Monthly Archives: March 2010

Interview met Benders, deel 3: de heg, de poppenkast en de straf van God.

Heer Benders, de literaire bladen organiseren een avondje getiteld ‘Tegen de Barbaren’ in de Rode Hoed in Amsterdam. Wat vind u van zo’n initiatief?

Het beeld dat de kunst en/of de literatuur hand in hand lopen met de beschaving is een naief, idealistisch beeld welk alleen de meest doorgewinterde rozebrillen-pedanterik serieus zou kunnen nemen. Moet er een keuze gemaakt worden tussen beschaving of barbaar dan zal de echte dichter of kunstenaar altijd de zijde van de barbaar kiezen, omdat de beknelling van de beschaving alle kunstzinnige drift grondig in de kiem smoort.

Dit soort avondjes waar alleen voorstanders worden uitgenodigd en waar alleen voorstanders zullen spreken – uiteraard allemaal onder het mom ‘discussieavond’ – het is kruideniersvermaak, de ultieme lulligheid van de ‘beschaafden’ die menen dat de kwaliteit van de wereld van de kwaliteit van hun heg afhankelijk is. Wie wil er nu de hele avond naar Buurman Bommelje en zijn impotente praatjes over zijn literaire heg luisteren? Hoe de literatuur er beter op geworden is dankzij zijn geweldige heg die de vieze beestjes uit de prachtige tuin wist te houden. Een tuin die overigens krioelt van de kakkerlakken, maar dat terzijde – dat doet namelijk niet ter zake. Net als in casus Bolkestein zie je ook hier weer: retorica met gezwets over criteria, met als uiteindelijk resultaat: Froukje van der Ploeg als de ultieme kwaliteitsliteratuur. Dankzij Hollands Maandblad. Geborneerde zwetsdrollen zijn het! Het is een wereldje dat wemelt van de intellectuele onderdeurtjes.

Het zijn juist altijd de fatsoensrakkers die het daadwerkelijke probleem vormen. Het zijn de fatsoensrakkers die oorlogjes in Irak voeren, tegen de ‘barbaren’ die zij wel eens even hun ‘beschaving’ bij zullen brengen. Wie zich opwerpt als fatsoensrakker geeft daarmee impliciet meteen al toe dat hij zichzelf beter acht dan datgene wat hij eigenlijk niet kan kennen. Nietzsche schreef niet voor niets dat hij uit zijn ideale republiek, in plaats van de dichters als Plato had gewild, juist de beschaafden zou verjagen.

De vorige keer had u het over het fenomeen Wilders. U opperde het idee dat Wilders als fenomeen niet authentiek is. Wat bedoelt u daar precies mee?

Ik heb inmiddels de volgende fotocollage gemaakt om visueel duidelijk te maken wat ik bedoel:

Wilders is Milosevic

Wilders is overduidelijk een prototype gebaseerd op het model ‘Milosevic’. Precies dezelfde gelaatstrekken, precies dezelfde haartooi en haarlijn, het zijn twee druppels water. Het idee voor de vergelijking kreeg ik toen Wilders net als Milosevic een lange lijst rare getuigen naar zijn procces wou halen. En verdomd: het lijkt wel of we hier met een prototype te maken hebben.

Wat betekent dit precies? Daar kun je alleen over speculeren. Ik geloof persoonlijk totaal niet in de authenticiteit van het fenomeen Wilders. Hij is de stereotiepe zondebok die de gevestigde machten juist bijzonder goed uitkomt om de aandacht af te leiden van het werkelijke probleem, namelijk dat ons systeem gewoon niet meer functioneert. Wilders is een makkelijke vijand, een gemakzuchtige zondebok. Uitgevonden en beschermd door het systeem zelf, afkomstig uit het systeem. Dankzij het artikel in HP de Tijd weten we dat hij achter de coulissen net zo minachtend doet over het kiesvee als alle andere politici als er geen camera’s in de buurt zijn. Het is toch absurd dat die man een peperdure staatsbeveliging krijgt om mensen permanent te kunnen discrimineren zonder risico te lopen, terwijl zijn aanhangers alles en iedereen bedreigen die schijnbaar vervolgens niet goed genoeg zijn voor zo’n peperdure beveiliging? Je kunt mij veel wijsmaken, maar niet dat Wilders als fenomeen authentiek is. Dat is een poppenspel, een Jan Klaassen. Een onmisbare pion in het op hol geslagen wiel van de mediacratie.

U noemt zich tegenwoordig ook wel ‘filosoof’. U heeft echter nog geen filosofisch werk geschreven, is het niet wat vroeg en waarom ineens de filosofie?

Ik ben wel degelijk met een omvangrijk filosofisch werk bezig:

Herwaardering van alle baarden

De vraag ‘waarom’ vind ik niet zo relevant, zoals u weet geloof ik niet in hobby-elitairisme dus moet een mens zich noodzakelijkerwijze op zoveel mogelijk gebieden specialiseren. Het idee om filosoof te worden in plaats van dichter was allereerst een lichamelijk idee. Dichters zijn vadsige figuren. Dat was ik zelf ook, tot
ik op het punt arriveerde dat ik tot de conclusie moest komen dat mijn lichaam zich simpelweg gevormd had naar het ‘dichtersideaal’ en dat ik om filosoof te kunnen worden minstens 40 kilo moest afvallen. Dat is me in 14 maanden gelukt.

U bent in 14 maanden 40 kilo afgevallen?

Ondanks het feit dat ik afgelopen jaar 3 van de 12 maanden stomdronken was. Dat heeft mijn programma ietwat vertraagd. Wanneer je een stringente discipline aan de dag moet leggen krijg je snel de neiging het af en toe op een zuipen te zetten, gewoon om die discipline te compenseren. Maar inmiddels heb ik die ‘alcoholvakanties’ gelaten voor wat ze zijn en zit ik nu bijna op perfect gewicht. Ik sport drie uur per
dag. Daarmee wil ik nog minstens een jaar doorgaan. Ik heb nu al een conditie die ik ‘olympisch’ zou noemen, maar beschouw mijn progressie als zijnde op een 60% van het totale programma. Ik heb nu normaal gewicht maar nog niet het ideale lichaam zoals ik dat voor me visualiseer.

Ik wil eruit zien als Mishima of Iggy Pop. Nietzsche heeft gelijk, het presocratische ideaalbeeld, het hellenisme, dat is de enige betrouwbare leidraad.

Wie zijn uw filosofische voorbeelden?

Behalve Nietzsche ben ik ook een bewonderaar van Heraclites, Adorno en Agamben.

Ik zie filosofie als een veld wat uiteenvalt in twee types filosofen: je hebt filosofen die de filosofie de kunst vinden de juiste vragen te stellen, en je hebt filosofen die de filosofie als een soort gedachten-architectuur zien. Die tweede categorie vind ik persoonlijk niet interessant. Zo’n figuur als Badiou heb ik nog nooit op een zinnige uitspraak kunnen betrappen. Die man heeft totaal geen interesse in het vinden van de juiste vraag of het juiste perspectief: het enige wat hem wat interesseert is eindeloos doorbouwen aan zijn
ellendige legopaleis van mooie gedachtes, alsof dat een doel op zichzelf is. En helaas, in die hoek van de filosofie, de zogenaamde systeemfilosofie, is dat ook zo. Hele mooie fijne gedachtenpaleisjes bouwen die ingenieus in elkaar steken. Om zulke paleizen te kunnen bouwen kan men echter nooit kritisch staan ten opzichte van de eigen ideeen, want als je het fundament van je paleis meteen weer afbreekt zal er nooit een paleis ontstaan. Maar juist daarom vind ik dat geen filosofie: ik zie het niet als taak van de filosofie paleizen te bouwen.

Huub Oosterhuis werd deze week door de kerk in de ban gedaan. U zou hem daarvoor gewaarschuwd hebben. Op facebook schreef u: “Huub Oosterhuis afgestraft door God. Ik heb hem recentelijk gewaarschuwd, maar luisteren ho maar.” Wat bedoelt u daarmee?

Ene Joost Baars wou dat ik gedichten stuurde omdat een of ander blaadje de meest getalenteerde jonge dichters op een rijtje wou zien, dat blaadje van Huub Oosterhuis. Ik liet allereerst weten dat in blaadjes schrijven tegen mijn principes is maar Baars drong zo aan dat ik in krap 2 minuten een leuk gedichtje over Huub Oosterhuis schreef met Jezus als Trol met een enorme knuppel erin. Baars beloofde het aan Oosterhuis te zullen voorleggen, maar verder nooit meer wat van gehoord, tot dit nieuwbericht onder mijn neus kwam:

Huub Oosterhuis

Duidelijk een gevalletje ‘de boodschapper afschieten = de rekening voor je kiezen krijgen’, dus. Dat blijft me toch verbazen, dit onvermogen om goddelijke boodschappen op de juiste wijze te interpreteren. Ik vind het overigens wel terecht dat Oosterhuis geschrapt is. God is God, en niet een wolk of een tuinstoel of wat voor humanistisch gebruiksvoorwerp dan ook. Bind Oosterhuis in een stoel vast en laat hem een paar uurtjes verplicht naar deze prachtige Laibach video kijken:

Heer Benders, dank voor dit interview.

Frits Bolkestein heeft gelijk!

Alfred Schaffer won vorige week vrijdag de Ida Gerhardt Poëzieprijs 2010 voor zijn bundel Kooi, aldus een internetbericht op de Contrabas. Wat we niet wisten is dat een maand tevoren een twist in de jury had plaatsgevonden. De juryvoorzitter Frits Bolkestein stapte zelfs op:

“Volgens de criteria van de Ida Gerhardt Stichting moet de laureaat dichten in de geest van Ida Gerhardt. Maar daar hadden mijn collega-juryleden Vaessens en Perquin lak aan. Die houden er een postmoderne visie op na, en die is zacht uitgedrukt niet de mijne. Ik moest die criteria allemaal niet zo nauw nemen, zeiden ze. Ik zag het verkeerd. Zij namen het toch ook ruimer? Maar dat weigerde ik. Mijn voorkeur ging uit naar een dichtbundel van Hester Knibbe, die beduidend klassieker dicht dan Alfred Schaffer. Daarom ben ik er mee opgehouden.’ ” (Het stuk op de Volkskrant)

Toen ik dit bericht zag dacht ik meteen: Bolkestein heeft gelijk. Ik postte de volgende observatie op facebook, waarna een levendige discussie volgde die ik hier grotendeels zal weergeven.

Ik schreef:

Frits Bolkenstein is right. He stepped out of a jury because the other members didnt take the criteria of the price seriously. That is exactly the problem with literature prices: they are meant as manifestations of existant group consensus rather than entities of their own. It doesn’t matter what ‘price’ it is, you can’t take it serious, but that gossip behind the curtain, that canonical group behavior, that is the only thing ‘serious’ about literature for these people. Symbolic capital for symbolic people.

Vervolgens kwam er een bosje Perdu aanhangers op facebook langs en ontstond een levendige discussie over deze actie van Frits Bolkenstein:

Martijn Benders
Hij heeft gelijk omdat je, als je de criteria van een prijs niet serieus neemt, je deze prijs net zo goed af kunt schaffen. Dan gaat het niet meer om de ‘Ida Gerhardt’ prijs maar de prijs voor wie deze juryleden de beste bundel vonden. Het is dus een volstrekt egocentrisch type ‘postmodernisme’ wat we hier zien: de geest van de prijs wordt genegeerd, alles draait alleen om de ‘algemene consensus’ en om de ‘beste dichter’ of beter gezegd: de naam die het ‘beste ligt’ als symbolisch kapitaal bij de eigen achterban. Een volstrekte gotspe waar je inderdaad uit moet stappen als je de prijs serieus neemt.

Ricco van Nierop
is het niet een uitzondering dat deze prijs ‘in de geest van’ de naamgever wordt uitgereikt, de meeste lit-prijzen die vernoemd zijn naar een oude/overleden schrijver zijn toch (al) losgekoppeld van die naamgever?

Martijn Benders
Ja, maar dat is absoluut niet terecht. Een prijs dient te gaan om de geest waarin deze is opgericht, niet om het ego van de deelnemende juryleden die graag de politiek correcte keuze opdienen. Op deze manier gaan alle prijzen altijd over hetzelfde: wie ligt er het best binnen de groepsconsensus momenteel en de ‘intellectuele uitdaging’ bestaat eruit ‘het best te weten wie er het best ligt binnen die consensus’. Dat is een flauwe grap, meer niet.

Martijn Benders
De werkelijk relevante vraag is hier: wat had Vaessens in hemelsnaam in die jury te zoeken? Want het was Bolkestein die op de juiste plek zat, en juist Vaessens die daar volstrekt misplaatst zat.


Matthijs Ponte

“Beoordeling vindt plaats in de geest van het werk van Ida Gerhardt, waarbij inhoud en vorm met elkaar in balans zijn. ” geeft http://www.idagerhardtpoezieprijs.nl/website/index.php?docid=42 . Dus, nee, Martijn Benders heeft niet gelijk. De criteria van de prijs zijn nu eenmaal totaal opgerekt en ik zie niet in hoe de bundel van Schaffer niet binnen deze criteria zou vallen. Het is waar dat je die criteria op basis van het oeuvre van Gerhardt wellicht anders zou kunnen opstellen, en misschien is dat zelfs wenselijk, maar dit is de opdracht die ook Bolkestein heeft meegekregen.
Bolkestein’s probleem is een specifieke poetica, die Joost hier boven uitlicht, die zegt: proza is proza en poezie is poezie; Schaffer schrijft proza en geen poezie. Die poetica kun je (blijkbaar) nog immer aanhangen, maar vond kennelijk geen weerklank bij de rest van de jury. Tough luck, Frits. Het is geen premisse van het werk van Gerhardt en het is (dus) ook geen noodzakelijk uitgangspunt bij de toekenning van deze prijs.

Martijn Benders
“De criteria van de prijs zijn nu eenmaal totaal opgerekt en ik zie niet in hoe de bundel van Schaffer niet binnen deze criteria zou vallen.”

Dat is volstrekt niet de vraag die aan de orde is. Welke bundel dan ook kan immers altijd binnen welke criteria dan ook vallen – de vraag die aan de orde is is een hele andere: of een prijs moet worden uitgereikt naar de geest van de criteria en de persoonlijkheid van de prijs of dat het – zoals in dit geval – simpelweg een potje consensuskaarten van de jury is, waarmee alle literaire prijzen feitelijk hetzelfde gezicht krijgen. De geest van een prijs doet er niet meer toe, slechts de algemene smaak telt. Het spreekt ook niet in het voordeel van Schaffer dat hij een jaar eerder zelf in die jury zat, net als eerder al andere sjofele journalistieke coryfeen van de middelmaatsconsensus (Rob Schouten, Erik Menkveld) – mij een raadsel wat die met Ida Gerhardt te maken hebben of de geest van Ida Gerhardt. Noem het dan gewoon ‘De Literaire Prijs’….

Marcel
Het is eigenlijk zo dat al dat oprekken van de afgelopen jaren niet zo goed was. Het instellen van zulke prijzen zou een zekere diversiteit moeten bevorderen voor de verschillende vertegenwoordigers van de poëzie. Door de regels alsmaar op te rekken zodat de lievelingen van het huidige discours overal als winnaar binnenkomen werkt niet ter bevordering van de pluriformiteit.

Martijn Benders
Heel goed gezien, Marcel. Het is zelfs uitermate bespottelijk geworden op deze manier.

Joost Baars
Volgens mij is Schaffers poezie bij uitstek een poëzie waarin vorm en inhoud met elkaar in balans zijn. Ik denk dus ook niet dat de uitgangspunten van de prijs opgerekt zouden hoeven worden om hem die prijs te geven. Ik denk daarentegen dat dat wel zou moeten gebeuren om Hester Knibbe die prijs te geven. Knibbe heeft gewoon een vorm en kan daar om het even watvoor inhoud in kwijt. Dat is bij uitstek poëzie waarin de vorm helemaal niets met de inhoud te maken heeft.

Het is dus Bolkestein die de grenzen van de prijs wil oprekken. En het is ook Bolkestein die je derhalve postmoderniteit zou moeten verwijten, als je dat uitgekauwde verwijt al van stal zou willen halen.

Matthijs Ponte
Dat zei ik al. Maar daarmee heeft Bolkestein nog niet gelijk.
“Het is waar dat je die criteria op basis van het oeuvre van Gerhardt wellicht anders zou kunnen opstellen, en misschien is dat zelfs wenselijk, maar dit is de opdracht die ook Bolkestein heeft meegekregen. ”
Het probleem is echter ook niet zoals jij het stelt: ja, het is waar dat veel prijzen uitwisselbaar lijken, maar waarom zou specifiek de Ida Gerhardt Poezieprijs moeten gaan naar een andere dichter? Is het criterium van de organisatie echt zo absurd? Het is helemaal niet waar dat elke bundel binnen het criterium “Beoordeling vindt plaats in de geest van het werk van Ida Gerhardt, waarbij inhoud en vorm met elkaar in balans zijn. ” valt. Was het maar waar.

Martijn Benders
Leg mij nou eerst eens op een heldere manier uit waarom Vaessens een betere keuze is als jurylid voor deze prijs dan Bolkestein, want daar gaat de discussie uiteindelijk over. Wat heeft Vaessens precies met het ideeengoed en de persoonlijkheid van Ida Gerhardt te maken? Niets toch? Het is toch gewoon een standaardformule die hier wordt toegepast: 1 dichtertje, 1 politicus/liefhebber en 1 academicus, schudden en klaar. Dat de academicus totaal de tegenpool is van de persoon op wiens basis die prijs is opgericht is schijnbaar niets eens relevant. Wat je krijgt is halfgare fopintellectuelen die discussies gaan voeren over ‘wat er wel en niet binnen de criteria past’ alsof dat niet bij uitstek het domein van de retorica is.

Joost Baars
Nee, martijn, daar ging de discussie niet over. De discussie gaat over wat “balans tussen vorm en inhoud” betekent. Voor Bolkestein is dat hetzelfde als vormvastheid en klassieke verzen, omdat hij kennelijk vindt dat alleen klassieke verzen een balans tussen vorm en inhoud bezitten.

Degene overigens die valt onder jouw typering van “halfgare fopintellectuelen die discussies gaan voeren over ‘wat er wel en niet binnen de criteria past’ “, is precies Bolkestein. Hij zwengelt die discussie aan. Vaessens en Perquin (toch ook niet de meest postmoderne dichter out there) heb ik niet horen of zien beweren Knibbe niet in de criteria past.

Ik ken de poëzie van Schaffer, en als je nou een moderne Nederlandse dichter moet noemen bij wie vorm en inhoud “in balans” zijn, dan is het Schaffer wel. We hoeven het dus helemaal niet over die criteria te hebben – dat zit wel snor. Bolkestein houdt gewoon niet van moderne poëzie. Dat kan.

Zo’n jury kan dan twee dingen doen: een compromiswinnaar kiezen, of een meerderheidsbesluit nemen. Beide oplossingen maakt Bolkestein onmogelijk door er zo potsierlijk uit te stappen.

Martijn Benders
“Nee, martijn, daar ging de discussie niet over. De discussie gaat over wat “balans tussen vorm en inhoud” betekent.”

Kletskoek. Dat is een discussie die tot de retorica behoort, niet tot de filosofie. Je kunt namelijk om het even welke bundel tot om het even welke criteria binnen zwetsen: het gaat hier juist om de vraag wat ‘in de geest van Ida Gerhardt’ betekent. Wie meent dat Thomas Vaessens iemand is die in de geest van Ida Gerhardt werkt is gewoon niet goed bij zijn hoofd. Bolkestein was de juiste man op de juiste plek, Vaessens had daar absoluut niks te zoeken.

Martijn Benders
‘Balans tussen vorm en inhoud’, wat een abjecte onzin,de ultieme keutelpraat!

Matthijs Ponte

oh nee, als je het zo stelt, inderdaad: zo is het maar net. Het is goed dat het eens gezegd wordt.

Martijn Benders
Het is keutelpraat, net zoals ‘balans tussen links en rechts’ in de politiek keutelpraat is. Het is holle retoriek die volkomen subjectief is, nergens over gaat en de ultrapolitieke functie heeft de middelmatigheid overal en altijd te laten zegevieren.

Samuel Vriezen
“Kooi” van Schaffer is zonder meer een keihard vormvaste bundel, die bestaat uit een strak volgehouden afwisseling van proza… See moreïsche fragmenten van steeds precies twee pagina’s met sonnetten in een parlandometrum. De klank is inderdaad anders dan bij Ida Gerhardt, maar dat kan het probleem niet zijn; het lijkt me geen “Ida Gerhardt Impersonation”-prijs. Blijft de vraag over: wat is dan wel “in de geest van Ida Gerhardt”?

Ik zou nog steeds graag de exacte formulering van die prijs zien, trouwens. “Vorm en inhoud in balans” zegt mij ook vrij weinig, dan kun je net zo goed “goede poëzie” zeggen.

Martijn Benders
Ja, zoals ik al zei het is doodeenvoudig om van welke bundel dan ook te beredeneren dat ze ‘vormvast’ is – daarom gaat daar de discussie ook niet over.

Samuel Vriezen
Inderdaad kan je zelfs van het zwakste brouwsel nog wel met wat truuks een “vorm” beschrijven. Toch is de vorm van Kooi heel wat helderder dan van het merendeel van de bundels die verschijnen; het is ook de formeel meest heldere bundel van Schaffer zelf, met mogelijke uitzondering van Definities en Hallucinaties.

Maar goed, die “geest van Ida” dus. Wat is die dan? Bolkestein schijnt het te weten (het lijkt de Geest van Pim wel verdorie).

Maar, los van of Bolkesteins argument grond heeft: ik vind het op zijn minst wel goed dat zo’n politicus zijn jurylidmaatschap zo serieus neemt.

Martijn Benders
Wat niet wegneemt dat ik best vind dat schaffer in de traditie van gerhardt te plaatsen is – saaie, conservatieve en ultraveilige poezie met veilige voorbeelden die veilige prijsjes wint. Ik wil zelfs best toegeven dat wat mij betreft ook vaessens in die hoek past. Het is echter voor zulke conservatieve elementen van het grootste belang dat zij de autonome klassieker, hier gespeeld door bolkenstein, binnenshuis weten houden. Lukt dat niet dan krijg je een soort eurlings effect: er moet schijnbaar een familie gemaakt worden en dat moet als progressief de boeken in verdwijnen.

A party of suicides

Ja dit ziet er heel spannend uit. Een solo-tentoonstelling van Gavin Nolan (in Londen helaas). Hij schilderde bekende mensen die zelfmoord pleegde (Walter Benjamin, Joseph Goebbels, Ernest Hemingway, Adolf Hitler, Marilyn Monroe, Sylvia Plath, Socrates, Virginia Woolf). Jonathan Dronsfield schreef er een mooi essay over, waarvan hier een stuk:

According to one of the leading philosophers of art today, Alain Badiou, there are two conflicting and constitutive poles of contemporary art, two norms of what a subject is, two subjective paradigms at war with each other: the subject as its body, and the subject separate from its body. For the subject who identifies with its body the limit would be experimentation with death. In art this would be the body artist committing suicide in public. Nonetheless this paradigm is called enjoyment, because in the end experimentation with and identification with the body in life is enjoyment, in which death is part of life. But for the subject who refuses identity with its body the paradigm is sacrifice, because a refusal of the body in life is death. Here life is but part of death, where pleasure occurs in a world after this one, the same world where the suicide bomber projects himself. Today’s war on terror is the struggle between these two paradigms. If the choice is between enjoyment and sacrifice then no art is possible says Badiou. The artist today must neither identify with his own body nor separate himself from it. The artist must seek a way between two suicides. And perhaps what we have with these paintings, the game played in front of the eyes of these suicides, is an image of Badiou’s ‘third way’ between two suicides, an image of ‘immanent difference’, neither the immanence of identification with the body, nor the transcendence of its rejection. A game spilling from the mouth of the suicide or receding into it which opposes the choice between escape or emigration in favour of forms of living that what, open up play?

Bespreking van ‘Poetry and Cultural Studies: A Reader’

Poetry and Cultural Studies: A Reader reader Maria Damon and Ira Livingston (eds.), University of Illinois Press, Urbana, Chicago, 2009


-

‘I really cannot read another Cultural Studies analysis of Madonna or The Sopranos,’ zucht Stuart Hall, aangehaald in Michael Bérubé’s recente essay ‘What’s the Matter With Cultural Studies’ (in The Chronicle Review). Hierin uit Bérubé zijn teleurstelling over de ontwikkeling van Cultural Studies sinds het eind jaren ‘60 als discipline opkwam. Hij stelt dat het maar weinig verandering heeft teweeggebracht in het Amerikaans hoger onderwijs en dat het lijdt aan een neiging naar te veel monocausale analyses, die voor de zelfde reden zowel aantrekkelijk als problematisch zijn, namelijk, dat ze de complexe realiteit van hoe de wereld werkt simplificeren (bijvoorbeeld complexe sociale/politieke problemen weg analyseren als simpelweg resultaten van het neoliberalisme). Een ander probleem dat Bérubé noemt is dat Cultural Studies door een gebrek aan een duidelijk methodologie zich vaak heeft ontwikkeld tot een ‘studie van pop cultuur’, of een generische ‘culturele kritiek’. Wat onduidelijk blijft in zijn essay is wat voor een rol hij Cultural Studies wel ziet spelen.

De nieuwe verzameling essays Poetry and Cultural Studies (samengesteld door Maria Damon en Ira Livingston) is in elk geval een voorbeeld van hoe het ook goed kan gaan. Het is vooral goed geschikt voor studenten, maar zeker ook interessant om zelf te lezen. Er zijn wel een paar kleine dingen die irriteren aan het boek, maar over het algemeen zit het goed in elkaar. De verschillende hoofdstukken zijn: Precursors, Ethnography, Mass Culture/Cultural Politics, National (De)formation, Subject (De)formations, Reinventing Tradition.

In het eerste deel zijn redelijk wat invloedrijke teksten opgenomen die aan de voorgeschiedenis van Cultural Studies staan. Bijvoorbeeld W. DuBois’, ‘Of the Sorrow Songs’, and Henry Gates’ ‘The Signifying Monkey’. Maar er zijn ook veel teksten opgenomen van een grote verscheidenheid aan schrijvers, waaronder Rachel BlauDuPlessis (over de constructie van ‘modern male whiteness’), en Barrett Watten (over Gertrude Stein, Fordism en de historisch ingebedde ‘constructivistische momenten’ van radicale poëtica’s). Tegelijkertijd is er een wijde geografische focus, met teksten over poëzie van India en China tot Frankrijk (alhoewel het onduidelijk blijft waarom juist die landen zijn gekozen). Tenslotte zijn er ook essays over populaire of gemarginaliseerde kunst; bijvoorbeeld teksten het stuk geschreven door Maria Damon over de poëzie van drie vrouwen in achterstandswijken (‘niet geschikt voor wetenschappelijke analyse’), of de essay van Robin Kelley over ‘Gangsta Rap and Postindustrial Los Angeles’.

Het is wel een beetje anachronistisch om de eerste afdeling ‘Precursors’ (‘Voorgangers’) te noemen. Kan Deleuze/Guattari’s ‘What is a Minor Literature’, gepubliceerd in 1975, echt een voorganger worden genoemd, of eerder een zijdelingse invloed? Nog aparter is de toevoeging van Wordsworth’s ‘Preface to Lyrical Ballads’ dat de andere teksten met meer dan honderd jaar voorgaat. Het was misschien een idee geweest om die ruimte in te ruilen voor recentere teksten die ook relevanter zijn voor Cultural Studies.

Ook jammer is dat alle essays al eens ergens zijn gepubliceerd en bovendien dat veel ervan ook nog eens flink zijn ingekort. Ze zijn ‘substantially (and sometimes ruthlessly) condensed’ en wat me verbaasde: ‘smaller omissions and related editing have been done silently’(16). Op sommige pagina’s zijn er zo veel ellipsen dat het gewoon ergert met lezen. Soms is het ook pijnlijk om van een mooie tekst de stijl en nuance te zien worden ingeruild ten behoeve aan bondigheid – bijvoorbeeld in het geval van Walter Benjamin’s mooie essay over Baudelaire (die voor meer dan de helft is ingekort).

* * *

De combinatie die in dit boek wordt gemaakt tussen poëzie en Cultural Studies is minder voor de hand liggend dan men misschien zou vermoeden. Cultural Studies is destijds immers onder andere juist bedacht als een protest tegen elitaire kunstvormen zoals bijvoorbeeld poëzie. New Criticism, de literatuurwetenschappelijke stroming van de jaren 50/60 – met een sterke nadruk de ‘kwaliteit’ en integriteit van een gedicht – hielp weinig om poëzie een minder elitair aanzien te geven. Maar tegelijkertijd begon poëzie in de jaren 60/70 ook een toenemende rol te spelen in de tegencultuur, terwijl het aan de andere kant ook ontdekt begon te worden door zowel massacultuur (Slams, open poezie lezingen), als ook het kapitalisme (de poëzie van reclameborden en slogans). Daarom, stellen Damon/Livingston, is het sinds enige tijd goed mogelijk om poëzie te bekijken vanuit een Cultural Studies perspectief. Dus POEZIE, al staat het zo groot gedrukt op de kaft van het boek, refereert natuurlijk in feite aan Poëzies, meervoud. ‘We must multiply poetic subjects and objects’ (Guy Debord, motto van de Inleiding).

Dit boek is zowel beschrijvend als kritisch. De inleiding bespreekt verschillende manieren waarop er is nagedacht over (wel of niet bestaande) afstand tussen het alledaagse en het poëtische. Dit wordt gevolgd door een korte bespreking van hoe het nummer ‘Brimful of Asha’ van de Brits- Indiase band Cornershop aanzet tot verschillende interculturele, interdisciplinaire interpretaties, maar tegelijkertijd niet gemakkelijk in een puur theoretisch kader past. Er blijven ook, ‘questions opened by the song…as if the rhythm asked our bodies… We live our answers; we keep the question open however we can, or move toward various closures, in the way our brains and bodies are wired and rewired to themselves and others.’

Ik vind dit een mooie benadering, omdat het ruimte laat voor een openstaan tot het lied dat niet puur theoretisch is, maar ook direct fysiek en/of intuïtief. Het is een houding die wel meer terug te vinden is in Poetry and Cultural Studies, en het geeft het boek een goed balans van theorie met tegelijkertijd de ruimte voor enig experiment. Aan de ene kant zijn er bijvoorbeeld klassieke teksten opgenomen, terwijl de bijdrage van Maria Damon zelf een persoonlijk verslag is over de poëzie van drie laagopgeleide vrouwelijke studenten van een basis cursus Engels. Maria Damon bespreekt hier dus een niet-academische poëzie, en verkent daarmee tegelijkertijd de grenzen van wat het betekent om wetenschappelijk te schrijven. En andersom plaatst ze de gedichten en de betreffende sociale context in een nieuw licht door ze serieus te nemen als objecten waardig van analyse.

Deze vraag aangaande de rol en functie van wetenschappelijke analyse wordt op een vergelijkbare manier uitgediept in het essay van Charles Bernstein. Hij zet zijn herkenbare kritische humor in om vraagtekens te plaatsen bij een dogmatisch wetenschappelijk manier van denken, terwijl hij zijn kritiek tegelijkertijd ook toepast en speelt met het academische formaat waarin hij schrijft. ‘A critic lovely as a poem’, citeert hij Dorothy Parker. Een passende regel want Bernstein pleit voor en gebruikt zelf ook poëtische taal – een stijl van openheid, bewegelijkheid, affect, humor. En hij ageert tegen een academische didactische toon, elitisme, normatief vooropgezette noties van poëzie, gesloten analyses die gebruik maken van een onveranderlijke methode, en een vastomlijnd  literair Canon. De inhoud van Bernstein’s essay wordt ondersteund door de vorm en stijl. Met andere woorden, hij houdt vast aan de basis vorm van een wetenschappelijk paper, om die tegelijkertijd ook op een niet-wetenschappelijke manier te ondermijnen. Bijvoorbeeld, in plaats een conventionele structuur bestaat deze essay uit vele korte, humoristische, soms aforistische stukken, en zelfs een gedicht, die de lezer uitdagen en stimuleren om zelf actief na te denken en te reageren.

Bernstein’s humor is niet zonder functie want de humor zelf poneert een argument door bijvoorbeeld de potentiële kracht te illustreren van de humor, de jouissance, die toch al in taal aanwezig is. Bernstein erkent het belang van wetenschappelijk onderzoek, maar vind dat er geen reden is om dit onderzoek met een chagrijnige smoel te doen. ‘While I respect the authority of scholarship, I reject the authoritativeness of any prescribed set of books, methods, experts, standards.’ (362)

Het is suf om betweterig vast te stellen hoe het anders kan, zonder zelf ook deze andere benadering toe te passen, iets wat Bernstein duidelijk vermijdt. De titel van zijn essay – ‘a blow is like an instrument’ – is hier een goed voorbeeld van; het is een intrigerende titel die de lezer meteen uitdaagt om een actieve houding aan te nemen. Halverwege het stuk wordt het duidelijk dat dit een citaat is van een Jazz muzikant die het blazen op een windinstrument vergelijkt met het spelen op andere instrumenten. Het blazen zelf is als een instrument in die zin dat het een eigen kracht is dat door een instrument heen gaat. Op die manier is de stijl van Bernstein en de vorm van kritiek waar hij voor pleit, ook een krachtige wind, een soort affectieve, gestileerde wind die door de tekst heen blaast (in plaats van een puur logisch argument die de tekst met geweld staande houdt).

I open the door and it shuts after me. That is, the more I venture out into the open, the more I find it is behind me and I am moving not toward some uninhabited space but deeper into a maelstrom of criss-crossing inscriptions. The open is a vanishing point – the closer I get to it, the greater the distance from which it beckons. And I begin the journey again. (372)

Dit boek, Poetry and Cultural Studies, is een goeie plek – alhoewel, vooral handig voor studenten – om zo een reis telkens opnieuw te beginnen. Trouwens, een podcast van de presentatie van het boek – met lezingen van Bernstein, Pierre Joris, and Tracie Morris – is te vinden op de PENN Sound website.

Commentaar

De nieuwe Benders



'Wôld, Wôld, Wôld!' heet de derde dichtbundel van Martijn Benders. Een lijvige dichtbundel met 222 pagina's. De bundel heeft een aantal verassingen voor u in petto en kwam uit in drie versies.

Koop de bundel nu!



'Wat koop ik voor jouw donkerwilde machten, Willem' heet de tweede dichtbundel van Martijn Benders.

Koop de bundel nu!