Interview met Benders – deel 8 – If hollywood don’t need you
Hey Benders, vanwaar de beslissing om zelf een uitgeverij te beginnen en niet bij een bestaande uitgeverij verder te gaan?
Mensen die mij kennen weten dat ik nooit erg gecharmeerd was van de bestaande orde. Ik heb altijd consistent beweerd dat ze naar mijn mening erg veel rommel publiceren. Ik zag er lange tijd helemaal geen brood in en heb toen Jaeggi me specifiek vroeg gedacht, nou ja, het valt te proberen. Mijn ervaringen met dat wereldje zijn niet positief. Dat begon al bij de eerste ontmoeting op de uitgeverij. Ik kreeg te horen dat over politiek schrijven niet Bon Ton was en ik kreeg meteen daarna een speech tegen conceptuele kunst voor de kiezen. Ik had echt iets van ‘wat doe ik hier eigenlijk’. Mijn afkeer ook wel duidelijk laten blijken, want men heeft zich daar ook totaal niet inhoudelijk meer met het boek bemoeid.
Die bundel kreeg toen een hele positieve ontvangst. Maar ik merkte dat men heel verbaasd was dat ik mijn ‘houding’ niet wijzigde nadat de ‘orde’ mij had geusurpeerd. In Nederland is dat een goede traditie: je hangt een aantal jaren ‘de rebel’ uit, tot de orde je erkenning geeft en dan zwijg je tot je dood bent of speelt nog een beetje de foprebel voor mensen die niet beter weten.
Ik bleef me gewoon precies hetzelfde gedragen als voorheen: dingen bij hun naam noemen, naar niemands pijpen dansen. En ik kreeg hele rare dingen voor mijn kiezen. Zo kreeg ik van Erik Lindner te horen via email dat hij nooit meer een bundel van me zou gaan recenseren, omdat ik me niet had gedragen zoals zijn ideaalbeeld het hem in de oren fluisterde.
Daarna kreeg ik, toen ik genomineerd werd voor de Buddingh, van een hogelijk verbaasde redacteur aan de lijn te horen ‘Nou, het is je dus toch nog gelukt genomineerd te worden’ iets wat hem dus hogelijk verbaasde, om mij onduidelijke redenen.
Alweer een hint dat het dus vooral ‘gedrag’ is dat je op bepaalde lijstjes doet belanden, en niet de kwaliteit van je werk.
Ik hou daar niet van. Ik vind dat een gecorrumpeerde consensus. Als je in die positie zit kun je twee dingen doen:
1. De rest van je leven je mond houden en de Gadaffies hun gang laten gaan
2. Iets doen waardoor je trots op jezelf kunt zijn.
Ik kies voor optie twee. Daar zou ik altijd voor kiezen. Ik probeer mijn hele leven al dingen te doen die me trots kunnen maken op mezelf. Mijn helden zijn altijd mensen als Steve Albini geweest en Lee Perry, mensen die zich niets aantrokken van de gevestigde orde en compleet hun eigen gang gingen. Zo wil ik ook zijn. Ik wil ook niet in een hierarchie functioneren die niet mijn hierarchie is.
Schort er dan geen kwaliteitscontrole als je alles zelf gaat doen?
Ze schijnen echt nog te bestaan, mensen die menen dat je goede muziek bij een platenmaatschappij moet zoeken, of mensen die menen dat je goede films het beste in Hollywood bij een grote filmstudio kan gaan zoeken.
Gelukkig zijn echter de meeste mensen wat volwassener in hun wereldbeeld, behalve in de literaire wereld. Daar heeft zich een bosje kneuzen verzameld die meent dat dit soort bespottelijke borstklopperij op iemand nog indruk maakt, of dat ze hun collega’s er op een of andere wijze een deugd mee bewijzen – god mag weten waarom ze dat denken. Ik snap die mensen echt totaal niet. Ze lijken mij totaal de intelligentie te ontberen om de bespottelijkheid van hun eigen standpunten in te zien.
Er is geen ‘kwaliteitscontrole’ bij een uitgever, anders dan een controle op spelling en grammatica. Daar vind ik wel een gepensioneerde leraar voor. Voor de rest hebben al die uitgevers echt de ballen verstand van poezie. Dat meen ik serieus. Ze bestaan uit mensen die het – heel soms – wel goed menen, maar alleen een goed dichter heeft verstand van poezie. Die zijn er maar een paar. En die draaien niet een uitgever. Lulkoek, dus, dat kwaliteitsargument.
Hoe staat het er momenteel voor met de projecten?
Ik ben nu vooral gefocussed op ‘Wat koop ik voor je donkerwilde machten, Willem’. Mij is er alles aan gelegen dat dat een beter boek wordt dan Karavanserai. De echte magie bij het schrijven zit naar mijn mening niet in het creatieproces maar in het revisieproces. Mijn werkwijze is bijna altijd dezelfde: ik maak een gigantische hoop schetsen, meet mijzelf dan 2 adelaarsogen aan, en ga dan pas de echte gedichten smeden.
Dat is wel een raar proces, omdat je ook dingen wilt delen. Ik deel die schetsen vaak met anderen, terwijl het helemaal geen goede gedichten zijn, maar je leert er wel van voor wat voor teksten mensen vallen en welke niet. Ik probeer dat ‘delen’ nu af te leren. Van de 120 schetsen die ik had zijn er misschien 2 die nog enigszins op het origineel lijken. Mijn revisies zijn altijd heel rigoreus. Dat krijg je met adelaarsogen. En die moet je echt hebben om alle pseudo eruit te kunnen werken.
Ik heb er nu al genoeg vertrouwen in dat ik kan zeggen dat het gaat lukken, die bundel wordt een betere bundel dan Karavanserai. Dat was een aardige bundel, maar ik was er minder tevreden over dan de meeste mensen leken. Ik zag er veel teveel onvolkomenheden aan – de ‘Willem’ bundel wordt naar mijn inschatting ruwer, experimenteler, zuiverder op de graat, echter, kortom: beter. En als dat lukt ben ik tevreden. En dan ga ik verder met de andere projecten.
Nostalgie, door Helena de Clercq
Ik was ontroerd toen ik vanavond dit aan mij opgedragen gedicht op het internet aantrof, geschreven door de Gentse dichteres Helena de Clerq:
nostalgie
…voor Martijn Benders…
je zei
dat ik witte sokjes aantrok
-zacht klinkt dat-
met roze pomponnetjes eraan
-vieux rose vermoed ik-
zo dichtte ik staand
daar waar we nog samen waren
in de heer die poëzie is
de sokjes, benders,
zijn versleten
met de pomponnetjes
-in boorwater gedrenkt-
dep ik mijn ogen
eli eli lama sabachtani
Helena De Clercq
Dank Helena, het is een triest eindigend gedicht maar een heel mooi beeld en initiatief.
Meer gedichten van Helena zijn te lezen op haar website
Ilja Pfeijffer heeft het weer moeilijk met zijn succes
De schrijver die naar eigen zeggen een paar maanden per jaar van zijn schrijverschap kan leven laat ons even weten hoe hij dat toch bereikt heeft, dat grote succes, en hoe ongelofelijk moeilijk dat was, hij moest er stukjes voor naar tijdschriften sturen.
http://www.nrcboeken.nl/column/niemand-heeft-ooit-beweerd-dat-het-makkelijk-zou-zijn
Ik vind het toch wel uitermate prettig dat Ilja ons geregeld laat weten dat het heel, heel moeilijk is om bij 1 van de 20 uitgevers in Nederland die gezamenlijk zo’n 20000 boeken per jaar uitgeven aan de bak te komen. Ook schijnt het een hele klus te zijn om in een van de 25 literaire tijdschriften die gezamenlijk duizenden paginas per jaar publiceren als 1 van de 100 nederlandse dichters een gedicht geplaatst te krijgen, je moet er naar verluidt driftig postzegels voor plakken. Niemand had beweert dat het makkelijk zou worden.
‘Een echt boek, echt uitgeven bij een echte uitgeverij.’ zo lezen we. Het komt weliswaar een beetje krampachtig over, maar ik kan me daarbij wel iets inbeelden, bij die obsessie met ‘echte boeken’ die bij ‘echte uitgevers’ verschijnen, vooral als je ziet wat voor een zeer matige kwaliteit drukwerk (hebben ze Birma al op de kaart gevonden, onze echte uitgevers?) die echte uitgevers aan echte lezers met echte boekenkasten afleveren.
Beeld u zich eens in dat er een muziekband, bijvoorbeeld U2, regelmatig in een serieus muziekblad, zeg een Oor, via stukjes laat weten dat je ‘er pas echt bijhoort’ als je als band bij een grote platenmaatschappij zit. Wat zou u van zo’n man vinden? Een man die verschil maakt tussen ‘echte muziek’, dat is voor hem muziek die bij een grote platenmaatschappij wordt uitgegeven, en een onbenoemde substantie die we voor het gemak ‘nepmuziek’ zullen noemen, de rest. Zou u zo’n man een column in een serieus muziekblad geven? Een retorische vraag, natuurlijk. Nederland heeft het hoogste ‘peter-principe’ gehalte ter wereld.
Scheikunde tot in je tenen
Zoals Willem Thies op Facebook terecht opmerkte: je hebt altijd scheikunde tot in je tenen, dus het gedicht van Barnard klopt van kop tot teen voor geen meter. Dat de broodmagere kankerpatient daarnaast ook nog eens een behoorlijk cliche als beeld is komt daar nog bovenop. En daar komt nog bovenop dat het nogal makkelijk scoren is, met dit soort zielige beelden. Enfin, u begrijpt het al: wij van Loewak vinden dit gedicht helemaal niks. Het is daarom toch wat wrang dat Barnard het tot zijn beste werk rekent.
Gratis recensie exemplaar nieuwe bundel
Uitgeverij Loewak geeft 5 gratis recensie exemplaren weg van de bundel ‘Wat koop ik voor je donkerwilde machten, Willem’ aan mensen die op een weblog, in een krantenrubriek, een tijdschrift of andersoortig medium een stuk over de bundel willen schrijven.
‘Wat koop ik voor jouw donkerwilde machten, Willem’ is de tweede dichtbundel van de in Istanbul wonende dichter Martijn Benders. Zijn eerste bundel ‘Karavanserai’ werd zeer positief ontvangen en onder andere genomineerd voor de Buddingh prijs.
Foto’s design nieuwe dichtbundel
Enkele 3D fotos van mijn nieuwe dichtbundel.


Commentaar