‘literatuur’.
Het mag duidelijk zijn dat dit huwelijk tussen Staat en Literatuur van nature een bepaald type kritiek prefereert – interessanter dan de vraag waarom kritiek zo scherpzinnig als een gemiddeld tweedekamerdebat moet zijn, waarom een kwantitatief argument (‘lengte’) als bestaansrecht wordt opgevoerd (och jee, in de krant moesten de heren bondig zijn) – interessanter dan dit soort periferieke kenmerken is het recyclemechanisme waarmee deze clownerie steeds zichzelf vernieuwt – want het valt nu al te voorspellen: die site wordt zo dood als een pier, tenminste zodra het geld opdroogt. Maar dat is juist de angel in het hele verhaal: zodra dat geld opdroogt zijn de heren alweer vertrokken, is er een ‘ander initiatief’, is er weer ‘voortschrijdend inzicht’ en begint het hele verhaaltje doodleuk opnieuw. Nieuw talent wordt aangetrokken, dat zo heerlijk vervangbaar is – waarmee het hele ‘kweekvijver’ idee pathologisch verklaard is: deze mensen hebben een kweekvijver nodig vanuit een politieke strategie – het gaat hier niet alleen om het opwekken van de suggestie dat ‘alles steeds vernieuwend en dynamisch’ is, nee, het gaat hen bovenal om de vervangbaarheid van ‘nieuw talent’ omdat hoe ‘nieuwer’ het talent is des te minder bedreigend zij voor de eigen positie zou kunnen zijn. Juist daarom zie je bij een initiatief als ‘De Reaktor’ of bij andere literaire bladen constant ‘nieuw talent’ voorbijkomen – enerzijds als bestaansrecht, anderzijds als garantie voor de eigen machtspositie. Ergo: de Reaktor bestaat uit ‘gevestigde namen’ en ‘nieuwe namen’ maar niets uit het middenveld. Dat middenveld moet namelijk liefst onklaar gemaakt worden, simpelweg omdat de ‘gevestigde orde’ er niets voor voelt door hen te worden vervangen. Dan zijn ze de centjes kwijt. Gevolg: een eeuwige jacht naar ‘nieuw talent’, de ‘kweekvijver’ als bestaansrecht van de literatuur, de ‘eeuwige vernieuwing’. Projectieve illusie: het ‘middenveld’ is niet ‘goed genoeg’ voor ons, vandaar dat wij ‘nieuw talent’ prefereren. Men ziet dus dat ook hier weer de literatuur precies de maatschappelijke ontwikkelingen volgt: de referentiele economie schakelt, uit zelfbescherming, op den duur de middenklasse uit. En niet alleen de middenklasse: ook de uitzonderingen moeten eraan geloven: de polemiek moet worden uitgebannen, allemaal pure klassenpolitiek: de middelmatigheid die zich als ‘elite’ opvoert door referentieel-economische middelen kan alleen overleven door zowel de middenklasse als de uitzondering buiten spel te zetten. De middenklasse, omdat zij vreest vervangen te worden, de uitzondering, omdat zij geratificeerd willen worden als het hoogste.
Om die reden worden de autonomen ofwel genegeerd ofwel getolereerd zolang zij geen logistieke bedreiging voor de eigen posities vormen. Met andere woorden: je mag best autonoom zijn, maar dan moet je je mond houden, of je moet de huidige hierarchie ratificeren. Daarnaast zijn er nog twee types middenklasse: het type middenklasse dat erom staat te springen de huidige ‘elite’ te vervangen (type: Contrabas), die zich al precies zo probeert te gedragen als de huidige ‘elite’ (Referentieel talent zonder aantoonbaar schrijftalent) en die vooral ‘rebelleren’ uit oedipale overwegingen – en dan heb je nog een andere middenklasse, de mensen die het nooit tot autonoom zullen redden en die het ofwel gewoon opgeven ofwel als klapvee in de coulissen gebruikt worden.
De kruidenierselite wil worden geratificeerd als het hoogste goed. Discursieve elementen worden als autonoom niet getolereerd, juist omdat zulke ‘wangeluiden’ vraagtekens zetten bij hun recht op een machtspositie. Om echter deze positie langdurig te kunnen handhaven moest er constante vernieuwing plaatsvinden, omdat men immers niet constant zowel de andere middenklasse als de uitzonderingen uit kan schakelen zonder dat de ‘Might is Right’ politiek al te zichtbaar wordt. Daarom bestaan die kweekvijvers, daarom die eeuwige aanwas van onvoorstelbaar talent dat na 1 jaar al weer nergens te bekennen valt.
Alles onder het oogmerk van de eeuwige dreiging. Want juist daarom moet er ‘vernieuwd’ worden, moet de talentenjacht worden aangezweept. Waarom wordt die ‘literatuur’ en ‘kritiek’ die zich zo gerieflijk door de staat laat sponsoren altijd en immer bedreigd – omdat dat de lokroep van de kruidenier is, het winkeltje staat weer onder bedreiging, de omzet staat op het spel. Het is het enige leitmotiv wat deze mensen nog kennen – de literatuur moet bedreigd worden omdat anders niemand in actie komt. Dat die ‘literatuurkritiek’ die zo tandeloos voor zich uit wauwelt, die volstrekt onpolemisch geworden is, die elke schoolfrik zou behagen – dat die literatuurkritiek allang en breed is overleden, zal eenieder natuurlijk worst wezen. Laten we even wel wezen: we hebben het hier over de generatie die verantwoordelijk is voor maken van dat prachtige Rorschach plaatje van de staatsschuld – na ons de zondvloed, dankjewel jongens, en blijf vooral beschaafd doorzemelen vanuit uw pluizige torens. Want een ivoren toren, nee, daar zou u niet eens in weten overleven met uw spekgladde zolen.
M.H.Benders, Istanbul, Zaterdag 17 Oktober 2009
Het literaire tijdschrift is dood, lang leve het literaire tijdschrift
Dat is de kop van een recensie van The Oxford critical and cultural history of modernist magazines, misschien interessant voor mensen die de recente discussie hebben gevolgd die ontstond na naar aanleiding van de Master scriptie van Bart Temme over de effectiviteit en relevantie van Nederlandstalige literaire tijdschriften als kweekvijvers voor jong talent (onder andere op DeContrabas , hier op Loewak door Martijn Benders, en in een reactie van Temme in het NRC).
De recensie van bovengenoemd boek begint met de uitspraak van T.S. Eliot dat, ‘The first function of a literary magazine is to introduce the work of new or little-known writers of talent.’ In 1920 stelde hij als doel voor een tijdschrift dat hij opzette, ‘the maintenance of critical standards and the concentration of intelligent critical opinion.’
Wat betreft het hedendaagse tijdschrift; ik denk dat het tijdschrift/boek nog even moet wennen aan het internet. Het zal vast (nog een hele tijd) blijven bestaan, maar ik vermoed in toenemende mate als aanhangsel van digitale varianten die steeds meer in verbinding met elkaar zullen staan, zoals nu al te zien in de ontwikkeling van Personal Digital Assistants waarmee verbinding kan worden gemaakt met andere netwerken (PDA, Kindle, internet, automatische garagedeur).
Anderzijds geven computers juist ook nog altijd de schijn van een soort buro-oppervlakte (bijvoorbeeld de desktop, en het mappen systeem), en zijn er nog veel aspecten van computers/websites die doen denken aan de layout van een boek – als een soort drapering over de eigenlijke digitale bouwstenen van computer en internet.