Ton van ‘t Hof, woordenboekfilosoof
Ton van ‘t Hof reageert op voorspelbare wijze op mijn kritische stuk van een paar dagen terug. Hij doet net of er geen filosofisch corpus bestaat, en laat het woordenboek arbiter spelen in het debat. Dat bevestigd voor mij alleen maar het vermoeden dat hij totaal de filosofische achtergrond ontbeert om zo’n discussie te kunnen voeren. Laat ik enkele van zijn bespottelijke standpunten even toelichten.
Allereerst werpt hij tegen dat ‘objectief’ in het woordenboek een andere definitie heeft dan de definitie die ik eraan toewees. Ik schreef dat een ‘objectieve maatstaf’ een maatstaf is die men aan objecten kan toewijzen. Ik heb nergens beweerd dat dit de woordenboekdefinitie is: het is een filosofische definitie. Van ‘t Hof claimt primair dat zulke niet mogen bestaan als hij het woordenboek als opponent van de stelling poneert.
Een woordenboek doet niets dan opsommen wat de algemene waarheden van de massa en het taalgebruik van die massa zijn. Voor een filosoof weinig interessant. In een debat alleen nuttig als een term verkeerd gebruikt wordt. Onder dat ‘verkeerd gebruik’ vallen echter niet filosofische hefdefinities van een begrip.
En wat zegt het woordenboek precies over ‘objectieve maatstaf’?:
“Objectieve maatstaf: een maatstaf die zich bepaalt tot de feiten, niet beïnvloed wordt door eigen gevoel of door vooroordelen, niet-subjectief is.”
Ton is echter niet zo goed in analyseren. Was hij dat wel dan zou hij zien dat mijn definitie en de officiële op geen enkele wijze met elkaar in conflict zijn. ‘bepaald tot de feiten’ en ‘aan objecten toegeschreven’ zijn namelijk cumulatief dezelfde waardes. Een ‘feit’ en een ‘object’ zijn betekenisabstracties die feitelijk dezelfde inhoud hebben: wie zegt dat ‘de maan rond is’ produceert een ‘feit’. Ook produceert hij een maatstaf die aan een object wordt toegeschreven (rond>maan). Mijn definitie in deze is veel objectiever, omdat het ‘een feit’ noemen al een waardeschatting is die feitelijk afhankelijk is van de zintuigen. Wij weten niet of die zintuigen primair correct zijn. Wie het definieert als ‘een maatstaf aan een object toeschrijven’ is dus logisch correcter dan iemand die beweert dat ‘de maan is rond’ een feit is.
Ook bij zijn objecties tegen mijn gebruik van het woord ‘maatstaf’ komt van ‘t Hofs gebrek aan taalkundige ervaring weer bovendrijven. Hij weet schijnbaar niet dat ‘maatstaf’ in de betekenis ‘een standaard’ kan worden gebruikt. Hij raaskalt wat en door zijn gebrek aan filosofische achtergrond heeft hij geen idee waar hij het over heeft. ‘Rond’ is in het voorbeeld wat ik noemde een ‘maatstaf’ omdat het de standaard-waarde is die mensen aan de maan toeschrijven.
Het blijft amusant om Ton over de pagina te zien struikelen met fout geconstrueerde redenaties. Laten we het volgende punt dat Ton probeert te maken eens analyseren:
“Bij de beoordeling van kunst door mensen draait het inderdaad om smaak in de betekenis van “schoonheidsgevoel, kunstzin” en niet die van het “zintuig waarmee men proeft”. Benders verwart, zoals zo vaak, weer eens wat zaken met elkaar.”
Opnieuw is het weer de filosofische achtergrond die bij Ton volledig ontbreekt. Onze gadget-avantgardist weet schijnbaar niet dat zowel Nietschze als Hegel al uitgebreid hebben aangetoond dat een esthetisch fenomeen als ‘smaak’ een puur op de zintuigen gebaseerd fenomeen is. Ook schoonheidsgevoel en kunstzin? Ja. Van ‘t Hof meent misschien schilderijen te kunnen beoordelen zonder zijn ogen, of zich een beeld van poetische schoonheid te kunnen vormen zonder dat daar ooit een zintuig aan te pas kwam – ik schakel dat gelijk met zijn idee dat je een avantgarde kunt zijn door simpelweg na te doen wat anderen in de Verenigde Staten doen. Ook dat is gebaseerd op je zintuigen, Ton. Ook de papegaai keuvelt zijn ‘consensus’ met een tong en een snavel.
Op het primaire argument van mijn post, op mijn kernobservatie, kon Ton niet anders dan me groot gelijk geven: “En de beoordeling van de één van kunst is op geen enkele wijze verheven boven die van een ander: alle soorten smaak zijn, jawel, gelijkwaardig.”
Waarmee hij vooral bewijst dat hij slechts een exponent is van de verregaande nivellatie van de menselijke geest, en hij de kunst voorts tot een democratisch principe heeft verklaard. De mening van Ton van ‘t Hof is net zoveel waard als de mening van Wil Melker. Dat verbaast mij, bezien zijn zeer geringe filosofische en taalkundige kennis, helemaal niets.
De meest lastige vragen uit mijn stuk negeert van ‘t Hof doodleuk – daar zei het woordenboek weinig over.
“Ik en alleen ik ben verantwoordelijk voor de totstandkoming van mijn gedichten en bundels. Daarom staat mijn naam erop. En er zijn mensen die ze lezen en waarderen.” zo laat hij nog even weten. Waarom dat iets uitmaakt als toch alle smaak gelijkwaardig is laat hij even na te beantwoorden. Als aan smaak geen intrinsieke waarde kan worden verleend, waarom zouden mensen je bundels dan nog moeten lezen? Waarom vermelden dat ze ‘gewaardeerd worden’? Als alle seksuele prestaties gelijkwaardig zijn, waarom dan nog vermelden dat de jouwe ‘gewaardeerd worden’? Hij gelooft feitelijk zijn eigen principes niet. Zijn acties (de avantgarde spelen met gekopieerd materiaal) zijn in tegenspraak met zijn principes (alles is gelijkwaardig, iedereen heeft gelijk) – waarom zou iemand, als dat laatste waar is, nog de moeite nemen een ‘avantgarde’ te willen lijken? Ton is danig in de war. Zoals wel meer mensen, heden ten dage. Misschien moet hij zijn kopieermachine eens uitzetten en in de tuin gaan werken. Met gekloonde stekjes, ofzo. Of weer gemeentewoordvoerder worden. Misschien kan Arnoud van Adrichem hem in de leer nemen.
Commentaar