Jürgen Smit

Kort Dag – Oliver Madox Brown (1855 – 1874)

 oliver_madox_brown3

Oliver Madox Brown werd geboren op 20 januari 1855 te Finchley, Middlesex als zoon van de schilder Ford Madox Brown & diens tweede vrouw Emma Hill.

Oliver die luisterde naar de roepnaam Nolly, groeide op als een enigszins eigenaardig joch, dat een rat als huisdier had & ‘s nachts vaak lange wandelingen maakte, geregeld vergezeld door diens vriend, de blinde dichter Philip Bourke Marston (1850 – 1887).

Begon poëzie & proza te schrijven op zijn 13e en exposeerde de daaropvolgende jaren verschillende schilderijen in the Royal Academy & Londense galleries.

Gabriel Denver (1873) zijn eerste prozastuk, was het enige dat hij gedurende zijn korte leven ooit zou publiceren.

oliver-madox-brown4

Hij stierf op 05 november 1874, slechts 19 jaar oud, aan bloedvergiftiging, naar men aanneemt door jarenlange blootstelling aan verontreinigde lucht in een ondergrondse stal, die precies onder zijn slaap en studeerkamer was gevestigd.

Hij liet 2 onafgeronde romans, verschillende verhalen en gedichten achter, die in 2 delen door William M Rossetti (zijn zwager) & Francis Hueffer verzameld werden onder de titel: The dwale bluth, Hedbitah’s legacy & other literary remains (1876), welk hier integraal na te lezen is.

Sonnet

No more these passion-worn faces shall men’s eyes
behold in life.

Death leaves no traces behind
of their wild hate and wilder lover, grown blind
in desperate longing, more than the foam which lies

Splashed up awhile where showered spray descries
the waves whereto their cold limbs where resign’d;
yet over doth the sea-wind’s undefin’d
vaque wailing shudder with their dying sighs.

For all men’s souls ‘twixt sorrow and love are cast
as on the earth each lingers his brief space,
while surely nightfall comes where each man’s face

in death’s obliteration sinks at last
as a deserted wind-tossed sea’s foam-trace–
life’s chilled boughs emptied by death’s autumn-blast.

© Oliver Madox Brown

Kort Dag – Hirsch Glik (1922 – 1944)

 hirsch

 

Hirsch Glik werd in 1922 (hoewel er ook bronnen zijn die melding maken van 1920) in het Litouwse Vilna geboren als zoon van Joodse ouders. Zijn vader was aldaar werkzaam als voddenboer annex handelaar in tweede hands kleding. Op zijn dertiende begon Hirsch met het schrijven van gedichten (voornamelijk in het Jiddisch) en was medeoprichter van een genootschap voor jonge dichters, dat luisterde naar de naam Yungvald. Voor korte tijd heeft hij gestudeerd maar diende zijn studie te staken door de heersende armoede die ook het gezien Glik getroffen had, waardoor hij noodgedwongen een baantje diende te zoeken. Eerst in de papier-verwerkingsindustrie, en later in een ijzerwinkel.

Toen de Duitsers Vilna bezetten in 1941, werd hij gearresteerd en gevangen gezet om later doorgevoerd te worden naar het in een moeras gelegen kamp Waisse Wake, alwaar de gevangenen de gehele dag turf diende te sjouwen. Toen het kamp gesloten werd, brachten de Duitsers hem weer terug naar het Getto van Vilna. Waar hij werkzaam was voor de ondergrondse Partizaanse beweging FPO, deelnam aan de opstand van 1942 en zich veelvuldig bewoog binnen de literaire en artistieke cirkels.

 In september 1943 werd hij op transport gezet naar een van de vele concentratiekampen in Estland, waar vele gevangen overleden ten gevolge van de erbarmelijke leefomstandigheden.

 

Ondertussen bleef Glik zijn gedichten vervaardigen op elk materiaal dat hij maar voor handen kreeg. In 1944 ontsnapte hij, toen de Russen het kamp omsingelde, en deed een poging de Partizanen te bereiken, maar verdween. Naar alle waarschijnlijkheid is hij ten prooi gevallen aan vijandige soldaten in de omgeving.

 

  

 Der Partisan - Lutz van Dijk

 

  

Zijn gedicht “Zog Nit Keyn mol, as du gejsst dem letzn weg” (Partizaner Lied) werd de hymne van de ondergrondse beweging. Het lied werd in vele kampen gezongen, gespeeld en gehumd, aangezien het in enkele regels de ziel, de essentie van het Joodse verzet blootlegde. Zoals gezegd kende veel gevangen de gedichten van Glik uit het hoofd en gaven die vervolgens dan weer door aan anderen. Naast het partizanerlied gold dat bijvoorbeeld ook voor het gedicht “Shtil, di nakht iz oyzgesthermt , dat door vrienden werd verstopt en in het kort verhaalt over de heroische daden van Vitke Kempner, een vrouwelijke verzetsheldin, die deelnam aan het opblazen van een trein met daarin zo’n tweehonderd Duitse soldaten. De eerste succesvolle sabotage actie van de ondergrondse beweging te Vilna. Anderen werden begraven teruggevonden in het Getto van Vilna, maar het grootste deel van zijn oeuvre wordt verloren gewaand.

 

The Partisan’s Hymn

 

Never say that there is only death for you

though leaden skies may be concealing days of blue

because the hour that we have hungered for is near;

beneath our tread the earth shall tremble: we are here!

 

From land of palmtree tot the far off land of snow

we shall be coming with our torment and our woe,

and everywhere out blood has sunk into the earth

shall our bravery, our vigor blossom forth!

 

We’ll have the morning sun to set our day aglow,

and all our yesterdays shall vanish with the foe,

and if the time is long before the sun appears,

then let this song go like a signal through the years.

 

This song was written with our blood and not with lead;

it’s not a song that summer birds sing overhead.

It was a people, among toppling barricades,

that sang this song of ours with pistols and grenades.

 

So never say that there is only death for you.

Leaden skies may be concealing days of blue -

yet the hour that we have hungered for is near;

beneath our tread the earth shall tremble: we are here!

 

© Hirsch Glik

Bron : Der Partisan – Lutz van Dijk

De nieuwe Benders



'Wat koop ik voor jouw donkerwilde machten, Willem' heet de nieuwe dichtbundel van Martijn Benders.

Hoe het kan dat één ongeordende, doorgaande stroom gedichten, op het oog zonder plan of doel, opbouw of richting geschreven, zo kan fascineren is lastig
uit te leggen.


Abe de Vries, De Contrabas

Lees de recensie

Koop de bundel nu!