Puntgaaf erofascisme op OOTJEOOTJE
Ik heb al eerder duidelijk gemaakt dat ik met die ‘Nieuwe Zichtbaarheidselite’, die formele staatsavantgarde die u in het ootjeootje wil nemen, niets heb. Als ik er in anderhalf jaar één middelmatig gedichtje heb zien verschijnen is het al veel. Als ik er in anderhalf jaar één ook maar enigszins boeiende discussiebijdrage heb mogen lezen klap ik in mijn handjes van plezier. Bruine formulierlucht hangt er, en de meest belabberde zaken zien er het licht. Neem nou het ‘nieuwe gedicht van Jane Leusink’ dat er sinds gister staat. De foto’s van de koppen worden op Riefenstahliaanse wijze steeds groter, de teksten steeds onbenulliger, slordiger, en kindser. Het is de visuele cortex variant van wat Baudrillard de simulatie van literatuur zou hebben genoemd.
Van dat gedicht van Leusink kon ik op het eerste gezicht totaal geen kaas maken. Het leek op het gebazel van een theetante met alzheimer. Tot ik op het idee kwam om ‘vreemdeling’ met ‘neger’ te vervangen en ‘kat’ met ‘kut’. Plots stond er wel ineens een begrijpelijk gedicht:
Je bent nog volop neger
Je bent nog volop neger, ongestempeld
dansdiertje dat zich waant wie weet hier daar
waar ook, de Lofoten, Longfellow of een mistig huis
in de bergen. Wij dekken de tafel met borden, brood
met handen zo open van verwachting, een haper misschien
in de keel. Je blik is zo leeg als de blik van een vis
uit je binnenste wereld gevouwen maar kan zijn.
Hierbuiten trouwens veel natte natuur en netels
tussen de woorden. Wat je hopelijk kunt billijken.
We leggen een warmstenen vuur in de haard,
praten geruststellende taal het meest
tegen elkaar. Je bent niet meer wie je was,
geen idee wie je morgen zult zijn, en
wat als het arcadische verlangen naar meedoen je overvalt?
We verzinnen wat af. Ik weet het, in de regel.
Of altijd kun je volstaan met een aantal bewonderende zinnen,
een drang is een wil, een stom ding van binnen. Maar toch, gisteren droomde ik nog
van een kletsnatte kut, haar kopje duwde duwde
en toen haar staart zo stenen tegen je beentje mieuw
mauw en wilde, of hoe zeg ik, een wil is ook een dit
of dat van de kut, die ergens over gaat. Je armen.
Maar mocht je toch, dan vraag ik:
raadpleeg bij twijfel ajb altijd mijn dochter
of een van haar wijze vriendinnen.
Een puntgaaf erofascistisch werkje dus feitelijk. Geen goed gedicht, dat niet, maar wel een gedicht dat naadloos bij deze censuur-avantgarde van literaire soapsterretjes past. Wij, de beschaafden, jij, de wilde natuur, het is de Anti-Oedipus ten voeten uit. Zelfs Dautzenberg viel het op de inboorlingen ontbreken totaal in het ‘literaire wereldje’. De anti-oedipale relatie tussen ‘beschaafde’ en ‘wilde’ is overbekend: de kolonist roeit de inboorlingen uit en voelt tegelijk het erotische verlangen door hen te worden overmeesterd.
Qua sfeer doet het me nog het meest denken aan dit filmpje:
Ook in dit filmpje zit erotiek: het handje vasthouden, de naakte neger in het borrelbad op het einde die het ervan neemt: de boodschap is duidelijk: wij willen dit uitroeien, want wij kunnen het verlangen dit te willen zijn niet verdragen.
Commentaar