Redactie
Loewak is een internationaal opererend netwerk voor logische defensie. In een wereld die in snel tempo cultureel nivelleert vecht Loewak voor globale logische diversificatie en identiteitsversterking.
Ad network
Literair Nieuws

Author Archive

Émile Nelligan (1879 – 1941)

copie_2_de_ph29-23-1_rgb_med

Ook Canada kende zo zijn Rimbaud.

In 2001 schreef Boudewijn Büch een column in Vara TV Magazine (nr.40) onder de titel Emile Nelligan. Hierin meldde hij onder andere het volgende :

“In één van die treurige winkels te Quebec keek het omslag van een dun boekje mij aan. Er stond een foto op van een dichter die verdacht veel leek op de grootste en meest tragische dichter van de 19e eeuw in Frankrijk, Arthur Rimbaud & zag dat erop dezelfde plank veel meer boeken van & over de dichter te vinden waren. Ik bladerde door een tweedelige biografie maar dacht, ach dan moet ik dat allemaal weer gaan lezen. Uiteindelijk kocht ik ‘t dunne boekje met de foto en nam het mee naar Nederland waar ‘t op een stapel terecht kwam.”

“Verleden week kon ik niet slapen. Ik was depressief en alleen. Ik greep bij toeval naar het werk van de Canadees-Franse dichter, las een paar van zijn verzen & raakte bijna onmiddelijk verslingerd aan zijn poëzie. Het is wonder boven wonder poëzie zoals Rimbaud die schreef. Het is dichtkunst vol weltschmerz en zijn verzen die je vervoeren. De dichter heet Emile Nelligan.”

“In Franssprekend Canada behoort Nelligan tot de klassieke letteren, maar buiten dat stuk van Noord-Amerika is hij zo goed als onbekend. En dat zou moeten veranderen want Nelligan was een groot dichter. Weliswaar een van die dichters van de zwaarmoedige waanzin, maar dat zijn niet zelden de superpoëten.”

Dit soort beschrijvingen maakte ondergetekende natuurlijk uiterst nieuwsgierig. Dit was iets om me verder in te verdiepen. Na vele naslagwerken geraadpleegd te hebben (Jammer genoeg zijn de meeste bronnen in het Frans, een taal die ik nog steeds niet machtig ben) Ben ik tot de volgende korte levensschets gekomen.

Emile Nelligan, werd geboren te Montreal op kerstavond 1879 als Zoon van David Nelligan en Emile Amanda Hudon. David Nelligan emigreerde met zijn ouders vanuit Dublin in de vijftiger jaren van de 19e eeuw naar een nieuw leven in Montreal. David deed ‘t goed op school en kreeg uiteindelijk een betrekking bij de Canadese post. Hij trouwde met Emilie Hudon, een telg uit een van de oudste families van de stad. Katholiek maar Franssprekend. Hun eerste kind Emile werd dus geboren op kerstavond 1879 en gedoopt op eerste kerstdag in Saint Patricks Irish church te Montreal. De familie werd uiteindelijk nog uitgebreid met twee meiden. Eva in 1881 & Gertrude in 1882.

David had hoge verwachtingen van zijn zoon en voorzag een schitterende carriere voor hem in zaken of in een hogere bestuursfunctie. Maar de toekomst had iets anders in petto. Het huwelijk tussen David en Emilie was er een die geen schoonheidsprijs verdiende en waar het geluk nou niet bepaald vanaf droop. David sprak bijvoorbeeld enkel Engels en tolereerde het niet dat er in zijn huis Frans gesproken werd. Dit had onder andere tot resultaat dat Emile steeds closer werd met zijn moeder. Ook het feit dat zijn vader in verband met zijn werk veel van huis was speelde hier een belangrijke rol in . Haar liefde voor muziek, literatuur en de Frans-Canadese cultuur hadden een grote invloed op de kleine Emile. Hoewel hij veel Engelse literatuur las zoals Edgar Allan Poe & Thomas Moore besloot hij op zijn 15e toch in het Frans te gaan schrijven.

David Nelligan’s overtuigende afkeer van zijn zoons bezigheden leidde uiteindelijk tot een algehele scheiding tussen beide. Maar zijn moeder zou ‘m altijd blijven steunen. Nelligans academische carriere begint in 1896 als hij op 17 jarige leeftijd start aan ‘t Sainte Marie College waar hij overigens een middelmatige student blijkt te zijn. Daar hij moeite heeft zijn aandacht naast ‘t schrijven ook op zijn studie te houden verlaat hij tegen de wil van zijn ouders in 1879 de school om zich compleet op de poëzie te richten. Al zijn tijd werd opgeslokt door het schrijven van gedichten. Hij kon zich gewoonweg geen andere professie voorstellen als die van dichter.

In 1896 ontmoette hij de priester Eugene Seers (Later luisterend naar de naam Louis Dantin) zijn mentor & toekomstig redacteur. In dezelfde tijd maakte Nelligan kennis met Joseph McLancon die ‘m introduceerde in de literaire kringen van Montreal. Onder het pseudoniem Emile Kover publiceerde hij zijn eerste gedicht “Reve fantasque” in La Samedi (13.06.1896). In september van dat jaar verschenen er nog eens 8 gedichten in lokale en magazines. Nelligans gedichten vertoonde een opmerkelijke gevoeligheid voor de kracht van woorden en de muzikaliteit van taal. Nog eens onderstreept door een zweem van nostalgie en melancholie. In 1879 publiceert hij zijn gedichten voor het eerst onder zijn eigen naam in Monde Illustre en La Patrie.

In datzelfde jaar werd Nelligan door zijn vriend Arthur de Bussieres uitgenodigd deel uit te maken van de vlak daarvoor opgerichte ecole literaire de Montreal. Een kring van jonge schrijvers & intellectuelen die 1 keer per week samen kwamen om over de kunsten te discuseren. Gedurende verschillende bijeenkomsten droeg de jonge Nelligan met veel gevoel zijn gedichten voor. In de beste Romantische traditie. Nelligan wilde eigenlijk niets liever worden dan een opvolger van Lord Byron.

In 1898 stuurde zijn vader hem op reis naar Liverpool & Belfast. Naar alle waarschijnlijkheid om hem kennis te laten maken met zijn Ierse roots, maar veel is er over deze onderneming niet bekend. Later dat jaar regelde zijn vader voor hem een betrekking als boekhouder. Maar ook hier hield hij het niet lang uit. Aangestoken door de muze van de poëzie, ontsnapte hij vaak naar de zolderkamer van zijn vriend de Bussieres, om er te lezen en te werken. Ondertussen bleven zijn gedichten verschijnen in lokale kranten en magazines.

Rond deze tijd organisaeerde L’ecole L’iteraire de Montreal een serie publieke lezingen en voordrachten in welke Nelligan ook zijn opwachting maakte. Gedurende een lezing op 26 mei 1899 droeg hij het gedicht La Romance du vin voor. Het publiek reageerde met een overdonderend applaus. Volgens de overlevering ging het enthousiasme zelfs zo ver dat de jonge dichter op de schouders werd genomen en naar huis werd gedragen. Kom daar vandaag de dag nog maar eens om.

Helaas zou dit hoogtepunt meteen zijn laatste publieke optreden blijken. Korte tijd later op 9 augustus 1899 knapte het fragiele draadje dat hem al die tijd behoed had voor krankzinnigheid en werd hij opgenomen in Saint Benoit (Psychiatrische inrichting) (Tragisch maar ergens ook weer niet geheel onverwacht, aangezien deze gevoelige en literaire knaap zijn gehele jonge leven al verscheurt werd tussen 2 talen, 2 culturen en twee ouders.) Hij verbleef 25 jaar in Saint Benoit, alvorens hij werd overgeplaatst naar het Saint Jean de Dieu Hospitaal. Gedurende zijn jaren in de inrichting bleef Nelligan schrijven, maar hij had de gave verloren nieuw werk te creeren dat kon tippen aan zijn vroegere gedichten. Grotendeels van zijn tijd herschreef hij uit zijn geheugen dat eerdere werk. Hij verbleef in het Hospitaal tot aan zijn dood op 18 november 1941.

Emile Nelligans oeuvre bestaat uit 170 gedichten, sonnetten, rondelen, liederen en prozagedichten. Opmerkelijk is wel het feit dat ze allen geschreven zijn tussen zijn 16e en 19e levensjaar. In 1904 verscheen mede dankzij Leon Dantin en zijn moeder 107 gedichten onder de titel Emile Nelligan et son oeuvre met een voorwoord van Dantin. Een voorwoord dat begon met de aangrijpende woorden. “Emile Nelligan est mort”. Daarna verschenen er nog edities in 1925,1932 & 1945.

In 1952 publiceerde Luc Lacourciere een uitgave van Nelligans werk onder de titel Poesies completes met daarin de eerder genoemde 107 gedichten en gedichten die Nelligan had geschreven voor zijn hospitalisatie en die hij naar vrienden had gestuurd of die in zijn papieren waren zoekgeraakt. Deze editie is meerdere malen herdrukt.

Crows

I thought I saw a swarm of crows hover darkly
over the inner barrens of my heart—
great crows from famous mountains,
flying by the light of moon and torch.

Grimly, they wheeled as if to encircle a grave,
scenting a zebra carcass upon which to feast,
and an icy shiver descended my spine
as scraps of flesh quivered in their beaks.

For the prey fallen to these night demons
was none other than my life, left in tatters
by vast and constant torments circling round,

their beaks slashing without mercy
at my soul, carrion scattered over the field of days,
which these old crows will devour completely.
vertaald door Peter Garner

Emile Nelligan was een pionier van de Frans Canadese literatuur. In zijn poezie verkende hij de symbolistische mogelijkheden van de taal en zijn nogal donkere innerlijke landschap. Hoewel zijn schrijven deels beinvloed wed door de Symbolistische dichters als Charles Baudelaire & Arthur Rimbaud en Engelstalige poëten als Lord Byron en Edgar Allen Poe creeerde Nelligan een poetische gevoeligheid die geheel de zijne was. Zijn gedichten zijn vertaald in het Engels. (in nieuwstaat is enkel de tweetalige selected poems nog te bestellen, van uitgeverij Guernica uit 1995, met daarin 33 gedichten – In het Frans staan alle 170 gedichten op het internet en zijn in boekvorm nog gemakkelijk te bemachtigen.) & hij is het onderwerp van verschillende films, boeken, gedichten, een ballet en een opera. Daarnaast prijkt zijn hoofd op een Canadese postzegel uit 1979. Tot de dag van vandaag blijft hij in Canada een veel gelezen schrijver. Buiten de landsgrenzen is het jammer genoeg een stuk minder gesteld met zijn naamsbekendheid.

Diegene die het net als ondergetekende van het Engels moeten hebben, kunnen altijd nog antiquarisch op zoek gaan naar The complete poems of Emile Nelligan edited and translated by Fred Cogswell Montreal Harvest House 1983.

Bronnen : Vara TV magazine / Canadian Poetry Archive

Kort Dag – Keith Barnes (1934-1969)

kenbourgogne4

Keith Barnes werd in 1934 geboren nabij Londen, alwaar hij vanaf zijn dertiende studeerde aan the Royal Academy of Music. Op zijn twaalfde was hij reeds begonnen met het schrijven van muziekstukken, die door verschillende kamergroepen ten uitvoer werden gebracht. In 1959 stopte hij echter met het schrijven van muziek en stapte hij over op de poëzie. Hij bleef daarentegen wel werkzaam voor muziekuitgeverijen en later als redacteur bij BBC Film.

Tussen 1962 & 1969 reisde hij veel en woonde in Amerika (alwaar in 1967 zijn debuutbundel “Born to Flying Glass”verscheen) & Frankrijk. De laatste twee jaren van zijn leven verbleef hij in Parijs alwaar hij in 1969 overleed aan leukemie.

tweetalige website over keith barnes

I Will Not Forget

Windfalls of birds and swirls of leaves
I walk pause stop You drive a high sky through me
drop my case throw my coat and grasp you eyes closed
all spellbinding spring throughout the shimmering summer
stand with you and root into the paving stones

Winter gave me old shoes I broke their laces
I shuffled through the days forgot I could stand straight
forgot how love is Jack and Jill down the hill
corridors of diamonds tumbling bees a-buzz
and dreams which smile silence with such suave lips

How could I have borne myself so hibernated
- pitted and slung so low into my body?
How could I have lived without this marrow in my bone?
- so bent so drear so hollow nestling grudges
which you have so simply soothed from me and cast
off like so much jetsam to the sea

As I walk I carry you the warmth of two
and I will not forget will not forget
your legs and arms locked round me your head tucked tight
your breath against my heart inside my clothes
inside my clothes – I won’t forget
I do not cannot live without
this hanging fire

© Keith Barnes

Kort Dag – Krzyzstof Kamil Baczynski (1921 – 1944)

baczynski

Krzysztof Kamil Baczyński werd op 22 januari 1921 te Warschau geboren als zoon van de literaire criticus Stanislaw Baczynski & onderwijzeres Stefania Zieleńczyk. De laatste was een overtuigd katholiek maar werd door de Duitsers in verband met haar Joodse wortels gewoon als zijnde Joods beschouwd. Het feit dat Krzysztof (op 7 september 1922) gedoopt was, veranderde daar weinig aan. Als kind leed hij aan astma, had een slecht hart en zijn gezondheid werd constant bedreigt door tuberculose.

In 1933 begon hij zijn studies aan het Gymnasium te Warschau, alwaar hij in mei 1939 zou afstuderen. Baczynski debuteerde rond 1938 in Strzala – een tijdschrift dat uitgegeven werd door de organisatie Socialistische jeugd Spartacus, waar hij zelf ook deel van uit maakte. Na zijn afstuderen had hij zich voorgenomen zijn opleiding te vervolgen aan Warschau’s academie voor de schone kunsten, maar het uitbreken van de tweede wereldoorlog sneed hem de pas af & meer.

Gedurende de Duitse & Russische bezetting, bleef hij actief binnen de underground press & studeerde hij Poolse taal- & letterkunde aan de ondergrondse universiteit te Warschau. In 1943
sloot hij zich aan bij het Zóska battiljon, waarna hij zijn studies er aan gaf en zich volledig richte op zijn activiteiten voor het Poolse verzet.

Op 6 juli 1942 was hij getrouwd met Barbara Dranczynska (een medestudente). Het huwelijk resulteerde in ieder geval tot een interessante set aan erotioca, welke nog steeds een reputatie te verdedigen hebben binnen de Poolse literatuur. Vlak voor de opstand in het Ghetto van Warschau, gaf Baczynski zijn gedichten in kopie aan één van zijn vrienden in bewaring. Dankzij deze actie overleefde zij de oorlog. Als lid van een verzetsgroep nam Baczynski deel aan verschillende sabotage acties gedurende de beztting, waaronder het ontsporen van een Duitse militaire trein in de zomer van ’44.

Op 4 augustus 1944 werd hij dodelijk getroffen door een Duitse sluipschutter in de oude stad van Warschau. Hij ligt begraven op de Powaski begraafplaats, tezamen met zijn vrouw, die overigens zwanger was op het moment dat zij op 1 september 1944 om het leven kwam.

Terwijl hij in een razend tempo poëzie produceerde (gedichten die voor een groot deel handelen over de oorlog en waarin de liefde als enig efectief verdedigingsmiddel wordt aangevoerd) verschenen er gedurende zijn leven slechts 2 dunne bundeltjes.

Tropical dream

In this dream mosquitos bit through a tropical helmet
and wave on wave into the skull pours the night.
Raise up, raise up the palm’s black leaves,
he sky blood-red from heat – a copper-yellow roof!
Crocodiles – elongated slabs of lead,
like lead thump the hoofs of anxious antelopes.
Where flows the river like a word unbounded,
on to seacoasts, antilles, sudans?
Waters burble, stagnate, below there is no room for breath.
Negroes dry out, propped on idols, ill with sleep,
heaving their slabs of air, washed by water like death.
Along white shores trundle the pale grains of leprosy.
Then weary hands will fast upend the drawer -
from it a waft of fever blows
and seething bubbles flow on hands.
Ever lower sinks the smoke of stifling marshes
and one hears: off lifeless Negroes fall white ashes.

© Krzysztof Kamil Baczynski
vertaald door Alex Kurczaba

“But there is more” said Fritz the Cat

1162

The confessions of Robert Crumb

Bibliotheken

Mijn gehele leven ben ik al gebiologeerd door bibliotheken, en al met al heb ik er dan ook al velen van binnen gezien. Ik noem onder andere een Artis Bibliotheek, een Bibliotheca Thysiana te Leiden, die van het Teylers Museum te Haarlem,  the Trinity & Marsh’s Library te Dublin, the British Library te Londen, en  tenslotte de Amalia Bibliotheek te Weimar (na de brand overigens), maar toch kan geen van de bovenstaande instituten tippen aan de bibliotheek waar ik in aanraking kwam met enkele van mijn favoriete schrijvers zoals JD Salinger, James Agee, Henry Miller (zoals ik hem nog nooit eerder gelezen had) en Carlos Castaneda. Waar ik voor een periode van een jaar iedere zaterdagochtend klokslag 10 uur voor de deur stond, popelend om mijn hand te leggen op de essays van Orwell,of  The Innocents Abroad van Twain. Waar ik me ondanks het armoedige interieur, de vaak in slechte staat verkerende boeken, werkelijk geconfronteerd wist met de ziel der boekenliefde, het woord zoals ik dat nooit eerder ervaren had en hoogstwaarschijnlijk ook nooit meer ervaren zal.
yasur_0141
Ter compensatie ben ik thuis meteen maar mijn eigen bibliotheek gaan samenstellen, en zoals eerder gezegd vele andere bibliotheken bezocht maar nog voel ik geregeld de behoefte de lange trap af te dalen naar de krochten van de mij zo geliefde schuilkelder annex boekenhemel op kibbutz Yasur te Israël & me vol verwachting te wenden tot de oude Ismaël, met de vraag of hij toevallig nog iets had liggen over het leven van Theodor Herzl of Ben Yehuda. Ismaël is niet meer, maar het verlangen zal wel altijd blijven bestaan.

Kort Dag – Atilla Jozsef (1905 – 1937)

Voetstappen in de sneeuw

 

Atilla Jozsef werd geboren in een Grieks orthodox gezin te Boedapest op 11 april 1905. Hij was drie jaar oud toen zijn vader ( Aron Jozsef – van Roemeense of Servische afkomst) het gezin in de steek liet. (Lange tijd werd gesuggereerd dat Aron de benen had genomen richting Amerika, maar hij bleek niet verder te zijn gekomen dan Roemenie, waar hij in November 1937 zou komen te overlijden – slechts enkele weken voor zijn zoon voor eeuwig de ogen sloot.) Na het vertrek van de vader des huizes zag Atilla’s moeder Borbala Pocze, zich genoodzaakt Ätilla en zijn zuster via de kinderbescherming bij een boerenfamilie in Ocsod onder te brengen. Alwaar hij werkzaam was als varkenshoeder, zoals de meeste kinderen in het dorp. Toen hij zeven was, had zijn moeder de financiële middelen om haar kinderen weer bij zich te laten wonen. Maar desalniettemin hadden de drie kinderen die het gezin telde, een alles behalve gemakkelijke jeugd. Jozsef werd op een gegeven moment naar een internaat gestuurd, alwaar hij een uitblinkend student bleek te zijn.

 

Op zijn vijftiende overleed zijn moeder. De bedelaar van schoonheid uit 1922, zijn eerste poëziebundel werd gepubliceerd met een introductie van Gyula Juhasz (1883 – 1937) een oudere dichter, die als mentor diende voor de jonge Atilla. Jozsef begon aan een studie Frans & Hongaars aan de universiteit van Szeged, maar werd verzocht zijn studie te staken, toen Antal Horger ( 1872 – 1946 ) een professor met groot aanzien aanstoot nam aan de anarchistische ondertoon van het gedicht “met een puur hart ” uit 1925.

 

With a pure heart

 

I have no father and no mother,

I have no country and no god.

I have no lover in my bed

I won’t be buried when I’m dead

 

For three days now I didn’t eat,

not even a piece of bread.

My twenty Years are my power –

I’ll sell them to the first comer.

 

If no one needs my twenty years,

the devil takes them, it appears.

With a pure heart, I’ll burn and loot.

If I have to, I’ll even shoot.

 

They’ll catch me and string me up,

with the good earth cover me up,

and death-bringing grass will start

growing from my beautiful, pure heart.

 

(vertaald door John Bátki)

 

atilla-jozef1

 

Daarop vertrok hij naar Wenen om met behulp van zijn zwager aan de universiteit aldaar te kunnen studeren. Een jaar later studeerde hij aan het Sorbonne te Parijs. In Parijs las hij Hegel, Marx & Lenin en na zijn terugkeer in Boedapest sloot hij zich aan bij de illegale communistische partij in 1930. Maar al snel hadden de Hongaarse communisten kritiek op zijn ideeën om het marxisme te combineren met de ideeën van Freud & Croce, en verbrak hij zijn banden met de partij uiteindelijk in 1935. In het jaar daarop, richtte hij het periodiek Szep Szo (Mooi Woord) op van stedelijke radicalen die zich verzette tegen de populistische beweging der Hongaarse communisten. Hij was een gepassioneerd felle tegenstander van de gevestigde orde & autoriteiten. Beïnvloed door het surrealisme ontwikkelde hij zich tot een marxistisch geïnspireerd dichter. In zijn sociaal politieke poëzie verwoorde hij op een indringende toon de materiële en morele nood van het arbeiders proletariaat en uitte daarnaast felle kritiek op de heersende staatsorde. Natuurlijke vormbeheersing en creatief aan de volkslyriek ontleend taalgebruik gaven zijn werk grote allure. Nadat hij zijn geloof in het Communisme had verloren en hij enkele ongelukkige liefdes affaires achter de rug had raakte hij steeds meer in zichzelf gekeerd & pleegde uiteindelijk zelfmoord door zich voor een trein te werpen.

 

Als scholier had Atilla al 2 zelfmoordpogingen ondernomen. De tweede bestond uit het slikken van een zestigtal aspirines. (Naar alle waarschijnlijkheid van middelmatige kwaliteit aangezien vandaag de dag een hoeveelheid van 30 paracetamol al als dodelijk wordt beschouwd) Op zijn 17e c.q.18e nam hij het besluit dat hij zich maar op een wijze van het leven wenste te beroven, namelijk door zich door een trein de dood in te laten slepen. Op die leeftijd legde hij zich dan ook op een avond op de rails, maar moest het meemaken dat de naderende trein op enige afstand van hem tot stilstand kwam, aangezien op die plek iemand anders zich met dezelfde doodswens op de rails had neergevlijd.

 

Vijftien jaar later pleegde Atilla alsnog zelfmoord door zich voor een vertrekkende trein te werpen. Dit gebeurde te Balatonszarszo, een voorstadje van Boedapest op 03.12.1937, nadat de dichter blootsvoets, verhongerd & ten prooi aan waanzin dagenlang had rondgezworven.

 

 

 

jozsef_attila3

 

In Boedapest hangt in het kamertje waar Atilla Jozsef werd geboren een foto die zijn dood symboliseert: voetsporen in de sneeuw op een spoorwegemplacement Sinds 11 april 1964 is hier het museum The Atilla Jozsef memorial room gehuisvest.

 

Werken van Atilla Jozsef.

 

1931 Munkasok (Werkers) politiek geancarceerde poëzie

1932 Kulvarosj ej (Nacht in de buitenwijken)

1933 A varos peremen (On the outskirts of het city)

1934 Ezsemelet (bewustzijn)

1940 J.Jozsef J.A. elete

1948 J.A Osszes versei

 

In 1950 werd de Jozsef Atilla prijs ingesteld – de belangrijkste Hongaarse onderscheiding op literair gebied.

 

1966 Poems – maar ook vandaag de dag verschijnen er nog regelmatig nieuwe selecties uit zijn werk in vertaling, zoals:

 

transparent20lion

Kort Dag – Oliver Madox Brown (1855 – 1874)

 oliver_madox_brown3

Oliver Madox Brown werd geboren op 20 januari 1855 te Finchley, Middlesex als zoon van de schilder Ford Madox Brown & diens tweede vrouw Emma Hill.

Oliver die luisterde naar de roepnaam Nolly, groeide op als een enigszins eigenaardig joch, dat een rat als huisdier had & ‘s nachts vaak lange wandelingen maakte, geregeld vergezeld door diens vriend, de blinde dichter Philip Bourke Marston (1850 – 1887).

Begon poëzie & proza te schrijven op zijn 13e en exposeerde de daaropvolgende jaren verschillende schilderijen in the Royal Academy & Londense galleries.

Gabriel Denver (1873) zijn eerste prozastuk, was het enige dat hij gedurende zijn korte leven ooit zou publiceren.

oliver-madox-brown4

Hij stierf op 05 november 1874, slechts 19 jaar oud, aan bloedvergiftiging, naar men aanneemt door jarenlange blootstelling aan verontreinigde lucht in een ondergrondse stal, die precies onder zijn slaap en studeerkamer was gevestigd.

Hij liet 2 onafgeronde romans, verschillende verhalen en gedichten achter, die in 2 delen door William M Rossetti (zijn zwager) & Francis Hueffer verzameld werden onder de titel: The dwale bluth, Hedbitah’s legacy & other literary remains (1876), welk hier integraal na te lezen is.

Sonnet

No more these passion-worn faces shall men’s eyes
behold in life.

Death leaves no traces behind
of their wild hate and wilder lover, grown blind
in desperate longing, more than the foam which lies

Splashed up awhile where showered spray descries
the waves whereto their cold limbs where resign’d;
yet over doth the sea-wind’s undefin’d
vaque wailing shudder with their dying sighs.

For all men’s souls ‘twixt sorrow and love are cast
as on the earth each lingers his brief space,
while surely nightfall comes where each man’s face

in death’s obliteration sinks at last
as a deserted wind-tossed sea’s foam-trace–
life’s chilled boughs emptied by death’s autumn-blast.

© Oliver Madox Brown

Kort Dag – Hirsch Glik (1922 – 1944)

 hirsch

 

Hirsch Glik werd in 1922 (hoewel er ook bronnen zijn die melding maken van 1920) in het Litouwse Vilna geboren als zoon van Joodse ouders. Zijn vader was aldaar werkzaam als voddenboer annex handelaar in tweede hands kleding. Op zijn dertiende begon Hirsch met het schrijven van gedichten (voornamelijk in het Jiddisch) en was medeoprichter van een genootschap voor jonge dichters, dat luisterde naar de naam Yungvald. Voor korte tijd heeft hij gestudeerd maar diende zijn studie te staken door de heersende armoede die ook het gezien Glik getroffen had, waardoor hij noodgedwongen een baantje diende te zoeken. Eerst in de papier-verwerkingsindustrie, en later in een ijzerwinkel.

Toen de Duitsers Vilna bezetten in 1941, werd hij gearresteerd en gevangen gezet om later doorgevoerd te worden naar het in een moeras gelegen kamp Waisse Wake, alwaar de gevangenen de gehele dag turf diende te sjouwen. Toen het kamp gesloten werd, brachten de Duitsers hem weer terug naar het Getto van Vilna. Waar hij werkzaam was voor de ondergrondse Partizaanse beweging FPO, deelnam aan de opstand van 1942 en zich veelvuldig bewoog binnen de literaire en artistieke cirkels.

 In september 1943 werd hij op transport gezet naar een van de vele concentratiekampen in Estland, waar vele gevangen overleden ten gevolge van de erbarmelijke leefomstandigheden.

 

Ondertussen bleef Glik zijn gedichten vervaardigen op elk materiaal dat hij maar voor handen kreeg. In 1944 ontsnapte hij, toen de Russen het kamp omsingelde, en deed een poging de Partizanen te bereiken, maar verdween. Naar alle waarschijnlijkheid is hij ten prooi gevallen aan vijandige soldaten in de omgeving.

 

  

 Der Partisan - Lutz van Dijk

 

  

Zijn gedicht “Zog Nit Keyn mol, as du gejsst dem letzn weg” (Partizaner Lied) werd de hymne van de ondergrondse beweging. Het lied werd in vele kampen gezongen, gespeeld en gehumd, aangezien het in enkele regels de ziel, de essentie van het Joodse verzet blootlegde. Zoals gezegd kende veel gevangen de gedichten van Glik uit het hoofd en gaven die vervolgens dan weer door aan anderen. Naast het partizanerlied gold dat bijvoorbeeld ook voor het gedicht “Shtil, di nakht iz oyzgesthermt , dat door vrienden werd verstopt en in het kort verhaalt over de heroische daden van Vitke Kempner, een vrouwelijke verzetsheldin, die deelnam aan het opblazen van een trein met daarin zo’n tweehonderd Duitse soldaten. De eerste succesvolle sabotage actie van de ondergrondse beweging te Vilna. Anderen werden begraven teruggevonden in het Getto van Vilna, maar het grootste deel van zijn oeuvre wordt verloren gewaand.

 

The Partisan’s Hymn

 

Never say that there is only death for you

though leaden skies may be concealing days of blue

because the hour that we have hungered for is near;

beneath our tread the earth shall tremble: we are here!

 

From land of palmtree tot the far off land of snow

we shall be coming with our torment and our woe,

and everywhere out blood has sunk into the earth

shall our bravery, our vigor blossom forth!

 

We’ll have the morning sun to set our day aglow,

and all our yesterdays shall vanish with the foe,

and if the time is long before the sun appears,

then let this song go like a signal through the years.

 

This song was written with our blood and not with lead;

it’s not a song that summer birds sing overhead.

It was a people, among toppling barricades,

that sang this song of ours with pistols and grenades.

 

So never say that there is only death for you.

Leaden skies may be concealing days of blue -

yet the hour that we have hungered for is near;

beneath our tread the earth shall tremble: we are here!

 

© Hirsch Glik

Bron : Der Partisan – Lutz van Dijk

Word Lid

Opererend onder de vleugels van de internationale denktank Novo Universalis zoeken wij mensen die mee willen werken intelligente oplossingen te bieden voor wereldproblematiek en wetenschappelijke of filosofische vraagstukken.

Klik hier om je te registreren

Ad network
Kunst Nieuws