De principes van Arjen Fortuin
Arjen Fortuin vent deze week in het NRC 10 nogal ondoordachte en bleke ‘principes’ waaraan een criticus zou moeten voldoen. Hij schrijft onder andere:
“Met de schrijvers die u recenseert laat u zich niet in, u mijdt hun feestjes en betreedt bepaalde cafés niet.”
Ik kan me toch echt duidelijk herinneren dat Arjen Fortuin, toen Naima El Bezaz nog mijn fb vriend was, regelmatig kwam melden dat hij haar aan de telefoon wou troosten. Was dat na deze recensie:
Recensie Arjen Fortuin van Bezaz
en gaat hij voorts nooit meer recensies over haar werk schrijven, of zijn zijn 10 critici principes grote lulkoek?
Of nee, nog leuker, het was natuurlijk ‘ironisch bedoeld’.
Net als punt 1. Gij zult onderscheiden wat kunst is en wat niet.
Dat is uiteraard helemaal niet de taak van een criticus. Een medewerker van het Fonds der Letteren, een ‘is dit kunst genoeg voor subsidie’ ambtenaar, die gaat daarover. Een criticus zal het worst wezen of iets ‘poezie’ is of niet, omdat OF iets poezie is afhankelijk is van de aangehangen poetica, en als je daaraan conformeert ben je al geen criticus meer, maar iemand die een bepaalde poëziestroming wil promoten.
Maar goed, tegen wie vertel ik dit. Tegen Arjen Fortuin. Zou er echt iemand bestaan die Fortuin een goed criticus vindt? Wordt het niet eens tijd dat we de critici zelf eens uitgebreid gaan bekritiseren? Ik zie eerlijk gezegd veel meer mensen buiten de kranten met talent voor kritiek dan erbinnen. Is dat niet een beetje, ja daar gaan we weer, de omgekeerde wereld?
Er moet een keurmerk voor critici komen. Dat ga ik opzetten middels het Fonds der Kritiek.
‘Wij zijn op weg, het gaat goed met Nederland’
Een nieuwe trend in de (zogenaamd) linkse media lijkt het een spreekbuis te geven aan ‘gewone jongens’ die rechts populistische standpunten verkopen. Zo zagen we deze week op Joop.nl de conservatieve hoogleraar ‘Openbare Financien’ Harrie Verbon met een totaal leeghoofdig stuk met alleen een negatie als kernargument (‘het is gewoon allemaal niet waar’) – dat stuk valt hier te lezen
Nog bonter maakt de Volkskrant het, die een podium geeft aan Haye van der Heyden, een stereotiep leeghoofd dat een postmodern samenraapsel heeft van opvattingen die totaal niet met elkaar rijmen.
Haye van der Heydens artikel is hier te lezen.
Hij heeft een positieve en revolutionaire aard. Hij stemt op Wilders, want die wordt gediscrimineerd, hij wil de doodstraf uitdelen en schopt zijn zoontje zo hard dat zijn teen brak, maar pijn deed dat zijn zoontje niet.
Een boeiend verhaal. Ik vermoed dat zijn revolutionaire aard precies in dat vermogen zit zijn teen te breken met schoppen zonder de kindertjes ook pijn te doen.
Zoals Zizek laatst in de Guardian betoogde is juist dat typisch aan Breivik: ook Breivik had een aantal willekeurige opvattingen/ideologien aan elkaar gekoppeld, vermengd met de nodige anti-immigranten retoriek. Breivik was pro-homo, maar anti vrouwenrechten, atheist maar pro christelijk, etc etc. Een allegaartje van opvattingen, heel postmodern, zonder enige basisideologie behalve die van ‘het eminente gevaar’ dat onze samenleving bedreigt in vorm van de islam.
Heyden lijkt in die zin op Breivik. Hij stemt op een antidemocratische partij, maar is een liberaal. Kinderverkrachters moeten dood, maar geweld tegen kinderen heeft ie niet zo’n probleem mee.
Bijna al zijn standpunten zijn – hoe radicaal hij zelf ook denkt te zijn (‘revolutionaire aard’) bijna gemeengoed in het slaperige wereldje van de postmoderne, roerloze mens. Die mens is schijnbaar niet meer in staat zijn opvattingen te duiden – hij heeft ‘meningen’ maar hij heeft geen enkele feitelijke onderbouwing voor die mening, weet niet waar die vandaan komt, hij bauwt feitelijk maar wat na wat hij uit de media overneemt.
Daar zit natuurlijk de werkelijke angel. Waarom krijgt deze oninteressante man een podium? Wat wil de Volkskrant daarmee bewijzen? Datzelfde gaat op voor Joop.nl – waarom deze tergend saaie hoogleraar aan het woord laten, die niets te melden heeft dat niet al eerder is gezegd? Typisch vind ik dat de reacties onder het artikel veel intelligenter zijn dan het artikel zelf. Dat is de omgekeerde wereld. De taak van een krant lijkt me juist om columnisten te vinden die 1. Iets unieks te melden hebben 2. Niet intellectueel onderdoen voor de mensen die het lezen.
Wie de reacties op Heyden leest leert iets over typische wereld van ‘tevreden technocratisch gematigd links’.
Het is geen aangenaam gezicht. Dat in een tijd als deze de slaapkoppen en de roze brillen in zulke getalen van zich doen laten spreken – eerlijk gezegd zie ik persoonlijk geen enkel verschil tussen de aanhang die zich op de Volkskrant manifesteert of de aanhang van de PVV. Ook hier weer dat postmodern mengelmoesje: niets heeft een eigen gezicht meer, alle kranten zijn met elkaar inwisselbaar, en de minder dan middelmatige intelligenties worden op de zeepkist gezet – ik vraag me af of die strategie (want dat is het, een strategie) gebaseerd is op het feit dat mensen primair nog lezen om zich superieur te kunnen wanen aan het gelezene. Dat zou me, de menselijke natuur kennende, weinig verbazen.
Recensie ‘Willem’ in het Eindhovens Dagblad
In het Eindhovens Dagblad van afgelopen woensdag stond een recensie van ‘Wat koop ik voor jouw donkerwilde machten, Willem’ geschreven door Peter van Vlerken.
Die recensie valt hier te lezen
Ik ben het met de strekking niet eens, maar dat hoeft gelukkig ook niet. Dat ‘diepzinnige, gedragene, ernstige’ was juist iets dat me ergerde aan Karavanserai, dus logisch dat je dat loslaat. Dat hele idee ‘diepzinnig’ staat me eerlijk gezegd niet aan.
Ik verafschuw ‘diepere lagen’ niet, maar heb wel bedenkingen bij dat soort ‘verwachtingen’ – naar mijn idee zien mensen zaken als ‘diepzinnig’ die dat helemaal niet zijn, en vice versa. Wat men doorgaans ‘diepzinnig’ vindt is van die grafdelvers-poëzie over de dood, over ‘wat het allemaal te betekenen heeft’, dat soort dingen.
Als je dan feitelijk analyseert waarom dat ‘diepzinnig’ is ontdek je meestal dat mensen per definitie iets ‘diepzinnig’ vinden als het aan bepaalde filosofische clichés voldoet. Ik vind dat soort poëzie meestal juist helemaal niet diepzinnig, omdat ik de dood als dusdanig al helemaal niet diepzinnig vindt. Het onkenbare is niet diepzinnig, en het cliché ‘dood’ al helemaal niet. Het is dus een verschil van opvatting, van een manier van kijken.
Krant-recensenten hebben vaak iets vaderlijks. Alsof je vermanend wordt toegesproken door je pappie. ‘Deugniet, zelf een bundel publiceren, snel terug naar de uitgever’ was een beetje de kerntoon. Die vaderlijke bezorgdheid roert in mij onstellend diepe gemoedelijke snaren aan.
‘Diepzinnig’ is voor de meeste mensen wat veel herrie maakt in het gemoed. Voor mij is het iets geheel anders, net zoals ik ‘ware liefde’ niet perse datgene vind wat de meest diepe sporen achterlaat. Zoals Cohen het al stelde:
Dat is een visie op liefde die volgens mij weinig mensen delen. Ze hebben waarschijnlijk geen flauw benul waarop Cohen doelt.
Twitter en facebook: de omgekeerde wereld
De journalistiek/politieke elite zitten massaal op Twitter, waar ze allen ongeveer 1000 ‘volgelingen’ hebben.
De culturele elite zit massaal op Facebook, waar ze allen ongeveer 2000 ‘vriendjes’ hebben.
Hiermee representeren zij precies de omkering van waarden die zich de laatste twintig jaar heeft voltrokken.
Was vroeger de creatieveling de superster met volgelingen, en had de politicus juist vriendjes nodig om zich te kunnen redden, nu zijn de rollen omgedraaid: de politicus is de superster geworden, met fans en al – en de kunstenaar moet zich met zelfpromotie onder vrienden maar ‘waarmaken’.
Waar werd deze omkering van waarden door veroorzaakt? Hoe komt het dat de consument nu massaal het ‘de-politicus-als-bekende-nederlander’ fenomeen accepteert als zijnde normaal, terwijl het feitelijk een antihelden-cultuur is? Wat hier gebeurt is is uitermate zorgelijk: de archetypes van creativiteit, van het positieve in onze samenleving, van rolmodellen waar mensen zich naar kunnen richten – hoe idioot die rolmodellen soms ook waren – is simpelweg gradueel vervangen door een antihelden cultuur van mensen die niemand als rolmodel zou willen hebben.
Zou er werkelijk iemand bestaan die een poster van Wilders, Job Cohen of Mark Rutte op zijn kamer wil? Natuurlijk niet. Deze mensen zijn geen rolmodellen, en dienen zich dus ook niet als dusdanig te gedragen. Het zijn cynische producten van een maatschappij die duidelijk in verval is geraakt. Je zou maar jong zijn, en zulke antihelden voor je kiezen krijgen. Toch spelen alle politici het spelletje vrolijk mee. Frans Timmermans, ooit mijn Facebook vriend, op de foto met Lou Reed, heeft het altijd net op tijd over voetbal als het even op een inhoudelijk debat gaat lijken. In een door mij geschreven recensie van zijn boek had hij geen enkele interesse. Ik was daar immers niet beroemd genoeg voor.
De werkelijkheid is natuurlijk anders: Timmermans is een omhooggevallen klerkje dat zich even 15 minuten beroemd waant, en de maatschappij mag daar voor opdraaien. Deze week verscheen een raar artikel waarin gesteld werd dat de SP het enorm radicale voorstel deed om de salarissen van EU ambtenaren te halveren.
Ik heb naar aanleiding van dat artikel berekend dat het gemiddelde salaris van een EU ambtenaar 135000 euro per jaar is, ofwel 13000 euro per maand, exclusief al die onkostenvergoedingen.
28000 ouderwetse guldens per maand voor een klerk. Als je dat niet betaalt ‘stapt die klerk over naar het bedrijfsleven’ heet het dan. Halveer dat, zoals de SP wil, en je betaalt nog 14000 guldens per maand voor wat geschuifel met papier, en een etentje hier of daar. En we hebben het hier niet over een paar honderd mensen. Zestigduizend van zulke klerkjes. Zestigduizend. Zestigduizend half-gepensioneerde pennenlikkers die zich beroemd wanen op onze kosten. En de rokende puinhopen voor de jeugd achterlaten. Want dat de huidige crisis geen ‘tijdelijke kwestie’ is maar een chronische systeemziekte, zoveel mag inmiddels duidelijk zijn.
Tijdens die etentjes gooi je dan een diepzinnige slogan over voetbal je Twitter op, want het volk moet vooral blijven denken dat je een gewone man bent. En dat ben je ook, een gewone man. Een gewone man met een buitenproportioneel salaris. Een exponent van de klerkocratie, die zich het liefst van het creatieve deel van de wereld verlost zou zien. Zij zijn immers een bedreiging voor de nieuwe roem, de roem die zich makkelijk in een oneliner laat pakken.
Ondertussen groeien onze kinderen op in deze antihelden-cultuur. Ze moeten hun eigen helden maar zijn, lijkt men te denken. Vandaar misschien dat computerspelletjes zo goed verkopen. Aan hun inhoud zullen ze dat niet te danken hebben. Gelukkig zitten ze meestal zo volgepompt met antidepressiva en andere heilzame wondermiddeltjes dat zij het verschil pas opmerken als het niet meer terzake doet.
Wat er nog van de muziekindustrie over is – die paar giganten – draait op ofwel oude roem, ofwel een handjevol ‘nieuw talent’ die zich zonder uitzondering ook als antihelden gedragen. Van Lady Gaga tot Amy Winehouse – mensen die geen rolmodellen willen zijn, die zich van kant maken of zichzelf mutileren (Michael Jackson). Wie zich de film ‘Bladerunner’ herinnert kan wel inschatten waarom: hier zien we dat mediagiganten aan het werk zijn op een totaal gemonopoliseerde markt, waarop enkele iconen al voldoen: iconen die ook ‘snel weer verdwijnen’ als ze niet meer nuttig zijn, waarna er pas echt goed geld aan verdient kan worden.
Het is in zo’n tijd dat ons kabinet van beroemde antihelden een pakket maatregelen tegen de cultuurelite neemt. Een pakket dat de cosmetische kant van de cultuur intact laat, maar de productieve kant zo goed als opheft. Het wordt verkocht als een bezuinigingsmaatregel, maar wie daar intrapt kijkt niet goed: hier is een gesubsidieerde elite bezig een andere elite om zeep te helpen. Nu mag je tegen mij best klagen over het niveau van de culturele elite – ik heb er zelf ook geen hoge pet van op – maar laten we de zaken wel even in perspectief blijven zien: onze totale maatschappij is een subsidiesysteem geworden.
Wij eten gesubsidieerd eten, wonen in gesubsidieerde huizen, worden bestuurd door gesubsidieerde klerken en ga zo nog maar even door, bijna ad infinitum. Het bedrijfsleven? Ik heb vaak voor grote bedrijven gewerkt: veertig managers en één persoon die al het werk opknapt. Ook die ‘managerslaag’ is in wezen subsidiecultuur. Het zijn bemiddelaars, beterweters, ‘de overtolligen’ zoals Nietzsche ze betitelde: de hele maatschappij is ermee doorspekt. Wie in zo’n situatie zijn beschuldigende vinger naar wat kunstenaars uitsteekt doet aan doofpotfilosofie. Het daadwerkelijke probleem is simpelweg veel chronischer, en zal zeker niet kleiner worden door het creatieve deel der natie het leven wat moeilijker te maken.
Wie beweert dat de kunsten weer van een mecenas constructie gebruik moeten gaan maken is per definitie een grapjas: die mecenas constructie kan per definitie alleen bestaan bij gratie van het fenomeen ‘aristocratie’. En de aristocratie bestaat niet meer – wie tegenwoordig rijk is voelt geen enkele verantwoordelijkheid tot het cultiveren van zijn persoonlijkheid. Bladgoud, kitsch interieurs en Monaco is alles wat de klok slaat. De tijd dat er een aristocratische elite bestond ligt reeds een eeuw achter ons.
Toch is Twitter, om even terug te gaan naar het originele onderwerp, de moderne bloedeloze variant van een aristocratie: klerken en journalisten maken er de dienst uit. Facebook is de volkse variant, waar iedereen in je adresboek mag loeren en het contact net iets te direct is voor de Heren wiens autoriteit boogt op voorgebakken slogans. Twee moderne communicatiemiddelen die het schisma in onze samenleving goed representeren: de goeroes met volgelingen twitteren oneliners, en de rest creëert een grote bak zelfpromotie waaruit niemand ooit vist. Het gekke aan facebook is dat het als zelfpromotie-instrument totaal nutteloos is, maar dat niemand dat in de gaten lijkt te hebben. Omdat ze het zo druk hebben. Inderdaad, met zelfpromotie. En dat komt die goeroes verdomd goed uit. Want hebben zij geen volgelingen bij gratie van de afwezigheid van hun meerderen?
Vraag aan Piet Gerbrandy
Piet, kun jij me even uitleggen waarom de volgende passage NIET klanktechnisch geraffineerd is:
“Saif al-Islam Kaddafi, zoon van de Libische dictator Muammar Kaddafi die door het Internationaal Strafhof wordt verdacht van misdaden tegen de menselijkheid, is in tegenstelling tot eerdere berichten nog op vrije voeten.”
Ik ben heel benieuwd naar je antwoord.
Dit omdat ik zo graag eens hoor waarom taal niet per definitie klanktechnisch geraffineerd is.
Met vriendelijke groet uit een zonnig Istanboel,
Martinus Benders
Commentaar