Een brief die te laat kwam
Een brief die te laat kwam
Vriend, ik heb je gedichten weer gelezen.
Las ze langzaam, regel voor regel,
de pagina’s duimend, aan jou denkend, mijn vriend.
Waarom het nog ontkennen? Ik huilde toen ik aan je naam dacht.
Ik sorteerde niets, de schaapjes niet van de wolven,
geen zin de blaadjes aan te harken of het herfst was.
Ik gaf het op en staarde naar die lange rijen woorden,
jouw hele identiteit, vriend, voor mijn ogen neergelegd.
En onder jouw droge röntgenblik opende zich
het hol van een grottendwaler, en de bloemen van de twijfel
en de vleugels van een pterodactyl, vleeseter, vogel-vader,
die de geheimen van het menselijk hart kent
als de chirurg in het schilderij van Rembrandt
sneed je ons open, de zenuwen van een dode wereld verkrachtende.
Hoe jij dagenlang gezweet moet hebben
om zulke boze dromen op papier te krijgen!
Gebogen sta je over de gescalpeerde regenboog,
in het licht van de stinkende olielamp in je kelder
liet je droge obsessie je vingers jeuken –
maar wat kan een lichaam ons uiteindelijk zeggen?
Het ligt hier voor me. Je dwong me ernaar te kijken.
Wie zal nu de infectie uit mijn ogen komen wassen?
Je vergaf ons nooit onze koppigheid -
is er dan geen enkele hoop? Niet één verlossend woord?
Een enkel woord dat fris als de regen
een vaderland kan scheppen, een wereld kan vervloeken?
Ferenc Juhász – Vertaling Martijn Benders, or. vertaling David Wevill
Commentaar