Literaire censuur: eerst het kootje, en al snel volgt de hele hand.
Chretien Breukers heeft beide recensies van ‘Willem’ van het internet verwijderd. Ook liet hij weten dat ik de recensies niet op mijn eigen site mag zetten. Wat een betrouwbare literatuurliefhebber. Wat zouden de auteurs van die recensies, Willem Tieske Derks en Abe de Vries daarover te melden hebben?
Waarom laat men zo’n persoon gedichten bloemlezen? Wie kan het mij uitleggen?
Aangezien ook Samuel Vriezen de recensie verwijderde is de enige overgebleven recensie die van Joop Leibbrand op Meander.
Zo zie je maar weer: Censuur, het begint met een kootje, en voor je het weet is het de hele hand.
Dat krijg je met een kudde schapen die nooit ergens tegen in het geweer komen.
Een post als deze zie je bijvoorbeeld gewoon nooit op Ooteoote verschijnen:
want mijnheer van Adrichem zit dat op staatskosten doodleuk te wissen. Fijn, dat de staat mensen sponsort die de concurrent monddood maken met die middelen.
Het is een trieste bedoening, als je het mij vraagt. Als je het hun vraagt zul je waarschijnlijk te horen krijgen dat ik dit ‘allemaal zelf heb veroorzaakt’ door niet ‘vriendelijk genoeg te zijn op de gang’ of iets dergelijks. Tja. Dood aan alle polemiek, lang leve de kleine, neoromantische, nieuwfeodale gesammtliteratuur. Met een flinke portie censuur, dus. Want wij en de onzen zijn aan de macht. Wees er maar apetrots op, jongens. Doe de groeten aan Assad, en hopelijk spoedig aan Khadaffi.
Marsman, Achterberg, Bloem
Het grootste geheim van de Nederlandse poeziewereld is dat bijna niemand die er deel van uitmaakt daadwerkelijk poezie leest. Hier volgt mijn relaas over mijn kennismaking met de Nederlandse poezie-industrie.
Toen ik een jaar of 17 was heb ik eens een stapeltje gedichten naar de Bezige Bij opgestuurd. Ik had in een of ander bijna sado-masochistisch literair workshopblaadje gelezen dat je beter losse gedichten kon sturen naar zo’n uitgever, omdat een volle bundel als te voormaakt en te pretentieus werd gezien. Dus ik een stuk of 20 gedichten uitgeprint en opgestuurd met een begeleidende brief erbij waarin ik me voorstelde.
Ik kreeg een brief terug, na ongeveer 2 maanden, die zo begon: ‘Beste Martijn. We willen je vriendelijk bedanken voor het sturen van je gedichten. Ze hadden wel iets weg van de gedichten van Marsman, Achterberg en Bloem. Desondanks zien wij momenteel niet de ruimte om je op te nemen in ons poeziefonds….etc”
Ik vond dat een bijzonder merkwaardige brief. Goed, ik was pas 17 jaar. Maar ik was niet achterlijk. Mijn gedichten hadden helemaal niks weg van ‘Marsman, Achterberg, Bloem’. Waarom zou iemand in godsnaam deze drie ‘grootheden’ opnoemen als referentieel materiaal? Overigens, ik had op die leeftijd nog nooit een dichtbundel ingekeken. Zelfs deze drie heerschappen had ik nooit gelezen. Wou deze dame gewoon aardig doen tegen een tiener, op ietwat badinerende toon – niet uit te sluiten, maar dan nog: waarom deze 3 namen die weinig met elkaar van doen hebben?
Hierna heb ik niks meer opgestuurd naar bladen of uitgevers. Mijn volgende ervaring met de ‘literaire wereld’ was in Eindhoven. Ik werkte in een kraakcafe in de keuken. Onbetaald, ik deed alle afwas en mocht dan gratis eten. Ik had geen cent te makken dus dat kwam goed uit. Op een gegeven moment kwam er vaak een kerel die in Eindhoven dan zogenaamd de literaire shit deed. Hij heette ‘Donald’. Het was een lange, sjofele, nerveuze en depressief ogend figuur. Ik zei hem dat ik ook wel eens gedichten schreef. Of ik dat mee kon nemen volgende week. Dus ik een pak meegenomen en duwde deze in zijn handen. Donald greep het pak, bladerde er in sneltreinvaart door en zijn nerveuze oogjes schoten heen en weer. Na een minuut gaf hij het pak weer terug. ‘Nee, das niks’ zei hij. ‘Das geen poezie’
Wat een ongelofelijke flapdrol, dacht ik. Hij had werkelijk niet eens 1 gedicht daadwerkelijk gelezen. Schijnbaar was de ‘pose’ van ‘poeziekenner’ al afdoende om hem eeuwig van het lezen af te houden. Mijnheer deed iets in de Effenaar met ‘jonge literaire honden’ en ellenboogde zich ‘De Opwenteling’ binnen een of ander lokaal uitgeverijtje. Donald. Uiteraard pleegde de man later gelukkig zelfmoord, of is hij nu een brave burgervader ergens, na zijn 10 minuten faam als lokale poeziekenner. Maar het archetype ‘Donald’ is vrij universeel, zoals ik later ontdekte.
Een jaar of zes later, er was inmiddels internet, ik had een mailinglijst gemaakt van mensen die ik af en toe een gedicht mailde. Daar had ik ook Adriaan Jaeggi opgezet, omdat ik Jaeggi’s stukjes altijd leuk vond om te lezen. Nadat ik het gedicht ‘Haar Vader vond me ook een stomme lul’ de mail uitdeed mailde Jaeggi me, of ik niet interesse had een bundel uit te geven. Ja, waarom niet. Ik woonde inmiddels al in Istanbul. Ik mailde met de uitgever. Of ik even langs kon komen. Potdomme, dat is nogal een eind. Nou ja toch maar gegaan. Wil je toch ook eens meemaken zo’n uitgever. Wat loze praat op kantoor, alles in de puntjes geregeld, soort lopende band gedoe, niet onprettig. Jaeggi zelf kwam een half jaar later naar Istanbul om me op te zoeken. Het was een boomlange man, heel imposant, en een uitstekend verhalenverteller. We hebben samen gezwommen en de hele dag gepraat. Helaas bleek een maand later dat hij leverkanker had.
Boek werd gepubliceerd. Zelfs vanuit zijn ziekbed had Adriaan nog af en toe op en aanmerkingen. Daar luisterde ik niet al te goed naar. Hij wilde bijvoorbeeld dat ik het hele tweede deel zou schrappen, en dat vond ik onzin. Na publicatie een hoop positieve recensies en een nominatie voor de Buddingh. Mooi, maar ik had inmiddels een traditie opgebouwd van ludieke poezieprijs sabotages, dus de Buddingh was een uitstekend podium daarvoor.
Wat me tijdens die Buddingh vooral opviel: er was geen enkele journalist aanwezig. Geen enkele krant berichtte over de ludieke sabotage-actie. Niet omdat die niet was opgevallen: het was simpelweg omdat er geen enkele journalist te bekennen was. Al die krantenstukjes zijn gewoon voorgekookt, schijnbaar. Fabrieksformules. Fabriekserkenning.
Mars, Achterberg, Bloem. Het is die machinale opsomming die mij tegen de haren in streek. Goedbedoeld of niet, het is een machinale opsomming, een teken aan de wand over de daadwerkelijke aard van die wereld.
Inmiddels was ik al sinds mijn tienertijd wel poezie aan het lezen. Ik ontdekte al snel dat vooral buitenlandse en dan met name Oosteuropese poezie me goed beviel. En hoe meer ik las, en hoe meer ik converseerde met mensen binnen dat ‘poeziewereldje’ des te meer ik begreep dat het er is vergeven van de ‘Donalds’. Zelfs iemand als Piet Gerbrandy, wat dan een ‘topcriticus’ zou moeten spelen – maar die man leest helemaal nooit poezie! Petrarcus, ammehoela. Vriezen vertelde me gister dat hij Gerbrandy tegenkwam en die zei hem zijn debuutbundel nooit te hebben gelezen. Nu heb ik dat jaar (2008) vrij bewust meegemaakt en kan ik vertellen dat Vriezens bundel een van de meer opvallende dat jaar was: en dan TOCH als zogenaamde topcriticus niet eens de verplichting voelen die zelfs maar te LEZEN? Een Donald, dus.
Het aantal mensen in de Nederlandse poeziewereld die werkelijk belezen zijn, in de klassieke betekenis van dat woord, kun je waarschijnlijk op 2 handen tellen. De rest zit er alleen maar een beetje bij voor de pof, voor de status, voor de eigen roem en glorie als poezie-acteurtje in een of andere domme b-film. Het is een gehucht, Nederland, een eng gehucht, waar je al gauw claustrofobisch van wordt als je je er teveel rond zou hangen. De grote Hongaarse dichter Csoori schreef erover, een mooi excuus weer eens even on the fly iets van hem te vertalen:
Ets van een klein Dorp
Scheer je weg, ik zeg het je, maak je uit de voeten,
dit is geen kroegje dat naar knoflook stinkt
met de kroegbaas achter de koperen railing van de toog
waar je de posters van de muur rukt en loert
naar snuitkevers. Kijk eens goed om je heen!
Alles zit op zijn plek, de koperen deurknop
de koperen tap, de koperen mortels, en je kunt
zelfs ruimte vinden voor het gekrijs van nutteloze diertjes.
En de klok! De Koekoeksklok! Hij bonst
als het hart van de burgervader die uit wandelen ging..
scheer je weg, zeg ik, maak je ervantussen! Zelfs je adem
wordt gemonitord, alsof je op intensive care ligt.
En als je ook maar één keer schreeuwt
of de kleine, rode, zich vermenigvuldigende spinnetjes
maar even terloops vermeldt: ze horen het, de honden
die de gasten aan stukken scheuren, je linnen hemd
in een ruk van je lijf, je mond volgepropt met wolken
en zwaneveren, en je gaat er blauw van zien,
als door wormen aangevreten pruimen in Juni!
Kronkel je al? Lig je al te stuiptrekken?
Wellicht is er nog een lokaal sheriffhulpje wakker
die je in een dwangbuis van onjeklonje kan stoppen.
Scheer je weg, kerel, maak je toch uit de voeten!
De muskusgeur van geraniums is niet te harden hier.
Wegwezen, dus. Valsemunterij alom. Neem een dichter als Koenraad Goudeseune. Een intelligente kerel. Kreeg genoeg erkenning als dichter om tot de belangrijkere Vlaamse dichters te worden gerekend. Maar wat leren we nu? De man zou zich ‘miskend’ voelen omdat zijn nieuwe bundel nergens besproken wordt. Ja, ammehoela. Alsof er geen onterechte vormen van miskenning zouden bestaan! Een corrupte bananenrepubliek van elkaar besprekende vriendjes en dan heb je als dichter een ‘miskenningsprobleem’ als je daar iets over zegt. Een gecorrumpeerde kritiek betekent per definitie structurele miskenning van het goede. Alsof die 30 poezieblaadjes die vaak nog met subsidie toe als verdekte melkertbanen bestaan niet de verplichting voelen om de beste poezie te bespreken! Daar heb je ze weer, de Donalds. Ze kwaken allemaal wel leuk naar elkaar. Maar wat ze in de poezie te zoeken hebben is me tot op de dag van vandaag niet duidelijk.
Uit De Grote Stoffige Lerarenkamer der Letteren
Het idee achter de Nationale Poezie Encyclopedie is dan ook dat er een wetenschappelijk naslagwerk bestaat waarin mensen niet het zgn ‘halo-effect’ kunnen bewonderen (waarover van den Branden hier schreef: http://www.achillevandenbranden.net/2012/07/irrationaliteit-stuart-sutherland/ maar karakterschetsen die op de werkelijkheid zijn gestoeld.
Wat men tegenwoordig nog ‘literatuur’ noemt is vooral een gigantisch ingewikkeld mechanisme in elkaar geknutseld door b-schrijvers en c-dichters die met allerlei soorten rookgordijnen willen voorkomen dat er ooit nog een Canon komt.
Wie geen talent heeft (het gros) maar wel sluw is (de zichtbaren) is het hele idee van een Canon een gruwel: je zou toch maar je hele leven zo’n schitterend halootje van eigenbelang om jezelf bouwen, en dat dan twintig jaar later blijkt dat je helemaal niet kon schrijven? Die canon moet dus ofwel mijn naam bevatten, ofwel verdwijnen.
Hoe kun je verzekeren dat je opgenomen gaat worden in een canon met slecht of middelmatig werk? Alleen door ofwel alsnog hele goede boeken te gaan schrijven, ofwel alle kritiek onklaar te maken. Het eerste is uitgesloten zonder talent, dus we hebben het leitmotif te pakken: literaire kritiek moet dood. Vind zo’n beetje elke b-schrijver en b-dichter. Hardop zeggen kunnen ze dat echter niet. Sterker nog, ze kunnen het niet eens officieel zelf geloven, want ze geloven zo graag in zichzelf, dus werd het nieuwe adagium: de literaire kritiek, dat zijn wij zelf ook.
En daar zijn we nu, in een land waar de dichtertjes zelf ook de literaire kritiek zijn, en alles om zeep helpen wat op echte kritiek lijkt. Polemiek is verboden, maar Gerrit was een aardige man. Een aardige man die nog zo ouderwets was in een canon te geloven, haha. Alsof je kwaliteit niet gewoon zelf kunt verzinnen! En dus gaan ze driftig aan de slag en leggen overal rookgordijnen aan – rookgordijnen bedoeld om elke poging tot het formuleren van een smaak onmogelijk te maken.
Wie de polemiek in de ban doet – op alles wat gesponsord wordt door de Lerarenkamer (Het Letterenfonds) mag niet gepolemiseerd worden, want collega’s doen aardig tegen elkaar, maar wee als je de Lerarenkamer niet erkent als de meest relevante plek in de literatuur: je gaat in de ban, we maken je overal zwart, je komt nergens meer aan de bak. Want de Canon, dat zijn Wij. Hebben we verschrikkelijk hard voor moeten werken. Wel zeventig uur per week, net als Frans Timmermans.
Wij zijn de zichtbaren, zij die zichtbaar mogen zijn van de Lerarenkamer, die ook alle krantenkritiek uit eigen zak betaald. Zo, de Nieuwe Canon is zo goed als verzekerd. Toch voelt men ergens nog nattigheid. Laten we ook nog even een serie overheids-sitejes opzetten, ‘De Canon der Brabantse Letteren’ bijvoorbeeld, want een Canon is toch veel te belangrijk om het organiseren ervan niet aan de Overheid (dat zijn wij) over te laten? Hup, smijt er nog maar eens een paar ton tegenaan voor een WordPress kloontje. Lachen toch. Nou ja, dat is het systeem. Ik doe maar een beetje mee aan het systeem. Zo zijn die dingen nou eenmaal gegroeid. Ja goed, er staat ‘de meest zichtbare dichter van Nederland’ op mijn boek, maar dat wou de marketing afdeling. Dat heb ik zelf niet verzonnen! Ik ben als je me kent een hele toffe peer. En ik werk 70 uur per week, om de lerarenkamer overeind te houden. De grote Stoffige Lerarenkamer der Letteren.
Sinds wij de kritiek hebben kalltgestelt is onze toekomst verzekerd. We hebben bij de kranten wat kontjongetjes die de ‘literaire criticus’ acteren en die betalen we in ruil grote geldsommen voor boeken die wellicht zelfs ooit zullen verschijnen. Van de Raad van State kregen we vorig jaar te horen dat het niet pluis is dat commissieleden zelf ook subsidie aanvragen doen. Gelukkig was dat echter niet onze sector. We schrokken ons een hoedje! Stel je voor zeg! Met de kennis van nu en de kennis van toen komen we echter een heel eind. Wie heeft er nog een schitterend rookgordijn in de aanbieding? Wat zegt u, 12000 in de vergetelheid geraakte miskende dichters? Trek ze maar uit de kast, jongen, hier heb je een zak geld. Er kunnen nooit genoeg vergeten dichters zijn. Alles, alles om maar te voorkomen dat er ooit nog een echte Canon zal ontstaan.
Marc Reugebrink doet vaak erg zijn best om een verhaaltje hoog te houden, en dat verhaaltje is dat de ‘kranten’ te weinig ruimte hebben voor literaire kritiek om het ‘serieus aan te pakken’. Nogal een eigenaardig verhaaltje als je bedenkt dat diezelfde ‘critici’ op de loonlijst staan van het Letterenfonds. Ik ben juist sterk geneigd precies deze uitleg als een propagandavorm te zien: het verhaaltje klopt niet, immers, wat je ziet is dat de ‘internetkritiek’ die deze zgn miskende krantencritici vanuit dezelfde geldbron hebben opgezet (‘De Reaktor, De Contrabas, OoteOote’) op precies dezelfde wijze te werk gaan: er wordt gedaan alsof er ‘niet genoeg ruimte is’ om kritisch te kunnen zijn, met andere woorden: kritische bijdrages mogen worden gewist, en polemiseren is verboten. We zien dus 1 machtscentrum dat feitelijk 2 media probeert onder haar controle te krijgen. Reugebrink is niet veel meer dan de ingehuurde apologist van dat centrum. Dat is nu precies het ‘verraad’ waarover Komrij zo vaak schreef, het verraad van een generatie die er essentieel alleen op uit is de zaak te flessen. Omdat deze mensen vanuit het diepst van hun ziel het idee van een ‘Literaire Canon’, van elke vorm van rangorde, haten. Wie een overheid een Literaire Canon laat organiseren is meer dan alleen niet goed bij zijn hoofd: het is een zwendelaar, een kwakzalver. In de toekomst zie ik voor deze mensen echter maar één echte canon in het verschiet: dat van de lantaarnpaal.
Wie eerst elke vorm van kritiek en polemiek kalltstellt en vervolgens, als een waar Machiavelliaans genie gaat staan klagen dat de ‘literatuur stervende is’ – en de literatuur, dat zijn wij, natuurlijk. Wat gek, dat mensen niet geneigd zijn een industrietak te willen sponsoren die er alleen op uit is wegwerpliteratuur te produceren. En ja, natuurlijk mijnheer, het is het systeem, allemaal de schuld van het systeem. U heeft daar zelf niets mee te maken. U snapt er werkelijk helemaal niets van. U werkt 70 uur per week. Aan u, aan uw boeken, aan uw heilige voorkomen, kan het nooit gelegen hebben. Zwaai, zwaai. Doe de groeten aan de literaire canon, O grote schrijvers, O Snufjesavantgarde, O fastfoodfilosofen!
Ilja Pfeijffer heeft gewonnen
Dit was een van de laatste echte televisiedebatten over de rol van de literaire kritiek op de televisie. Uiteraard met als tegenstander van die kritiek Ilja Pfeijffer: hij zegt wel dat je die kritiek ook in recensies kwijt kan, maar hij weet natuurlijk als geen ander dat juist in een krant er meestal, door diverse mechanismes als een eindredactie en allerlei belangen, van harde kritiek weinig over blijft, behalve als je een soort onaantastbare naam had net als Komrij. Een beginnend polemist in de krant? Vergeet dat maar.
Nog frappanter is dat de VPRO heeft zitten knippen in deze discussie. Ik heb het origineel namelijk op de buis gezien en deze internetversie heeft het stuk niet waar Zeeman Pfeijffer genadeloos over zijn boek in de pan hakt. Ik herinner mij dat heel goed omdat ik het een schitterend stuk televisie vond. Ze hebben het er gewoon doodleuk uitgeknipt.
Mijnheer Pfeijffer heeft dus gewonnen. Zijn tegenstanders zijn inmiddels dood. De Grote Polemist Pfeijffer, wiens enige tegenstanders Driek van Wissen en Rutger Kopland (wat een lef moet je als polemist hebben om alleen deze twee aan te pakken!)
tussen de zoden liggen. . Mijnheer Pfeijffer schrijf nog immer voor het NRC, waar hij vanalles van facebook kopieert en plakt en het verkoopt als filosofische observaties.
Als ergens de literaire kritiek de laatste genadeklap kreeg was het precies in dit feit: dat het is weggeknipt uit een internetfragment. De Pfeijffertjes hebben gewonnen, er zullen enkel nog prijzen uitgereikt worden, aan elkaar.
Alles is een samenzwering, behalve ons!
Nog iemand van wie ik geen post memoriam zou willen lezen: Samuel Vriezen. Ik zeg dat er voor het gemak maar even bij omdat de kans me niet klein lijkt mocht ik ooit de pijp uitgaan er precies zo’n zelfde stuk met dezelfde kurkdroge horlepiep-logica en politisering van essentieel onpolitieke zaken zal verschijnen als in onderstaand stuk dat hij over Komrij schreef:
Samuel Vriezen over Gerrit Komrij
Een ronduit absurd stuk essayisme. De crux van het verhaal is dat hij Komrij’s innerlijke conflict – tussen de polemist en de traditionele universalist – als een politieke samenzwering wenst te presenteren, en passant nog even het gedicht ‘maskers’ van allerlei niet-bestaand metacommentaar voorziend: het gedicht zou enorm gammel zijn, technisch bezien, maar deze gammelheid blijft volledig onbesproken, en het hele stuk roddelt en roddelt maar door als een kip zonder kop, waarbij geen retoriek middel geschuwd wordt om Komrij vanuit een vermeend superieure positie ‘op zijn plek te zetten’ als een tweederangs fenomeen.
Het is die ‘politisering’ die mij deed breken met Vriezen, iets dat enkele mensen mij kwalijk namen. Ik heb hier echter niets mee – ik was al behoorlijk geirriteerd toen hij op een soortgelijke toon ‘Wat koop ik voor jouw donkerwilde machten, Willem’ op zijn weblog besprak (zogenaamd, als het een ware apologist betaamt, omdat dat een ‘experiment’ was – zonder vervolg, want uiteraard ging het hier niet om een ‘experiment’ maar om het feit dat ik politiek te ‘gevoelig’ lag bij zijn vriendjes om me in een van de blaadjes te bespreken waarin hij redactie heeft genomen. Wat een slapjanus!) – bovenop die irritatie kwam het feit dat hij openlijk het censureren van mijn postjes begon te vergoeilijken, in een soort overtreffende trap van apologisme, en mijn conclusie was al snel getrokken: aan vrienden die het prima vinden dat ik de mond wordt gesnoerd heb ik geen enkele behoefte.
Revolutionair essayist aan het staatsinfuus – je moet er maar trots op durven zijn. Meer en meer geknipt voor een hard socialistisch cultuurbeleid onder de bezielde leiding van de SP. Alles is een samenzwering, behalve ons. Is dat geen mooi motto voor deze jongens? Ik herhaal:
Alles is een samenzwering, behalve ons!
Kortom, laten we hopen dat Vriezen zich beperkt tot zijn echte talent: de vrolijke feestintellectueel zijn voor vrijmetselaar-achtige poeziebijeenkomsten, waar onder het genot van een borreltje de wikipedia hardop wordt voorgelezen, liefst twaalf uur achter elkaar. Laat hij zich alsjeblieft niet bezoldigen aan recensies, in memoria of andere zaken waar gevoel en verstand voor nodig zijn. Die heeft hij veel te hard nodig om zijn revolutionaire glimlach hoog de lucht in te kunnen blijven houden.
Martinus Benders, Istanbul, 16-07-2012
Komrij over het Letterenfonds
Voorspelbaar: na iemands dood klinken allerlei stemmen op, en daar zitten ook zijige stemmen tussen van mensen van wie ik weet dat zij in het prive de grootste vijanden van Komrij waren. Dan heb ik het niet over het Limburgse halftalentje Huub Beurskens, die zich met zijn kitsch-schilderijtjes en chilmgedichtjes een intellectueel waant – die man durft het tenminste nog in het openbaar te doen. Ook heb ik het niet over Komrij-wannabe Chretien Breukers – wat moet die arme jongen nu zijn grote idool dood is? De laatste woorden van Komrij op zijn weblog ‘Literatuurtje spelen, rot toch op man!’ moeten zelfs op zijn schurftige copycatziel nog enige indruk gemaakt hebben. Nee, ik heb het hier over andere, schaduwachtigere figuren, die zich zelden publiekelijk uitlaten, maar een grote rol spelen in de machtstructuur die is opgezet.

‘Maskers en bloemen’ door groot kunstenaar Huub Beurskens
Ik onderhield een vrij onregelmatige correspondentie met Komrij. Hij mailde me soms als hij bijvoorbeeld vond dat ik hem gekwetst had. Daar zitten vrij persoonlijke mails bij die ik niet ga openbaren, maar volgende passage die hij me schreef lijkt me in het licht van bovenstaande wel relevant:
Beste Martijn,
Ik wens je veel succes met je pogingen het fonds voor de letteren te sarren, uit te dagen, te torpederen. Het zal niet lukken, want het fonds voor de letteren heeft een structuur ontwikkeld (om het vriendelijk te zeggen) waarbij iedereen in Nederland die zich verbeeldt een pen te kunnen vasthouden siddert of zich koest houdt.
Of de schrijvertjes/dichtertjes zitten in een van de talloze adviesraden of ze krijgen geld of ze hopen op een van die beide.
Een dwangbevel naar de verantwoordelijke minister om die zaak op te heffen, of van de grond af te herbouwen, is het enige wat een kans zou maken, ware het niet dat die minister zelf een bange, initiatiefloze wezel is.
Je kunt invalshoeken verzinnen wat je wilt, wat je zult ontmoeten is de blik van iemand die kijkt of hij naar het abattoir moet of die ineens heel hevig aan iets anders moet denken.
Terwijl de zaak eigenlijk zo klaar is als een klontje: het parasitaire gezwel heeft het lichaam overgenomen. Het lichaam was blijkbaar te zwak.
Aldus deze schat van een man. Komrij kreeg ook nooit een cent van dat Fonds, en tegelijkertijd werd het hem kwalijk genomen dat hij dan poogde op andere wijze maar geld met zijn talent te verdienen, door precies die mensen die op dat potje zitten. Ook dat waar hij het volste recht op had, eregeld, werd hem nooit gegund door deze proleten.
Ironisch genoeg werd precies ditzelfde parasitaire gezwel hem fataal. Rust in vrede, Gerrit.

Commentaar