Poetry and Cultural Studies: A Reader reader Maria Damon and Ira Livingston (eds.), University of Illinois Press, Urbana, Chicago, 2009
-
‘I really cannot read another Cultural Studies analysis of Madonna or The Sopranos,’ zucht Stuart Hall, aangehaald in Michael Bérubé’s recente essay ‘What’s the Matter With Cultural Studies’ (in The Chronicle Review). Hierin uit Bérubé zijn teleurstelling over de ontwikkeling van Cultural Studies sinds het eind jaren ‘60 als discipline opkwam. Hij stelt dat het maar weinig verandering heeft teweeggebracht in het Amerikaans hoger onderwijs en dat het lijdt aan een neiging naar te veel monocausale analyses, die voor de zelfde reden zowel aantrekkelijk als problematisch zijn, namelijk, dat ze de complexe realiteit van hoe de wereld werkt simplificeren (bijvoorbeeld complexe sociale/politieke problemen weg analyseren als simpelweg resultaten van het neoliberalisme). Een ander probleem dat Bérubé noemt is dat Cultural Studies door een gebrek aan een duidelijk methodologie zich vaak heeft ontwikkeld tot een ‘studie van pop cultuur’, of een generische ‘culturele kritiek’. Wat onduidelijk blijft in zijn essay is wat voor een rol hij Cultural Studies wel ziet spelen.
De nieuwe verzameling essays Poetry and Cultural Studies (samengesteld door Maria Damon en Ira Livingston) is in elk geval een voorbeeld van hoe het ook goed kan gaan. Het is vooral goed geschikt voor studenten, maar zeker ook interessant om zelf te lezen. Er zijn wel een paar kleine dingen die irriteren aan het boek, maar over het algemeen zit het goed in elkaar. De verschillende hoofdstukken zijn: Precursors, Ethnography, Mass Culture/Cultural Politics, National (De)formation, Subject (De)formations, Reinventing Tradition.
In het eerste deel zijn redelijk wat invloedrijke teksten opgenomen die aan de voorgeschiedenis van Cultural Studies staan. Bijvoorbeeld W. DuBois’, ‘Of the Sorrow Songs’, and Henry Gates’ ‘The Signifying Monkey’. Maar er zijn ook veel teksten opgenomen van een grote verscheidenheid aan schrijvers, waaronder Rachel BlauDuPlessis (over de constructie van ‘modern male whiteness’), en Barrett Watten (over Gertrude Stein, Fordism en de historisch ingebedde ‘constructivistische momenten’ van radicale poëtica’s). Tegelijkertijd is er een wijde geografische focus, met teksten over poëzie van India en China tot Frankrijk (alhoewel het onduidelijk blijft waarom juist die landen zijn gekozen). Tenslotte zijn er ook essays over populaire of gemarginaliseerde kunst; bijvoorbeeld teksten het stuk geschreven door Maria Damon over de poëzie van drie vrouwen in achterstandswijken (‘niet geschikt voor wetenschappelijke analyse’), of de essay van Robin Kelley over ‘Gangsta Rap and Postindustrial Los Angeles’.
Het is wel een beetje anachronistisch om de eerste afdeling ‘Precursors’ (‘Voorgangers’) te noemen. Kan Deleuze/Guattari’s ‘What is a Minor Literature’, gepubliceerd in 1975, echt een voorganger worden genoemd, of eerder een zijdelingse invloed? Nog aparter is de toevoeging van Wordsworth’s ‘Preface to Lyrical Ballads’ dat de andere teksten met meer dan honderd jaar voorgaat. Het was misschien een idee geweest om die ruimte in te ruilen voor recentere teksten die ook relevanter zijn voor Cultural Studies.
Ook jammer is dat alle essays al eens ergens zijn gepubliceerd en bovendien dat veel ervan ook nog eens flink zijn ingekort. Ze zijn ‘substantially (and sometimes ruthlessly) condensed’ en wat me verbaasde: ‘smaller omissions and related editing have been done silently’(16). Op sommige pagina’s zijn er zo veel ellipsen dat het gewoon ergert met lezen. Soms is het ook pijnlijk om van een mooie tekst de stijl en nuance te zien worden ingeruild ten behoeve aan bondigheid – bijvoorbeeld in het geval van Walter Benjamin’s mooie essay over Baudelaire (die voor meer dan de helft is ingekort).
* * *
De combinatie die in dit boek wordt gemaakt tussen poëzie en Cultural Studies is minder voor de hand liggend dan men misschien zou vermoeden. Cultural Studies is destijds immers onder andere juist bedacht als een protest tegen elitaire kunstvormen zoals bijvoorbeeld poëzie. New Criticism, de literatuurwetenschappelijke stroming van de jaren 50/60 – met een sterke nadruk de ‘kwaliteit’ en integriteit van een gedicht – hielp weinig om poëzie een minder elitair aanzien te geven. Maar tegelijkertijd begon poëzie in de jaren 60/70 ook een toenemende rol te spelen in de tegencultuur, terwijl het aan de andere kant ook ontdekt begon te worden door zowel massacultuur (Slams, open poezie lezingen), als ook het kapitalisme (de poëzie van reclameborden en slogans). Daarom, stellen Damon/Livingston, is het sinds enige tijd goed mogelijk om poëzie te bekijken vanuit een Cultural Studies perspectief. Dus POEZIE, al staat het zo groot gedrukt op de kaft van het boek, refereert natuurlijk in feite aan Poëzies, meervoud. ‘We must multiply poetic subjects and objects’ (Guy Debord, motto van de Inleiding).
Dit boek is zowel beschrijvend als kritisch. De inleiding bespreekt verschillende manieren waarop er is nagedacht over (wel of niet bestaande) afstand tussen het alledaagse en het poëtische. Dit wordt gevolgd door een korte bespreking van hoe het nummer ‘Brimful of Asha’ van de Brits- Indiase band Cornershop aanzet tot verschillende interculturele, interdisciplinaire interpretaties, maar tegelijkertijd niet gemakkelijk in een puur theoretisch kader past. Er blijven ook, ‘questions opened by the song…as if the rhythm asked our bodies… We live our answers; we keep the question open however we can, or move toward various closures, in the way our brains and bodies are wired and rewired to themselves and others.’
Ik vind dit een mooie benadering, omdat het ruimte laat voor een openstaan tot het lied dat niet puur theoretisch is, maar ook direct fysiek en/of intuïtief. Het is een houding die wel meer terug te vinden is in Poetry and Cultural Studies, en het geeft het boek een goed balans van theorie met tegelijkertijd de ruimte voor enig experiment. Aan de ene kant zijn er bijvoorbeeld klassieke teksten opgenomen, terwijl de bijdrage van Maria Damon zelf een persoonlijk verslag is over de poëzie van drie laagopgeleide vrouwelijke studenten van een basis cursus Engels. Maria Damon bespreekt hier dus een niet-academische poëzie, en verkent daarmee tegelijkertijd de grenzen van wat het betekent om wetenschappelijk te schrijven. En andersom plaatst ze de gedichten en de betreffende sociale context in een nieuw licht door ze serieus te nemen als objecten waardig van analyse.
Deze vraag aangaande de rol en functie van wetenschappelijke analyse wordt op een vergelijkbare manier uitgediept in het essay van Charles Bernstein. Hij zet zijn herkenbare kritische humor in om vraagtekens te plaatsen bij een dogmatisch wetenschappelijk manier van denken, terwijl hij zijn kritiek tegelijkertijd ook toepast en speelt met het academische formaat waarin hij schrijft. ‘A critic lovely as a poem’, citeert hij Dorothy Parker. Een passende regel want Bernstein pleit voor en gebruikt zelf ook poëtische taal – een stijl van openheid, bewegelijkheid, affect, humor. En hij ageert tegen een academische didactische toon, elitisme, normatief vooropgezette noties van poëzie, gesloten analyses die gebruik maken van een onveranderlijke methode, en een vastomlijnd literair Canon. De inhoud van Bernstein’s essay wordt ondersteund door de vorm en stijl. Met andere woorden, hij houdt vast aan de basis vorm van een wetenschappelijk paper, om die tegelijkertijd ook op een niet-wetenschappelijke manier te ondermijnen. Bijvoorbeeld, in plaats een conventionele structuur bestaat deze essay uit vele korte, humoristische, soms aforistische stukken, en zelfs een gedicht, die de lezer uitdagen en stimuleren om zelf actief na te denken en te reageren.
Bernstein’s humor is niet zonder functie want de humor zelf poneert een argument door bijvoorbeeld de potentiële kracht te illustreren van de humor, de jouissance, die toch al in taal aanwezig is. Bernstein erkent het belang van wetenschappelijk onderzoek, maar vind dat er geen reden is om dit onderzoek met een chagrijnige smoel te doen. ‘While I respect the authority of scholarship, I reject the authoritativeness of any prescribed set of books, methods, experts, standards.’ (362)
Het is suf om betweterig vast te stellen hoe het anders kan, zonder zelf ook deze andere benadering toe te passen, iets wat Bernstein duidelijk vermijdt. De titel van zijn essay – ‘a blow is like an instrument’ – is hier een goed voorbeeld van; het is een intrigerende titel die de lezer meteen uitdaagt om een actieve houding aan te nemen. Halverwege het stuk wordt het duidelijk dat dit een citaat is van een Jazz muzikant die het blazen op een windinstrument vergelijkt met het spelen op andere instrumenten. Het blazen zelf is als een instrument in die zin dat het een eigen kracht is dat door een instrument heen gaat. Op die manier is de stijl van Bernstein en de vorm van kritiek waar hij voor pleit, ook een krachtige wind, een soort affectieve, gestileerde wind die door de tekst heen blaast (in plaats van een puur logisch argument die de tekst met geweld staande houdt).
I open the door and it shuts after me. That is, the more I venture out into the open, the more I find it is behind me and I am moving not toward some uninhabited space but deeper into a maelstrom of criss-crossing inscriptions. The open is a vanishing point – the closer I get to it, the greater the distance from which it beckons. And I begin the journey again. (372)
Dit boek, Poetry and Cultural Studies, is een goeie plek – alhoewel, vooral handig voor studenten – om zo een reis telkens opnieuw te beginnen. Trouwens, een podcast van de presentatie van het boek – met lezingen van Bernstein, Pierre Joris, and Tracie Morris – is te vinden op de PENN Sound website.
Vorige week kreeg ik ‘Zoals een haan een ei legt’ binnen, een dichtbundel waarin de 100 beste gedichten uit de Turing wedstrijd, of tenminste de 100 gedichten die de jury het beste vond, gebundeld zijn. Ook mijn gedicht ‘De Aanslag’ is er in terug te lezen. Overigens niet in definitieve vorm, want ik vind het gedicht nog niet helemaal goed, dus voor de uiteindelijke bundelversie ga ik er nog wat aan sleutelen – dat krijg je als je noodgedwongen vers werk in moet sturen.
Van de bundel had ik niet veel verwacht. Omdat ik de top 3 in die wedstrijd geen van 3en een goed gedicht vond, en de gedichten op die website van dat radioprogramma grotendeels maar matig vond, dus de verwachtingen waren niet hooggespannen. Wat ik bijvoorbeeld heel bevreemdend vond is te horen dat de dichter van het gedicht dat de tweede prijs won (René Guljé met het gedicht Mirandabad 1954) ‘Ik heb het vleesmes van angst in mijn badtas’ de beste regel uit zijn gedicht vond terwijl voor mij juist die zin dat hele gedicht verpeste. Ik vond het wel een aardig gedicht tot die regel voor de dag kwam, toen dacht ik ‘nee nee weg ermee’. Raar is dat fenomeen: dat wat iemand anders als hoogste goed ziet voor jou juist het tegendeel is.
Maar goed: de bundel ‘Zoals een haan een ei legt’ valt me eigenlijk enorm mee. Er staan aardige, leuke, en een paar goede gedichten in. Kun je eigenlijk meer verwachten van een enkele wedstrijd? Naar mijn idee niet. Ik denk zelf dat 5 juryleden een ramp is – zou het mijn keuze zijn dan zou ik altijd, voor welke prijs dan ook, maximaal twee juryleden instellen. Bij drie begint namelijk het compromis. Dat is het compromisnummer. Bij twee heb je hoogstens kans op slaande ruzie. 1 Jurylid, dat lijkt me nog de meest ideale omstandigheid. Dan weet je tenminste wat je voor je hebt.
Interessant is het om dit boek te vergelijken met de ‘Jaarkalender poezie 2010′ die ik enkele maanden eerder ontving. Samengesteld door Victor Schiferli en die dame wiens naam ik nooit kan onthouden Tjietske ofzo. Ik heb die kalender dagelijks al badend doorgenomen. Schiferli is een typische exponent van de middelmaatelite in Nederland: zijn pedante bespreking van Duinkers bundel in de Trouw sprak wat dat betreft boekdelen: “ach, doe eens normaal, doe eens rustig, je kop steekt boven het maaiveld uit” was de kernboodschap van de recensie. In de gedichten die hij voor deze ‘poeziekalender 2010′ verzamelde valt dan ook geen lijn of smaak te ontdekken. Sterker nog, uit de keuze uit mijn werk (ik was met twee gedichten opgenomen) kan ik afleiden dat het eerste gedicht uit de bundel en het gedicht wat Jaeggi ooit op zijn weblog publiceerde als werken geselecteerd werden. Geen van beiden mijn beste werken of representatief voor de bundel: geen van beiden ‘toegankelijk voor een groot publiek’ of anderszins een excuustruus voor een akwalitatief selectieproces: er is duidelijk ‘gegrepen wat voor handen lag’ met ook nog zo’n irritant stukje consensusgedrag (Jaeggi zette het op zijn log dus het moet wel goed zijn)
De kalender heb ik heel goed doorgelezen. Er staan een paar hele goede gedichten in. Er staat een gigantische berg slappe, impressionistische werkjes in, tweederangs poezie, museale kitsch, stilleventjes van nonentiteiten, en ga zo door.
En dat is dan het creme de la creme van de Nederlandse poeziescene? Niet om het een of ander, maar die kalender is niks beter dan deze bundel ‘Zoals een haan een ei legt’ die toch grotendeels vol staat met zogenaamde amateurdichters. En dat zet je toch aan het denken.
Natuurlijk, dat hele gedoe stelt geen klap voor. Bekend zijn in Nederland is een gehuchtenhobby. Maar was dat nu juist de inzet van de Turing niet: kijken of er via een andere methodiek (geen ‘ons kent ons’) andere poezie boven komt drijven? Klaarblijkelijk wel. En dat is iets waar je alleen blij mee kunt zijn. Misschien toch een nieuwe orde, al is het dan maar voor even.
Martijn Benders, Istanbul, 12-02-2010
Een vervolg van ons interview met M.H.Benders, Dichter des Vaderlands i.o.
Heer Benders, u eindigde op plaats 11 in de Turing Nationale Gedichtenwedstrijd. Wat is uw reactie?
Een fantastisch resultaat! Als het even zou kunnen zou ik het liefst eeuwig op Nr 11 staan, want het is toevallig ook mijn favoriete getal. Naar ik heb begrepen was het een mooie, vlekkeloos georganiseerde avond. Wel jammer vond ik dat ik de voordracht van mijn gedicht door Vrouwkje Tuinman heb moeten missen. Ik had dit keer weinig ludieks geregeld omdat mijn instinct zei dat ik niks zou gaan winnen, op het laatste moment even Eddy Warmerdam toestemming gegeven het podium op te klimmen als mij zijnde maar Eddy vond het allemaal te formeel. Groot gelijk heeft ie.
Toch klinkt er ook veel kritiek op de wedstrijd vanuit allerlei bronnen
Je hebt natuurlijk enerzijds de mensen die ontgoocheld zijn omdat hun verwachtingen niet waarheid werden, en anderzijds een soort hobby-elite die de wedstrijd vooral geboycot hebben omdat zij hun hobby-status niet onder ogen willen zien. Het was een prima wedstrijd. Het winnende gedicht is niet naar ieders smaak – nou en? Wanneer je kiest voor een kapitalistische aanpak in plaats van de gebruikelijke sociale-gilde aanpak betekent dat niet perse dat het eindresultaat ook beter zal zijn. Dat is ook niet zo heel erg van belang. De Turing is van oorsprong een test. Uit de testresultaten blijkt dat geweldige poezie erg zeldzaam is. Dat vind ik een heel mooi testresultaat. Ik denk persoonlijk niet dat de gebruikelijke gilde-aanpak een veel spannender resultaat zou hebben opgeleverd.
Ik ben wel van mening dat de prijs verhoogd moet worden naar een ton. Dat zal het komische effect hebben dat zelfs de meest verstokte hobby-elitair zijn principes laat varen. En dat is natuurlijk het leukste aspect aan die hele Turing wedstrijd. Het was vooral leuk te horen welke bekende dichters het niet gehaald hadden.
Wat is een ‘hobby-elitair’ in vredesnaam?
Een hobby-elitair is iemand die meent dat elitair zijn een soort hobby is, welke je beoefent wanneer jouw ‘vakgebied’ aan de orde komt. Mensen die nergens verstand van hebben, behalve van bijv het fokken van kanaries. En zodra het over het fokken van kanaries gaat duiken ze op en voelen ze zich almachtig, superieur en verheven boven alles en iedereen. Dat is voor mij een hobby-elitair.
Er klinkt stevige kritiek door op uw plannen om alle festivals, bladen en instellingen af te schaffen zodra u Dichter des Vaderlands bent geworden. U zou een cultuurbarbaar zijn die op cultuurvernietiging uit is. Uw reactie?
Onzin. U dient te begrijpen dat die hele festivalcultuur in onze maatschappij een vorm van instantcultuur is geworden. Het is pure fastfoodcultuur: snel even wat ‘cultuur’ opsnuiven vanavond dan hoor ik er weer bij, dan heb ik iets zinnigs gedaan. Noemt u mij eens vijf festivals die in 1922 plaatsvonden?
Euhhh….
Juist. Niks blijvends aan: het is instantcultuur. Een vorm van instantcultuur die daarnaast ook nog eens bijna alle financiele middelen opslokt. Dat is een absurde situatie. Dichters zitten op een houtje te bijten om blijvende cultuur te kunnen scheppen of worden gedwongen in het instantcultuurcircus mee te draaien om zo een karige boterham bijeen te verdienen. Ik ben niet tegen festivals maar je wordt er mee dood gesmeten tegenwoordig – feitelijk functioneren ze als stedelijke statussymbolen. Als de spreekwoordelijke dikke auto voor de deur van de gemeente, die een dikkere auto dan de buurman wil hebben. Dat kun je allemaal als ‘cultuur’ definieren, maar ik vind dat persoonlijk een heel andersoortig fenomeentype.
Wat is dan wel ‘blijvende cultuur’ volgens u?
De waarheid is dat Nederland feitelijk helemaal geen cultuur heeft. Om tot een cultuur te mogen worden gerekend vind ik drie elementen van cruciaal belang:
1. Het hebben van een eigen taal
2. Het hebben van een eigen, levende keuken
3. Het hebben van eigenaardige dansjes met bijbehorende leuke kleding.
Een taal hebben we nog, dus dat zit nog snor. Helaas hebben we echter de karige kookkunsten die we vroeger nog wel bezaten aan de wilgen gehangen. Ook zijn de mensen totaal het dansen verleerd. Ergo, onder deze vrij gebruikelijke definitie is van een ‘eigen cultuur’ totaal geen sprake meer.
Je kunt dan festivalletjes organiseren tot je een ons weegt om dat te verdoezelen. Mijn idee is anders: hou op met die onzin en pak de kernproblemen aan: leer het volk koken en dansen. Pas dan komt er uitzicht op een levende, Nederlandse cultuur.
Maar u kunt zich toch voorstellen dat mensen die zich enorm inzetten op cultureel vlak niet graag horen dat u die cultuur dood verklaart omdat ze niet kunnen koken of dansen?
Allemaal gehersenspoelden. Ze zien niet dat ze in een modderhut wonen. Wat kan mij het geroer in die modder schelen, de basis is niet goed. Cultuur kan alleen ontstaan als de basis goed gelegd is. Neem nou bijvoorbeeld die Amerikanen eens. Schatten van mensen, doorgaans, daar gaat het niet om. Maar het zijn mensen zonder basis. Mensen die niet eens een eigen taal hebben. Mensen die niet weten wat echt voedsel is. Mensen die nooit eens met een ander mens dansen. En dan krijg je het gelazer: oorlog hier, idiotie daar, massademocratie, waanzin. Zonder basis blijf je nergens. Een losgeslagen boei, daar heeft niemand wat aan. En dat is wat al die ‘cultuur’ van ons is.
Die hele zogenaamde immigratieproblematiek kon alleen ontstaan omdat wij volstrekt geen cultuur hebben. Er wordt dus ook helemaal niks ‘bedreigd’. Echte cultuur valt helemaal niet te bedreigen. Het idee alleen al!
Een kordaat cultureel beleid staat of valt met een massale aanval op de keuken en de dansvloer.
Hoe staat u tegenover iemand als Geert Wilders, die kunstenaars vooral als uitzuigers ziet?
Er bestaan veel misverstanden over figuren als Wilders. Misverstanden die ook vooral door zijn zogenaamde ‘tegenstanders’ de wereld in worden geholpen. U dient te begrijpen dat Wilders een typische Haagse insider is, die met veel disdain neerkijkt op het ‘klootjesvolk’ waarvoor hij speelt op te komen. Die man is in-en-in Den Haag: hij is een belichaming van het systeem zelf dat, door hem uit te vinden, zijn eigen illusies weer weet op te poken. Wilders is voor het systeem broodnodig. Ik ken persoonlijk bijna niemand die nog in de democratie gelooft. Ik ken persoonlijk bijna niemand die nog meent dat wij in een echte democratie leven. In zo’n situatie is een persoon als Wilders onmisbaar: wie zou er nog gaan stemmen, behalve als er zo’n ‘gevaar’ dreigt? De werkelijkheid is echter een hele andere: dat is dat het grootkapitaal al geruime tijd doorheeft dat het de democratie eigenlijk totaal niet nodig heeft om te kunnen functioneren. Dat het misschien wel veel beter functioneert zonder democratie. Dat o.a. door Zizek gesignaleerde probleem is zeer, zeer nijpend en de feitelijke oorzaak dat we de laatste 10 jaar meer en meer zien dat het ‘chroomlaagje’ over ons systeem begint af te brokkelen. Het was altijd maar een laagje, maar wel een laagje dat zeer zorgvuldig in stand werd gehouden. De laatste tien jaar zien we echter dat men het zelfs met dat laagje niet meer zo nauw neemt. Het is alsof het de machthebbers niets meer kan schelen of ze nog moreel of democratisch lijken. Dat is de politieke werkelijkheid waarbinnen u een figuur als Wilders moet plaatsen.
Wordt vervolgd…
Loewak plaatst vandaag dit exclusieve interview met Dichter des Vaderlands i.o. M.H.Benders, de in Istanboel woonachtige dichter, filosoof en muzikant die tot nog toe als enige kandidaat in de race is om de volprezen Ramsey Nasr als DDV op te volgen.
Heer Benders, waarom wilt u graag Dichter des Vaderlands worden?
Er is tegenwoordig duidelijk behoefte aan krachtig en kordaat leiderschap met visie. Wij leven in duistere tijden. Om te voorkomen dat de positie van DDV door een populist zal worden bezet heeft Novo Universalis, een besloten literair vennootschap, besloten mij te nomineren voor de functie. Ik lijk alsnog de enige kandidaat en dat verbaast me niets.
Uw kernprogramma is niet voor de poes. Zo lezen we onder andere dat u ‘alle literaire instellingen, blaadjes, stichtingen, fondsen en festivals’ wilt opheffen? Verklaar u nader?
Momenteel zijn wij als samenleving in een culturele impasse verzeild geraakt, een perspectivistisch probleem. Onder het ‘Van der Ploeg’ model voor kunstsubsidiering is het idee dat de kunstgroei het beste gestimuleerd wordt door haar zo dienstbaar mogelijk aan de samenleving te maken, en die dienstbaarheid komt tot uitdrukking in het organiseren van talloze literaire events die allemaal het doel dienen een avondje vermaak te bieden voor het Volk zogenaamd uit didactische overwegingen. In de praktijk zie je echter dat deze structuur een afspiegeling van de politieke laag erboven is: er zitten directeuren met enorme salarissen, die volksvermaak avondjes organiseren waar dichters voor een glaasje ranja of een boekenbon komen voorlezen. Het financiele zwaartepunt ligt dus ook hier niet op cultuur, maar op managersniveau: het is de referentiele economie die het kunstbeleid op sluipende wijze heeft vervangen.
Novo Universalis is van mening dat het huidige letterenbeleid ernstig tekort schiet, in de zin dat het het inhoudelijke en financiele zwaartepunt totaal fout delegeert. Doel van de poezie en de literatuur is ons inziens absoluut niet om het ‘volk vermaaksavondjes’ te bieden, maar om een maatschappelijke voortrekker te zijn in de strijd tegen de imbecilisering en afstomping van onze maatschappij.
Om hier verandering in te brengen dienen drastische systeemwijzigingen te worden doorgevoerd. Novo Universalis pleit niet alleen voor het afschaffen van de bestaande structuren maar brengt er ook iets voor in de plaats: alle financiele middelen dienen door een nieuw op te richten Fonds der Kritiek aan de meest waardevolle dichters in de vorm van een miljoenenbonus te worden uitgekeerd.
Juist op dit punt kreeg u veel kritiek te verduren. U zou uit eigenbelang handelen, uw plan zou geen enkel politiek draagvlak hebben, wat heeft u daarop te zeggen?
Wij hebben al een lijst opgesteld van dichters die door het Fonds der Kritiek in de eerste ronde een miljoenenbonus toegewezen krijgen. Zoals u ziet sta ik daar zelf niet bij. In de eerste ronde ontvangen de volgende burgers een miljoen subsidiebonus wegens grote verdienstelijkheid aan de Nederlandse literatuur:
Leo Vroman
Arjen Duinker
Nachoem M. Wijnberg
Peter Verhelst
Wislawa Szymborska
Zoals u ziet prijkt er ook een buitenlandse naam op de lijst. Op deze wijze stimuleren wij ook de onafhankelijkheid van de buitenlandse poezie, meer dan met het organiseren van een festivalletje.
Wat politiek draagvlak betreft: draagvlak moet je scheppen. Het zijn juist de burgers die het draagvlak moeten consumeren. Een van de politieke gevolgen van ons plan is dat er een grote kans bestaat dat als gevolg van ons plan Geert Wilders een hartaanval zal krijgen. Alleen al om die reden is het een prima plan. Daarnaast is het adopteren van het kapitalistische systeem modern en dienen de socialisten de laan uit te worden gewerkt met hun pappen en nathouden cultuurtje. Het wordt tijd dat we alles op alles gaan zetten: door cultuur de hoogste maatschappelijke beloning toe te kennen bieden wij de burger blik op een ontsnappingsmogelijkheid uit het systeem: schrijf prachtige gedichten en je zult door het systeem verlost worden van je zorgen. De huidige regelingen bieden zo’n uitzicht niet, wat tot gevolg heeft dat de literatuur voor de meeste mensen geen aantrekkelijke optie is. Zodra mensen met een bepaalde kunde miljonair kunnen worden is het hek echter van de dam. En aangezien men om goede poezie te kunnen schrijven ook veel goede poezie moet lezen is ons plan de beste garantie voor de overlevingskansen van de literatuur als zodanig. Daar is simpelweg geen twijfel over mogelijk.
Sommige critici zetten u weg als een ‘beroepsquerelant’ die alleen uit is op het schoppen van herrie
Wij worden tegengewerkt door diverse krachten binnen het huidige literaire bestel. Van deze tegenwerking zijn wij ons zeer bewust en wij maken er aantekening van. Om de reaktionaire machten het literaire veld uit te werken zullen wij de handen uit de mouwen moeten steken. Het is de verantwoordelijkheid van de literaire burger waar hij of zij ook kan de nieuwe orde te verkondigen.
Is dit dezelfde ‘nieuwe orde’ waarvan ook gewag wordt gemaakt door de Bezige Bij op de omslag van de nieuwe bloemlezing van dichters jonger dan 32 jaar?
Wij zijn bekend met dit werk, en met deze uitspraak. Vooralsnog weigeren wij echter er commentaar op te geven.
U maakt zelf ook deel uit van de top 100 van de Turing gedichtenwedstrijd. Is dit een wedstrijd die ideologisch strookt met de door u beoogde politieke omslag?
Ja, de Turing prijs is een prima initiatief dat dezelfde modernisering die ons voor ogen staat op kleinere schaal invoerde. Wel moet ons inzien op termijn de prijs minstens op een ton gezet worden. Dan heeft het winnen van die prijs nog enig maatschappelijk effect. Naar onze inschatting zou bij de hoogte van een ton het aantal inzendingen ook meer dan verdubbelen, dus het is kostendekkend uit te voeren.
U maakte eerder al een aantal plannen bekend, zoals het ‘rookgebod in bibliotheken’ en andere maatregelen die indruisen tegen de kapitaal-liberalistische cultuur. Heeft u nog andere nieuwe plannen?
Dat een rookverbod wordt aangevoerd als een liberalistisch goed is een typisch fenomeen van onze tijd. Wij willen het roken in bibliotheken mogelijk maken omdat dit van bibliotheken een stoer rovershol maakt in plaats van de steriele, saaie omgevingen die ze nu geworden zijn. Ons inziens komt dit de literatuur sterk ten goede. De beeldvorming rond bibliotheken als saaie, steriele en brave plekken slaat terug op de populariteit van de literatuur: jongeren zien het niet als alternatief. Het biedt geen ontsnappingsmogelijkheid, en het heeft een steriel imago. Dat bevecht je niet door net als Charles Ducal ‘in de klas jongeren met poezie te confronteren’ – dat is een PR strategie uit het jaar nul.
Wij zijn voordurend bezig plannen te ontwikkelen omdat wij het DDV-schap bloedserieus nemen. Ik vermeld hier een aantal van de plannen die momenteel in ontwikkeling zijn:
* Wij zijn sterk koningsgezind en absoluut tegen het afschaffen van het koningshuis omdat dit het wezen behelst van onze Nederlandse traditie. Wel gaan er binnen Novo Universalis stemmen op om de rare familie die al een behoorlijke tijd ons koningsshuis bezet houdt te vervangen door een filosoof, naar Plato’s model. Wij menen dat Peter Sloterdijk een goede kandidaat is voor een eerste termijn als Nederlandse Koning.
* Ook geloven wij niet in het afschaffen van de huidige mediatradities. Wij willen echter sterk aandringen een deel van het publieke budget te gebruiken om Slavoj Zizek aan te trekken als voorlezer van het NOS journaal. Blijkt dit niet mogelijk dan lijkt ons Maarten van Rossum een doenlijk alternatief.
*Het onderwijs moet weer herstructureren, maar dit keer met live camera’s erbij zodat iedereen kan meegenieten van de zich ergerende lerarenklasse als een soort leuke realityshow.
*Wekkerfabrikanten moeten belastingvoordelen krijgen wanneer zij in plaats van stress-veroorzakende alarmtonen klassieke dichtregels in hun wekkers gebruiken. Door een sterke band te scheppen tussen de lichamelijke conditie ’s morgens en de poezie is de burger op termijn weerbaarder tegen verleidingen van het vrouwelijk geslacht.
Dit zijn slechts enkele punten uit ons uiteindelijke programma, dat belooft net zo dik te worden als Marx’s ‘Das Kapitaal’. Het is tijd voor de mouwen. Het is tijd voor zoden aan de dijk. Stem miljoenvriendelijk. Stem Benders.
Het tweede redelijk goede gedicht is binnen, het gedicht ‘Rook’ vind ik een vrij goed gedicht. Jammer wel van het zwakke middenstuk wat net zo goed weggelaten had kunnen worden:
Als hij een huis betreedt
vult hij de kamer als water een kom.
Ook als hij kalm is.
Nou en, denk je dan. Vult water als het kalm is ineens de kom niet meer? Maar het gedicht op zichzelf is beter dan de meeste andere kandidaten die tot dusver langskwamen. Wel vraag je je af: waarom een koerd, eten koerden ’s avonds brood, eieren met gekookte tomaten, mij niks van bekend. En dat hij zijn handen aan zijn hemd afveegt, en dat dat hemd daarna als ‘rook’ terugkeert, hmm. Helemaal geslaagd is het gedicht niet, maar het loopt niet zo mank op het soort pseudo-oubollige overdrijvingsmanie waar veel andere kandidaatgedichten last van lijken hebben.
De andere vier gedichten die langskwamen maakten op mij weinig indruk. ‘Hoeksteen’, ‘Dilemma’ en ‘Herinnerd Beeld’ vond ik allemaal ongeveer uitwisselbaar – te verwaarlozen als poezie, hoogstens een aardige poging om iets te zeggen, wat niet bijzonder goed lukte. ‘Let them eat cake’ was iets beter dan voorgaande werkjes, maar veel te droog en vlak om echt indruk te maken.
Mijn top 3 tot dusverre:
1. Rook
2. Zonder titel
3. De Jas
De Jas zou ik op een of twee gezet hebben als het wat minder op het gedicht van Kopland had geleken op conceptueel vlak.
Update, 20 minuten naderhand:
Nu ik er meer over nadenk vind ik ‘rook’ eigenlijk een behoorlijk irritant gedicht, juist omdat het dat woord ‘koerd’ gebruikt. Dat het een koerd is had uit het gedicht zelf duidelijk moeten worden. Het hele gedicht past eigenlijk perfect in het pedante straatje van de integratiepolitiek: een koerd die fietsen repareert en belspelletjes belt, en o jee wat is hij ongelukkig. Het had net zo goed een chinees kunnen zijn die negerzoenen verkoopt, of een Marokkaan die werkt in een kaaswinkel. Door de ‘marokkaan’ te benoemen doet de dichter echter een enorm zwaktebod – het maakt het gedicht tot een soort propaganda-pastiche vergelijkbaar met veel wat je in de kranten ziet verschijnen, hoewel met ogenschijnlijk de tegenovergestelde boodschap is het vanuit dezelfde optiek geschreven. Ik kan me bijvoorbeeld een gedicht inbeelden waarin een Nederlander in Istanboel doodongelukkig kebab zit te verkopen, met als boodschap dat integratie toch ook niet alles is. Het heeft iets enorms kitscherigs en manipulatiefs.
Het is dus zo goed als zeker een hele witte mijnheer die nog niet oud genoeg is om de mediale invloeden van de laatste 10 jaar uit zijn hersenpan te weren, de persoon die dit gedicht schreef.
Dus NEE we blijven bij zonder titel!!!
In de commentaardraad van de website ‘Met het oog op morgen’ wijst iemand erop dat het gedicht ‘De Jas’ wel erg lijkt op een oud werk van Rutger Kopland, ‘Zijn jas’ uit ‘Het orgeltje van yesterday’:
Mijn vader J was nog maar net
gestorven toen mijn moeder A
zijn nieuwe regenjas voorzichtig
van de kapstok nam. Pas eens,
zei ze, hij was er zo trots op.
Daar stond ik dan en voelde
aan de mouwen en bij het sluiten
van de knopen hoe dood hij was
en hoe ver weg mijn jeugd. Oud
en zwak zou ik worden, in deze
plooien zou mijn huid gaan hangen
om mijn knoken.
Wellicht is het een hommage, maar als gedicht dus niet bijster origineel. Inmiddels zijn gedicht zeven en acht gepost, ‘Een tik van Hogerhand’ en ‘Hoeksteen’:
‘Een tik van Hogerhand’ is een prachttitel, maar helaas blijft het bij een prachttitel, het gedicht zelf slaat de titel volledig dood door geen spoor van ironie aan de titel te verlenen. De opening:
Zij kreeg een tik van hogerhand
en zit nu half in een stoel, die zelden
rijdt.
irriteert me meteen al: wat is in godsnaam ‘half in een stoel zitten’ en waarom ‘zelden rijdt’ – de suggestie van een rolstoel na een ‘tik van hogerhand’ is toch al sentimenteel genoeg, moet je nu ook nog suggereren dat die rolstoel oncomfortabel zit en last heeft van blokkerende wielen? Dat iemand een ziekte als een straf van god wil omschrijven, dat vind ik al niet bijzonder interessant, maar om zo’n beeld vervolgens middels overdrijving nog aan te dikken met twee onwaarschijnlijke feiten – niet alleen in een rolstoel zitten, maar ook nog er half uitzakken en bovendien de rolstoel niet kunnen bedienen – sterk het beeld van verlamming oproepende, maar:
Een wereld van weten sterft achter haar
belangeloze blik
Weer een overdrijving er bovenop. De persoon is niet alleen totaal verlamd, maar heeft ook nog eens alzheimer.
Desondanks weet zij of hij wel flink te genieten van een dagje uit. Maar ja, Een totaal verlamde alzheimer patient in een rolstoel, omschrijf dat maar eens als een ‘tik van hogerhand’. Dan lijkt me ‘mokerslag’ meer op zijn plaats.
Gedicht acht, hoeksteen, is gelukkig minder overdreven sentimenteel. Het is geen geweldig gedicht, het heeft teveel problematische constructies. Begint al in regel twee:
In de nieuwbouwwijk
regent het vitrages
voor rechtgeaarde vensters
en wordt het huis bewaakt
door ganzen met een strik.
Regel 2 en 3: zonde, zonde. ‘Het regent vitrages voor rechtgeaarde vensters’ is een spuuglelijke metafoor, alweer wegens hetzelfde mankement als het vorige gedicht: een dubbele overdrijving in een enkele constructie. Dat vensters rechtgeaard kunnen zijn, daar kan ik wegens de dubbele betekenis van ‘aarden’ nog wel iets mee, hoewel ik het geen mooie metafoor vind, maar dat ‘voor die rechtgeaardheid vitrages uit de lucht regenen’ kom even, dat is volkssurrealisme van de meest clownesque soort.
Na acht gedichten zitten we dus met probleem: de beste kandidaat tot nu toe blijkt een kloon (of een hommage, zo u wilt), er zitten twee gigantische clichetrekkers tussen en de rest bestaat uit pseudowerkjes.
Zou ik nu moeten kiezen geef mij dan maar het gedicht: ‘zonder titel’ met die god met breipennen, dat gedicht was tenminste leuk om te lezen/horen.
Het is natuurlijk volstrekt not done om bij de laatste 100 te zitten en dan verslag te doen van de wedstrijd. Belangenverstrengeling ten top. Ik zou zwijgzaam met de duimen moeten zitten draaien, maar u kent mij, geen land mee te bezeilen, geen wedstrijd interactief genoeg.
Wat mij vooral opvalt aan die radiouitzending met de 20 beste gedichten tot nu toe:
* Door gedichten enorm dragend voor te dragen lijken ze al snel goed. Ik vond bijvoorbeeld de eerste drie gedichten al luisterend best in orde. Toen ik ze op papier zag sloeg de twijfel echter toe. Tot nu toe is het beste gedicht duidelijk ‘De Jas’ maar dat gedicht heeft wel een erg slecht verzonnen einde, vind ik. En het is ergens natuurlijk ook heel makkelijk om met zo’n onderwerp te ’scoren’. De jas van je eenzame vader.
* Dat vierde gedicht is niet om aan te zien zo slecht.
* Het vijfde vond ik ook helemaal niks, ondanks de wel leuk klinkende titel.
* Dat ‘gedragen voordragen’ is eerder een probleem dan een oplossing, vind ik. Het roept ook wat vragen op. Heeft een goed schilderij een prachtige lijst nodig? En toch: denk aan Dylan Thomas. Wat een moeilijk probleem. Het is een hele verraderlijke kunst.
* Het is een schande dat ze mij nog steeds niet gediskwalificeerd hebben.
De komende tijd ga ik in deze draad, want ik vind dat weblogs draadjes hebben, ook de rest van de gedichten becommentarieren. Vanavond kwam gedicht 6 langs, het laatste woord. Dat vond ik net zo’n clichetrekker als gedicht 4, soort ‘filosofie van de heuvel’ gedichtje zeg maar, met de retespannende boodschap dat poezie altijd datgene is wat niet gezegd wordt, maar toch begrepen. De betere candlelight, zeg maar.
Menno Wigmans, ‘Ik ken de droefenis van copyrettes’
en
‘I know the inexorable sadness of pencils’, van Bonita Rhoads and Vadim Erent, in Avant-Post.
(Zie overigens hoe de critici zich genoodzaakt voelen om terug te vallen op een bijvoegelijk naamwoord).
Door Adam Bertocci (gevonden bij That Shakespearean Rag)
WALTER
I speak of this other man, Sir Geoffrey of Lebowski. Is not thy name, sir, Geoffrey of Lebowski? To be or not Lebowski, that is the question; I see we still did meet each other’s man. Shall we not make amends? A gentleman of high sentence ought to be of unsequestered location, possessed of resources fit to restore a thousand rugs from vile offence. He’s not well married that lets his wife a borrower be, such that men gravely offended bespoil another man’s rug. Be I wrong?THE KNAVE
No, but verily—WALTER
Be I wrong?THE KNAVE
Yea, but verily—WALTER
That rug, in faith, tied the room together, did it not?THE KNAVE
By my heart, a goodly rug.DONALD
And in most miserable tide did this rogue besmirch it.WALTER
Prithee, Donald! Thou too eagerly hold’st the mirror up to nature.THE KNAVE
My mind races; I might endeavour to seek this gentleman Lebowski.DONALD
His name is Lebowski? Verily, ope thine ear; that is thy name, Knave!THE KNAVE
On good authority; and his nobleness must oblige. His wife taketh up quarrel and borrows, and they bespoil my rug.WALTER
Marry, sir, my heartstrings do you tug;
They urinate upon thy damnèd rug.[Exeunt severally]
- –
‘Or El Duderino, if you’re not into the whole brevity thing.’
Het loopt van minuut 35 to 45.
Hij vertelt over hoe hij werd veroordeeld tot poëzie (zoals Leonard Cohen zei ‘Poetry is not a choice it’s a verdict.’);
over het waarderen van ‘moeilijke’ poëzie door de klank voorang te geven over de betekenis. Half grappend citeert Ashbery hier Oscar Wilde, ‘”take care of the luxuries and the necessities will take care of themselves.” En voegt daar aan toe, ‘Take care of the sound and the sense will take care of itself.’
Verder heeft hij het over hoe hij zijn toekomstige vrienden Kenneth Koch and Frank O’Hara ontmoette en over de oorsprong van de term New York School;
over het feit dat hij nooit werd verkozen tot Poet Laureate zegt hij, ‘It would’ve been a lot of work’;
over publicatie (en daarbij verdere canonisatie) van zijn werk door de Library of America, ‘I’ll just work from within to reform the establishment.’
En nog een citaat over jawel, de fameuze poetische ‘eigen stem’, en de schoonheid van Amerikaans engels:
‘I like listening to what people say on the street, where you overhear some remarkable things, i’ve never had a distinct sense of what it’s like for me to be talking that why I guess my poems get overtaken by other people talking with and at each other … I likew the vagaries and excess of American speech as well as its occasional precision. There is something very touching for me the way we try to communicate important things to each other, usually fail and come back to the original subject matter, maybe..’
Verkeerde vraag? Vermoeide vraag? Hoe dan ook een vraag die George Quasha stelde en compileerde als een reeks videoportretten van meer dan zestig (voornamelijk) Amerikaanse dichters. Waaronder Caroline Bergvall, Charles Bernstein, Lawrence Ferlinghetti, Allen Fisher, Carla Harryman, Susan Howe, Joyce Carol Oates, Leslie Scalapino, Ron Silliman, Barrett Watten.
Met de onvermijdelijke one-liners. Charles Bernstein: ‘Poetry is like coffee, it keeps you up. But if you drink it too much you tend to fall asleep.’
Mikhail Horowitz, ‘Poetry is philosophy slipping into something a little more comfortable…Poetry is the fondling of correspondences … Poetry is a legal, immoral, fattening, possibly addictive, occasionally anti-semantic, and the last best hope of the soul.’
Romana Huk, ‘Poetry is a movement, a mode of encounter and is ethical in that sense. Poems are exhausting, poems make you move and recognize that you use language to move’
Kwam een ‘ready-made’, mini-conceptueel gedicht tegen in een PDF van een boek (Ray Brassier’s Nihil Unbound). In de gedrukte versie staat er op enkele paginas (bijvoorbeeld tussen de Inhoudsopgave en het Voorwoord): ‘This page intentionally left blank.’
Net als de Cretan die zei, ‘Alle Cretans zijn leugenaars.’, of, ‘Deze zin is een leugen’, of: ‘De volgende zin is waar. De vorige zin is een leugen.’, of ook op een andere manier zoals Gertrude Stein die schreef, ‘Five words in a line.’
Een maanloopje met de koningin
We moeten weer meer wij worden, zegt de koningin.
We moeten een weiland worden.
We moeten de schaapjes op het droge tellen.
We moeten horizon worden en geen einder.
De apocalypse is ouderwets, zegt de koningin.
Ik ben geen ijzeren dame ik ben een kopje suiker,
kom, bel bij me aan. Ik doe de moonwalk
in een dure jas. Ik heb verplichtingen, net
als iedereen zegt de koningin.
Wij zeggen de koningin, maar
dat is een oude gedachte. De leeftijd van zo’n gedachte
is omgekeerd evenredig met zijn halfwaardetijd.
Moeilijk gedoe, ja. Wij is nou eenmaal moeilijker dan ik.
Ik is zowiso iedereen. Wij is enorm elitair.
Dat zal ik even uitleggen: om wij te kunnen zijn
(denk aan wijwater, wijzers, wijkhuizen)
moet je ontdigitaliseren. Dat is een soort ontvrienden,
maar dan in het echt. En daarna moet je bij iemand
op bezoek gaan. Niet neuken, gewoon netjes aankloppen
en een kopje thee drinken, praten over de buurt
en vooral: complimenten maken. Dat is een
‘vind ik leuk’ knopje maar dan in het echt.
Na al deze aanwijzingen te hebben opgevolgd
ben je een stuk minder individu geworden.
Een individu is een knopjesmens.
Boze gieters dromen daarover.
Het internet heeft van ieder een klikspaan gemaakt
zegt de koningin. Als je er weer bijhoort, en vroeger of later
zul je er weer bijhoren, dan zie je ons
wachten tot jij een ons weegt. Ja.
Kom eens van je stoel, klikzak.
Doe een maanloopje met je koningin.
Martijn Benders 25-12-2009
Bezoekers
Bezoekers houden van cultuur.
Bezoekers klappen graag en zitten als rijtjeshuizen
op elkaar, de een nog drempeliger dan de ander.
Ze vinden bijna alles leuk en mooi.
Ze moeten wel, want hun gezicht
valt uit de plooi als er iets rammelt
in hun hoofd. De verwoestende honger
van de zon kennen ze niet, hun triade
is kloppen, klappen en kleppen.
Na het wijntje snel op huis aan reppen
want het plantsoen, het eeuwige plantsoen
kan niet zonder hun nachtlampje
cultuurgeluk.
Valt het jullie nooit op
dat de meeste mensen boeken lezen
alsof ze hun hond uitlaten.
Fijnproevers die snuffelen
waar ze het best hun handtekening
laten, over welke beste schrijver
ze op het werk gaan praten, hun weekend
een paradijs van culturele ijver
gesponsord door de staat
zelf een bezoek waard, zeker
hoewel de staat zijn zeldzame kunstjes
slechts buiten de bezoekuren
aan bevoegd personeel toont.
Martijn 25-12-2009
De discipline van de filosofie is de meeste schrijvers en dichters vreemd, maar in navolging van Beuys wordt zij wel regelmatig als marketingtool ingezet. Met andere woorden: men poneert ’stellingen’ die men ‘filosofische waarde’ toeschrijft vanuit het idee dat het poneren van zulke stellingen toegevoegde waarde verleend aan het eigen schrijversschap. Met daadwerkelijke filosofie heeft zoiets heel weinig te maken: de filosofie als discipline is niet primair geinteresseerd in het poneren van ‘interessante stellingen’ maar wil juist kijken of zulke stellingen wel op de juiste uitgangspunten gebaseerd zijn. Ik zal dit even met een voorbeeld illustreren.
Sinds de 60′er jaren wordt er binnen de literaire wereld al veel gesproken over een ‘tanende invloed van schrijvers en dichters in het maatschappelijke veld’. Men suggereert bij voortduring dat de ‘invloed’ van schrijvers en dichters steeds geringer wordt in de maatschappelijke ‘discussie’. Vervolgens zie je dat bijna iedereen de methodiek om de ‘invloed’ te vergroten of terug te brengen gaat bediscussieren, en niemand eigenlijk het uitgangspunt van deze stelling onder de loep neemt: is het zo dat er ooit een periode in de Nederlandse geschiedenis geweest is toen schrijvers en dichters grote invloed hadden op het maatschappelijke veld? Naar mijn weten namelijk niet.
Enige discussie op Facebook over dit onderwerp produceerde al snel twee voorbeelden van Nederlandse schrijvers met vermeende invloed: Bilderdijk en Multatuli. Ik zou zelf veel eerder Erasmus genoemd hebben, maar goed, laten we eens kijken hoe deze twee voorbeelden zouden kunnen gelden als ‘maatschappijk invloedrijk’. Allereerst Bilderdijk: een ziekelijke muis tussen de wrede politieke katten die zijn hele leven vocht om hoogleraar te worden maar ondanks het feit dat hij fervent Oranjeaanhanger was zelfs Willem I het niet klaarspeelde hem een hoogleraarpost toegeschoven te laten krijgen. En dat als voorbeeld van een man met invloed? Dat moet welhaast ironisch bedoeld zijn.
Of nee, Multatuli. Zijn hele leven tegengewerkt door de gevestigde orde, uitgerangeerd, verbannen naar Java. Ja, hij schreef een boek over Indie. Was dat zo invloedrijk? Naar mijn weten trok Nederland zich pas 70 jaar later uit Indie terug na een hoop extra misstanden en heeft het boek van Multatuli nauwelijks enige maatschappelijke invloed gehad op het Indie beleid. Zie ik dat niet goed? Ik hoor graag wat bewijzen voor de tegenargumentatie. Sterker nog, volgens mij valt het redelijk goed te beargumenteren dat het boek juist een averechts effect op de situatie had: was het niet dankzij Max Havelaar dat de Nederlandse Staat het idee kreeg een jaar na verschijnen van dat boek dat het alle eilanden volledig onder controle moest hebben en zo juist met dat boek in het achterhoofd een enorm offensief begonnen? Spijkerhard feit dat de ‘misstanden’ opgetekend in Max Havelaar juist een averechts effect hadden: ze waren voor de heersende klasse slechts een teken dat ‘de boel nog niet afdoende onder controle was’. Je moet wel enorm cynisch zijn om daar ‘invloedrijkheid’ in te ontwaren – het schrijvertje Multatuli dat met zijn idealistische boek precies het tegenovergestelde bereikte van wat hij ermee beoogde.
Laten we liever het beestje bij de naam noemen: invloedrijke schrijvers en dichters zijn niet alleen in Nederland maar in heel Europa (op sommige oostbloklanden na) een grote zeldzaamheid. Dat maakt de stelling primair verdacht: er wordt een nostalgie naar invloed opgeroepen die er nooit is geweest. Naar mijn idee is het juist vrij aannemlijk dat tegenwoordig de invloed van schrijvers en dichters groter is dan ooit tevoren. Een schrijver als Maarten van Rossum die live beelden van 911 op het journaal becommentarieert met ‘Oorlog? Wat een gigantische onzin!’ daar valt geen vooroorlogs tegenvoorbeeld voor te geven, en lang niet alleen omdat er toen geen televisie was.
Nee, mijn stelling is nu juist dat het debat over de ‘invloed van schrijvers’ als een marketingtool gebruikt wordt puur en alleen om te pogen de eigen invloed middels suggestieve stellingen te vergroten. Filosofie als marketingtool, compleet in lijn met de kunstenaar Beuys: het is de eeuwige suggestie van het ontbreken van invloed die hier het meest invloedrijk is. Met andere woorden: men heeft geen invloed omdat men weet dat men, zodra men wel invloed heeft, ook verantwoordelijk wordt. Naar mijn idee WILLEN schrijvers en dichters hedentendage geen directe invloed hebben, want die verantwoordelijkheid bevalt hen totaal niet: waar het om gaat is de indirecte invloed die men middels de retorieke truuk van de afwezigheid voortdurend op de achtergrond laat groeien: wij hebben geen invloed, dus zijn wij altijd primair met INVLOED bezig. Men wil dus feitelijk geen directe invloed omdat dit een soort invloed is die de groeimogelijkheden beperkt. De schrijver anno 2009 wil een onbeperkte invloed, en dat is een invloed die altijd primair moet ontbreken, want zou de invloed bestaan dan zou hij zichzelf van nature beperken.
Invloed hebben is in het huidige maatschappelijke veld juist een teken van uitgerangeerd zijn. Je hebt invloed als je er NIET bijhoort, bij de grote massa uitgestotenen. Bij de ongelovigen in het systeem. Ergo, door te suggereren dat je WEL invloed hebt zet je jezelf als geloofwaardige speler ogenblikkelijk buiten spel in de huidige verhoudingen.