Bespreking van ‘Poetry and Cultural Studies: A Reader’
Poetry and Cultural Studies: A Reader reader Maria Damon and Ira Livingston (eds.), University of Illinois Press, Urbana, Chicago, 2009
-
‘I really cannot read another Cultural Studies analysis of Madonna or The Sopranos,’ zucht Stuart Hall, aangehaald in Michael Bérubé’s recente essay ‘What’s the Matter With Cultural Studies’ (in The Chronicle Review). Hierin uit Bérubé zijn teleurstelling over de ontwikkeling van Cultural Studies sinds het eind jaren ‘60 als discipline opkwam. Hij stelt dat het maar weinig verandering heeft teweeggebracht in het Amerikaans hoger onderwijs en dat het lijdt aan een neiging naar te veel monocausale analyses, die voor de zelfde reden zowel aantrekkelijk als problematisch zijn, namelijk, dat ze de complexe realiteit van hoe de wereld werkt simplificeren (bijvoorbeeld complexe sociale/politieke problemen weg analyseren als simpelweg resultaten van het neoliberalisme). Een ander probleem dat Bérubé noemt is dat Cultural Studies door een gebrek aan een duidelijk methodologie zich vaak heeft ontwikkeld tot een ‘studie van pop cultuur’, of een generische ‘culturele kritiek’. Wat onduidelijk blijft in zijn essay is wat voor een rol hij Cultural Studies wel ziet spelen.
De nieuwe verzameling essays Poetry and Cultural Studies (samengesteld door Maria Damon en Ira Livingston) is in elk geval een voorbeeld van hoe het ook goed kan gaan. Het is vooral goed geschikt voor studenten, maar zeker ook interessant om zelf te lezen. Er zijn wel een paar kleine dingen die irriteren aan het boek, maar over het algemeen zit het goed in elkaar. De verschillende hoofdstukken zijn: Precursors, Ethnography, Mass Culture/Cultural Politics, National (De)formation, Subject (De)formations, Reinventing Tradition.
In het eerste deel zijn redelijk wat invloedrijke teksten opgenomen die aan de voorgeschiedenis van Cultural Studies staan. Bijvoorbeeld W. DuBois’, ‘Of the Sorrow Songs’, and Henry Gates’ ‘The Signifying Monkey’. Maar er zijn ook veel teksten opgenomen van een grote verscheidenheid aan schrijvers, waaronder Rachel BlauDuPlessis (over de constructie van ‘modern male whiteness’), en Barrett Watten (over Gertrude Stein, Fordism en de historisch ingebedde ‘constructivistische momenten’ van radicale poëtica’s). Tegelijkertijd is er een wijde geografische focus, met teksten over poëzie van India en China tot Frankrijk (alhoewel het onduidelijk blijft waarom juist die landen zijn gekozen). Tenslotte zijn er ook essays over populaire of gemarginaliseerde kunst; bijvoorbeeld teksten het stuk geschreven door Maria Damon over de poëzie van drie vrouwen in achterstandswijken (‘niet geschikt voor wetenschappelijke analyse’), of de essay van Robin Kelley over ‘Gangsta Rap and Postindustrial Los Angeles’.
Het is wel een beetje anachronistisch om de eerste afdeling ‘Precursors’ (‘Voorgangers’) te noemen. Kan Deleuze/Guattari’s ‘What is a Minor Literature’, gepubliceerd in 1975, echt een voorganger worden genoemd, of eerder een zijdelingse invloed? Nog aparter is de toevoeging van Wordsworth’s ‘Preface to Lyrical Ballads’ dat de andere teksten met meer dan honderd jaar voorgaat. Het was misschien een idee geweest om die ruimte in te ruilen voor recentere teksten die ook relevanter zijn voor Cultural Studies.
Ook jammer is dat alle essays al eens ergens zijn gepubliceerd en bovendien dat veel ervan ook nog eens flink zijn ingekort. Ze zijn ‘substantially (and sometimes ruthlessly) condensed’ en wat me verbaasde: ‘smaller omissions and related editing have been done silently’(16). Op sommige pagina’s zijn er zo veel ellipsen dat het gewoon ergert met lezen. Soms is het ook pijnlijk om van een mooie tekst de stijl en nuance te zien worden ingeruild ten behoeve aan bondigheid – bijvoorbeeld in het geval van Walter Benjamin’s mooie essay over Baudelaire (die voor meer dan de helft is ingekort).
* * *
De combinatie die in dit boek wordt gemaakt tussen poëzie en Cultural Studies is minder voor de hand liggend dan men misschien zou vermoeden. Cultural Studies is destijds immers onder andere juist bedacht als een protest tegen elitaire kunstvormen zoals bijvoorbeeld poëzie. New Criticism, de literatuurwetenschappelijke stroming van de jaren 50/60 – met een sterke nadruk de ‘kwaliteit’ en integriteit van een gedicht – hielp weinig om poëzie een minder elitair aanzien te geven. Maar tegelijkertijd begon poëzie in de jaren 60/70 ook een toenemende rol te spelen in de tegencultuur, terwijl het aan de andere kant ook ontdekt begon te worden door zowel massacultuur (Slams, open poezie lezingen), als ook het kapitalisme (de poëzie van reclameborden en slogans). Daarom, stellen Damon/Livingston, is het sinds enige tijd goed mogelijk om poëzie te bekijken vanuit een Cultural Studies perspectief. Dus POEZIE, al staat het zo groot gedrukt op de kaft van het boek, refereert natuurlijk in feite aan Poëzies, meervoud. ‘We must multiply poetic subjects and objects’ (Guy Debord, motto van de Inleiding).
Dit boek is zowel beschrijvend als kritisch. De inleiding bespreekt verschillende manieren waarop er is nagedacht over (wel of niet bestaande) afstand tussen het alledaagse en het poëtische. Dit wordt gevolgd door een korte bespreking van hoe het nummer ‘Brimful of Asha’ van de Brits- Indiase band Cornershop aanzet tot verschillende interculturele, interdisciplinaire interpretaties, maar tegelijkertijd niet gemakkelijk in een puur theoretisch kader past. Er blijven ook, ‘questions opened by the song…as if the rhythm asked our bodies… We live our answers; we keep the question open however we can, or move toward various closures, in the way our brains and bodies are wired and rewired to themselves and others.’
Ik vind dit een mooie benadering, omdat het ruimte laat voor een openstaan tot het lied dat niet puur theoretisch is, maar ook direct fysiek en/of intuïtief. Het is een houding die wel meer terug te vinden is in Poetry and Cultural Studies, en het geeft het boek een goed balans van theorie met tegelijkertijd de ruimte voor enig experiment. Aan de ene kant zijn er bijvoorbeeld klassieke teksten opgenomen, terwijl de bijdrage van Maria Damon zelf een persoonlijk verslag is over de poëzie van drie laagopgeleide vrouwelijke studenten van een basis cursus Engels. Maria Damon bespreekt hier dus een niet-academische poëzie, en verkent daarmee tegelijkertijd de grenzen van wat het betekent om wetenschappelijk te schrijven. En andersom plaatst ze de gedichten en de betreffende sociale context in een nieuw licht door ze serieus te nemen als objecten waardig van analyse.
Deze vraag aangaande de rol en functie van wetenschappelijke analyse wordt op een vergelijkbare manier uitgediept in het essay van Charles Bernstein. Hij zet zijn herkenbare kritische humor in om vraagtekens te plaatsen bij een dogmatisch wetenschappelijk manier van denken, terwijl hij zijn kritiek tegelijkertijd ook toepast en speelt met het academische formaat waarin hij schrijft. ‘A critic lovely as a poem’, citeert hij Dorothy Parker. Een passende regel want Bernstein pleit voor en gebruikt zelf ook poëtische taal – een stijl van openheid, bewegelijkheid, affect, humor. En hij ageert tegen een academische didactische toon, elitisme, normatief vooropgezette noties van poëzie, gesloten analyses die gebruik maken van een onveranderlijke methode, en een vastomlijnd literair Canon. De inhoud van Bernstein’s essay wordt ondersteund door de vorm en stijl. Met andere woorden, hij houdt vast aan de basis vorm van een wetenschappelijk paper, om die tegelijkertijd ook op een niet-wetenschappelijke manier te ondermijnen. Bijvoorbeeld, in plaats een conventionele structuur bestaat deze essay uit vele korte, humoristische, soms aforistische stukken, en zelfs een gedicht, die de lezer uitdagen en stimuleren om zelf actief na te denken en te reageren.
Bernstein’s humor is niet zonder functie want de humor zelf poneert een argument door bijvoorbeeld de potentiële kracht te illustreren van de humor, de jouissance, die toch al in taal aanwezig is. Bernstein erkent het belang van wetenschappelijk onderzoek, maar vind dat er geen reden is om dit onderzoek met een chagrijnige smoel te doen. ‘While I respect the authority of scholarship, I reject the authoritativeness of any prescribed set of books, methods, experts, standards.’ (362)
Het is suf om betweterig vast te stellen hoe het anders kan, zonder zelf ook deze andere benadering toe te passen, iets wat Bernstein duidelijk vermijdt. De titel van zijn essay – ‘a blow is like an instrument’ – is hier een goed voorbeeld van; het is een intrigerende titel die de lezer meteen uitdaagt om een actieve houding aan te nemen. Halverwege het stuk wordt het duidelijk dat dit een citaat is van een Jazz muzikant die het blazen op een windinstrument vergelijkt met het spelen op andere instrumenten. Het blazen zelf is als een instrument in die zin dat het een eigen kracht is dat door een instrument heen gaat. Op die manier is de stijl van Bernstein en de vorm van kritiek waar hij voor pleit, ook een krachtige wind, een soort affectieve, gestileerde wind die door de tekst heen blaast (in plaats van een puur logisch argument die de tekst met geweld staande houdt).
I open the door and it shuts after me. That is, the more I venture out into the open, the more I find it is behind me and I am moving not toward some uninhabited space but deeper into a maelstrom of criss-crossing inscriptions. The open is a vanishing point – the closer I get to it, the greater the distance from which it beckons. And I begin the journey again. (372)
Dit boek, Poetry and Cultural Studies, is een goeie plek – alhoewel, vooral handig voor studenten – om zo een reis telkens opnieuw te beginnen. Trouwens, een podcast van de presentatie van het boek – met lezingen van Bernstein, Pierre Joris, and Tracie Morris – is te vinden op de PENN Sound website.

Commentaar