Alfred Schaffer won vorige week vrijdag de Ida Gerhardt Poëzieprijs 2010 voor zijn bundel Kooi, aldus een internetbericht op de Contrabas. Wat we niet wisten is dat een maand tevoren een twist in de jury had plaatsgevonden. De juryvoorzitter Frits Bolkestein stapte zelfs op:
“Volgens de criteria van de Ida Gerhardt Stichting moet de laureaat dichten in de geest van Ida Gerhardt. Maar daar hadden mijn collega-juryleden Vaessens en Perquin lak aan. Die houden er een postmoderne visie op na, en die is zacht uitgedrukt niet de mijne. Ik moest die criteria allemaal niet zo nauw nemen, zeiden ze. Ik zag het verkeerd. Zij namen het toch ook ruimer? Maar dat weigerde ik. Mijn voorkeur ging uit naar een dichtbundel van Hester Knibbe, die beduidend klassieker dicht dan Alfred Schaffer. Daarom ben ik er mee opgehouden.’ ” (Het stuk op de Volkskrant)
Toen ik dit bericht zag dacht ik meteen: Bolkestein heeft gelijk. Ik postte de volgende observatie op facebook, waarna een levendige discussie volgde die ik hier grotendeels zal weergeven.
Ik schreef:
Frits Bolkenstein is right. He stepped out of a jury because the other members didnt take the criteria of the price seriously. That is exactly the problem with literature prices: they are meant as manifestations of existant group consensus rather than entities of their own. It doesn’t matter what ‘price’ it is, you can’t take it serious, but that gossip behind the curtain, that canonical group behavior, that is the only thing ’serious’ about literature for these people. Symbolic capital for symbolic people.
Vervolgens kwam er een bosje Perdu aanhangers op facebook langs en ontstond een levendige discussie over deze actie van Frits Bolkenstein:
Martijn Benders
Hij heeft gelijk omdat je, als je de criteria van een prijs niet serieus neemt, je deze prijs net zo goed af kunt schaffen. Dan gaat het niet meer om de ‘Ida Gerhardt’ prijs maar de prijs voor wie deze juryleden de beste bundel vonden. Het is dus een volstrekt egocentrisch type ‘postmodernisme’ wat we hier zien: de geest van de prijs wordt genegeerd, alles draait alleen om de ‘algemene consensus’ en om de ‘beste dichter’ of beter gezegd: de naam die het ‘beste ligt’ als symbolisch kapitaal bij de eigen achterban. Een volstrekte gotspe waar je inderdaad uit moet stappen als je de prijs serieus neemt.
Ricco van Nierop
is het niet een uitzondering dat deze prijs ‘in de geest van’ de naamgever wordt uitgereikt, de meeste lit-prijzen die vernoemd zijn naar een oude/overleden schrijver zijn toch (al) losgekoppeld van die naamgever?
Martijn Benders
Ja, maar dat is absoluut niet terecht. Een prijs dient te gaan om de geest waarin deze is opgericht, niet om het ego van de deelnemende juryleden die graag de politiek correcte keuze opdienen. Op deze manier gaan alle prijzen altijd over hetzelfde: wie ligt er het best binnen de groepsconsensus momenteel en de ‘intellectuele uitdaging’ bestaat eruit ‘het best te weten wie er het best ligt binnen die consensus’. Dat is een flauwe grap, meer niet.
Martijn Benders
De werkelijk relevante vraag is hier: wat had Vaessens in hemelsnaam in die jury te zoeken? Want het was Bolkestein die op de juiste plek zat, en juist Vaessens die daar volstrekt misplaatst zat.
Matthijs Ponte
“Beoordeling vindt plaats in de geest van het werk van Ida Gerhardt, waarbij inhoud en vorm met elkaar in balans zijn. ” geeft http://www.idagerhardtpoezieprijs.nl/website/index.php?docid=42 . Dus, nee, Martijn Benders heeft niet gelijk. De criteria van de prijs zijn nu eenmaal totaal opgerekt en ik zie niet in hoe de bundel van Schaffer niet binnen deze criteria zou vallen. Het is waar dat je die criteria op basis van het oeuvre van Gerhardt wellicht anders zou kunnen opstellen, en misschien is dat zelfs wenselijk, maar dit is de opdracht die ook Bolkestein heeft meegekregen.
Bolkestein’s probleem is een specifieke poetica, die Joost hier boven uitlicht, die zegt: proza is proza en poezie is poezie; Schaffer schrijft proza en geen poezie. Die poetica kun je (blijkbaar) nog immer aanhangen, maar vond kennelijk geen weerklank bij de rest van de jury. Tough luck, Frits. Het is geen premisse van het werk van Gerhardt en het is (dus) ook geen noodzakelijk uitgangspunt bij de toekenning van deze prijs.
Martijn Benders
“De criteria van de prijs zijn nu eenmaal totaal opgerekt en ik zie niet in hoe de bundel van Schaffer niet binnen deze criteria zou vallen.”
Dat is volstrekt niet de vraag die aan de orde is. Welke bundel dan ook kan immers altijd binnen welke criteria dan ook vallen – de vraag die aan de orde is is een hele andere: of een prijs moet worden uitgereikt naar de geest van de criteria en de persoonlijkheid van de prijs of dat het – zoals in dit geval – simpelweg een potje consensuskaarten van de jury is, waarmee alle literaire prijzen feitelijk hetzelfde gezicht krijgen. De geest van een prijs doet er niet meer toe, slechts de algemene smaak telt. Het spreekt ook niet in het voordeel van Schaffer dat hij een jaar eerder zelf in die jury zat, net als eerder al andere sjofele journalistieke coryfeen van de middelmaatsconsensus (Rob Schouten, Erik Menkveld) – mij een raadsel wat die met Ida Gerhardt te maken hebben of de geest van Ida Gerhardt. Noem het dan gewoon ‘De Literaire Prijs’….
Marcel Ozymantra
Het is eigenlijk zo dat al dat oprekken van de afgelopen jaren niet zo goed was. Het instellen van zulke prijzen zou een zekere diversiteit moeten bevorderen voor de verschillende vertegenwoordigers van de poëzie. Door de regels alsmaar op te rekken zodat de lievelingen van het huidige discours overal als winnaar binnenkomen werkt niet ter bevordering van de pluriformiteit.
Martijn Benders
Heel goed gezien, Marcel. Het is zelfs uitermate bespottelijk geworden op deze manier.
Joost Baars
Volgens mij is Schaffers poezie bij uitstek een poëzie waarin vorm en inhoud met elkaar in balans zijn. Ik denk dus ook niet dat de uitgangspunten van de prijs opgerekt zouden hoeven worden om hem die prijs te geven. Ik denk daarentegen dat dat wel zou moeten gebeuren om Hester Knibbe die prijs te geven. Knibbe heeft gewoon een vorm en kan daar om het even watvoor inhoud in kwijt. Dat is bij uitstek poëzie waarin de vorm helemaal niets met de inhoud te maken heeft.
Het is dus Bolkestein die de grenzen van de prijs wil oprekken. En het is ook Bolkestein die je derhalve postmoderniteit zou moeten verwijten, als je dat uitgekauwde verwijt al van stal zou willen halen.
Matthijs Ponte
Dat zei ik al. Maar daarmee heeft Bolkestein nog niet gelijk.
“Het is waar dat je die criteria op basis van het oeuvre van Gerhardt wellicht anders zou kunnen opstellen, en misschien is dat zelfs wenselijk, maar dit is de opdracht die ook Bolkestein heeft meegekregen. ”
Het probleem is echter ook niet zoals jij het stelt: ja, het is waar dat veel prijzen uitwisselbaar lijken, maar waarom zou specifiek de Ida Gerhardt Poezieprijs moeten gaan naar een andere dichter? Is het criterium van de organisatie echt zo absurd? Het is helemaal niet waar dat elke bundel binnen het criterium “Beoordeling vindt plaats in de geest van het werk van Ida Gerhardt, waarbij inhoud en vorm met elkaar in balans zijn. ” valt. Was het maar waar.
Martijn Benders
Leg mij nou eerst eens op een heldere manier uit waarom Vaessens een betere keuze is als jurylid voor deze prijs dan Bolkestein, want daar gaat de discussie uiteindelijk over. Wat heeft Vaessens precies met het ideeengoed en de persoonlijkheid van Ida Gerhardt te maken? Niets toch? Het is toch gewoon een standaardformule die hier wordt toegepast: 1 dichtertje, 1 politicus/liefhebber en 1 academicus, schudden en klaar. Dat de academicus totaal de tegenpool is van de persoon op wiens basis die prijs is opgericht is schijnbaar niets eens relevant. Wat je krijgt is halfgare fopintellectuelen die discussies gaan voeren over ‘wat er wel en niet binnen de criteria past’ alsof dat niet bij uitstek het domein van de retorica is.
Joost Baars
Nee, martijn, daar ging de discussie niet over. De discussie gaat over wat “balans tussen vorm en inhoud” betekent. Voor Bolkestein is dat hetzelfde als vormvastheid en klassieke verzen, omdat hij kennelijk vindt dat alleen klassieke verzen een balans tussen vorm en inhoud bezitten.
Degene overigens die valt onder jouw typering van “halfgare fopintellectuelen die discussies gaan voeren over ‘wat er wel en niet binnen de criteria past’ “, is precies Bolkestein. Hij zwengelt die discussie aan. Vaessens en Perquin (toch ook niet de meest postmoderne dichter out there) heb ik niet horen of zien beweren Knibbe niet in de criteria past.
Ik ken de poëzie van Schaffer, en als je nou een moderne Nederlandse dichter moet noemen bij wie vorm en inhoud “in balans” zijn, dan is het Schaffer wel. We hoeven het dus helemaal niet over die criteria te hebben – dat zit wel snor. Bolkestein houdt gewoon niet van moderne poëzie. Dat kan.
Zo’n jury kan dan twee dingen doen: een compromiswinnaar kiezen, of een meerderheidsbesluit nemen. Beide oplossingen maakt Bolkestein onmogelijk door er zo potsierlijk uit te stappen.
Martijn Benders
“Nee, martijn, daar ging de discussie niet over. De discussie gaat over wat “balans tussen vorm en inhoud” betekent.”
Kletskoek. Dat is een discussie die tot de retorica behoort, niet tot de filosofie. Je kunt namelijk om het even welke bundel tot om het even welke criteria binnen zwetsen: het gaat hier juist om de vraag wat ‘in de geest van Ida Gerhardt’ betekent. Wie meent dat Thomas Vaessens iemand is die in de geest van Ida Gerhardt werkt is gewoon niet goed bij zijn hoofd. Bolkestein was de juiste man op de juiste plek, Vaessens had daar absoluut niks te zoeken.
Martijn Benders
‘Balans tussen vorm en inhoud’, wat een abjecte onzin,de ultieme keutelpraat!
Matthijs Ponte
oh nee, als je het zo stelt, inderdaad: zo is het maar net. Het is goed dat het eens gezegd wordt.
Martijn Benders
Het is keutelpraat, net zoals ‘balans tussen links en rechts’ in de politiek keutelpraat is. Het is holle retoriek die volkomen subjectief is, nergens over gaat en de ultrapolitieke functie heeft de middelmatigheid overal en altijd te laten zegevieren.
Samuel Vriezen
“Kooi” van Schaffer is zonder meer een keihard vormvaste bundel, die bestaat uit een strak volgehouden afwisseling van proza… See moreïsche fragmenten van steeds precies twee pagina’s met sonnetten in een parlandometrum. De klank is inderdaad anders dan bij Ida Gerhardt, maar dat kan het probleem niet zijn; het lijkt me geen “Ida Gerhardt Impersonation”-prijs. Blijft de vraag over: wat is dan wel “in de geest van Ida Gerhardt”?
Ik zou nog steeds graag de exacte formulering van die prijs zien, trouwens. “Vorm en inhoud in balans” zegt mij ook vrij weinig, dan kun je net zo goed “goede poëzie” zeggen.
Martijn Benders
Ja, zoals ik al zei het is doodeenvoudig om van welke bundel dan ook te beredeneren dat ze ‘vormvast’ is – daarom gaat daar de discussie ook niet over.
Samuel Vriezen
Inderdaad kan je zelfs van het zwakste brouwsel nog wel met wat truuks een “vorm” beschrijven. Toch is de vorm van Kooi heel wat helderder dan van het merendeel van de bundels die verschijnen; het is ook de formeel meest heldere bundel van Schaffer zelf, met mogelijke uitzondering van Definities en Hallucinaties.
Maar goed, die “geest van Ida” dus. Wat is die dan? Bolkestein schijnt het te weten (het lijkt de Geest van Pim wel verdorie).
Maar, los van of Bolkesteins argument grond heeft: ik vind het op zijn minst wel goed dat zo’n politicus zijn jurylidmaatschap zo serieus neemt.
Martijn Benders
Wat niet wegneemt dat ik best vind dat schaffer in de traditie van gerhardt te plaatsen is – saaie, conservatieve en ultraveilige poezie met veilige voorbeelden die veilige prijsjes wint. Ik wil zelfs best toegeven dat wat mij betreft ook vaessens in die hoek past. Het is echter voor zulke conservatieve elementen van het grootste belang dat zij de autonome klassieker, hier gespeeld door bolkenstein, binnenshuis weten houden. Lukt dat niet dan krijg je een soort eurlings effect: er moet schijnbaar een familie gemaakt worden en dat moet als progressief de boeken in verdwijnen.
Vorige week kreeg ik ‘Zoals een haan een ei legt’ binnen, een dichtbundel waarin de 100 beste gedichten uit de Turing wedstrijd, of tenminste de 100 gedichten die de jury het beste vond, gebundeld zijn. Ook mijn gedicht ‘De Aanslag’ is er in terug te lezen. Overigens niet in definitieve vorm, want ik vind het gedicht nog niet helemaal goed, dus voor de uiteindelijke bundelversie ga ik er nog wat aan sleutelen – dat krijg je als je noodgedwongen vers werk in moet sturen.
Van de bundel had ik niet veel verwacht. Omdat ik de top 3 in die wedstrijd geen van 3en een goed gedicht vond, en de gedichten op die website van dat radioprogramma grotendeels maar matig vond, dus de verwachtingen waren niet hooggespannen. Wat ik bijvoorbeeld heel bevreemdend vond is te horen dat de dichter van het gedicht dat de tweede prijs won (René Guljé met het gedicht Mirandabad 1954) ‘Ik heb het vleesmes van angst in mijn badtas’ de beste regel uit zijn gedicht vond terwijl voor mij juist die zin dat hele gedicht verpeste. Ik vond het wel een aardig gedicht tot die regel voor de dag kwam, toen dacht ik ‘nee nee weg ermee’. Raar is dat fenomeen: dat wat iemand anders als hoogste goed ziet voor jou juist het tegendeel is.
Maar goed: de bundel ‘Zoals een haan een ei legt’ valt me eigenlijk enorm mee. Er staan aardige, leuke, en een paar goede gedichten in. Kun je eigenlijk meer verwachten van een enkele wedstrijd? Naar mijn idee niet. Ik denk zelf dat 5 juryleden een ramp is – zou het mijn keuze zijn dan zou ik altijd, voor welke prijs dan ook, maximaal twee juryleden instellen. Bij drie begint namelijk het compromis. Dat is het compromisnummer. Bij twee heb je hoogstens kans op slaande ruzie. 1 Jurylid, dat lijkt me nog de meest ideale omstandigheid. Dan weet je tenminste wat je voor je hebt.
Interessant is het om dit boek te vergelijken met de ‘Jaarkalender poezie 2010′ die ik enkele maanden eerder ontving. Samengesteld door Victor Schiferli en die dame wiens naam ik nooit kan onthouden Tjietske ofzo. Ik heb die kalender dagelijks al badend doorgenomen. Schiferli is een typische exponent van de middelmaatelite in Nederland: zijn pedante bespreking van Duinkers bundel in de Trouw sprak wat dat betreft boekdelen: “ach, doe eens normaal, doe eens rustig, je kop steekt boven het maaiveld uit” was de kernboodschap van de recensie. In de gedichten die hij voor deze ‘poeziekalender 2010′ verzamelde valt dan ook geen lijn of smaak te ontdekken. Sterker nog, uit de keuze uit mijn werk (ik was met twee gedichten opgenomen) kan ik afleiden dat het eerste gedicht uit de bundel en het gedicht wat Jaeggi ooit op zijn weblog publiceerde als werken geselecteerd werden. Geen van beiden mijn beste werken of representatief voor de bundel: geen van beiden ‘toegankelijk voor een groot publiek’ of anderszins een excuustruus voor een akwalitatief selectieproces: er is duidelijk ‘gegrepen wat voor handen lag’ met ook nog zo’n irritant stukje consensusgedrag (Jaeggi zette het op zijn log dus het moet wel goed zijn)
De kalender heb ik heel goed doorgelezen. Er staan een paar hele goede gedichten in. Er staat een gigantische berg slappe, impressionistische werkjes in, tweederangs poezie, museale kitsch, stilleventjes van nonentiteiten, en ga zo door.
En dat is dan het creme de la creme van de Nederlandse poeziescene? Niet om het een of ander, maar die kalender is niks beter dan deze bundel ‘Zoals een haan een ei legt’ die toch grotendeels vol staat met zogenaamde amateurdichters. En dat zet je toch aan het denken.
Natuurlijk, dat hele gedoe stelt geen klap voor. Bekend zijn in Nederland is een gehuchtenhobby. Maar was dat nu juist de inzet van de Turing niet: kijken of er via een andere methodiek (geen ‘ons kent ons’) andere poezie boven komt drijven? Klaarblijkelijk wel. En dat is iets waar je alleen blij mee kunt zijn. Misschien toch een nieuwe orde, al is het dan maar voor even.
Martijn Benders, Istanbul, 12-02-2010
Een vervolg van ons interview met M.H.Benders, Dichter des Vaderlands i.o.
Heer Benders, u eindigde op plaats 11 in de Turing Nationale Gedichtenwedstrijd. Wat is uw reactie?
Een fantastisch resultaat! Als het even zou kunnen zou ik het liefst eeuwig op Nr 11 staan, want het is toevallig ook mijn favoriete getal. Naar ik heb begrepen was het een mooie, vlekkeloos georganiseerde avond. Wel jammer vond ik dat ik de voordracht van mijn gedicht door Vrouwkje Tuinman heb moeten missen. Ik had dit keer weinig ludieks geregeld omdat mijn instinct zei dat ik niks zou gaan winnen, op het laatste moment even Eddy Warmerdam toestemming gegeven het podium op te klimmen als mij zijnde maar Eddy vond het allemaal te formeel. Groot gelijk heeft ie.
Toch klinkt er ook veel kritiek op de wedstrijd vanuit allerlei bronnen
Je hebt natuurlijk enerzijds de mensen die ontgoocheld zijn omdat hun verwachtingen niet waarheid werden, en anderzijds een soort hobby-elite die de wedstrijd vooral geboycot hebben omdat zij hun hobby-status niet onder ogen willen zien. Het was een prima wedstrijd. Het winnende gedicht is niet naar ieders smaak – nou en? Wanneer je kiest voor een kapitalistische aanpak in plaats van de gebruikelijke sociale-gilde aanpak betekent dat niet perse dat het eindresultaat ook beter zal zijn. Dat is ook niet zo heel erg van belang. De Turing is van oorsprong een test. Uit de testresultaten blijkt dat geweldige poezie erg zeldzaam is. Dat vind ik een heel mooi testresultaat. Ik denk persoonlijk niet dat de gebruikelijke gilde-aanpak een veel spannender resultaat zou hebben opgeleverd.
Ik ben wel van mening dat de prijs verhoogd moet worden naar een ton. Dat zal het komische effect hebben dat zelfs de meest verstokte hobby-elitair zijn principes laat varen. En dat is natuurlijk het leukste aspect aan die hele Turing wedstrijd. Het was vooral leuk te horen welke bekende dichters het niet gehaald hadden.
Wat is een ‘hobby-elitair’ in vredesnaam?
Een hobby-elitair is iemand die meent dat elitair zijn een soort hobby is, welke je beoefent wanneer jouw ‘vakgebied’ aan de orde komt. Mensen die nergens verstand van hebben, behalve van bijv het fokken van kanaries. En zodra het over het fokken van kanaries gaat duiken ze op en voelen ze zich almachtig, superieur en verheven boven alles en iedereen. Dat is voor mij een hobby-elitair.
Er klinkt stevige kritiek door op uw plannen om alle festivals, bladen en instellingen af te schaffen zodra u Dichter des Vaderlands bent geworden. U zou een cultuurbarbaar zijn die op cultuurvernietiging uit is. Uw reactie?
Onzin. U dient te begrijpen dat die hele festivalcultuur in onze maatschappij een vorm van instantcultuur is geworden. Het is pure fastfoodcultuur: snel even wat ‘cultuur’ opsnuiven vanavond dan hoor ik er weer bij, dan heb ik iets zinnigs gedaan. Noemt u mij eens vijf festivals die in 1922 plaatsvonden?
Euhhh….
Juist. Niks blijvends aan: het is instantcultuur. Een vorm van instantcultuur die daarnaast ook nog eens bijna alle financiele middelen opslokt. Dat is een absurde situatie. Dichters zitten op een houtje te bijten om blijvende cultuur te kunnen scheppen of worden gedwongen in het instantcultuurcircus mee te draaien om zo een karige boterham bijeen te verdienen. Ik ben niet tegen festivals maar je wordt er mee dood gesmeten tegenwoordig – feitelijk functioneren ze als stedelijke statussymbolen. Als de spreekwoordelijke dikke auto voor de deur van de gemeente, die een dikkere auto dan de buurman wil hebben. Dat kun je allemaal als ‘cultuur’ definieren, maar ik vind dat persoonlijk een heel andersoortig fenomeentype.
Wat is dan wel ‘blijvende cultuur’ volgens u?
De waarheid is dat Nederland feitelijk helemaal geen cultuur heeft. Om tot een cultuur te mogen worden gerekend vind ik drie elementen van cruciaal belang:
1. Het hebben van een eigen taal
2. Het hebben van een eigen, levende keuken
3. Het hebben van eigenaardige dansjes met bijbehorende leuke kleding.
Een taal hebben we nog, dus dat zit nog snor. Helaas hebben we echter de karige kookkunsten die we vroeger nog wel bezaten aan de wilgen gehangen. Ook zijn de mensen totaal het dansen verleerd. Ergo, onder deze vrij gebruikelijke definitie is van een ‘eigen cultuur’ totaal geen sprake meer.
Je kunt dan festivalletjes organiseren tot je een ons weegt om dat te verdoezelen. Mijn idee is anders: hou op met die onzin en pak de kernproblemen aan: leer het volk koken en dansen. Pas dan komt er uitzicht op een levende, Nederlandse cultuur.
Maar u kunt zich toch voorstellen dat mensen die zich enorm inzetten op cultureel vlak niet graag horen dat u die cultuur dood verklaart omdat ze niet kunnen koken of dansen?
Allemaal gehersenspoelden. Ze zien niet dat ze in een modderhut wonen. Wat kan mij het geroer in die modder schelen, de basis is niet goed. Cultuur kan alleen ontstaan als de basis goed gelegd is. Neem nou bijvoorbeeld die Amerikanen eens. Schatten van mensen, doorgaans, daar gaat het niet om. Maar het zijn mensen zonder basis. Mensen die niet eens een eigen taal hebben. Mensen die niet weten wat echt voedsel is. Mensen die nooit eens met een ander mens dansen. En dan krijg je het gelazer: oorlog hier, idiotie daar, massademocratie, waanzin. Zonder basis blijf je nergens. Een losgeslagen boei, daar heeft niemand wat aan. En dat is wat al die ‘cultuur’ van ons is.
Die hele zogenaamde immigratieproblematiek kon alleen ontstaan omdat wij volstrekt geen cultuur hebben. Er wordt dus ook helemaal niks ‘bedreigd’. Echte cultuur valt helemaal niet te bedreigen. Het idee alleen al!
Een kordaat cultureel beleid staat of valt met een massale aanval op de keuken en de dansvloer.
Hoe staat u tegenover iemand als Geert Wilders, die kunstenaars vooral als uitzuigers ziet?
Er bestaan veel misverstanden over figuren als Wilders. Misverstanden die ook vooral door zijn zogenaamde ‘tegenstanders’ de wereld in worden geholpen. U dient te begrijpen dat Wilders een typische Haagse insider is, die met veel disdain neerkijkt op het ‘klootjesvolk’ waarvoor hij speelt op te komen. Die man is in-en-in Den Haag: hij is een belichaming van het systeem zelf dat, door hem uit te vinden, zijn eigen illusies weer weet op te poken. Wilders is voor het systeem broodnodig. Ik ken persoonlijk bijna niemand die nog in de democratie gelooft. Ik ken persoonlijk bijna niemand die nog meent dat wij in een echte democratie leven. In zo’n situatie is een persoon als Wilders onmisbaar: wie zou er nog gaan stemmen, behalve als er zo’n ‘gevaar’ dreigt? De werkelijkheid is echter een hele andere: dat is dat het grootkapitaal al geruime tijd doorheeft dat het de democratie eigenlijk totaal niet nodig heeft om te kunnen functioneren. Dat het misschien wel veel beter functioneert zonder democratie. Dat o.a. door Zizek gesignaleerde probleem is zeer, zeer nijpend en de feitelijke oorzaak dat we de laatste 10 jaar meer en meer zien dat het ‘chroomlaagje’ over ons systeem begint af te brokkelen. Het was altijd maar een laagje, maar wel een laagje dat zeer zorgvuldig in stand werd gehouden. De laatste tien jaar zien we echter dat men het zelfs met dat laagje niet meer zo nauw neemt. Het is alsof het de machthebbers niets meer kan schelen of ze nog moreel of democratisch lijken. Dat is de politieke werkelijkheid waarbinnen u een figuur als Wilders moet plaatsen.
Wordt vervolgd…
Loewak plaatst vandaag dit exclusieve interview met Dichter des Vaderlands i.o. M.H.Benders, de in Istanboel woonachtige dichter, filosoof en muzikant die tot nog toe als enige kandidaat in de race is om de volprezen Ramsey Nasr als DDV op te volgen.
Heer Benders, waarom wilt u graag Dichter des Vaderlands worden?
Er is tegenwoordig duidelijk behoefte aan krachtig en kordaat leiderschap met visie. Wij leven in duistere tijden. Om te voorkomen dat de positie van DDV door een populist zal worden bezet heeft Novo Universalis, een besloten literair vennootschap, besloten mij te nomineren voor de functie. Ik lijk alsnog de enige kandidaat en dat verbaast me niets.
Uw kernprogramma is niet voor de poes. Zo lezen we onder andere dat u ‘alle literaire instellingen, blaadjes, stichtingen, fondsen en festivals’ wilt opheffen? Verklaar u nader?
Momenteel zijn wij als samenleving in een culturele impasse verzeild geraakt, een perspectivistisch probleem. Onder het ‘Van der Ploeg’ model voor kunstsubsidiering is het idee dat de kunstgroei het beste gestimuleerd wordt door haar zo dienstbaar mogelijk aan de samenleving te maken, en die dienstbaarheid komt tot uitdrukking in het organiseren van talloze literaire events die allemaal het doel dienen een avondje vermaak te bieden voor het Volk zogenaamd uit didactische overwegingen. In de praktijk zie je echter dat deze structuur een afspiegeling van de politieke laag erboven is: er zitten directeuren met enorme salarissen, die volksvermaak avondjes organiseren waar dichters voor een glaasje ranja of een boekenbon komen voorlezen. Het financiele zwaartepunt ligt dus ook hier niet op cultuur, maar op managersniveau: het is de referentiele economie die het kunstbeleid op sluipende wijze heeft vervangen.
Novo Universalis is van mening dat het huidige letterenbeleid ernstig tekort schiet, in de zin dat het het inhoudelijke en financiele zwaartepunt totaal fout delegeert. Doel van de poezie en de literatuur is ons inziens absoluut niet om het ‘volk vermaaksavondjes’ te bieden, maar om een maatschappelijke voortrekker te zijn in de strijd tegen de imbecilisering en afstomping van onze maatschappij.
Om hier verandering in te brengen dienen drastische systeemwijzigingen te worden doorgevoerd. Novo Universalis pleit niet alleen voor het afschaffen van de bestaande structuren maar brengt er ook iets voor in de plaats: alle financiele middelen dienen door een nieuw op te richten Fonds der Kritiek aan de meest waardevolle dichters in de vorm van een miljoenenbonus te worden uitgekeerd.
Juist op dit punt kreeg u veel kritiek te verduren. U zou uit eigenbelang handelen, uw plan zou geen enkel politiek draagvlak hebben, wat heeft u daarop te zeggen?
Wij hebben al een lijst opgesteld van dichters die door het Fonds der Kritiek in de eerste ronde een miljoenenbonus toegewezen krijgen. Zoals u ziet sta ik daar zelf niet bij. In de eerste ronde ontvangen de volgende burgers een miljoen subsidiebonus wegens grote verdienstelijkheid aan de Nederlandse literatuur:
Leo Vroman
Arjen Duinker
Nachoem M. Wijnberg
Peter Verhelst
Wislawa Szymborska
Zoals u ziet prijkt er ook een buitenlandse naam op de lijst. Op deze wijze stimuleren wij ook de onafhankelijkheid van de buitenlandse poezie, meer dan met het organiseren van een festivalletje.
Wat politiek draagvlak betreft: draagvlak moet je scheppen. Het zijn juist de burgers die het draagvlak moeten consumeren. Een van de politieke gevolgen van ons plan is dat er een grote kans bestaat dat als gevolg van ons plan Geert Wilders een hartaanval zal krijgen. Alleen al om die reden is het een prima plan. Daarnaast is het adopteren van het kapitalistische systeem modern en dienen de socialisten de laan uit te worden gewerkt met hun pappen en nathouden cultuurtje. Het wordt tijd dat we alles op alles gaan zetten: door cultuur de hoogste maatschappelijke beloning toe te kennen bieden wij de burger blik op een ontsnappingsmogelijkheid uit het systeem: schrijf prachtige gedichten en je zult door het systeem verlost worden van je zorgen. De huidige regelingen bieden zo’n uitzicht niet, wat tot gevolg heeft dat de literatuur voor de meeste mensen geen aantrekkelijke optie is. Zodra mensen met een bepaalde kunde miljonair kunnen worden is het hek echter van de dam. En aangezien men om goede poezie te kunnen schrijven ook veel goede poezie moet lezen is ons plan de beste garantie voor de overlevingskansen van de literatuur als zodanig. Daar is simpelweg geen twijfel over mogelijk.
Sommige critici zetten u weg als een ‘beroepsquerelant’ die alleen uit is op het schoppen van herrie
Wij worden tegengewerkt door diverse krachten binnen het huidige literaire bestel. Van deze tegenwerking zijn wij ons zeer bewust en wij maken er aantekening van. Om de reaktionaire machten het literaire veld uit te werken zullen wij de handen uit de mouwen moeten steken. Het is de verantwoordelijkheid van de literaire burger waar hij of zij ook kan de nieuwe orde te verkondigen.
Is dit dezelfde ‘nieuwe orde’ waarvan ook gewag wordt gemaakt door de Bezige Bij op de omslag van de nieuwe bloemlezing van dichters jonger dan 32 jaar?
Wij zijn bekend met dit werk, en met deze uitspraak. Vooralsnog weigeren wij echter er commentaar op te geven.
U maakt zelf ook deel uit van de top 100 van de Turing gedichtenwedstrijd. Is dit een wedstrijd die ideologisch strookt met de door u beoogde politieke omslag?
Ja, de Turing prijs is een prima initiatief dat dezelfde modernisering die ons voor ogen staat op kleinere schaal invoerde. Wel moet ons inzien op termijn de prijs minstens op een ton gezet worden. Dan heeft het winnen van die prijs nog enig maatschappelijk effect. Naar onze inschatting zou bij de hoogte van een ton het aantal inzendingen ook meer dan verdubbelen, dus het is kostendekkend uit te voeren.
U maakte eerder al een aantal plannen bekend, zoals het ‘rookgebod in bibliotheken’ en andere maatregelen die indruisen tegen de kapitaal-liberalistische cultuur. Heeft u nog andere nieuwe plannen?
Dat een rookverbod wordt aangevoerd als een liberalistisch goed is een typisch fenomeen van onze tijd. Wij willen het roken in bibliotheken mogelijk maken omdat dit van bibliotheken een stoer rovershol maakt in plaats van de steriele, saaie omgevingen die ze nu geworden zijn. Ons inziens komt dit de literatuur sterk ten goede. De beeldvorming rond bibliotheken als saaie, steriele en brave plekken slaat terug op de populariteit van de literatuur: jongeren zien het niet als alternatief. Het biedt geen ontsnappingsmogelijkheid, en het heeft een steriel imago. Dat bevecht je niet door net als Charles Ducal ‘in de klas jongeren met poezie te confronteren’ – dat is een PR strategie uit het jaar nul.
Wij zijn voordurend bezig plannen te ontwikkelen omdat wij het DDV-schap bloedserieus nemen. Ik vermeld hier een aantal van de plannen die momenteel in ontwikkeling zijn:
* Wij zijn sterk koningsgezind en absoluut tegen het afschaffen van het koningshuis omdat dit het wezen behelst van onze Nederlandse traditie. Wel gaan er binnen Novo Universalis stemmen op om de rare familie die al een behoorlijke tijd ons koningsshuis bezet houdt te vervangen door een filosoof, naar Plato’s model. Wij menen dat Peter Sloterdijk een goede kandidaat is voor een eerste termijn als Nederlandse Koning.
* Ook geloven wij niet in het afschaffen van de huidige mediatradities. Wij willen echter sterk aandringen een deel van het publieke budget te gebruiken om Slavoj Zizek aan te trekken als voorlezer van het NOS journaal. Blijkt dit niet mogelijk dan lijkt ons Maarten van Rossum een doenlijk alternatief.
*Het onderwijs moet weer herstructureren, maar dit keer met live camera’s erbij zodat iedereen kan meegenieten van de zich ergerende lerarenklasse als een soort leuke realityshow.
*Wekkerfabrikanten moeten belastingvoordelen krijgen wanneer zij in plaats van stress-veroorzakende alarmtonen klassieke dichtregels in hun wekkers gebruiken. Door een sterke band te scheppen tussen de lichamelijke conditie ’s morgens en de poezie is de burger op termijn weerbaarder tegen verleidingen van het vrouwelijk geslacht.
Dit zijn slechts enkele punten uit ons uiteindelijke programma, dat belooft net zo dik te worden als Marx’s ‘Das Kapitaal’. Het is tijd voor de mouwen. Het is tijd voor zoden aan de dijk. Stem miljoenvriendelijk. Stem Benders.
De discipline van de filosofie is de meeste schrijvers en dichters vreemd, maar in navolging van Beuys wordt zij wel regelmatig als marketingtool ingezet. Met andere woorden: men poneert ’stellingen’ die men ‘filosofische waarde’ toeschrijft vanuit het idee dat het poneren van zulke stellingen toegevoegde waarde verleend aan het eigen schrijversschap. Met daadwerkelijke filosofie heeft zoiets heel weinig te maken: de filosofie als discipline is niet primair geinteresseerd in het poneren van ‘interessante stellingen’ maar wil juist kijken of zulke stellingen wel op de juiste uitgangspunten gebaseerd zijn. Ik zal dit even met een voorbeeld illustreren.
Sinds de 60′er jaren wordt er binnen de literaire wereld al veel gesproken over een ‘tanende invloed van schrijvers en dichters in het maatschappelijke veld’. Men suggereert bij voortduring dat de ‘invloed’ van schrijvers en dichters steeds geringer wordt in de maatschappelijke ‘discussie’. Vervolgens zie je dat bijna iedereen de methodiek om de ‘invloed’ te vergroten of terug te brengen gaat bediscussieren, en niemand eigenlijk het uitgangspunt van deze stelling onder de loep neemt: is het zo dat er ooit een periode in de Nederlandse geschiedenis geweest is toen schrijvers en dichters grote invloed hadden op het maatschappelijke veld? Naar mijn weten namelijk niet.
Enige discussie op Facebook over dit onderwerp produceerde al snel twee voorbeelden van Nederlandse schrijvers met vermeende invloed: Bilderdijk en Multatuli. Ik zou zelf veel eerder Erasmus genoemd hebben, maar goed, laten we eens kijken hoe deze twee voorbeelden zouden kunnen gelden als ‘maatschappijk invloedrijk’. Allereerst Bilderdijk: een ziekelijke muis tussen de wrede politieke katten die zijn hele leven vocht om hoogleraar te worden maar ondanks het feit dat hij fervent Oranjeaanhanger was zelfs Willem I het niet klaarspeelde hem een hoogleraarpost toegeschoven te laten krijgen. En dat als voorbeeld van een man met invloed? Dat moet welhaast ironisch bedoeld zijn.
Of nee, Multatuli. Zijn hele leven tegengewerkt door de gevestigde orde, uitgerangeerd, verbannen naar Java. Ja, hij schreef een boek over Indie. Was dat zo invloedrijk? Naar mijn weten trok Nederland zich pas 70 jaar later uit Indie terug na een hoop extra misstanden en heeft het boek van Multatuli nauwelijks enige maatschappelijke invloed gehad op het Indie beleid. Zie ik dat niet goed? Ik hoor graag wat bewijzen voor de tegenargumentatie. Sterker nog, volgens mij valt het redelijk goed te beargumenteren dat het boek juist een averechts effect op de situatie had: was het niet dankzij Max Havelaar dat de Nederlandse Staat het idee kreeg een jaar na verschijnen van dat boek dat het alle eilanden volledig onder controle moest hebben en zo juist met dat boek in het achterhoofd een enorm offensief begonnen? Spijkerhard feit dat de ‘misstanden’ opgetekend in Max Havelaar juist een averechts effect hadden: ze waren voor de heersende klasse slechts een teken dat ‘de boel nog niet afdoende onder controle was’. Je moet wel enorm cynisch zijn om daar ‘invloedrijkheid’ in te ontwaren – het schrijvertje Multatuli dat met zijn idealistische boek precies het tegenovergestelde bereikte van wat hij ermee beoogde.
Laten we liever het beestje bij de naam noemen: invloedrijke schrijvers en dichters zijn niet alleen in Nederland maar in heel Europa (op sommige oostbloklanden na) een grote zeldzaamheid. Dat maakt de stelling primair verdacht: er wordt een nostalgie naar invloed opgeroepen die er nooit is geweest. Naar mijn idee is het juist vrij aannemlijk dat tegenwoordig de invloed van schrijvers en dichters groter is dan ooit tevoren. Een schrijver als Maarten van Rossum die live beelden van 911 op het journaal becommentarieert met ‘Oorlog? Wat een gigantische onzin!’ daar valt geen vooroorlogs tegenvoorbeeld voor te geven, en lang niet alleen omdat er toen geen televisie was.
Nee, mijn stelling is nu juist dat het debat over de ‘invloed van schrijvers’ als een marketingtool gebruikt wordt puur en alleen om te pogen de eigen invloed middels suggestieve stellingen te vergroten. Filosofie als marketingtool, compleet in lijn met de kunstenaar Beuys: het is de eeuwige suggestie van het ontbreken van invloed die hier het meest invloedrijk is. Met andere woorden: men heeft geen invloed omdat men weet dat men, zodra men wel invloed heeft, ook verantwoordelijk wordt. Naar mijn idee WILLEN schrijvers en dichters hedentendage geen directe invloed hebben, want die verantwoordelijkheid bevalt hen totaal niet: waar het om gaat is de indirecte invloed die men middels de retorieke truuk van de afwezigheid voortdurend op de achtergrond laat groeien: wij hebben geen invloed, dus zijn wij altijd primair met INVLOED bezig. Men wil dus feitelijk geen directe invloed omdat dit een soort invloed is die de groeimogelijkheden beperkt. De schrijver anno 2009 wil een onbeperkte invloed, en dat is een invloed die altijd primair moet ontbreken, want zou de invloed bestaan dan zou hij zichzelf van nature beperken.
Invloed hebben is in het huidige maatschappelijke veld juist een teken van uitgerangeerd zijn. Je hebt invloed als je er NIET bijhoort, bij de grote massa uitgestotenen. Bij de ongelovigen in het systeem. Ergo, door te suggereren dat je WEL invloed hebt zet je jezelf als geloofwaardige speler ogenblikkelijk buiten spel in de huidige verhoudingen.
Ontvriendcomplex: het woord van 2010?
Ik heb recentelijk ontdekt dat ik last heb van een ontvriendcomplex. Het gevolg van het feit dat ik zo nodig een trendsetter wou zijn en het woord ‘ontvrienden’ afgelopen juli jongstleden in de praktijk heb gebracht door de voltallige nederlandse schrijvers en dichtersscene uit mijn facebook te wissen. Dat leverde de nodige verbaasde en soms ook boze reacties op. Wie denkt Benders wel niet dat hij is dat hij me zomaar kan gaan zitten ontvrienden? Ja hoor eens, ik probeer ook maar het willoze vaantje van de tijdgeest uit te hangen in de ijdele hoop dat ik een briesje van de eeuwigheid opvang. Ik was gewoon te lui om selectief te ontvrienden,dus ik dacht de proef op de som te kunnen nemen en te kijken wie ik nou daadwerkelijk zou gaan missen. Inmiddels zijn de gemiste stemmen allen weer teruggekeerd maar ben ik blijven zitten met een enorm ontvriendcomplex. De overheid zou hiervoor moeten waarschuwen. Al die mensen die doodleuk elkaar ontvrienden maar geen idee hebben over de psychologische consequenties.
En het is niet eens allemaal aserieux – de buurmeisjes hebben me ontvriend omdat ik een flirtende duivel ben, Amerikaanse Avantgardedichters ontvrienden me omdat ik vraagtekens zet bij hun filosofische capaciteiten, en ga zo maar even door. Langzaam aan ben ik de meest ontvriende mens van 2009. En dat allemaal alleen om het woord van 2010, ontvriendcomplex, voor de jaarwisseling al doorleefd te hebben. Je moet er wat voor over hebben om avatar van een nieuwe tijd te willen zijn.
Een tijdje terug gaf ik uit de losse pols wat kritiek op het nieuwe ‘platform voor literaire kritiek’ De Reaktor. De crux van mijn argumentatie was dat de opzet van de Reaktor dusdanig in elkaar stak dat elke vorm van polemiek, onder meer door hun algemene voorwaarden, op voorhand onmogelijk werd gemaakt en dat er daarom van ‘literaire kritiek’ geen sprake kon zijn, aangezien de polemiek juist een van de essentiele en onmisbare elementen binnen de literaire kritiek is.
Ook gaf ik op de Contrabas een reaktie op een klaagzang van ene Matthijs de Ridder, een van de oprichters van de Reaktor. Ik schreef daar de volgende twee stukken:
Het grote manko van de Reaktor is niet dat het ‘geen commercie’ is, of ‘meer ruimte’ heeft – het grote manko is juist dat er op de site nauwelijks een kritisch geluid te bespeuren valt. Het is een site voor boekenliefhebbers, niet voor polemisten en critici. In de subsidiecultuur is kritiek per definitie zeldzaam want een criticus overleeft simpelweg niet: de man die hij vandaag afsabelt beoordeelt morgen of hij wel subsidie zal vangen. Middelmaat en voorzichtigheid troef dus, maar waarom die eeuwige drang dat ‘literaire kritiek’ te blijven noemen. Want dat is het gewoon niet.
Waarop Matthijs de Ridder reageerde met:
Mijn pleidooi ging niet over de reactor alleen. Het ging over een cultuur waarin de marketing het overneemt van eerder culturele idealen. Ik loop niet weg voor dit soort idealisme. Bildung, volksopvoeding, schrijf al die scheldwoorden maar op mijn grafsteen. Het gaat erom dat er een midden geschapen is tussen marketing modellen en populisme. En dat midden is, behalve als er geschreeuwd wordt om Kritiek en Polemiek (mijn stuk was overigens polemisch genoeg, gezien de reacties alhier) zonder meer, ook hier te vinden. Ik snap werkelijk niet waarom er toch zo’n vooringenomenheid jegens de reactor heerst hier. Klaarblijkelijk omdat ‘wij’ van de gesubsidieerde tijdschriften het internet nog maar onlangs ontdekt hebben. Wel, ik geloof dat ik al aan online kritiek deed toen de contrabas nog gewoon een boekenreeks was. Ik heb geen behoefte aan oneigenlijke argumenten, maar wil ze best pareren als het nodig is.
Mijn antwoord was vervolgens:
Het primaire argument wat ik steeds van de Reaktor zelf zie komen is dat er online ‘meer ruimte’ is dan in de krant voor ‘langere kritieken’. Is een kwantitatief argument niet juist per definitie commercieel? Wat kan mij de ‘lengte’ van een kritiek nu bommen, het gaat erom of de kritiek er heerlijk inhakt.
“Ik loop niet weg voor dit soort idealisme. Bildung, volksopvoeding, schrijf al die scheldwoorden maar op mijn grafsteen. Het gaat erom dat er een midden geschapen is tussen marketing modellen en populisme.”
En dat midden is de Reaktor? Ik vind de site vooral erg schools aandoen, dat zie je toch ook al aan de keuzes van wat besproken wordt. Je maakt mij niet wijs dat er een ander argument dan ‘hij won de buddingh prijs’ ten grondslag lag aan het bespreken van ‘Uitzien met D’ als eerste dichtbundel. Alweer: een uiterst commerciele keuze, dus.
“Ik snap werkelijk niet waarom er toch zo’n vooringenomenheid jegens de reactor heerst hier.”
Dat zou alleen in een omgeving waar men volstrekt onbekend is met het fenomeen kritiek ‘vooringenomenheid’ kunnen heten. Hoe dan ook, zoals ik al zei: het is een fijne site voor boekenliefhebbers en academici. Als polemist kom je echter op de volstrekt absurde omgeving van de Contrabas beter aan je trekken. Inderdaad, daar mag u best een enorm mankement in zien.
Uiteraard bleef – in de beste schoolmeestertraditie – enig antwoord op mijn reactie uit. Matthijs de Ridder was niet thuis. Wat schetst mijn verbazing nu dat hij 2 weken later ineens opduikt en op hoogst politieke wijze mijn woorden binnen een andere discussie op volstrekt oneigenlijke wijze herkauwt:
Op de contrabas wordt kritiek in ieder geval door twee vaste klanten gedefinieerd als ‘het onderhavige object hoe dan ook slecht vinden’. Lekker ergens op inhakken, heet het dan. Lekker stout zijn. Waarom? Dat staat er zelden bij. En de ‘feiten’ die doorgaans worden aangedragen, zijn al te vaak niet waar. Mijn stuk in de Leeswolf blijft maar als redactiestandpunt gelden. De tekst van Bultinck is nu ineens een programma. Zo kun je alles beweren. Argumenten, mensen, daar gaat het om. Meningen worden pas interessant als ze ze ergens op gebaseerd zijn, bij voorkeur op feiten, logische redeneringen en andere enge processen die in sommige parochies hoger worden geschat dan in andere.
Wie niet inziet waarom dit een krakkemikkige manipulatie van mijn oorspronkelijke argument is – en dat zal wel voor het gros van de meelezende schoolmeesters gelden – moet ik even onder de neus wrijven dat ik hierboven helemaal niet gesteld heb dat ‘het onderhavige object hoe dan ook slecht gevonden moet worden’.
Immers, kritiek kan ook op volstrekt positieve wijze inhakken op een subject. Dat zal wellicht een zeldzaam fenomeen zijn, want veruit het meeste wat wordt geschreven is gewoon bar slecht. Ik heb zelf recensies geschreven en kreeg toen een goed idee wat voor rommel tegenwoordig voor literatuur door moet gaan – slappe kost waar de honden geen brood van lusten, die dan met ‘lange kritieken’ en ‘uitstekende argumenten’ moet worden gesanctioneerd.
Dat idee dat kritiek en argumentatieleer zeer nauw verbonden zijn is heel typisch voor een bepaalde bedreigde diersoort – een eeuwig bedreigde diersoort – het kwetsbare vogeltje van de literaire theoloog.
Ik gebruik hier de term ‘theoloog’ omdat mijns inziens het idee dat een goede argumenten iets tot een goed kunstwerk kunnen maken een geloofsleer is. Een leer die we mijns inziens vooral aan Beuys te danken hebben, maar dat terzijde. Met literaire kritiek heeft het hoe dan ook niets te maken. Juist deze theorie is het marketingfenomeen bij uitstek. Het ligt toch volstrekt voor de hand dat iemand die uitblinkt in argumentatieleer zelfs een platgetrapte drol van zulke verheven argumenten kan voorzien dat het op een werk van Michelangelo gaat lijken. Wat mij betreft mag dat ook best – ik zie best de functionaliteit van zo’n geloofsleer in, immers, waar hebben we anders die academici voor nodig, die moeten ons weten uitleggen waarom alles wat wij niet goed vinden wel goed is – immers, in een omgeving waarin nauwelijks hoogstaande literatuur word geproduceerd zijn de academici die deze werken uit moeten leggen ook overbodig. Dus ja, ik snap dat wel, argumentatieleer wordt in zo’n omgeving al snel ‘literaire kritiek’.
Ook hoogst komisch natuurlijk: al die schrijvers en dichters die er belang bij hebben dat er een ‘literaire kritiek’ bestaat, want anders kunnen hun geweldige werken niet op waarde geschat worden. Zo belangrijk, dat ze die literaire kritiek maar zelf gaan schrijven. Bedenk eens wat voor waardenvervalsing aan zo’n simpele ingreep ten grondslag ligt: de literaire kritiek die door de productie vervaardigd wordt om zichzelf te bespreken. En ook nog binnen een gesubsidieerde context: dus wie besproken wordt zou volgende keer wel eens over je salaris kunnen oordelen. Het is een genante klucht van hilarische proporties.
Dus nee, Matthijs de Ridder kan de boom in met zijn ‘argumentatie’. Het is geen toeval dat hij zijn gezwets over ‘logica’ met de constatering afsluit dat zijn ‘logica’ in sommige parochies hoger wordt aangeslagen dan in andere. Hij heeft zelf al geraden dat de parochie de plek is waar hij thuishoort.
M.H.Benders, Istanbul, 16-11-2009
In Eurozine schrijft Margot Dijkgraaf – als deel van een serie literaire geschiedenissen van verschillende landen – een breed overzicht van de Nederlandse literatuur van de afgelopen vijftig jaar.
The liberal, atheist era has come to end in the Netherlands and contemporary Dutch literature reflects that, writes critic Margot Dijkgraaf. The new need for security is reflected in the work of two novelists in particular: Jan Siebelink, whose fiction, free of references to contemporary life, evokes the ‘profound Holland’ overturned in the 1960s; and Arnon Grunberg, whose representations of male disintegration blankly refuse any such reassurances. But there is a parallel strand of current Dutch literature that sidesteps such concerns: novelists and poets with migrant backgrounds introducing new styles and identities into the Dutch literary repertoire.
Het is inmiddels bijna midden November. Nog steeds heb ik niets vernomen omtrent mijn bezwaarschrift ingediend tegen de beslissing van het Fonds der Letteren om mij geen stimuleringsbeurs toe te kennen, ondanks dat het Fonds der Letteren mij schriftelijk liet weten dat ‘ik vermoedelijk eind September bericht zou ontvangen’.
Het kernargument achter het afwijzen van mijn subsidie was dat een bepaald heerschap ‘op de gang was gaan staan’ toen mijn bundel werd beoordeeld. Het kernargument van mijn 10 pagina’s lange bezwaar was dat het absurd is te veronderstellen dat ‘ op de gang gaan staan’ iets met integere beoordeling te maken heeft, dat het een aanvraag stigmatiseert, en dat het commissielid dat bleef zitten aantoonbaar net zoveel motief had om negatief tegenover mijn persoon te staan. Duidelijk een setup, dus.
Gelukkig maar dat de rechter precies hetzelfde over dat ‘op de gang gaan staan’ als subsidielandfenomeen denkt. Op de website van Max Pam valt te lezen:
De Amsterdamse rechtbank vernietigde de beslissing van het Fonds voor de Podiumkunsten om de Theatercompagnie geen subsidie toe te kennen. In het vonnis werd erop gewezen dat een lid van de adviescommissie partijdig was, omdat hij voor zijn eigen groep Likeminds ook subsidie had aangevraagd bij datzelfde fonds.
Ik vermoed dat Theo verrukt zou zijn geweest van de uitspraak. Hij zou Thieu Boermans van de Theatercompagnie meteen hebben opgebeld om hem te feliciteren. Als filmer heeft Van Gogh ook altijd overhoop gelegen met subsidie-instanties. Nederland is vergeven van de kunstinstellingen, waarvan de leden op die een of andere manier gebruik maken van belangenverstrengeling. Het verschijnsel van “op de gang gaan staan” als jouw eigen subsidieaanvraag aan de beurt komt, is hier schering en in inslag.
Lees het hele artikel van Max Pam
‘Op de gang gaan staan’ als je eigen aanvraag beoordeeld wordt – wat een lachwekkend kinderlijke suggestie van integriteit. Uiteraard dient het absoluut uit den boze te zijn voor een commissielid om uberhaupt aanvragen in te dienen bij het Fonds waar hij zelf vingers in de pap heeft. In mijn geval is er nog meer aan de hand: het ‘op de gang gaan staan’ was niet het gevolg van een eigen aanvraag, maar de aanvraag van een ander. Ik ontving een brief van het Fonds der Letteren waaruit op te maken viel dat men de mening was toegedaan dat de beoordeling omtrent mijn bundel ‘eerlijk was verlopen’ omdat ‘er iemand op de gang was gaan staan’.
Ze hebben het er schijnbaar lastig mee, want twee maanden nadat ik antwoord zou krijgen heb ik nog steeds niks gehoord. Zou er soms iemand wat te lang op de gang gestaan hebben, denk je dan. Men zou eens een onderzoek moeten verrichten naar het psychologisch profiel van mensen die graag in beslissende functie op de gang gaan staan. Ik kan me herinneren dat je vroeger vooral ‘op de gang ging staan’ als je een stouterik was. Schijnbaar kerft zo’n vertrouwde handeling zich toch diep de moralistische opmaak van de wat zwakkere menselijke soortgenoot in.
[quote id=7]
Vorige week publiceerde Paul Zukofsky een open brief aan iedereen die het werk van zijn vader Louis (1904-1978) (en zijn moeder Celia) wil citeren. Het is het meest onredelijk, haatdragend, en cynisch stuk schrijven dat ik ooit heb gelezen. Misschien, wordt er hier op gewezen, heeft deze toon te maken met het feit dat Paul Zukofsky (die zelf viool virtuoos was, dirigent en veel muziek opnam – en onderwerp is van Louis Zukofsky’s enige roman Little) blijbaar ‘niets meer heeft’:
[PZ] who really contributed so much to contemporary music and who recorded more American music over his span as both a violinist and a conductor than anybody—people forget what he contributed, you know. He has nothing now. Typical of a situation as a conductor. He can’t play anymore because he’s got some problems.
Aldus componist Milton Babbit . Hoe dan ook, het is een triest gebeuren. PZ is als anderen al hebben opgemerkt, in goed gezelschap: Stephen Joyce bemoeilijkt ook al jaren wetenschappelijk onderzoek naar het werk van zijn grootvader en wordt uitgenodigd naar congressen om hem te vriend te houden.Het is niet verbazend dat, als in dit lange verslag staat vermeld, Paul Zukofsky de stappen van Joyce toejuigt:
when Stephen Joyce succeeded in muffling a whole field of study with a combination of litigation and bravado, others took notice. Paul Zukofsky, the son of the poet Louis Zukofsky, said of Stephen’s efforts, ‘What I’ve heard sounds very, very good. He is a staunch defender of rights.
Ook de erven van Beckett zijn berucht om het tegenwerken van het gebruik van en opvoeren van stukken. ‘The Samuel Beckett estate sues theatre companies that mount unorthodox productions of the plays. A year after Stephen announced his suit against Danis Rose’s “Ulysses,” the Nabokov estate fought an unsuccessful battle to prevent the publication in English of “Lo’s Diary,” an Italian novel based on “Lolita.”
Tenslotte werd recentelijk door de Spiegel bericht over een nog een hele nare (en enigzins ingewikkelde) geschiedenis aangaande vele brieven en andere nagelaten geschriften van Kafka. Zijn vriend Max Brod deed de volle nalatenschap van de geschriften toekomen aan zijn secretaresse (en volgens sommige, minnares) Ester Hoffe. De rest van het verhaal is onnodig ingewikkeld om te herhalen, maar volgens het artikel heeft ze veel van de geschriften verkocht, soms zelfs geld aangenomen zonder er wat voor te overhandigen (hoe ze dat voor elkaar heeft gekregen wordt er niet bij verteld). Een ding is duidelijk schrijft de Spiegel, Ester Hoffe heeft de nalatenschap gebruikt om zichzelf te verrijken (het gaat om ong. een miljoen Euro. Haar dochters zien hier overigens niets van).
Een niet geheel verbazende ironie van het de recente aankonding van Paul Zukofsky is dat ik nu opeens de onverwacht blijde ‘eigenaar’ ben van Louis Zukofsky’s ‘A’, en dat is nu voor iedereen mogelijk: iemand heeft namelijk net het boek in zijn geheel gratis op internet gezet als gratis downloadbaar Torrent bestand. Ook ironish is dat Paul’s vader zelf een handje van had om te ‘citeren’ van anderen: in de zelfde tijd als Walter Benjamin maar (volgens biograaf Mark Scroggins) zonder van zijn werk op de hoogte te zijn, werkte Zukofsky met een soortgelijke methode, namelijk een boek over Shakespeare, Bottom: On Shakespeare (1963) dat voornamelijk uit citaten bestaat. Vervolgens maakte Celia Zukofsky ter nagedachtenis aan de dood van haar man een boekje dat ook bestond uit citaten, ditmaal van Zukofsky zelf.
Op Harriet schrijft John O’Connor over commentaar op commentaar (van leraren op schrijfwerk van studenten). Hij haalt Raymond Carver aan die blijkbaar zei dat het enige dat je in een recensie mag schrijven is ‘Goed gedaan! Ga zo door!’ In een reactie wijst iemand erop dat dit weinig zin heeft omdat een aspirerende schrijver dan nooit iets leert en dat je slecht schrijven gewoon bij de naam moet noemen. Eerlijkheid niet inruilen voor aanmoediging. Dat vind ik in principe een mooi principe. Alhoewel er genoeg situaties denkbaar waarbij de voorkeur ligt bij ofwel zeer directe kritiek, ofwel juist voornamelijk aanmoedigende woorden.
Maar waarom niet gewoon beide. Een manier van critizeren die uiteindelijk wel affirmatief is bedoeld. Er is sowieso veel te veel verontwaardiging, vete, wrok in poëzie land (zoals dat natuurlijk geld voor elke sub-kring). Dus affirmatieve kritiek die net zo goed uiterst negatief kan zijn, als het maar niet iets wil afbreken, maar juist de nadruk legt op het mogelijke.
David Foster Wallace gaf volgens een oud collega altijd schrijfopdrachten aan zijn studenten terug die met vier kleuren waren gecorrigeerd (gehoord in de Kelly Writer’s House podcast ‘Remembering DFW 2008′). Een mooie combinatie van zeer uitvoerige, maar tegelijkertijd met veel aandacht opgeschreven kritiek. Een aandacht en (over)gevoeligheid die tekenend is voor al zijn schrijven (zowel zijn essays als fictie).
Ook een mooi voorbeeld van affirmatieve kritiek is Gilles Deleuze, die op zijn bijzondere wijze filosofen becritizeerde – door hun ideeën op tegendraadse manieren in een ander kader te plaatsen – maar dat nooit deed zonder een sterk gevoel van affirmatie door zijn schrijven heen te laten spreken. Deleuze over commentaar (in mijn vertaling uit het Engels, weet niet waar hij dit schrijft, het staat op de achterkaft van Desert Islands):
Als je iets niet bewondert, als je er niet van houdt, dan heb je geen reden om er een woord over te schrijven. Spinoza of Nietzsche zijn filosofen wiens critische en destructieven krachten ongeëvenaard zijn, maar deze macht komt altijd voort uit affirmatie, van vreugde, van een cultus van affirmatie en vreugde, van de urgentie van het leven tegen zij die het leven willen verminken en verstikken.
- –
En dan hier nog wat lekker eenvoudig destructief destructieve kritieken van William Logan, geplaatst in een reactie (op dat stuk in Harriet) door Mark Ford ‘Samurai Critic’ van de NYT Sunday Book Review:
‘Almost everything Graham writes offers the swagger of emotion, pretentiousness by the barrelful and a wish for originality that approaches vanity — she’s less a poet than a Little Engine that Could, even when it Can’t.’
[Billy Collins is] ‘…the Caspar Milquetoast of contemporary poetry, never a word used in earnest, never a memorable phrase. . . . If such poems look embarrassing now, what are they going to look like in 20 years?’
[Ted Kooser’s poems come] ’slathered in sentiment like corn on the cob with butter,’
[Gary Snyder’s poems are compared to] “the disconnected thoughts of a man trying to make verse with magnets on a refrigerator door.’
[Anne Carson’s are like] ‘parlor games of extraordinary tedium.’
Inmiddels ben ik in fase 2 van mijn project ‘Meest gespierde dichter van Nederland’ beland, aangezien ik nu de grens ‘normaal gewicht’ ben gepasseerd. Als ik zeg ‘meest gespierd’ hoeft u geen uitpuilende bodybuildertaferelen te verwachten: een beetje lekker gespierd zijn is al genoeg om de tollenaren uit de tempel te verjagen, immers de concurrentie is gering. Het project is nog niet afgelopen:
Men wear masks to make themselves beautiful. But unlike a woman’s, a man’s determination to become beautiful is always a desire for death. – Yukio Mishima
Aanvang project: 28 Januari 2009. Gewicht: 127.8 kilo
17 Oktober 2009 – Einde fase 1: 91 kilo bij 1.91
Fase 2: Perfect gewicht: 82 kilo (Verwacht: December 2009)
Fase 3: Stabilisatie Perfect gewicht (3 maanden constant) (Verwacht: Maart 2009)
Fase 4: Stoppen met roken en zware spiertraining (Maart 2009)
Fase 5: Zwarte band in Karate halen (Onbekend)
Zoals jullie zien is het in principe een lang traject waarvan wel het einde gedefinieerd is. Een dichter zijn met de zwarte band in karate, dat lijkt me erg nuttig. Hieronder wat foto’s die deze week genomen zijn, zoals jullie zien ben ik behoorlijk veranderd.
Ook ben ik bezig met instappen in de yachting industry, samen met wat vrienden die een yacht interior design bedrijf hebben. De foto’s zijn bij hun op kantoor genomen.






De Reaktor is een nieuw ‘internetplatform’ (lees: uitgeklede wordpress kloon) die na ruim een jaar ontwikkeltijd door liefst drie verschillende bedrijven en gesubidieerd door liefst vier instellingen ons niet alleen grotendeels dezelfde oude bekende auteurs voortovert die ook elders de kweekvijvers bezetten – nee, voor de goede orde zijn er ook wat nieuwe, onbekende namen gezocht die, naar beste Machiavelliaanse traditie, makkelijk te vervangen zijn zodat de Staat ‘Reaktor’ geen discursiviteit te vrezen heeft.
Dat typeert precies dat lullige kweekvijver idee, de recycelende auteur en de ultieme *vervangbaarheid* van ‘nieuw talent’. Dat alle literaire blaadjes, met hun enorm unieke profielen, door dezelfde lui geschreven worden. Lui die ‘dit soort’ artikel naar dat blaadje sturen, en ‘dat soort’ artikel naar het andere unieke blaadje. Die dat weer geheid publiceren, want mijnheer stond ook in de andere blaadjes. Referentie-economie. Wat helemaal interessant is, zo te zeggen, is de absolute ontkoppeling van kritiek en polemiek. Dat zou vroeger, toen mensen nog echt voedsel aten, ondenkbaar geweest zijn: een blad met ‘literatuurkritiek’ zonder zelfs ook maar een miniem zweempje polemiek. Er bestond ooit een tijd waarin de polemiek als het hoogste literaire goed aangeschreven stond – als een essentieel onderdeel van kritiek zelfs – maar de brave schoolmeester-recensie heeft als ‘kritiektype’ gezegevierd: sterker nog, zelfs maar elke poging tot polemiek moet *op voorhand* onklaar gemaakt worden – brave, gezagsgetrouwe burgers met licht verteerbaar gezwets vermaken, wat zich alleen *in zijn lengte* als ‘diepgravend’ zou kunnen laten duiden, vandaar die constante referentie naar het waanidee dat ‘lange kritieken’ eindelijk weer mogelijk zijn, dankzij de Reaktor. De Reaktor, waar normale, voorzichtige en redelijke mensen zich mogen registreren en waar de vertrouwensbreuk als een halsmisdaad staat aangeschreven. We lezen in de algemene voorwaarden:
“U dient de website in al haar onderdelen te gebruiken als een normaal, voorzichtig en redelijk mens.”
Ook interessant om te lezen dat misbruik van vertrouwen bij wet verboden is. Enige vorm van belediging of eerberoving is volstrekt uit den boze, waarmee de polemiek meteen monddood gemaakt is, ten faveure van de ‘beschaving’ – de Reaktor is daarmee het internetboegbeeld geworden met precies dezelfde randvoorwaarden als de literaire bladen zelf: maak elke vorm van wildgroei onmogelijk, creeer een omgeving die zo beheersbaar mogelijk is door niet slechts te vereisen dat mensen zich eerst registreren om te kunnen reageren, nee, je stelt ook nog een waslijst eisen aan die registratie met allerlei kleinburgerlijke predicaten om te voorkomen dat er iets op dat ‘laagdrempelige platform’ kan gebeuren wat niet onder controle te houden is.
Dit alles dient uiteraard precies dezelfde kruidenierselite van middelmatigheid die al sinds de eerste geboortekrampen van het postmodernisme gerieflijk in het subsidiezadel zitten. Ik zie, net als Nietzsche, best enige noodzaak voor middelmatigheid en wat mij betreft mag alles wat middelmatig is best alle kranten en platforms bezetten. Maar je zou je wellicht eens kunnen afvragen of die kruideniers, die alleen van zich laten horen als ze denken dat hun winkeltje bedreigt wordt – of je aan zulke kleinzielige schoolmeesters de kritiek wel kunt toevertrouwen.
In Nederland is ‘de criticus’ van oudsher het paradepaardje van een bepaald type poetica, in plaats van dat hij met arendsoog boven alle poetica’s staat. Dat is primair clownesque, want juist kritiek moet niets te verdedigen hebben.
Het is een cabaretvorm: de voorspelbaarheid van een bepaald criticus is een voorwaarde voor diens bestaan juist *omdat* de lezer zich superieur wil voelen. Ergo: de Nederlandse lezer *tolereert* geen echte critici. De kruidenierselite wil ook vooral ‘voorspelbare meningen’ omdat men dan op voorhand recensies naar de mond kan schrijven. Iedereen is dus gebaat bij voorspelbaarheid, en zo zag de paradecriticus het leven. Dit is ook precies de reden achter de ontkoppeling die heeft plaatsgevonden tussen de kritiek en de polemiek – waarbij de polemiek van hoogste goed naar het verdomhoekje van de literatuur is verbannen. De literatuur is het domein van de beschaving, van de gegoede burger geworden – je zult op de Reaktor geen polemisch woordje aantreffen, geen kink in de kabel, geen wildgroei, geen echte kritiek. Dit is de speelplaats van dezelfde uitgerangeerde fopelite die al sinds jaar en dag op staatskosten mensen in slaap doen sukkelen, in het belang van de ‘literatuur’.
Het mag duidelijk zijn dat dit huwelijk tussen Staat en Literatuur van nature een bepaald type kritiek prefereert – interessanter dan de vraag waarom kritiek zo scherpzinnig als een gemiddeld tweedekamerdebat moet zijn, waarom een kwantitatief argument (‘lengte’) als bestaansrecht wordt opgevoerd (och jee, in de krant moesten de heren bondig zijn) – interessanter dan dit soort periferieke kenmerken is het recyclemechanisme waarmee deze clownerie steeds zichzelf vernieuwt – want het valt nu al te voorspellen: die site wordt zo dood als een pier, tenminste zodra het geld opdroogt. Maar dat is juist de angel in het hele verhaal: zodra dat geld opdroogt zijn de heren alweer vertrokken, is er een ‘ander initiatief’, is er weer ‘voortschrijdend inzicht’ en begint het hele verhaaltje doodleuk opnieuw. Nieuw talent wordt aangetrokken, dat zo heerlijk vervangbaar is – waarmee het hele ‘kweekvijver’ idee pathologisch verklaard is: deze mensen hebben een kweekvijver nodig vanuit een politieke strategie – het gaat hier niet alleen om het opwekken van de suggestie dat ‘alles steeds vernieuwend en dynamisch’ is, nee, het gaat hen bovenal om de vervangbaarheid van ‘nieuw talent’ omdat hoe ‘nieuwer’ het talent is des te minder bedreigend zij voor de eigen positie zou kunnen zijn. Juist daarom zie je bij een initiatief als ‘De Reaktor’ of bij andere literaire bladen constant ‘nieuw talent’ voorbijkomen – enerzijds als bestaansrecht, anderzijds als garantie voor de eigen machtspositie. Ergo: de Reaktor bestaat uit ‘gevestigde namen’ en ‘nieuwe namen’ maar niets uit het middenveld. Dat middenveld moet namelijk liefst onklaar gemaakt worden, simpelweg omdat de ‘gevestigde orde’ er niets voor voelt door hen te worden vervangen. Dan zijn ze de centjes kwijt. Gevolg: een eeuwige jacht naar ‘nieuw talent’, de ‘kweekvijver’ als bestaansrecht van de literatuur, de ‘eeuwige vernieuwing’. Projectieve illusie: het ‘middenveld’ is niet ‘goed genoeg’ voor ons, vandaar dat wij ‘nieuw talent’ prefereren. Men ziet dus dat ook hier weer de literatuur precies de maatschappelijke ontwikkelingen volgt: de referentiele economie schakelt, uit zelfbescherming, op den duur de middenklasse uit. En niet alleen de middenklasse: ook de uitzonderingen moeten eraan geloven: de polemiek moet worden uitgebannen, allemaal pure klassenpolitiek: de middelmatigheid die zich als ‘elite’ opvoert door referentieel-economische middelen kan alleen overleven door zowel de middenklasse als de uitzondering buiten spel te zetten. De middenklasse, omdat zij vreest vervangen te worden, de uitzondering, omdat zij geratificeerd willen worden als het hoogste.
Om die reden worden de autonomen ofwel genegeerd ofwel getolereerd zolang zij geen logistieke bedreiging voor de eigen posities vormen. Met andere woorden: je mag best autonoom zijn, maar dan moet je je mond houden, of je moet de huidige hierarchie ratificeren. Daarnaast zijn er nog twee types middenklasse: het type middenklasse dat erom staat te springen de huidige ‘elite’ te vervangen (type: Contrabas), die zich al precies zo probeert te gedragen als de huidige ‘elite’ (Referentieel talent zonder aantoonbaar schrijftalent) en die vooral ‘rebelleren’ uit oedipale overwegingen – en dan heb je nog een andere middenklasse, de mensen die het nooit tot autonoom zullen redden en die het ofwel gewoon opgeven ofwel als klapvee in de coulissen gebruikt worden.
De kruidenierselite wil worden geratificeerd als het hoogste goed. Discursieve elementen worden als autonoom niet getolereerd, juist omdat zulke ‘wangeluiden’ vraagtekens zetten bij hun recht op een machtspositie. Om echter deze positie langdurig te kunnen handhaven moest er constante vernieuwing plaatsvinden, omdat men immers niet constant zowel de andere middenklasse als de uitzonderingen uit kan schakelen zonder dat de ‘Might is Right’ politiek al te zichtbaar wordt. Daarom bestaan die kweekvijvers, daarom die eeuwige aanwas van onvoorstelbaar talent dat na 1 jaar al weer nergens te bekennen valt.
Alles onder het oogmerk van de eeuwige dreiging. Want juist daarom moet er ‘vernieuwd’ worden, moet de talentenjacht worden aangezweept. Waarom wordt die ‘literatuur’ en ‘kritiek’ die zich zo gerieflijk door de staat laat sponsoren altijd en immer bedreigd – omdat dat de lokroep van de kruidenier is, het winkeltje staat weer onder bedreiging, de omzet staat op het spel. Het is het enige leitmotiv wat deze mensen nog kennen – de literatuur moet bedreigd worden omdat anders niemand in actie komt. Dat die ‘literatuurkritiek’ die zo tandeloos voor zich uit wauwelt, die volstrekt onpolemisch geworden is, die elke schoolfrik zou behagen – dat die literatuurkritiek allang en breed is overleden, zal eenieder natuurlijk worst wezen. Laten we even wel wezen: we hebben het hier over de generatie die verantwoordelijk is voor maken van dat prachtige Rorschach plaatje van de staatsschuld – na ons de zondvloed, dankjewel jongens, en blijf vooral beschaafd doorzemelen vanuit uw pluizige torens. Want een ivoren toren, nee, daar zou u niet eens in weten overleven met uw spekgladde zolen.
M.H.Benders, Istanbul, Zaterdag 17 Oktober 2009
Dat is de kop van een recensie van The Oxford critical and cultural history of modernist magazines, misschien interessant voor mensen die de recente discussie hebben gevolgd die ontstond na naar aanleiding van de Master scriptie van Bart Temme over de effectiviteit en relevantie van Nederlandstalige literaire tijdschriften als kweekvijvers voor jong talent (onder andere op DeContrabas , hier op Loewak door Martijn Benders, en in een reactie van Temme in het NRC).
De recensie van bovengenoemd boek begint met de uitspraak van T.S. Eliot dat, ‘The first function of a literary magazine is to introduce the work of new or little-known writers of talent.’ In 1920 stelde hij als doel voor een tijdschrift dat hij opzette, ‘the maintenance of critical standards and the concentration of intelligent critical opinion.’
Wat betreft het hedendaagse tijdschrift; ik denk dat het tijdschrift/boek nog even moet wennen aan het internet. Het zal vast (nog een hele tijd) blijven bestaan, maar ik vermoed in toenemende mate als aanhangsel van digitale varianten die steeds meer in verbinding met elkaar zullen staan, zoals nu al te zien in de ontwikkeling van Personal Digital Assistants waarmee verbinding kan worden gemaakt met andere netwerken (PDA, Kindle, internet, automatische garagedeur).
Anderzijds geven computers juist ook nog altijd de schijn van een soort buro-oppervlakte (bijvoorbeeld de desktop, en het mappen systeem), en zijn er nog veel aspecten van computers/websites die doen denken aan de layout van een boek – als een soort drapering over de eigenlijke digitale bouwstenen van computer en internet.
I once met Chrétien Breukers, who’d just edited an anthology of Dutch poetry. We were reading on the same evening for the Utrecht Literary Society. Chrétien’s new anthology was launching that night. I was invited around the theme of poetry on the internet, and started by mentioning Dutch Poet Martijn Benders, a friend of mine who lives on an island in the Bosphorus Straits outside Istanbul, and uses the internet a to participate in the poetry world. I noticed some commotion after I mentioned Martijn, but continued reading in a strange atmosphere until somebody came up and interrupted me to say they were short on time. Later somebody explained to me that Chrétien and Martijn were arch-enemies, which was news to me, and hence Chrétien having stormed out complaining that I was ruining his launch. Afterwards I made to speak to Chrétien about it, to clear the air, but he turned away, and didn’t respond to my email in which I apologized for ruining his night.
http://jacketmagazine.com/38/cralan-once-met.shtml
Al vele jaren krijgen wij consistent te horen dat in Utrecht alles beter is, alles beter geregeld is, dat Utrecht het walhalla van de poezie is en dat Utrechtse dichters overlopen van de redelijkheid en zichzelf en hun poezie als een verlengstuk van de plaatselijke VVV zien. Utrecht is gewoon helemaal toppie.
Het is echter fijn nu eens een ander geluid te horen, al is het dan via een Australisch poezieblad.