Kort commentaar over commentaar op commentaar
Op Harriet schrijft John O’Connor over commentaar op commentaar (van leraren op schrijfwerk van studenten). Hij haalt Raymond Carver aan die blijkbaar zei dat het enige dat je in een recensie mag schrijven is ‘Goed gedaan! Ga zo door!’ In een reactie wijst iemand erop dat dit weinig zin heeft omdat een aspirerende schrijver dan nooit iets leert en dat je slecht schrijven gewoon bij de naam moet noemen. Eerlijkheid niet inruilen voor aanmoediging. Dat vind ik in principe een mooi principe. Alhoewel er genoeg situaties denkbaar waarbij de voorkeur ligt bij ofwel zeer directe kritiek, ofwel juist voornamelijk aanmoedigende woorden.
Maar waarom niet gewoon beide. Een manier van critizeren die uiteindelijk wel affirmatief is bedoeld. Er is sowieso veel te veel verontwaardiging, vete, wrok in poëzie land (zoals dat natuurlijk geld voor elke sub-kring). Dus affirmatieve kritiek die net zo goed uiterst negatief kan zijn, als het maar niet iets wil afbreken, maar juist de nadruk legt op het mogelijke.
David Foster Wallace gaf volgens een oud collega altijd schrijfopdrachten aan zijn studenten terug die met vier kleuren waren gecorrigeerd (gehoord in de Kelly Writer’s House podcast ‘Remembering DFW 2008′). Een mooie combinatie van zeer uitvoerige, maar tegelijkertijd met veel aandacht opgeschreven kritiek. Een aandacht en (over)gevoeligheid die tekenend is voor al zijn schrijven (zowel zijn essays als fictie).
Ook een mooi voorbeeld van affirmatieve kritiek is Gilles Deleuze, die op zijn bijzondere wijze filosofen becritizeerde – door hun ideeën op tegendraadse manieren in een ander kader te plaatsen – maar dat nooit deed zonder een sterk gevoel van affirmatie door zijn schrijven heen te laten spreken. Deleuze over commentaar (in mijn vertaling uit het Engels, weet niet waar hij dit schrijft, het staat op de achterkaft van Desert Islands):
Als je iets niet bewondert, als je er niet van houdt, dan heb je geen reden om er een woord over te schrijven. Spinoza of Nietzsche zijn filosofen wiens critische en destructieven krachten ongeëvenaard zijn, maar deze macht komt altijd voort uit affirmatie, van vreugde, van een cultus van affirmatie en vreugde, van de urgentie van het leven tegen zij die het leven willen verminken en verstikken.
- –
En dan hier nog wat lekker eenvoudig destructief destructieve kritieken van William Logan, geplaatst in een reactie (op dat stuk in Harriet) door Mark Ford ‘Samurai Critic’ van de NYT Sunday Book Review:
‘Almost everything Graham writes offers the swagger of emotion, pretentiousness by the barrelful and a wish for originality that approaches vanity — she’s less a poet than a Little Engine that Could, even when it Can’t.’
[Billy Collins is] ‘…the Caspar Milquetoast of contemporary poetry, never a word used in earnest, never a memorable phrase. . . . If such poems look embarrassing now, what are they going to look like in 20 years?’
[Ted Kooser’s poems come] ‘slathered in sentiment like corn on the cob with butter,’
[Gary Snyder’s poems are compared to] “the disconnected thoughts of a man trying to make verse with magnets on a refrigerator door.’
[Anne Carson’s are like] ‘parlor games of extraordinary tedium.’
Commentaar