Korte bespreking van ‘Zoals een haan een ei legt’

Vorige week kreeg ik ‘Zoals een haan een ei legt’ binnen, een dichtbundel waarin de 100 beste gedichten uit de Turing wedstrijd, of tenminste de 100 gedichten die de jury het beste vond, gebundeld zijn. Ook mijn gedicht ‘De Aanslag’ is er in terug te lezen. Overigens niet in definitieve vorm, want ik vind het gedicht nog niet helemaal goed, dus voor de uiteindelijke bundelversie ga ik er nog wat aan sleutelen – dat krijg je als je noodgedwongen vers werk in moet sturen.

Van de bundel had ik niet veel verwacht. Omdat ik de top 3 in die wedstrijd geen van 3en een goed gedicht vond, en de gedichten op die website van dat radioprogramma grotendeels maar matig vond, dus de verwachtingen waren niet hooggespannen. Wat ik bijvoorbeeld heel bevreemdend vond is te horen dat de dichter van het gedicht dat de tweede prijs won (René Guljé met het gedicht Mirandabad 1954) ‘Ik heb het vleesmes van angst in mijn badtas’ de beste regel uit zijn gedicht vond terwijl voor mij juist die zin dat hele gedicht verpeste. Ik vond het wel een aardig gedicht tot die regel voor de dag kwam, toen dacht ik ‘nee nee weg ermee’. Raar is dat fenomeen: dat wat iemand anders als hoogste goed ziet voor jou juist het tegendeel is.

Maar goed: de bundel ‘Zoals een haan een ei legt’ valt me eigenlijk enorm mee. Er staan aardige, leuke, en een paar goede gedichten in. Kun je eigenlijk meer verwachten van een enkele wedstrijd? Naar mijn idee niet. Ik denk zelf dat 5 juryleden een ramp is – zou het mijn keuze zijn dan zou ik altijd, voor welke prijs dan ook, maximaal twee juryleden instellen. Bij drie begint namelijk het compromis. Dat is het compromisnummer. Bij twee heb je hoogstens kans op slaande ruzie. 1 Jurylid, dat lijkt me nog de meest ideale omstandigheid. Dan weet je tenminste wat je voor je hebt.

Interessant is het om dit boek te vergelijken met de ‘Jaarkalender poezie 2010′ die ik enkele maanden eerder ontving. Samengesteld door Victor Schiferli en die dame wiens naam ik nooit kan onthouden Tjietske ofzo. Ik heb die kalender dagelijks al badend doorgenomen. Schiferli is een typische exponent van de middelmaatelite in Nederland: zijn pedante bespreking van Duinkers bundel in de Trouw sprak wat dat betreft boekdelen: “ach, doe eens normaal, doe eens rustig, je kop steekt boven het maaiveld uit” was de kernboodschap van de recensie. In de gedichten die hij voor deze ‘poeziekalender 2010′ verzamelde valt dan ook geen lijn of smaak te ontdekken. Sterker nog, uit de keuze uit mijn werk (ik was met twee gedichten opgenomen) kan ik afleiden dat het eerste gedicht uit de bundel en het gedicht wat Jaeggi ooit op zijn weblog publiceerde als werken geselecteerd werden. Geen van beiden mijn beste werken of representatief voor de bundel: geen van beiden ‘toegankelijk voor een groot publiek’ of anderszins een excuustruus voor een akwalitatief selectieproces: er is duidelijk ‘gegrepen wat voor handen lag’ met ook nog zo’n irritant stukje consensusgedrag (Jaeggi zette het op zijn log dus het moet wel goed zijn)

De kalender heb ik heel goed doorgelezen. Er staan een paar hele goede gedichten in. Er staat een gigantische berg slappe, impressionistische werkjes in, tweederangs poezie, museale kitsch, stilleventjes van nonentiteiten, en ga zo door.

En dat is dan het creme de la creme van de Nederlandse poeziescene? Niet om het een of ander, maar die kalender is niks beter dan deze bundel ‘Zoals een haan een ei legt’ die toch grotendeels vol staat met zogenaamde amateurdichters. En dat zet je toch aan het denken.

Natuurlijk, dat hele gedoe stelt geen klap voor. Bekend zijn in Nederland is een gehuchtenhobby. Maar was dat nu juist de inzet van de Turing niet: kijken of er via een andere methodiek (geen ‘ons kent ons’) andere poezie boven komt drijven? Klaarblijkelijk wel. En dat is iets waar je alleen blij mee kunt zijn. Misschien toch een nieuwe orde, al is het dan maar voor even.

Martijn Benders, Istanbul, 12-02-2010

Festivalcultuur is een vorm van instantcultuur

Festivalcultuur is een vorm van instantcultuur

Een vervolg van ons interview met M.H.Benders, Dichter des Vaderlands i.o.

Heer Benders, u eindigde op plaats 11 in de Turing Nationale Gedichtenwedstrijd. Wat is uw reactie?

Een fantastisch resultaat! Als het even zou kunnen zou ik het liefst eeuwig op Nr 11 staan, want het is toevallig ook mijn favoriete getal. Naar ik heb begrepen was het een mooie, vlekkeloos georganiseerde avond. Wel jammer vond ik dat ik de voordracht van mijn gedicht door Vrouwkje Tuinman heb moeten missen. Ik had dit keer weinig ludieks geregeld omdat mijn instinct zei dat ik niks zou gaan winnen, op het laatste moment even Eddy Warmerdam toestemming gegeven het podium op te klimmen als mij zijnde maar Eddy vond het allemaal te formeel. Groot gelijk heeft ie.

Toch klinkt er ook veel kritiek op de wedstrijd vanuit allerlei bronnen

Je hebt natuurlijk enerzijds de mensen die ontgoocheld zijn omdat hun verwachtingen niet waarheid werden, en anderzijds een soort hobby-elite die de wedstrijd vooral geboycot hebben omdat zij hun hobby-status niet onder ogen willen zien. Het was een prima wedstrijd. Het winnende gedicht is niet naar ieders smaak – nou en? Wanneer je kiest voor een kapitalistische aanpak in plaats van de gebruikelijke sociale-gilde aanpak betekent dat niet perse dat het eindresultaat ook beter zal zijn. Dat is ook niet zo heel erg van belang. De Turing is van oorsprong een test. Uit de testresultaten blijkt dat geweldige poezie erg zeldzaam is. Dat vind ik een heel mooi testresultaat. Ik denk persoonlijk niet dat de gebruikelijke gilde-aanpak een veel spannender resultaat zou hebben opgeleverd.

Ik ben wel van mening dat de prijs verhoogd moet worden naar een ton. Dat zal het komische effect hebben dat zelfs de meest verstokte hobby-elitair zijn principes laat varen. En dat is natuurlijk het leukste aspect aan die hele Turing wedstrijd. Het was vooral leuk te horen welke bekende dichters het niet gehaald hadden.

Wat is een ‘hobby-elitair’ in vredesnaam?

Een hobby-elitair is iemand die meent dat elitair zijn een soort hobby is, welke je beoefent wanneer jouw ‘vakgebied’ aan de orde komt. Mensen die nergens verstand van hebben, behalve van bijv het fokken van kanaries. En zodra het over het fokken van kanaries gaat duiken ze op en voelen ze zich almachtig, superieur en verheven boven alles en iedereen. Dat is voor mij een hobby-elitair.

Er klinkt stevige kritiek door op uw plannen om alle festivals, bladen en instellingen af te schaffen zodra u Dichter des Vaderlands bent geworden. U zou een cultuurbarbaar zijn die op cultuurvernietiging uit is. Uw reactie?

Onzin. U dient te begrijpen dat die hele festivalcultuur in onze maatschappij een vorm van instantcultuur is geworden. Het is pure fastfoodcultuur: snel even wat ‘cultuur’ opsnuiven vanavond dan hoor ik er weer bij, dan heb ik iets zinnigs gedaan. Noemt u mij eens vijf festivals die in 1922 plaatsvonden?

Euhhh….

Juist. Niks blijvends aan: het is instantcultuur. Een vorm van instantcultuur die daarnaast ook nog eens bijna alle financiele middelen opslokt. Dat is een absurde situatie. Dichters zitten op een houtje te bijten om blijvende cultuur te kunnen scheppen of worden gedwongen in het instantcultuurcircus mee te draaien om zo een karige boterham bijeen te verdienen. Ik ben niet tegen festivals maar je wordt er mee dood gesmeten tegenwoordig – feitelijk functioneren ze als stedelijke statussymbolen. Als de spreekwoordelijke dikke auto voor de deur van de gemeente, die een dikkere auto dan de buurman wil hebben. Dat kun je allemaal als ‘cultuur’ definieren, maar ik vind dat persoonlijk een heel andersoortig fenomeentype.

Wat is dan wel ‘blijvende cultuur’ volgens u?

De waarheid is dat Nederland feitelijk helemaal geen cultuur heeft. Om tot een cultuur te mogen worden gerekend vind ik drie elementen van cruciaal belang:

1. Het hebben van een eigen taal
2. Het hebben van een eigen, levende keuken
3. Het hebben van eigenaardige dansjes met bijbehorende leuke kleding.

Een taal hebben we nog, dus dat zit nog snor. Helaas hebben we echter de karige kookkunsten die we vroeger nog wel bezaten aan de wilgen gehangen. Ook zijn de mensen totaal het dansen verleerd. Ergo, onder deze vrij gebruikelijke definitie is van een ‘eigen cultuur’ totaal geen sprake meer.

Je kunt dan festivalletjes organiseren tot je een ons weegt om dat te verdoezelen. Mijn idee is anders: hou op met die onzin en pak de kernproblemen aan: leer het volk koken en dansen. Pas dan komt er uitzicht op een levende, Nederlandse cultuur.

Maar u kunt zich toch voorstellen dat mensen die zich enorm inzetten op cultureel vlak niet graag horen dat u die cultuur dood verklaart omdat ze niet kunnen koken of dansen?

Allemaal gehersenspoelden. Ze zien niet dat ze in een modderhut wonen. Wat kan mij het geroer in die modder schelen, de basis is niet goed. Cultuur kan alleen ontstaan als de basis goed gelegd is. Neem nou bijvoorbeeld die Amerikanen eens. Schatten van mensen, doorgaans, daar gaat het niet om. Maar het zijn mensen zonder basis. Mensen die niet eens een eigen taal hebben. Mensen die niet weten wat echt voedsel is. Mensen die nooit eens met een ander mens dansen. En dan krijg je het gelazer: oorlog hier, idiotie daar, massademocratie, waanzin. Zonder basis blijf je nergens. Een losgeslagen boei, daar heeft niemand wat aan. En dat is wat al die ‘cultuur’ van ons is.

Die hele zogenaamde immigratieproblematiek kon alleen ontstaan omdat wij volstrekt geen cultuur hebben. Er wordt dus ook helemaal niks ‘bedreigd’. Echte cultuur valt helemaal niet te bedreigen. Het idee alleen al!

Een kordaat cultureel beleid staat of valt met een massale aanval op de keuken en de dansvloer.

Hoe staat u tegenover iemand als Geert Wilders, die kunstenaars vooral als uitzuigers ziet?

Er bestaan veel misverstanden over figuren als Wilders. Misverstanden die ook vooral door zijn zogenaamde ‘tegenstanders’ de wereld in worden geholpen. U dient te begrijpen dat Wilders een typische Haagse insider is, die met veel disdain neerkijkt op het ‘klootjesvolk’ waarvoor hij speelt op te komen. Die man is in-en-in Den Haag: hij is een belichaming van het systeem zelf dat, door hem uit te vinden, zijn eigen illusies weer weet op te poken. Wilders is voor het systeem broodnodig. Ik ken persoonlijk bijna niemand die nog in de democratie gelooft. Ik ken persoonlijk bijna niemand die nog meent dat wij in een echte democratie leven. In zo’n situatie is een persoon als Wilders onmisbaar: wie zou er nog gaan stemmen, behalve als er zo’n ‘gevaar’ dreigt? De werkelijkheid is echter een hele andere: dat is dat het grootkapitaal al geruime tijd doorheeft dat het de democratie eigenlijk totaal niet nodig heeft om te kunnen functioneren. Dat het misschien wel veel beter functioneert zonder democratie. Dat o.a. door Zizek gesignaleerde probleem is zeer, zeer nijpend en de feitelijke oorzaak dat we de laatste 10 jaar meer en meer zien dat het ‘chroomlaagje’ over ons systeem begint af te brokkelen. Het was altijd maar een laagje, maar wel een laagje dat zeer zorgvuldig in stand werd gehouden. De laatste tien jaar zien we echter dat men het zelfs met dat laagje niet meer zo nauw neemt. Het is alsof het de machthebbers niets meer kan schelen of ze nog moreel of democratisch lijken. Dat is de politieke werkelijkheid waarbinnen u een figuur als Wilders moet plaatsen.

Wordt vervolgd…

Interview met M.H.Benders, Dichter des Vaderlands i.o.

Interview met M.H.Benders, Dichter des Vaderlands i.o.

Loewak plaatst vandaag dit exclusieve interview met Dichter des Vaderlands i.o. M.H.Benders, de in Istanboel woonachtige dichter, filosoof en muzikant die tot nog toe als enige kandidaat in de race is om de volprezen Ramsey Nasr als DDV op te volgen.

Heer Benders, waarom wilt u graag Dichter des Vaderlands worden?

Er is tegenwoordig duidelijk behoefte aan krachtig en kordaat leiderschap met visie. Wij leven in duistere tijden. Om te voorkomen dat de positie van DDV door een populist zal worden bezet heeft Novo Universalis, een besloten literair vennootschap, besloten mij te nomineren voor de functie. Ik lijk alsnog de enige kandidaat en dat verbaast me niets.

Uw kernprogramma is niet voor de poes. Zo lezen we onder andere dat u ‘alle literaire instellingen, blaadjes, stichtingen, fondsen en festivals’ wilt opheffen? Verklaar u nader?

Momenteel zijn wij als samenleving in een culturele impasse verzeild geraakt, een perspectivistisch probleem. Onder het ‘Van der Ploeg’ model voor kunstsubsidiering is het idee dat de kunstgroei het beste gestimuleerd wordt door haar zo dienstbaar mogelijk aan de samenleving te maken, en die dienstbaarheid komt tot uitdrukking in het organiseren van talloze literaire events die allemaal het doel dienen een avondje vermaak te bieden voor het Volk zogenaamd uit didactische overwegingen. In de praktijk zie je echter dat deze structuur een afspiegeling van de politieke laag erboven is: er zitten directeuren met enorme salarissen, die volksvermaak avondjes organiseren waar dichters voor een glaasje ranja of een boekenbon komen voorlezen. Het financiele zwaartepunt ligt dus ook hier niet op cultuur, maar op managersniveau: het is de referentiele economie die het kunstbeleid op sluipende wijze heeft vervangen.

Novo Universalis is van mening dat het huidige letterenbeleid ernstig tekort schiet, in de zin dat het het inhoudelijke en financiele zwaartepunt totaal fout delegeert. Doel van de poezie en de literatuur is ons inziens absoluut niet om het ‘volk vermaaksavondjes’ te bieden, maar om een maatschappelijke voortrekker te zijn in de strijd tegen de imbecilisering en afstomping van onze maatschappij.

Om hier verandering in te brengen dienen drastische systeemwijzigingen te worden doorgevoerd. Novo Universalis pleit niet alleen voor het afschaffen van de bestaande structuren maar brengt er ook iets voor in de plaats: alle financiele middelen dienen door een nieuw op te richten Fonds der Kritiek aan de meest waardevolle dichters in de vorm van een miljoenenbonus te worden uitgekeerd.

Juist op dit punt kreeg u veel kritiek te verduren. U zou uit eigenbelang handelen, uw plan zou geen enkel politiek draagvlak hebben, wat heeft u daarop te zeggen?

Wij hebben al een lijst opgesteld van dichters die door het Fonds der Kritiek in de eerste ronde een miljoenenbonus toegewezen krijgen. Zoals u ziet sta ik daar zelf niet bij. In de eerste ronde ontvangen de volgende burgers een miljoen subsidiebonus wegens grote verdienstelijkheid aan de Nederlandse literatuur:

Leo Vroman
Arjen Duinker
Nachoem M. Wijnberg
Peter Verhelst
Wislawa Szymborska

Zoals u ziet prijkt er ook een buitenlandse naam op de lijst. Op deze wijze stimuleren wij ook de onafhankelijkheid van de buitenlandse poezie, meer dan met het organiseren van een festivalletje.

Wat politiek draagvlak betreft: draagvlak moet je scheppen. Het zijn juist de burgers die het draagvlak moeten consumeren. Een van de politieke gevolgen van ons plan is dat er een grote kans bestaat dat als gevolg van ons plan Geert Wilders een hartaanval zal krijgen. Alleen al om die reden is het een prima plan. Daarnaast is het adopteren van het kapitalistische systeem modern en dienen de socialisten de laan uit te worden gewerkt met hun pappen en nathouden cultuurtje. Het wordt tijd dat we alles op alles gaan zetten: door cultuur de hoogste maatschappelijke beloning toe te kennen bieden wij de burger blik op een ontsnappingsmogelijkheid uit het systeem: schrijf prachtige gedichten en je zult door het systeem verlost worden van je zorgen. De huidige regelingen bieden zo’n uitzicht niet, wat tot gevolg heeft dat de literatuur voor de meeste mensen geen aantrekkelijke optie is. Zodra mensen met een bepaalde kunde miljonair kunnen worden is het hek echter van de dam. En aangezien men om goede poezie te kunnen schrijven ook veel goede poezie moet lezen is ons plan de beste garantie voor de overlevingskansen van de literatuur als zodanig. Daar is simpelweg geen twijfel over mogelijk.

Sommige critici zetten u weg als een ‘beroepsquerelant’ die alleen uit is op het schoppen van herrie

Wij worden tegengewerkt door diverse krachten binnen het huidige literaire bestel. Van deze tegenwerking zijn wij ons zeer bewust en wij maken er aantekening van. Om de reaktionaire machten het literaire veld uit te werken zullen wij de handen uit de mouwen moeten steken. Het is de verantwoordelijkheid van de literaire burger waar hij of zij ook kan de nieuwe orde te verkondigen.

Is dit dezelfde ‘nieuwe orde’ waarvan ook gewag wordt gemaakt door de Bezige Bij op de omslag van de nieuwe bloemlezing van dichters jonger dan 32 jaar?

Wij zijn bekend met dit werk, en met deze uitspraak. Vooralsnog weigeren wij echter er commentaar op te geven.

U maakt zelf ook deel uit van de top 100 van de Turing gedichtenwedstrijd. Is dit een wedstrijd die ideologisch strookt met de door u beoogde politieke omslag?

Ja, de Turing prijs is een prima initiatief dat dezelfde modernisering die ons voor ogen staat op kleinere schaal invoerde. Wel moet ons inzien op termijn de prijs minstens op een ton gezet worden. Dan heeft het winnen van die prijs nog enig maatschappelijk effect. Naar onze inschatting zou bij de hoogte van een ton het aantal inzendingen ook meer dan verdubbelen, dus het is kostendekkend uit te voeren.

U maakte eerder al een aantal plannen bekend, zoals het ‘rookgebod in bibliotheken’ en andere maatregelen die indruisen tegen de kapitaal-liberalistische cultuur. Heeft u nog andere nieuwe plannen?

Dat een rookverbod wordt aangevoerd als een liberalistisch goed is een typisch fenomeen van onze tijd. Wij willen het roken in bibliotheken mogelijk maken omdat dit van bibliotheken een stoer rovershol maakt in plaats van de steriele, saaie omgevingen die ze nu geworden zijn. Ons inziens komt dit de literatuur sterk ten goede. De beeldvorming rond bibliotheken als saaie, steriele en brave plekken slaat terug op de populariteit van de literatuur: jongeren zien het niet als alternatief. Het biedt geen ontsnappingsmogelijkheid, en het heeft een steriel imago. Dat bevecht je niet door net als Charles Ducal ‘in de klas jongeren met poezie te confronteren’ – dat is een PR strategie uit het jaar nul.

Wij zijn voordurend bezig plannen te ontwikkelen omdat wij het DDV-schap bloedserieus nemen. Ik vermeld hier een aantal van de plannen die momenteel in ontwikkeling zijn:

* Wij zijn sterk koningsgezind en absoluut tegen het afschaffen van het koningshuis omdat dit het wezen behelst van onze Nederlandse traditie. Wel gaan er binnen Novo Universalis stemmen op om de rare familie die al een behoorlijke tijd ons koningsshuis bezet houdt te vervangen door een filosoof, naar Plato’s model. Wij menen dat Peter Sloterdijk een goede kandidaat is voor een eerste termijn als Nederlandse Koning.

* Ook geloven wij niet in het afschaffen van de huidige mediatradities. Wij willen echter sterk aandringen een deel van het publieke budget te gebruiken om Slavoj Zizek aan te trekken als voorlezer van het NOS journaal. Blijkt dit niet mogelijk dan lijkt ons Maarten van Rossum een doenlijk alternatief.

*Het onderwijs moet weer herstructureren, maar dit keer met live camera’s erbij zodat iedereen kan meegenieten van de zich ergerende lerarenklasse als een soort leuke realityshow.

*Wekkerfabrikanten moeten belastingvoordelen krijgen wanneer zij in plaats van stress-veroorzakende alarmtonen klassieke dichtregels in hun wekkers gebruiken. Door een sterke band te scheppen tussen de lichamelijke conditie ’s morgens en de poezie is de burger op termijn weerbaarder tegen verleidingen van het vrouwelijk geslacht.

Dit zijn slechts enkele punten uit ons uiteindelijke programma, dat belooft net zo dik te worden als Marx’s ‘Das Kapitaal’. Het is tijd voor de mouwen. Het is tijd voor zoden aan de dijk. Stem miljoenvriendelijk. Stem Benders.

Invloedrijke schrijvers en dichters

De discipline van de filosofie is de meeste schrijvers en dichters vreemd, maar in navolging van Beuys wordt zij wel regelmatig als marketingtool ingezet. Met andere woorden: men poneert ’stellingen’ die men ‘filosofische waarde’ toeschrijft vanuit het idee dat het poneren van zulke stellingen toegevoegde waarde verleend aan het eigen schrijversschap. Met daadwerkelijke filosofie heeft zoiets heel weinig te maken: de filosofie als discipline is niet primair geinteresseerd in het poneren van ‘interessante stellingen’ maar wil juist kijken of zulke stellingen wel op de juiste uitgangspunten gebaseerd zijn. Ik zal dit even met een voorbeeld illustreren.

Sinds de 60′er jaren wordt er binnen de literaire wereld al veel gesproken over een ‘tanende invloed van schrijvers en dichters in het maatschappelijke veld’. Men suggereert bij voortduring dat de ‘invloed’ van schrijvers en dichters steeds geringer wordt in de maatschappelijke ‘discussie’. Vervolgens zie je dat bijna iedereen de methodiek om de ‘invloed’ te vergroten of terug te brengen gaat bediscussieren, en niemand eigenlijk het uitgangspunt van deze stelling onder de loep neemt: is het zo dat er ooit een periode in de Nederlandse geschiedenis geweest is toen schrijvers en dichters grote invloed hadden op het maatschappelijke veld? Naar mijn weten namelijk niet.

Enige discussie op Facebook over dit onderwerp produceerde al snel twee voorbeelden van Nederlandse schrijvers met vermeende invloed: Bilderdijk en Multatuli. Ik zou zelf veel eerder Erasmus genoemd hebben, maar goed, laten we eens kijken hoe deze twee voorbeelden zouden kunnen gelden als ‘maatschappijk invloedrijk’. Allereerst Bilderdijk: een ziekelijke muis tussen de wrede politieke katten die zijn hele leven vocht om hoogleraar te worden maar ondanks het feit dat hij fervent Oranjeaanhanger was zelfs Willem I het niet klaarspeelde hem een hoogleraarpost toegeschoven te laten krijgen. En dat als voorbeeld van een man met invloed? Dat moet welhaast ironisch bedoeld zijn.

Of nee, Multatuli. Zijn hele leven tegengewerkt door de gevestigde orde, uitgerangeerd, verbannen naar Java. Ja, hij schreef een boek over Indie. Was dat zo invloedrijk? Naar mijn weten trok Nederland zich pas 70 jaar later uit Indie terug na een hoop extra misstanden en heeft het boek van Multatuli nauwelijks enige maatschappelijke invloed gehad op het Indie beleid. Zie ik dat niet goed? Ik hoor graag wat bewijzen voor de tegenargumentatie. Sterker nog, volgens mij valt het redelijk goed te beargumenteren dat het boek juist een averechts effect op de situatie had: was het niet dankzij Max Havelaar dat de Nederlandse Staat het idee kreeg een jaar na verschijnen van dat boek dat het alle eilanden volledig onder controle moest hebben en zo juist met dat boek in het achterhoofd een enorm offensief begonnen? Spijkerhard feit dat de ‘misstanden’ opgetekend in Max Havelaar juist een averechts effect hadden: ze waren voor de heersende klasse slechts een teken dat ‘de boel nog niet afdoende onder controle was’. Je moet wel enorm cynisch zijn om daar ‘invloedrijkheid’ in te ontwaren – het schrijvertje Multatuli dat met zijn idealistische boek precies het tegenovergestelde bereikte van wat hij ermee beoogde.

Laten we liever het beestje bij de naam noemen: invloedrijke schrijvers en dichters zijn niet alleen in Nederland maar in heel Europa (op sommige oostbloklanden na) een grote zeldzaamheid. Dat maakt de stelling primair verdacht: er wordt een nostalgie naar invloed opgeroepen die er nooit is geweest. Naar mijn idee is het juist vrij aannemlijk dat tegenwoordig de invloed van schrijvers en dichters groter is dan ooit tevoren. Een schrijver als Maarten van Rossum die live beelden van 911 op het journaal becommentarieert met ‘Oorlog? Wat een gigantische onzin!’ daar valt geen vooroorlogs tegenvoorbeeld voor te geven, en lang niet alleen omdat er toen geen televisie was.

Nee, mijn stelling is nu juist dat het debat over de ‘invloed van schrijvers’ als een marketingtool gebruikt wordt puur en alleen om te pogen de eigen invloed middels suggestieve stellingen te vergroten. Filosofie als marketingtool, compleet in lijn met de kunstenaar Beuys: het is de eeuwige suggestie van het ontbreken van invloed die hier het meest invloedrijk is. Met andere woorden: men heeft geen invloed omdat men weet dat men, zodra men wel invloed heeft, ook verantwoordelijk wordt. Naar mijn idee WILLEN schrijvers en dichters hedentendage geen directe invloed hebben, want die verantwoordelijkheid bevalt hen totaal niet: waar het om gaat is de indirecte invloed die men middels de retorieke truuk van de afwezigheid voortdurend op de achtergrond laat groeien: wij hebben geen invloed, dus zijn wij altijd primair met INVLOED bezig. Men wil dus feitelijk geen directe invloed omdat dit een soort invloed is die de groeimogelijkheden beperkt. De schrijver anno 2009 wil een onbeperkte invloed, en dat is een invloed die altijd primair moet ontbreken, want zou de invloed bestaan dan zou hij zichzelf van nature beperken.

Invloed hebben is in het huidige maatschappelijke veld juist een teken van uitgerangeerd zijn. Je hebt invloed als je er NIET bijhoort, bij de grote massa uitgestotenen. Bij de ongelovigen in het systeem. Ergo, door te suggereren dat je WEL invloed hebt zet je jezelf als geloofwaardige speler ogenblikkelijk buiten spel in de huidige verhoudingen.

Ontvriendcomplex: het woord van 2010?

Ontvriendcomplex: het woord van 2010?

Ik heb recentelijk ontdekt dat ik last heb van een ontvriendcomplex. Het gevolg van het feit dat ik zo nodig een trendsetter wou zijn en het woord ‘ontvrienden’ afgelopen juli jongstleden in de praktijk heb gebracht door de voltallige nederlandse schrijvers en dichtersscene uit mijn facebook te wissen. Dat leverde de nodige verbaasde en soms ook boze reacties op. Wie denkt Benders wel niet dat hij is dat hij me zomaar kan gaan zitten ontvrienden? Ja hoor eens, ik probeer ook maar het willoze vaantje van de tijdgeest uit te hangen in de ijdele hoop dat ik een briesje van de eeuwigheid opvang. Ik was gewoon te lui om selectief te ontvrienden,dus ik dacht de proef op de som te kunnen nemen en te kijken wie ik nou daadwerkelijk zou gaan missen. Inmiddels zijn de gemiste stemmen allen weer teruggekeerd maar ben ik blijven zitten met een enorm ontvriendcomplex. De overheid zou hiervoor moeten waarschuwen. Al die mensen die doodleuk elkaar ontvrienden maar geen idee hebben over de psychologische consequenties.

En het is niet eens allemaal aserieux – de buurmeisjes hebben me ontvriend omdat ik een flirtende duivel ben, Amerikaanse Avantgardedichters ontvrienden me omdat ik vraagtekens zet bij hun filosofische capaciteiten, en ga zo maar even door. Langzaam aan ben ik de meest ontvriende mens van 2009. En dat allemaal alleen om het woord van 2010, ontvriendcomplex, voor de jaarwisseling al doorleefd te hebben. Je moet er wat voor over hebben om avatar van een nieuwe tijd te willen zijn.

Elke dag gehaktdag

Een tijdje terug gaf ik uit de losse pols wat kritiek op het nieuwe ‘platform voor literaire kritiek’ De Reaktor. De crux van mijn argumentatie was dat de opzet van de Reaktor dusdanig in elkaar stak dat elke vorm van polemiek, onder meer door hun algemene voorwaarden, op voorhand onmogelijk werd gemaakt en dat er daarom van ‘literaire kritiek’ geen sprake kon zijn, aangezien de polemiek juist een van de essentiele en onmisbare elementen binnen de literaire kritiek is.

Ook gaf ik op de Contrabas een reaktie op een klaagzang van ene Matthijs de Ridder, een van de oprichters van de Reaktor. Ik schreef daar de volgende twee stukken:

Het grote manko van de Reaktor is niet dat het ‘geen commercie’ is, of ‘meer ruimte’ heeft – het grote manko is juist dat er op de site nauwelijks een kritisch geluid te bespeuren valt. Het is een site voor boekenliefhebbers, niet voor polemisten en critici. In de subsidiecultuur is kritiek per definitie zeldzaam want een criticus overleeft simpelweg niet: de man die hij vandaag afsabelt beoordeelt morgen of hij wel subsidie zal vangen. Middelmaat en voorzichtigheid troef dus, maar waarom die eeuwige drang dat ‘literaire kritiek’ te blijven noemen. Want dat is het gewoon niet.

Waarop Matthijs de Ridder reageerde met:

Mijn pleidooi ging niet over de reactor alleen. Het ging over een cultuur waarin de marketing het overneemt van eerder culturele idealen. Ik loop niet weg voor dit soort idealisme. Bildung, volksopvoeding, schrijf al die scheldwoorden maar op mijn grafsteen. Het gaat erom dat er een midden geschapen is tussen marketing modellen en populisme. En dat midden is, behalve als er geschreeuwd wordt om Kritiek en Polemiek (mijn stuk was overigens polemisch genoeg, gezien de reacties alhier) zonder meer, ook hier te vinden. Ik snap werkelijk niet waarom er toch zo’n vooringenomenheid jegens de reactor heerst hier. Klaarblijkelijk omdat ‘wij’ van de gesubsidieerde tijdschriften het internet nog maar onlangs ontdekt hebben. Wel, ik geloof dat ik al aan online kritiek deed toen de contrabas nog gewoon een boekenreeks was. Ik heb geen behoefte aan oneigenlijke argumenten, maar wil ze best pareren als het nodig is.

Mijn antwoord was vervolgens:

Het primaire argument wat ik steeds van de Reaktor zelf zie komen is dat er online ‘meer ruimte’ is dan in de krant voor ‘langere kritieken’. Is een kwantitatief argument niet juist per definitie commercieel? Wat kan mij de ‘lengte’ van een kritiek nu bommen, het gaat erom of de kritiek er heerlijk inhakt.

“Ik loop niet weg voor dit soort idealisme. Bildung, volksopvoeding, schrijf al die scheldwoorden maar op mijn grafsteen. Het gaat erom dat er een midden geschapen is tussen marketing modellen en populisme.”

En dat midden is de Reaktor? Ik vind de site vooral erg schools aandoen, dat zie je toch ook al aan de keuzes van wat besproken wordt. Je maakt mij niet wijs dat er een ander argument dan ‘hij won de buddingh prijs’ ten grondslag lag aan het bespreken van ‘Uitzien met D’ als eerste dichtbundel. Alweer: een uiterst commerciele keuze, dus.

“Ik snap werkelijk niet waarom er toch zo’n vooringenomenheid jegens de reactor heerst hier.”

Dat zou alleen in een omgeving waar men volstrekt onbekend is met het fenomeen kritiek ‘vooringenomenheid’ kunnen heten. Hoe dan ook, zoals ik al zei: het is een fijne site voor boekenliefhebbers en academici. Als polemist kom je echter op de volstrekt absurde omgeving van de Contrabas beter aan je trekken. Inderdaad, daar mag u best een enorm mankement in zien.

Uiteraard bleef – in de beste schoolmeestertraditie – enig antwoord op mijn reactie uit. Matthijs de Ridder was niet thuis. Wat schetst mijn verbazing nu dat hij 2 weken later ineens opduikt en op hoogst politieke wijze mijn woorden binnen een andere discussie op volstrekt oneigenlijke wijze herkauwt:

Op de contrabas wordt kritiek in ieder geval door twee vaste klanten gedefinieerd als ‘het onderhavige object hoe dan ook slecht vinden’. Lekker ergens op inhakken, heet het dan. Lekker stout zijn. Waarom? Dat staat er zelden bij. En de ‘feiten’ die doorgaans worden aangedragen, zijn al te vaak niet waar. Mijn stuk in de Leeswolf blijft maar als redactiestandpunt gelden. De tekst van Bultinck is nu ineens een programma. Zo kun je alles beweren. Argumenten, mensen, daar gaat het om. Meningen worden pas interessant als ze ze ergens op gebaseerd zijn, bij voorkeur op feiten, logische redeneringen en andere enge processen die in sommige parochies hoger worden geschat dan in andere.

Wie niet inziet waarom dit een krakkemikkige manipulatie van mijn oorspronkelijke argument is – en dat zal wel voor het gros van de meelezende schoolmeesters gelden – moet ik even onder de neus wrijven dat ik hierboven helemaal niet gesteld heb dat ‘het onderhavige object hoe dan ook slecht gevonden moet worden’.
Immers, kritiek kan ook op volstrekt positieve wijze inhakken op een subject. Dat zal wellicht een zeldzaam fenomeen zijn, want veruit het meeste wat wordt geschreven is gewoon bar slecht. Ik heb zelf recensies geschreven en kreeg toen een goed idee wat voor rommel tegenwoordig voor literatuur door moet gaan – slappe kost waar de honden geen brood van lusten, die dan met ‘lange kritieken’ en ‘uitstekende argumenten’ moet worden gesanctioneerd.

Dat idee dat kritiek en argumentatieleer zeer nauw verbonden zijn is heel typisch voor een bepaalde bedreigde diersoort – een eeuwig bedreigde diersoort – het kwetsbare vogeltje van de literaire theoloog.

Ik gebruik hier de term ‘theoloog’ omdat mijns inziens het idee dat een goede argumenten iets tot een goed kunstwerk kunnen maken een geloofsleer is. Een leer die we mijns inziens vooral aan Beuys te danken hebben, maar dat terzijde. Met literaire kritiek heeft het hoe dan ook niets te maken. Juist deze theorie is het marketingfenomeen bij uitstek. Het ligt toch volstrekt voor de hand dat iemand die uitblinkt in argumentatieleer zelfs een platgetrapte drol van zulke verheven argumenten kan voorzien dat het op een werk van Michelangelo gaat lijken. Wat mij betreft mag dat ook best – ik zie best de functionaliteit van zo’n geloofsleer in, immers, waar hebben we anders die academici voor nodig, die moeten ons weten uitleggen waarom alles wat wij niet goed vinden wel goed is – immers, in een omgeving waarin nauwelijks hoogstaande literatuur word geproduceerd zijn de academici die deze werken uit moeten leggen ook overbodig. Dus ja, ik snap dat wel, argumentatieleer wordt in zo’n omgeving al snel ‘literaire kritiek’.

Ook hoogst komisch natuurlijk: al die schrijvers en dichters die er belang bij hebben dat er een ‘literaire kritiek’ bestaat, want anders kunnen hun geweldige werken niet op waarde geschat worden. Zo belangrijk, dat ze die literaire kritiek maar zelf gaan schrijven. Bedenk eens wat voor waardenvervalsing aan zo’n simpele ingreep ten grondslag ligt: de literaire kritiek die door de productie vervaardigd wordt om zichzelf te bespreken. En ook nog binnen een gesubsidieerde context: dus wie besproken wordt zou volgende keer wel eens over je salaris kunnen oordelen. Het is een genante klucht van hilarische proporties.

Dus nee, Matthijs de Ridder kan de boom in met zijn ‘argumentatie’. Het is geen toeval dat hij zijn gezwets over ‘logica’ met de constatering afsluit dat zijn ‘logica’ in sommige parochies hoger wordt aangeslagen dan in andere. Hij heeft zelf al geraden dat de parochie de plek is waar hij thuishoort.

M.H.Benders, Istanbul, 16-11-2009

‘Profound Holland’ and the new Dutch

In Eurozine schrijft Margot Dijkgraaf – als deel van een serie literaire geschiedenissen van verschillende landen – een breed overzicht van de Nederlandse literatuur van de afgelopen vijftig jaar.

The liberal, atheist era has come to end in the Netherlands and contemporary Dutch literature reflects that, writes critic Margot Dijkgraaf. The new need for security is reflected in the work of two novelists in particular: Jan Siebelink, whose fiction, free of references to contemporary life, evokes the ‘profound Holland’ overturned in the 1960s; and Arnon Grunberg, whose representations of male disintegration blankly refuse any such reassurances. But there is a parallel strand of current Dutch literature that sidesteps such concerns: novelists and poets with migrant backgrounds introducing new styles and identities into the Dutch literary repertoire.

Op de gang staan

Het is inmiddels bijna midden November. Nog steeds heb ik niets vernomen omtrent mijn bezwaarschrift ingediend tegen de beslissing van het Fonds der Letteren om mij geen stimuleringsbeurs toe te kennen, ondanks dat het Fonds der Letteren mij schriftelijk liet weten dat ‘ik vermoedelijk eind September bericht zou ontvangen’.

Het kernargument achter het afwijzen van mijn subsidie was dat een bepaald heerschap ‘op de gang was gaan staan’ toen mijn bundel werd beoordeeld. Het kernargument van mijn 10 pagina’s lange bezwaar was dat het absurd is te veronderstellen dat ‘ op de gang gaan staan’ iets met integere beoordeling te maken heeft, dat het een aanvraag stigmatiseert, en dat het commissielid dat bleef zitten aantoonbaar net zoveel motief had om negatief tegenover mijn persoon te staan. Duidelijk een setup, dus.

Gelukkig maar dat de rechter precies hetzelfde over dat ‘op de gang gaan staan’ als subsidielandfenomeen denkt. Op de website van Max Pam valt te lezen:

De Amsterdamse rechtbank vernietigde de beslissing van het Fonds voor de Podiumkunsten om de Theatercompagnie geen subsidie toe te kennen. In het vonnis werd erop gewezen dat een lid van de adviescommissie partijdig was, omdat hij voor zijn eigen groep Likeminds ook subsidie had aangevraagd bij datzelfde fonds.

Ik vermoed dat Theo verrukt zou zijn geweest van de uitspraak. Hij zou Thieu Boermans van de Theatercompagnie meteen hebben opgebeld om hem te feliciteren. Als filmer heeft Van Gogh ook altijd overhoop gelegen met subsidie-instanties. Nederland is vergeven van de kunstinstellingen, waarvan de leden op die een of andere manier gebruik maken van belangenverstrengeling. Het verschijnsel van “op de gang gaan staan” als jouw eigen subsidieaanvraag aan de beurt komt, is hier schering en in inslag.

Lees het hele artikel van Max Pam

‘Op de gang gaan staan’ als je eigen aanvraag beoordeeld wordt – wat een lachwekkend kinderlijke suggestie van integriteit. Uiteraard dient het absoluut uit den boze te zijn voor een commissielid om uberhaupt aanvragen in te dienen bij het Fonds waar hij zelf vingers in de pap heeft. In mijn geval is er nog meer aan de hand: het ‘op de gang gaan staan’ was niet het gevolg van een eigen aanvraag, maar de aanvraag van een ander. Ik ontving een brief van het Fonds der Letteren waaruit op te maken viel dat men de mening was toegedaan dat de beoordeling omtrent mijn bundel ‘eerlijk was verlopen’ omdat ‘er iemand op de gang was gaan staan’.

Ze hebben het er schijnbaar lastig mee, want twee maanden nadat ik antwoord zou krijgen heb ik nog steeds niks gehoord. Zou er soms iemand wat te lang op de gang gestaan hebben, denk je dan. Men zou eens een onderzoek moeten verrichten naar het psychologisch profiel van mensen die graag in beslissende functie op de gang gaan staan. Ik kan me herinneren dat je vroeger vooral ‘op de gang ging staan’ als je een stouterik was. Schijnbaar kerft zo’n vertrouwde handeling zich toch diep de moralistische opmaak van de wat zwakkere menselijke soortgenoot in.

[quote id=7]

Paul Zukofsky doet ‘A’ cadeau

Vorige week publiceerde Paul Zukofsky een open brief aan iedereen die het werk van zijn vader Louis (1904-1978) (en zijn moeder Celia) wil citeren. Het is het meest onredelijk, haatdragend, en cynisch stuk schrijven dat ik ooit heb gelezen. Misschien, wordt er hier op gewezen, heeft deze toon te maken met het feit dat  Paul Zukofsky (die zelf viool virtuoos was, dirigent en veel muziek opnam – en onderwerp is van Louis Zukofsky’s enige roman Little) blijbaar ‘niets meer heeft’:

[PZ] who really contributed so much to contemporary music and who recorded more American music over his span as both a violinist and a conductor than anybody—people forget what he contributed, you know. He has nothing now. Typical of a situation as a conductor. He can’t play anymore because he’s got some problems.

Aldus componist Milton Babbit . Hoe dan ook, het is een triest gebeuren. PZ is als anderen al hebben opgemerkt, in goed gezelschap: Stephen Joyce bemoeilijkt ook al jaren wetenschappelijk onderzoek naar het werk van zijn grootvader en wordt uitgenodigd naar congressen om hem te vriend te houden.Het is niet verbazend dat, als in dit lange verslag staat vermeld, Paul Zukofsky de stappen van Joyce toejuigt:

when Stephen Joyce succeeded in muffling a whole field of study with a combination of litigation and bravado, others took notice. Paul Zukofsky, the son of the poet Louis Zukofsky, said of Stephen’s efforts, ‘What I’ve heard sounds very, very good. He is a staunch defender of rights.

Ook de erven van Beckett zijn berucht om het tegenwerken van het gebruik van en opvoeren van stukken. ‘The Samuel Beckett estate sues theatre companies that mount unorthodox productions of the plays. A year after Stephen announced his suit against Danis Rose’s “Ulysses,” the Nabokov estate fought an unsuccessful battle to prevent the publication in English of “Lo’s Diary,” an Italian novel based on “Lolita.”

Tenslotte werd recentelijk door de Spiegel bericht over een nog een hele nare (en enigzins ingewikkelde) geschiedenis aangaande vele brieven en andere nagelaten geschriften van Kafka. Zijn vriend Max Brod deed de volle nalatenschap van de geschriften toekomen aan zijn secretaresse (en volgens sommige, minnares) Ester Hoffe. De rest van het verhaal is onnodig ingewikkeld om te herhalen, maar volgens het artikel heeft ze veel van de geschriften verkocht, soms zelfs geld aangenomen zonder er wat voor te overhandigen (hoe ze dat voor elkaar heeft gekregen wordt er niet bij verteld). Een ding is duidelijk schrijft de Spiegel, Ester Hoffe heeft de nalatenschap gebruikt om zichzelf te verrijken (het gaat om ong. een miljoen Euro. Haar dochters zien hier overigens niets van).

Een niet geheel verbazende ironie van het de recente aankonding van Paul Zukofsky is dat ik nu opeens de onverwacht blijde ‘eigenaar’ ben van Louis Zukofsky’s ‘A’, en dat is nu voor iedereen mogelijk: iemand heeft namelijk net het boek in zijn geheel gratis op internet gezet als gratis downloadbaar Torrent bestand. Ook ironish is dat Paul’s vader zelf een handje van had om te ‘citeren’ van anderen: in de zelfde tijd als Walter Benjamin maar (volgens biograaf Mark Scroggins) zonder van zijn werk op de hoogte te zijn, werkte Zukofsky met een soortgelijke methode, namelijk een boek over Shakespeare, Bottom: On Shakespeare (1963) dat voornamelijk uit citaten bestaat. Vervolgens maakte Celia Zukofsky ter nagedachtenis aan de dood van haar man een boekje  dat ook bestond uit citaten, ditmaal van Zukofsky zelf.

Kort commentaar over commentaar op commentaar

Op Harriet schrijft John O’Connor over commentaar op commentaar (van leraren op schrijfwerk van studenten). Hij haalt Raymond Carver aan die blijkbaar zei dat het enige dat je in een recensie mag schrijven is ‘Goed gedaan! Ga zo door!’ In een reactie wijst iemand erop dat dit weinig zin heeft omdat een aspirerende schrijver dan nooit iets leert en dat je slecht schrijven gewoon bij de naam moet noemen. Eerlijkheid niet inruilen voor aanmoediging. Dat vind ik in principe een mooi principe. Alhoewel er genoeg situaties denkbaar waarbij de voorkeur ligt bij ofwel zeer directe kritiek, ofwel juist voornamelijk aanmoedigende woorden.

Maar waarom niet gewoon beide. Een manier van critizeren die uiteindelijk wel affirmatief is bedoeld. Er is sowieso veel te veel verontwaardiging, vete, wrok in poëzie land (zoals dat natuurlijk geld voor elke sub-kring). Dus affirmatieve kritiek die net zo goed uiterst negatief kan zijn, als het maar niet iets wil afbreken, maar juist de nadruk legt op het mogelijke.

David Foster Wallace gaf volgens een oud collega altijd schrijfopdrachten aan zijn studenten terug die met vier kleuren waren gecorrigeerd (gehoord in de Kelly Writer’s House podcast ‘Remembering DFW 2008′). Een mooie combinatie van zeer uitvoerige, maar tegelijkertijd met veel aandacht opgeschreven kritiek. Een aandacht en (over)gevoeligheid die tekenend is voor al zijn schrijven (zowel zijn essays als fictie).

Ook een mooi voorbeeld van affirmatieve kritiek is Gilles Deleuze, die op zijn bijzondere wijze filosofen becritizeerde – door hun ideeën op tegendraadse manieren in een ander kader te plaatsen – maar dat nooit deed zonder een sterk gevoel van affirmatie door zijn schrijven heen te laten spreken. Deleuze over commentaar (in mijn vertaling uit het Engels, weet niet waar hij dit schrijft, het staat op de achterkaft van Desert Islands):

Als je iets niet bewondert, als je er niet van houdt, dan heb je geen reden om er een woord over te schrijven. Spinoza of Nietzsche zijn filosofen wiens critische en destructieven krachten ongeëvenaard zijn, maar deze macht komt altijd voort uit affirmatie, van vreugde, van een cultus van affirmatie en vreugde, van de urgentie van het leven tegen zij die het leven willen verminken en verstikken.

- –

En dan hier nog wat lekker eenvoudig destructief destructieve kritieken van William Logan, geplaatst in een reactie (op dat stuk in Harriet) door Mark Ford ‘Samurai Critic’ van de NYT Sunday Book Review:

‘Almost everything Graham writes offers the swagger of emotion, pretentiousness by the barrelful and a wish for originality that approaches vanity — she’s less a poet than a Little Engine that Could, even when it Can’t.’

[Billy Collins is] ‘…the Caspar Milquetoast of contemporary poetry, never a word used in earnest, never a memorable phrase. . . . If such poems look embarrassing now, what are they going to look like in 20 years?’

[Ted Kooser’s poems come] ’slathered in sentiment like corn on the cob with butter,’
[Gary Snyder’s poems are compared to] “the disconnected thoughts of a man trying to make verse with magnets on a refrigerator door.’

[Anne Carson’s are like] ‘parlor games of extraordinary tedium.’

De meest gespierde dichter van Nederland, fase 2

Inmiddels ben ik in fase 2 van mijn project ‘Meest gespierde dichter van Nederland’ beland, aangezien ik nu de grens ‘normaal gewicht’ ben gepasseerd. Als ik zeg ‘meest gespierd’ hoeft u geen uitpuilende bodybuildertaferelen te verwachten: een beetje lekker gespierd zijn is al genoeg om de tollenaren uit de tempel te verjagen, immers de concurrentie is gering. Het project is nog niet afgelopen:

Men wear masks to make themselves beautiful. But unlike a woman’s, a man’s determination to become beautiful is always a desire for death. – Yukio Mishima

Aanvang project: 28 Januari 2009. Gewicht: 127.8 kilo

17 Oktober 2009 – Einde fase 1: 91 kilo bij 1.91

Fase 2: Perfect gewicht: 82  kilo (Verwacht: December 2009)

Fase 3: Stabilisatie Perfect gewicht (3 maanden constant)  (Verwacht: Maart 2009)

Fase 4: Stoppen met roken en zware spiertraining (Maart 2009)

Fase 5: Zwarte band in Karate halen (Onbekend)

Zoals jullie zien is het in principe een lang traject waarvan wel het einde gedefinieerd is. Een dichter zijn met de zwarte band in karate, dat lijkt me erg nuttig. Hieronder wat foto’s die deze week genomen zijn, zoals jullie zien ben ik behoorlijk veranderd.

Ook ben ik bezig met instappen in de yachting industry, samen met wat vrienden die een yacht interior design bedrijf hebben. De foto’s zijn bij hun op kantoor genomen.






De Reaktor – spekgladde zolen – een beschouwelijke recensie

De Reaktor is een nieuw ‘internetplatform’ (lees: uitgeklede wordpress kloon) die na ruim een jaar ontwikkeltijd door liefst drie verschillende bedrijven en gesubidieerd door liefst vier instellingen ons niet alleen grotendeels dezelfde oude bekende auteurs voortovert die ook elders de kweekvijvers bezetten – nee, voor de goede orde zijn er ook wat nieuwe, onbekende namen gezocht die, naar beste Machiavelliaanse traditie, makkelijk te vervangen zijn zodat de Staat ‘Reaktor’ geen discursiviteit te vrezen heeft.

Dat typeert precies dat lullige kweekvijver idee, de recycelende auteur en de ultieme *vervangbaarheid* van ‘nieuw talent’. Dat alle literaire blaadjes, met hun enorm unieke profielen, door dezelfde lui geschreven worden. Lui die ‘dit soort’ artikel naar dat blaadje sturen, en ‘dat soort’ artikel naar het andere unieke blaadje. Die dat weer geheid publiceren, want mijnheer stond ook in de andere blaadjes. Referentie-economie. Wat helemaal interessant is, zo te zeggen, is de absolute ontkoppeling van kritiek en polemiek. Dat zou vroeger, toen mensen nog echt voedsel aten, ondenkbaar geweest zijn: een blad met ‘literatuurkritiek’ zonder zelfs ook maar een miniem zweempje polemiek. Er bestond ooit een tijd waarin de polemiek als het hoogste literaire goed aangeschreven stond – als een essentieel onderdeel van kritiek zelfs – maar de brave schoolmeester-recensie heeft als ‘kritiektype’ gezegevierd: sterker nog, zelfs maar elke poging tot polemiek moet *op voorhand* onklaar gemaakt worden – brave, gezagsgetrouwe burgers met licht verteerbaar gezwets vermaken, wat zich alleen *in zijn lengte* als ‘diepgravend’ zou kunnen laten duiden, vandaar die constante referentie naar het waanidee dat ‘lange kritieken’ eindelijk weer mogelijk zijn, dankzij de Reaktor. De Reaktor, waar normale, voorzichtige en redelijke mensen zich mogen registreren en waar de vertrouwensbreuk als een halsmisdaad staat aangeschreven. We lezen in de algemene voorwaarden:

“U dient de website in al haar onderdelen te gebruiken als een normaal, voorzichtig en redelijk mens.”

Ook interessant om te lezen dat misbruik van vertrouwen bij wet verboden is. Enige vorm van belediging of eerberoving is volstrekt uit den boze, waarmee de polemiek meteen monddood gemaakt is, ten faveure van de ‘beschaving’ – de Reaktor is daarmee het internetboegbeeld geworden met precies dezelfde randvoorwaarden als de literaire bladen zelf: maak elke vorm van wildgroei onmogelijk, creeer een omgeving die zo beheersbaar mogelijk is door niet slechts te vereisen dat mensen zich eerst registreren om te kunnen reageren, nee, je stelt ook nog een waslijst eisen aan die registratie met allerlei kleinburgerlijke predicaten om te voorkomen dat er iets op dat ‘laagdrempelige platform’ kan gebeuren wat niet onder controle te houden is.

Dit alles dient uiteraard precies dezelfde kruidenierselite van middelmatigheid die al sinds de eerste geboortekrampen van het postmodernisme gerieflijk in het subsidiezadel zitten. Ik zie, net als Nietzsche, best enige noodzaak voor middelmatigheid en wat mij betreft mag alles wat middelmatig is best alle kranten en platforms bezetten. Maar je zou je wellicht eens kunnen afvragen of die kruideniers, die alleen van zich laten horen als ze denken dat hun winkeltje bedreigt wordt – of je aan zulke kleinzielige schoolmeesters de kritiek wel kunt toevertrouwen.

In Nederland is ‘de criticus’ van oudsher het paradepaardje van een bepaald type poetica, in plaats van dat hij met arendsoog boven alle poetica’s staat. Dat is primair clownesque, want juist kritiek moet niets te verdedigen hebben.

Het is een cabaretvorm: de voorspelbaarheid van een bepaald criticus is een voorwaarde voor diens bestaan juist *omdat* de lezer zich superieur wil voelen. Ergo: de Nederlandse lezer *tolereert* geen echte critici. De kruidenierselite wil ook vooral ‘voorspelbare meningen’ omdat men dan op voorhand recensies naar de mond kan schrijven. Iedereen is dus gebaat bij voorspelbaarheid, en zo zag de paradecriticus het leven. Dit is ook precies de reden achter de ontkoppeling die heeft plaatsgevonden tussen de kritiek en de polemiek – waarbij de polemiek van hoogste goed naar het verdomhoekje van de literatuur is verbannen.  De literatuur is het domein van de beschaving, van de gegoede burger geworden – je zult op de Reaktor geen polemisch woordje aantreffen, geen kink in de kabel, geen wildgroei, geen echte kritiek. Dit is de speelplaats van dezelfde uitgerangeerde fopelite die al sinds jaar en dag op staatskosten mensen in slaap doen sukkelen, in het belang van de ‘literatuur’.

Het mag duidelijk zijn dat dit huwelijk tussen Staat en Literatuur van nature een bepaald type kritiek prefereert – interessanter dan de vraag waarom kritiek zo scherpzinnig als een gemiddeld tweedekamerdebat moet zijn, waarom een kwantitatief argument (‘lengte’) als bestaansrecht wordt opgevoerd (och jee, in de krant moesten de heren bondig zijn) – interessanter dan dit soort periferieke kenmerken is het recyclemechanisme waarmee deze clownerie steeds zichzelf vernieuwt – want het valt nu al te voorspellen: die site wordt zo dood als een pier, tenminste zodra het geld opdroogt. Maar dat is juist de angel in het hele verhaal: zodra dat geld opdroogt zijn de heren alweer vertrokken, is er een ‘ander initiatief’, is er weer ‘voortschrijdend inzicht’ en begint het hele verhaaltje doodleuk opnieuw. Nieuw talent wordt aangetrokken, dat zo heerlijk vervangbaar is – waarmee het hele ‘kweekvijver’ idee pathologisch verklaard is: deze mensen hebben een kweekvijver nodig vanuit een politieke strategie – het gaat hier niet alleen om het opwekken van de suggestie dat ‘alles steeds vernieuwend en dynamisch’ is, nee, het gaat hen bovenal om de vervangbaarheid van ‘nieuw talent’ omdat hoe ‘nieuwer’ het talent is des te minder bedreigend zij voor de eigen positie zou kunnen zijn. Juist daarom zie je bij een initiatief als ‘De Reaktor’ of bij andere literaire bladen constant ‘nieuw talent’ voorbijkomen – enerzijds als bestaansrecht, anderzijds als garantie voor de eigen machtspositie. Ergo: de Reaktor bestaat uit ‘gevestigde namen’ en ‘nieuwe namen’ maar niets uit het middenveld. Dat middenveld moet namelijk liefst onklaar gemaakt worden, simpelweg omdat de ‘gevestigde orde’ er niets voor voelt door hen te worden vervangen. Dan zijn ze de centjes kwijt. Gevolg: een eeuwige jacht naar ‘nieuw talent’, de ‘kweekvijver’ als bestaansrecht van de literatuur, de ‘eeuwige vernieuwing’. Projectieve illusie: het ‘middenveld’ is niet ‘goed genoeg’ voor ons, vandaar dat wij ‘nieuw talent’ prefereren. Men ziet dus dat ook hier weer de literatuur precies de maatschappelijke ontwikkelingen volgt: de referentiele economie schakelt, uit zelfbescherming, op den duur de middenklasse uit. En niet alleen de middenklasse: ook de uitzonderingen moeten eraan geloven: de polemiek moet worden uitgebannen, allemaal pure klassenpolitiek: de middelmatigheid die zich als ‘elite’ opvoert door referentieel-economische middelen kan alleen overleven door zowel de middenklasse als de uitzondering buiten spel te zetten. De middenklasse, omdat zij vreest vervangen te worden, de uitzondering, omdat zij geratificeerd willen worden als het hoogste.

Om die reden worden de autonomen ofwel genegeerd ofwel getolereerd zolang zij geen logistieke bedreiging voor de eigen posities vormen. Met andere woorden: je mag best autonoom zijn, maar dan moet je je mond houden, of je moet de huidige hierarchie ratificeren. Daarnaast zijn er nog twee types middenklasse: het type middenklasse dat erom staat te springen de huidige ‘elite’ te vervangen (type: Contrabas), die zich al precies zo probeert te gedragen als de huidige ‘elite’ (Referentieel talent zonder aantoonbaar schrijftalent) en die vooral ‘rebelleren’ uit oedipale overwegingen – en dan heb je nog een andere middenklasse, de mensen die het nooit tot autonoom zullen redden en die het ofwel gewoon opgeven ofwel als klapvee in de coulissen gebruikt worden.

De kruidenierselite wil worden geratificeerd als het hoogste goed. Discursieve elementen worden als autonoom niet getolereerd, juist omdat zulke ‘wangeluiden’ vraagtekens zetten bij hun recht op een machtspositie. Om echter deze positie langdurig te kunnen handhaven moest er constante vernieuwing plaatsvinden, omdat men immers niet constant zowel de andere middenklasse als de uitzonderingen uit kan schakelen zonder dat de ‘Might is Right’ politiek al te zichtbaar wordt. Daarom bestaan die kweekvijvers, daarom die eeuwige aanwas van onvoorstelbaar talent dat na 1 jaar al weer nergens te bekennen valt.

Alles onder het oogmerk van de eeuwige dreiging. Want juist daarom moet er ‘vernieuwd’ worden, moet de talentenjacht worden aangezweept. Waarom wordt die ‘literatuur’ en ‘kritiek’ die zich zo gerieflijk door de staat laat sponsoren altijd en immer bedreigd – omdat dat de lokroep van de kruidenier is, het winkeltje staat weer onder bedreiging, de omzet staat op het spel. Het is het enige leitmotiv wat deze mensen nog kennen – de literatuur moet bedreigd worden omdat anders niemand in actie komt. Dat die ‘literatuurkritiek’ die zo tandeloos voor zich uit wauwelt, die volstrekt onpolemisch geworden is, die elke schoolfrik zou behagen – dat die literatuurkritiek allang en breed is overleden, zal eenieder natuurlijk worst wezen. Laten we even wel wezen: we hebben het hier over de generatie die verantwoordelijk is voor maken van dat prachtige Rorschach plaatje van de staatsschuld – na ons de zondvloed, dankjewel jongens, en blijf vooral beschaafd doorzemelen vanuit uw pluizige torens. Want een ivoren toren, nee, daar zou u niet eens in weten overleven met uw spekgladde zolen.

M.H.Benders, Istanbul, Zaterdag 17 Oktober 2009

Het literaire tijdschrift is dood, lang leve het literaire tijdschrift

Dat is de kop van een recensie van The Oxford critical and cultural history of modernist magazines, misschien interessant voor mensen die de recente discussie hebben gevolgd die ontstond na naar aanleiding van de Master scriptie van Bart Temme over de effectiviteit en relevantie van Nederlandstalige literaire tijdschriften als kweekvijvers voor jong talent (onder andere op DeContrabas , hier op Loewak door Martijn Benders, en in een reactie van Temme in het NRC).

De recensie van bovengenoemd boek begint met de uitspraak van T.S. Eliot dat, ‘The first function of a literary magazine is to introduce the work of new or little-known writers of talent.’ In 1920 stelde hij als doel voor een tijdschrift dat hij opzette, ‘the maintenance of critical standards and the concentration of intelligent critical opinion.’

Wat betreft het hedendaagse tijdschrift; ik denk dat het tijdschrift/boek nog even moet wennen aan het internet. Het zal vast (nog een hele tijd) blijven bestaan, maar ik vermoed in toenemende mate als aanhangsel van digitale varianten die steeds meer in verbinding met elkaar zullen staan, zoals nu al te zien in de ontwikkeling van Personal Digital Assistants waarmee verbinding kan worden gemaakt met andere netwerken (PDA, Kindle, internet, automatische garagedeur).

Anderzijds geven computers juist ook nog altijd de schijn van een soort buro-oppervlakte (bijvoorbeeld de desktop, en het mappen systeem), en zijn er nog veel aspecten van computers/websites die doen denken aan de layout van een boek – als een soort drapering over de eigenlijke digitale bouwstenen van computer en internet.

Cralan Kelder in Jacket magazine

I once met Chrétien Breukers, who’d just edited an anthology of Dutch poetry. We were reading on the same evening for the Utrecht Literary Society. Chrétien’s new anthology was launching that night. I was invited around the theme of poetry on the internet, and started by mentioning Dutch Poet Martijn Benders, a friend of mine who lives on an island in the Bosphorus Straits outside Istanbul, and uses the internet a to participate in the poetry world. I noticed some commotion after I mentioned Martijn, but continued reading in a strange atmosphere until somebody came up and interrupted me to say they were short on time. Later somebody explained to me that Chrétien and Martijn were arch-enemies, which was news to me, and hence Chrétien having stormed out complaining that I was ruining his launch. Afterwards I made to speak to Chrétien about it, to clear the air, but he turned away, and didn’t respond to my email in which I apologized for ruining his night.

http://jacketmagazine.com/38/cralan-once-met.shtml

Al vele jaren krijgen wij consistent te horen dat in Utrecht alles beter is, alles beter geregeld is, dat Utrecht het walhalla van de poezie is en dat Utrechtse dichters overlopen van de redelijkheid en zichzelf en hun poezie als een verlengstuk van de plaatselijke VVV zien. Utrecht is gewoon helemaal toppie.

Het is echter fijn nu eens een ander geluid te horen, al is het dan via een Australisch poezieblad.

‘…an infinitely small vocabulary’

‘Echte dichters hebben geen rijbewijs.’, poneerde een vriendin van me eens. Ik heb die opmerking nooit empirisch bevestigd, maar er zijn me sindsdien wel veel dichters zonder rijbewijs opgevallen. Dat zullen dan wel de echte zijn.

Zou er ook een boven gemiddeld aantal dichters homoseksueel (m/v) zijn? Dat past dan natuurlijk wel erg netjes in een stereotype beeld van zowel dichter als homoseksueel als sensibel en overgevoelig. Het is natuurlijk ook een compleet onbenullige vraag (en daar komt bij dat ik persoonlijk niet veel voel voor vast omlijnde categorieen voor het omschrijven van seksualiteit).

Toch kunnen specifieke gevallen die vraag op een andere manier oproepen, misschien bijvoorbeeld heeft de homoseksualiteit van een dichter invloed op zijn taalgebruik? Zowel homoseksuelen als dichters spreken namelijk de taal van de minderheid, waarbij ‘minderheid’ op twee manieren moet worden gelezen. Ze vormen twee statistische minderheden in de maatschappij, maar belangrijker is dat ze de taal van de meerderheid, van de heersers, van de homogeniserende slogans van het kapitalisme, van binnenuit opbreken. Een minderheids taal is een taal die de heersende taal vervormt, anders maakt, eigen maakt door vreemd te maken, eigen maakt door onderdrukte – maar ook in de heersende taal inherente – structuren, patronen, te laten spreken. Zo zingt Leonard Cohen, geoefend in de dubbelzinnigheid, ‘From the wars against disorder, from the sirens night and day, from the fires of the homeless, from the ashes of the gay: Democracy is coming to the U.S.A.’

‘Littérature mineure’ is een begrip van Deleuze/Guattari dat ze beschreven in Kafka: pour une littérature mineure (1986), als 1. ‘deteritorrialiserend’ (van het gevestigde, van de norm afwijkend), 2. fundamenteel politiek geladen (alleen al omdat het van het gevestigde afwijkt), 3. gemeenschappelijk (omdat alleen in een devenir-mineur, een kleiner-worden de mogelijkheid tot verandering ligt).

(Wat is het toch een fijne bijkomstigheid dat een littérature mineure de lezer ook nog eens slimmer maakt; laatst vastgesteld door onderzoekers aan de University of British Columbia. Voor dit onderzoek kregen twee groepen hetzelfde verhaal van Kafka te lezen. Maar terwijl een groep de oorspronkelijke versie las, was voor de tweede groep het verhaal aangepast zodat het trapsgewijs, met logische stappen verliep. Na het lezen kregen beide groepen een oefening in het herkennen van patronen in een serie letters. Lezers van het oorspronkelijke, absurdistische verhaal waren vervolgens aanzienlijk beter in het herkennen en herinneren van deze patronen.)

Was Kafka homoseksueel? Ik geloof niet dat dat onder Kafka kenners (Kafkaisten?) de consensus is, maar in internet comment streams blijkt er veel over de vraag te zijn gediscussieerd, vaak met bevestigend antwoord. Nu zijn comments op sites natuurlijk wel de laatste bron voor betrouwbare informatie (alhoewel er nu juist op poëzie blogs opvallend evenwichtige en aimabele discussies worden gevoerd). We laten ‘Butter’ even aan het woord, (uit een reactie op een artikel waarin wordt gesteld dat Kafka homoseksueel was): ‘Kafka was a gay dude and he used his writing to deal with the surrounding conflict.’

Ongeacht of dit nu met betrekking tot Kafka klopt, het is zeker waar dat homoseksualiteit over het algemeen gepaard gaat met persoonlijk / maatschappelijk conflict, wat vervolgens door veel schrijvers wordt verwerkt in hun boeken. Datzelfde geldt natuurlijk net zo goed voor andere minderheden wat vaak tot vernieuwing leidt, omdat dat nu eenmaal van de marge komt. ‘… Many or most of the figures who re-created modern writing were gay, or Irish, or Jewish.’ schrijft Gregory Wood in A History of Gay Literature: The Male Tradition.


*

Deze gedachten over het verband tussen homoseksualiteit, marginalisatie, en poëzie werden aangespoord door de onlangs in Nederlandse vertaling uitgebrachte Verzamelde gedichten van Federico García Lorca (vertaald door Bart Vonck). Het deed me namelijk denken aan Lorca’s erotische ‘Ode for Walt Whitman’ (1930):

You gave a cry like a bird

With his prick pierced through by a needle

Enemy of satyrs

Enemy of the grape

And lover of bodies under rough cloth.

Not for one moment, tight-cocked beauty,

Who in mountains of coal, advertisements, and railroads

Had dreamed of being a river and of sleeping like one

With a particular comrade, one who could put in your bosom

The young pain of an ignorant leopard.

Not for one moment, blood-Adam, male,

Man alone in the sea, beautiful

Old Walt Whitman.

Because on the rooftops

Bunched together in bars

Pouring out in clusters from toilets

Trembling between the legs of taxi-drivers

Or spinning upon platforms of whiskey

The cocksuckers, Walt Whitman, were counting on you.

[…]

The cocksuckers, Walt Whitman, the cocksuckers,

Muddy with tears, meat for the whip,

Tooth or boot of the cowboys.

Want ook Whitman (1819-1892) was homoseksueel, en beschrijft één biograaf, Lorca vond hem een ‘pure ‘mannelijke’ homo, niet een geaffecteerd figuur, zoals Lorca zichzelf zag.’ Or your shoulders of corduroy worn thin by the moon / Or your muscles of a virgin Apollo.’

Het fragment van ‘Ode for Walt Whitman’ komt uit een vertaling van Jack Spicer (1925-1965), met kenmerkend opstandig, grof taalgebruik. Het is geen toeval dat Spicer dit gedicht vertaalde, en de manier waarop evenmin. Spicer was een fan van Lorca, en ook hij was homoseksueel (net als opvallend veel andere dichters in zijn (in)directe omgeving: Robert Duncan, Robin Blaser, Landis Everson, en op iets meer afstand Allen Ginsberg, Jack Kerouac (bij gelegenheid, vertelt Ginsberg in een interview), Charles Olson, Frank O’Hara, James Schuyler, en John Ashbery). Spicer was een homorechten activist, zelf-verklaard anarchist (wat leidde tot zijn verwijdering van de universiteit, waardoor hij nooit zijn promotie onderzoek afsloot), en alcoholist (de oorzaak van een vroege dood). Geen wonder dus, dat zijn gedichten gekenmerkt worden door een punk opstandigheid, dat tegelijkertijd van een diepe menselijkheid getuigde, vol van bittere humor. En net zo min verbazend dat voor hem de dichter een medium was voor het absoluut Andere. Zijn eigen stem vertrouwde hij niet, zijn schrijf procedure bestond uit uren wachten op een ingeving van het Andere, wat hij provocerend en speels ook wel de Marsmannetjes noemde (luister op PennSound naar een serie lezingen die Spicer kort voor zijn dood hierover gaf).

Spicer’s debuut was After Lorca en is typerend voor zijn eigenheid, en speelse maar brilliante provocaties: hij liet de al 20 jaar overleden Lorca vanuit zijn graf een niet geheel overtuigde brief van steun schrijven. Dit was 1957, toen Auden in de jury zat van de Yale Younger Poets serie (voor debuten). En, zo staat er in de inleiding van My vocabulary did this to me (wat overigens Spicer’s laatste woorden waren), ‘Lorca is perhaps the only major international gay poet he could propose to rival Auden’s endorsement.’ Lorca schrijft aan Spicer:

The dead are notoriously hard to satisfy. Mr. Spicer’s mixture may please his contemporary audience or may, and this is more probable, lead him to write better poetry of his own. But I am strongly reminded as I survey this curious amalgam of a cartoon published in an American magazine while I was visiting your country in New York.’ The cartoon showed a gravestone on which were inscribed the words: ‘HERE LIES AN OFFICER AND A GENTLEMAN.’ The caption below read: ‘I wonder how they happened to be buried in the same grave.

In After Lorca staan ook zes ‘antwoorden’ aan Lorca, waarin Spicer zijn poëtica uiteenzet:

Words are what stick to the real. We use them to push the real, to drag the real into the poem. They are what we hold on with nothing else. They are as valuable in themselves as rope with nothing to be tied to.

I repeat – the perfect poem has an infinitely small vocabulary.

*

En, zoals reeds vermeld bij Knack, liet vanuit een heel andere hoek ook Leonard Cohen zich inspireren en vormde Lorca’s ‘Little Viennese Walz’, om tot het nummer ‘Take This Waltz’.

En alhoewel Leonard Cohen niet homoseksueel is beschrijft hij wel al zijn ganse artistieke loopbaan (waaronder twee experimentele romans), (sexuele) verhoudingen en verlangens tussen mensen (in een verzet tegen elk vastgeroest normatief beeld van wat seksualiteit, familiestructuur zou ‘moeten’ inhouden). Door deze lyrische, weerbarstige erotiek, heeft Leonard Cohen toch meer gemeen met Spicer, Lorca, en tot op zekere hoogte zelfs Whitman dan een eerste aanblik zou doen vermoeden. De lijn die Walt Whitman, Lorca, Leonard Cohen, en Jack Spicer verbindt is er dus niet een van tijdsgebonden chronologie, maar een van intensiteiten, affecten, gemoedstoestanden. Weer uit de inleiding van My vocabulary did this to me:

As his last letter to Lorca suggests, the mingling of poets in the sheets of a book is the mingling of lovers, but this union suggests an eros beyond sex, through which their textual bodies become as indistinguishable as bodies decaying together in the earth…in effect made new; ‘the pieces of the poetry or of this love.

-

‘Homosexuality’

Roses that wear roses

Enjoy mirrors.

Roses that wear roses must enjoy

The flowers they are worn by.

Roses that wear roses are dying

With a mirror behind them.

None of us are younger but the roses

Are dying.

Men and women have weddings and funerals

Are conceived and destroyed in a formal

Procession.

Roses die upon a bed of roses

With mirrors weeping at them.

uit: Jack Spicer, My vocabulary did this to me: the collected poetry of Jack Spicer, Gizzi, Peter; Killian Kevin (eds.), Middletown: Wesleyan University Press, 2008, p. 6

« Previous Entries