Korte bespreking van ‘Zoals een haan een ei legt’

Vorige week kreeg ik ‘Zoals een haan een ei legt’ binnen, een dichtbundel waarin de 100 beste gedichten uit de Turing wedstrijd, of tenminste de 100 gedichten die de jury het beste vond, gebundeld zijn. Ook mijn gedicht ‘De Aanslag’ is er in terug te lezen. Overigens niet in definitieve vorm, want ik vind het gedicht nog niet helemaal goed, dus voor de uiteindelijke bundelversie ga ik er nog wat aan sleutelen – dat krijg je als je noodgedwongen vers werk in moet sturen.

Van de bundel had ik niet veel verwacht. Omdat ik de top 3 in die wedstrijd geen van 3en een goed gedicht vond, en de gedichten op die website van dat radioprogramma grotendeels maar matig vond, dus de verwachtingen waren niet hooggespannen. Wat ik bijvoorbeeld heel bevreemdend vond is te horen dat de dichter van het gedicht dat de tweede prijs won (René Guljé met het gedicht Mirandabad 1954) ‘Ik heb het vleesmes van angst in mijn badtas’ de beste regel uit zijn gedicht vond terwijl voor mij juist die zin dat hele gedicht verpeste. Ik vond het wel een aardig gedicht tot die regel voor de dag kwam, toen dacht ik ‘nee nee weg ermee’. Raar is dat fenomeen: dat wat iemand anders als hoogste goed ziet voor jou juist het tegendeel is.

Maar goed: de bundel ‘Zoals een haan een ei legt’ valt me eigenlijk enorm mee. Er staan aardige, leuke, en een paar goede gedichten in. Kun je eigenlijk meer verwachten van een enkele wedstrijd? Naar mijn idee niet. Ik denk zelf dat 5 juryleden een ramp is – zou het mijn keuze zijn dan zou ik altijd, voor welke prijs dan ook, maximaal twee juryleden instellen. Bij drie begint namelijk het compromis. Dat is het compromisnummer. Bij twee heb je hoogstens kans op slaande ruzie. 1 Jurylid, dat lijkt me nog de meest ideale omstandigheid. Dan weet je tenminste wat je voor je hebt.

Interessant is het om dit boek te vergelijken met de ‘Jaarkalender poezie 2010′ die ik enkele maanden eerder ontving. Samengesteld door Victor Schiferli en die dame wiens naam ik nooit kan onthouden Tjietske ofzo. Ik heb die kalender dagelijks al badend doorgenomen. Schiferli is een typische exponent van de middelmaatelite in Nederland: zijn pedante bespreking van Duinkers bundel in de Trouw sprak wat dat betreft boekdelen: “ach, doe eens normaal, doe eens rustig, je kop steekt boven het maaiveld uit” was de kernboodschap van de recensie. In de gedichten die hij voor deze ‘poeziekalender 2010′ verzamelde valt dan ook geen lijn of smaak te ontdekken. Sterker nog, uit de keuze uit mijn werk (ik was met twee gedichten opgenomen) kan ik afleiden dat het eerste gedicht uit de bundel en het gedicht wat Jaeggi ooit op zijn weblog publiceerde als werken geselecteerd werden. Geen van beiden mijn beste werken of representatief voor de bundel: geen van beiden ‘toegankelijk voor een groot publiek’ of anderszins een excuustruus voor een akwalitatief selectieproces: er is duidelijk ‘gegrepen wat voor handen lag’ met ook nog zo’n irritant stukje consensusgedrag (Jaeggi zette het op zijn log dus het moet wel goed zijn)

De kalender heb ik heel goed doorgelezen. Er staan een paar hele goede gedichten in. Er staat een gigantische berg slappe, impressionistische werkjes in, tweederangs poezie, museale kitsch, stilleventjes van nonentiteiten, en ga zo door.

En dat is dan het creme de la creme van de Nederlandse poeziescene? Niet om het een of ander, maar die kalender is niks beter dan deze bundel ‘Zoals een haan een ei legt’ die toch grotendeels vol staat met zogenaamde amateurdichters. En dat zet je toch aan het denken.

Natuurlijk, dat hele gedoe stelt geen klap voor. Bekend zijn in Nederland is een gehuchtenhobby. Maar was dat nu juist de inzet van de Turing niet: kijken of er via een andere methodiek (geen ‘ons kent ons’) andere poezie boven komt drijven? Klaarblijkelijk wel. En dat is iets waar je alleen blij mee kunt zijn. Misschien toch een nieuwe orde, al is het dan maar voor even.

Martijn Benders, Istanbul, 12-02-2010

Uw lokale Turing gedichtenwedstrijd verslaggever meldt:

Uw lokale Turing gedichtenwedstrijd verslaggever meldt:

Het is natuurlijk volstrekt not done om bij de laatste 100 te zitten en dan verslag te doen van de wedstrijd. Belangenverstrengeling ten top. Ik zou zwijgzaam met de duimen moeten zitten draaien, maar u kent mij, geen land mee te bezeilen, geen wedstrijd interactief genoeg.

Wat mij vooral opvalt aan die radiouitzending met de 20 beste gedichten tot nu toe:

* Door gedichten enorm dragend voor te dragen lijken ze al snel goed. Ik vond bijvoorbeeld de eerste drie gedichten al luisterend best in orde. Toen ik ze op papier zag sloeg de twijfel echter toe. Tot nu toe is het beste gedicht duidelijk ‘De Jas’ maar dat gedicht heeft wel een erg slecht verzonnen einde, vind ik. En het is ergens natuurlijk ook heel makkelijk om met zo’n onderwerp te ’scoren’. De jas van je eenzame vader.

* Dat vierde gedicht is niet om aan te zien zo slecht.

* Het vijfde vond ik ook helemaal niks, ondanks de wel leuk klinkende titel.

* Dat ‘gedragen voordragen’ is eerder een probleem dan een oplossing, vind ik. Het roept ook wat vragen op. Heeft een goed schilderij een prachtige lijst nodig? En toch: denk aan Dylan Thomas. Wat een moeilijk probleem. Het is een hele verraderlijke kunst.

* Het is een schande dat ze mij nog steeds niet gediskwalificeerd hebben.

De komende tijd ga ik in deze draad, want ik vind dat weblogs draadjes hebben, ook de rest van de gedichten becommentarieren. Vanavond kwam gedicht 6 langs, het laatste woord. Dat vond ik net zo’n clichetrekker als gedicht 4, soort ‘filosofie van de heuvel’ gedichtje zeg maar, met de retespannende boodschap dat poezie altijd datgene is wat niet gezegd wordt, maar toch begrepen. De betere candlelight, zeg maar.

Geert Mak en het Nieuwe Europa

Hoe absurd ik zo’n Geert Mak vind met zijn flinterdunne eenheidsideaaltje: alsof het verdelen van de wereld in 4 enorme machtsblokken een humanitair experiment was. Och, het experiment is nu mislukt, zegt een ontgoochelde Mak tegen de Wereldomroep. En hij had er nog wel zo’n mooie gedachtes bij, vroeger. Een prachtig machtsblok vol openheid en bloemetjes, een democratisch walhalla vol rasintegere politici. Schaalvergroting als democratisch principe. Hoe meer zielen, hoe meer vreugd, nietwaar? Geert Mak, het ultieme archetype van de generatie die de wereld in de uitverkoop heeft gezet. De generatie die alles, tot de literatuur aan toe, hebben weggenivelleerd in dienst van de schaalvergroting en de gemene delers. En tja, nu is het mislukt. Sorry hoor, maar dat is niet onze schuld. Aan onze idealen lag het niet. Die idealen zijn nog steeds het neusje van de zalm. Het lag, tja, waar lag het aan, het lag aan ANGST. Dat moet het wel geweest zijn. Ik citeer:

De globalisering zorgt volgens hem bij veel mensen voor angst. Europa had die angst volgens hem moeten wegnemen door zich op te werpen als baken.

Angst voor Mak’s mooie idealen. Voor het lichtende baken wat hij in zijn nagedachtenis voor het nageslacht wou opzetten. Het Verenigde Europa. Waarom zijn al die mensen toch zo bang voor Geerts mooie machtsblok, hebben ze dan niet door dat zijn lichtend voorbeeld de Verenigde Staten van Amerika, waar ‘Yes we can’ anno 2008 de ultieme politieke boodschap is geworden, dat je daar iets soortgelijks tegenover moet zetten? Omdat je anders het onderspit delft? Dat je het je niet kunt permitteren anders te zijn dan vriend of vijand? Eenheidsworst en schaalvergroting: daar moesten we het van hebben, vond Geert. En dat vindt hij nog steeds. De mensen zijn alleen bang. Bang voor de globalisering. Bang dat al die chineesjes die 14 uur per dag in ellendige fabrieken voor ons zitten zwoegen stiekum een beetje boos op ons zijn. Daar hoeven jullie niet bang voor te zijn, hoor. Wij zijn namelijk een lichtend baken. En komen ze ooit verhaal halen dan is het alleen een kwestie van een mooi doorzichtig machtsblokje opzetten, naar beste socialistische traditie.

Naar verluidt staat Mak wel eens te mijmeren op een van de bruggen over de Bosperus. Ik ben hem gelukkig nog nooit tegengekomen. Ik zou uiteraard zou dat gebeuren naar beste Turkse traditie een kopje thee met hem drinken, maar bespaar me alsjeblieft dit verraderlijk geweeklaag van een fopidealist.

Invloedrijke schrijvers en dichters

De discipline van de filosofie is de meeste schrijvers en dichters vreemd, maar in navolging van Beuys wordt zij wel regelmatig als marketingtool ingezet. Met andere woorden: men poneert ’stellingen’ die men ‘filosofische waarde’ toeschrijft vanuit het idee dat het poneren van zulke stellingen toegevoegde waarde verleend aan het eigen schrijversschap. Met daadwerkelijke filosofie heeft zoiets heel weinig te maken: de filosofie als discipline is niet primair geinteresseerd in het poneren van ‘interessante stellingen’ maar wil juist kijken of zulke stellingen wel op de juiste uitgangspunten gebaseerd zijn. Ik zal dit even met een voorbeeld illustreren.

Sinds de 60′er jaren wordt er binnen de literaire wereld al veel gesproken over een ‘tanende invloed van schrijvers en dichters in het maatschappelijke veld’. Men suggereert bij voortduring dat de ‘invloed’ van schrijvers en dichters steeds geringer wordt in de maatschappelijke ‘discussie’. Vervolgens zie je dat bijna iedereen de methodiek om de ‘invloed’ te vergroten of terug te brengen gaat bediscussieren, en niemand eigenlijk het uitgangspunt van deze stelling onder de loep neemt: is het zo dat er ooit een periode in de Nederlandse geschiedenis geweest is toen schrijvers en dichters grote invloed hadden op het maatschappelijke veld? Naar mijn weten namelijk niet.

Enige discussie op Facebook over dit onderwerp produceerde al snel twee voorbeelden van Nederlandse schrijvers met vermeende invloed: Bilderdijk en Multatuli. Ik zou zelf veel eerder Erasmus genoemd hebben, maar goed, laten we eens kijken hoe deze twee voorbeelden zouden kunnen gelden als ‘maatschappijk invloedrijk’. Allereerst Bilderdijk: een ziekelijke muis tussen de wrede politieke katten die zijn hele leven vocht om hoogleraar te worden maar ondanks het feit dat hij fervent Oranjeaanhanger was zelfs Willem I het niet klaarspeelde hem een hoogleraarpost toegeschoven te laten krijgen. En dat als voorbeeld van een man met invloed? Dat moet welhaast ironisch bedoeld zijn.

Of nee, Multatuli. Zijn hele leven tegengewerkt door de gevestigde orde, uitgerangeerd, verbannen naar Java. Ja, hij schreef een boek over Indie. Was dat zo invloedrijk? Naar mijn weten trok Nederland zich pas 70 jaar later uit Indie terug na een hoop extra misstanden en heeft het boek van Multatuli nauwelijks enige maatschappelijke invloed gehad op het Indie beleid. Zie ik dat niet goed? Ik hoor graag wat bewijzen voor de tegenargumentatie. Sterker nog, volgens mij valt het redelijk goed te beargumenteren dat het boek juist een averechts effect op de situatie had: was het niet dankzij Max Havelaar dat de Nederlandse Staat het idee kreeg een jaar na verschijnen van dat boek dat het alle eilanden volledig onder controle moest hebben en zo juist met dat boek in het achterhoofd een enorm offensief begonnen? Spijkerhard feit dat de ‘misstanden’ opgetekend in Max Havelaar juist een averechts effect hadden: ze waren voor de heersende klasse slechts een teken dat ‘de boel nog niet afdoende onder controle was’. Je moet wel enorm cynisch zijn om daar ‘invloedrijkheid’ in te ontwaren – het schrijvertje Multatuli dat met zijn idealistische boek precies het tegenovergestelde bereikte van wat hij ermee beoogde.

Laten we liever het beestje bij de naam noemen: invloedrijke schrijvers en dichters zijn niet alleen in Nederland maar in heel Europa (op sommige oostbloklanden na) een grote zeldzaamheid. Dat maakt de stelling primair verdacht: er wordt een nostalgie naar invloed opgeroepen die er nooit is geweest. Naar mijn idee is het juist vrij aannemlijk dat tegenwoordig de invloed van schrijvers en dichters groter is dan ooit tevoren. Een schrijver als Maarten van Rossum die live beelden van 911 op het journaal becommentarieert met ‘Oorlog? Wat een gigantische onzin!’ daar valt geen vooroorlogs tegenvoorbeeld voor te geven, en lang niet alleen omdat er toen geen televisie was.

Nee, mijn stelling is nu juist dat het debat over de ‘invloed van schrijvers’ als een marketingtool gebruikt wordt puur en alleen om te pogen de eigen invloed middels suggestieve stellingen te vergroten. Filosofie als marketingtool, compleet in lijn met de kunstenaar Beuys: het is de eeuwige suggestie van het ontbreken van invloed die hier het meest invloedrijk is. Met andere woorden: men heeft geen invloed omdat men weet dat men, zodra men wel invloed heeft, ook verantwoordelijk wordt. Naar mijn idee WILLEN schrijvers en dichters hedentendage geen directe invloed hebben, want die verantwoordelijkheid bevalt hen totaal niet: waar het om gaat is de indirecte invloed die men middels de retorieke truuk van de afwezigheid voortdurend op de achtergrond laat groeien: wij hebben geen invloed, dus zijn wij altijd primair met INVLOED bezig. Men wil dus feitelijk geen directe invloed omdat dit een soort invloed is die de groeimogelijkheden beperkt. De schrijver anno 2009 wil een onbeperkte invloed, en dat is een invloed die altijd primair moet ontbreken, want zou de invloed bestaan dan zou hij zichzelf van nature beperken.

Invloed hebben is in het huidige maatschappelijke veld juist een teken van uitgerangeerd zijn. Je hebt invloed als je er NIET bijhoort, bij de grote massa uitgestotenen. Bij de ongelovigen in het systeem. Ergo, door te suggereren dat je WEL invloed hebt zet je jezelf als geloofwaardige speler ogenblikkelijk buiten spel in de huidige verhoudingen.

Place Fitterman / Westcoast Eastcoast

In 1969 maakte Robert Smithson en Nancy HoltEastcoast/Westcoast’ een collaboratieve film waarin ze op humoristische wijze stereotype rollen aannemen van kunstopvattingen van de tijd, en die daarbij ook impliciet becommentarieren

Holt assumes the role of an intellectual conceptual artist from New York, while Smithson plays the laid back Californian driven by feelings and instinct. Their deadpan exchange ironically lays bare the limitations and contradictions of both sides in the debate.

Vanessa Place en Robert Fitterman hebben nu een hedendaagse versie deze film gemaakt waarin ze de receptie van hun pamflet Notes on Conceptualisms bespreken. De interpretatie is een exacte kopie van het origineel, al zijn Place en Fitterman wel overtuigender in hun rollen als intellectueel / leeghoofd.

Christian Bök vs Carmine Starnino

Conceptueel- en klank dichter Christian Bök veegt de vloer aan met provocerend criticus en dichter Carmine Starnino in een debat over hun visies dat (Canadese) poezie respectievelijk experimenteel ofwel toegankelijk moet zijn.

En in een recente bijeenkomst in de Kelly Writers House draagt Christian Bök voor uit eigen werk en beantwoordt vragen van studenten.

Tenslotte: een nieuw boek over klank poezie en de relatie tussen poezie en geluid, samengesteld door Marjorie Perloff en Craig Dworkin – The Sound of Poetry / The Poetry of Sound

Elke dag gehaktdag

Een tijdje terug gaf ik uit de losse pols wat kritiek op het nieuwe ‘platform voor literaire kritiek’ De Reaktor. De crux van mijn argumentatie was dat de opzet van de Reaktor dusdanig in elkaar stak dat elke vorm van polemiek, onder meer door hun algemene voorwaarden, op voorhand onmogelijk werd gemaakt en dat er daarom van ‘literaire kritiek’ geen sprake kon zijn, aangezien de polemiek juist een van de essentiele en onmisbare elementen binnen de literaire kritiek is.

Ook gaf ik op de Contrabas een reaktie op een klaagzang van ene Matthijs de Ridder, een van de oprichters van de Reaktor. Ik schreef daar de volgende twee stukken:

Het grote manko van de Reaktor is niet dat het ‘geen commercie’ is, of ‘meer ruimte’ heeft – het grote manko is juist dat er op de site nauwelijks een kritisch geluid te bespeuren valt. Het is een site voor boekenliefhebbers, niet voor polemisten en critici. In de subsidiecultuur is kritiek per definitie zeldzaam want een criticus overleeft simpelweg niet: de man die hij vandaag afsabelt beoordeelt morgen of hij wel subsidie zal vangen. Middelmaat en voorzichtigheid troef dus, maar waarom die eeuwige drang dat ‘literaire kritiek’ te blijven noemen. Want dat is het gewoon niet.

Waarop Matthijs de Ridder reageerde met:

Mijn pleidooi ging niet over de reactor alleen. Het ging over een cultuur waarin de marketing het overneemt van eerder culturele idealen. Ik loop niet weg voor dit soort idealisme. Bildung, volksopvoeding, schrijf al die scheldwoorden maar op mijn grafsteen. Het gaat erom dat er een midden geschapen is tussen marketing modellen en populisme. En dat midden is, behalve als er geschreeuwd wordt om Kritiek en Polemiek (mijn stuk was overigens polemisch genoeg, gezien de reacties alhier) zonder meer, ook hier te vinden. Ik snap werkelijk niet waarom er toch zo’n vooringenomenheid jegens de reactor heerst hier. Klaarblijkelijk omdat ‘wij’ van de gesubsidieerde tijdschriften het internet nog maar onlangs ontdekt hebben. Wel, ik geloof dat ik al aan online kritiek deed toen de contrabas nog gewoon een boekenreeks was. Ik heb geen behoefte aan oneigenlijke argumenten, maar wil ze best pareren als het nodig is.

Mijn antwoord was vervolgens:

Het primaire argument wat ik steeds van de Reaktor zelf zie komen is dat er online ‘meer ruimte’ is dan in de krant voor ‘langere kritieken’. Is een kwantitatief argument niet juist per definitie commercieel? Wat kan mij de ‘lengte’ van een kritiek nu bommen, het gaat erom of de kritiek er heerlijk inhakt.

“Ik loop niet weg voor dit soort idealisme. Bildung, volksopvoeding, schrijf al die scheldwoorden maar op mijn grafsteen. Het gaat erom dat er een midden geschapen is tussen marketing modellen en populisme.”

En dat midden is de Reaktor? Ik vind de site vooral erg schools aandoen, dat zie je toch ook al aan de keuzes van wat besproken wordt. Je maakt mij niet wijs dat er een ander argument dan ‘hij won de buddingh prijs’ ten grondslag lag aan het bespreken van ‘Uitzien met D’ als eerste dichtbundel. Alweer: een uiterst commerciele keuze, dus.

“Ik snap werkelijk niet waarom er toch zo’n vooringenomenheid jegens de reactor heerst hier.”

Dat zou alleen in een omgeving waar men volstrekt onbekend is met het fenomeen kritiek ‘vooringenomenheid’ kunnen heten. Hoe dan ook, zoals ik al zei: het is een fijne site voor boekenliefhebbers en academici. Als polemist kom je echter op de volstrekt absurde omgeving van de Contrabas beter aan je trekken. Inderdaad, daar mag u best een enorm mankement in zien.

Uiteraard bleef – in de beste schoolmeestertraditie – enig antwoord op mijn reactie uit. Matthijs de Ridder was niet thuis. Wat schetst mijn verbazing nu dat hij 2 weken later ineens opduikt en op hoogst politieke wijze mijn woorden binnen een andere discussie op volstrekt oneigenlijke wijze herkauwt:

Op de contrabas wordt kritiek in ieder geval door twee vaste klanten gedefinieerd als ‘het onderhavige object hoe dan ook slecht vinden’. Lekker ergens op inhakken, heet het dan. Lekker stout zijn. Waarom? Dat staat er zelden bij. En de ‘feiten’ die doorgaans worden aangedragen, zijn al te vaak niet waar. Mijn stuk in de Leeswolf blijft maar als redactiestandpunt gelden. De tekst van Bultinck is nu ineens een programma. Zo kun je alles beweren. Argumenten, mensen, daar gaat het om. Meningen worden pas interessant als ze ze ergens op gebaseerd zijn, bij voorkeur op feiten, logische redeneringen en andere enge processen die in sommige parochies hoger worden geschat dan in andere.

Wie niet inziet waarom dit een krakkemikkige manipulatie van mijn oorspronkelijke argument is – en dat zal wel voor het gros van de meelezende schoolmeesters gelden – moet ik even onder de neus wrijven dat ik hierboven helemaal niet gesteld heb dat ‘het onderhavige object hoe dan ook slecht gevonden moet worden’.
Immers, kritiek kan ook op volstrekt positieve wijze inhakken op een subject. Dat zal wellicht een zeldzaam fenomeen zijn, want veruit het meeste wat wordt geschreven is gewoon bar slecht. Ik heb zelf recensies geschreven en kreeg toen een goed idee wat voor rommel tegenwoordig voor literatuur door moet gaan – slappe kost waar de honden geen brood van lusten, die dan met ‘lange kritieken’ en ‘uitstekende argumenten’ moet worden gesanctioneerd.

Dat idee dat kritiek en argumentatieleer zeer nauw verbonden zijn is heel typisch voor een bepaalde bedreigde diersoort – een eeuwig bedreigde diersoort – het kwetsbare vogeltje van de literaire theoloog.

Ik gebruik hier de term ‘theoloog’ omdat mijns inziens het idee dat een goede argumenten iets tot een goed kunstwerk kunnen maken een geloofsleer is. Een leer die we mijns inziens vooral aan Beuys te danken hebben, maar dat terzijde. Met literaire kritiek heeft het hoe dan ook niets te maken. Juist deze theorie is het marketingfenomeen bij uitstek. Het ligt toch volstrekt voor de hand dat iemand die uitblinkt in argumentatieleer zelfs een platgetrapte drol van zulke verheven argumenten kan voorzien dat het op een werk van Michelangelo gaat lijken. Wat mij betreft mag dat ook best – ik zie best de functionaliteit van zo’n geloofsleer in, immers, waar hebben we anders die academici voor nodig, die moeten ons weten uitleggen waarom alles wat wij niet goed vinden wel goed is – immers, in een omgeving waarin nauwelijks hoogstaande literatuur word geproduceerd zijn de academici die deze werken uit moeten leggen ook overbodig. Dus ja, ik snap dat wel, argumentatieleer wordt in zo’n omgeving al snel ‘literaire kritiek’.

Ook hoogst komisch natuurlijk: al die schrijvers en dichters die er belang bij hebben dat er een ‘literaire kritiek’ bestaat, want anders kunnen hun geweldige werken niet op waarde geschat worden. Zo belangrijk, dat ze die literaire kritiek maar zelf gaan schrijven. Bedenk eens wat voor waardenvervalsing aan zo’n simpele ingreep ten grondslag ligt: de literaire kritiek die door de productie vervaardigd wordt om zichzelf te bespreken. En ook nog binnen een gesubsidieerde context: dus wie besproken wordt zou volgende keer wel eens over je salaris kunnen oordelen. Het is een genante klucht van hilarische proporties.

Dus nee, Matthijs de Ridder kan de boom in met zijn ‘argumentatie’. Het is geen toeval dat hij zijn gezwets over ‘logica’ met de constatering afsluit dat zijn ‘logica’ in sommige parochies hoger wordt aangeslagen dan in andere. Hij heeft zelf al geraden dat de parochie de plek is waar hij thuishoort.

M.H.Benders, Istanbul, 16-11-2009

Op de gang staan

Het is inmiddels bijna midden November. Nog steeds heb ik niets vernomen omtrent mijn bezwaarschrift ingediend tegen de beslissing van het Fonds der Letteren om mij geen stimuleringsbeurs toe te kennen, ondanks dat het Fonds der Letteren mij schriftelijk liet weten dat ‘ik vermoedelijk eind September bericht zou ontvangen’.

Het kernargument achter het afwijzen van mijn subsidie was dat een bepaald heerschap ‘op de gang was gaan staan’ toen mijn bundel werd beoordeeld. Het kernargument van mijn 10 pagina’s lange bezwaar was dat het absurd is te veronderstellen dat ‘ op de gang gaan staan’ iets met integere beoordeling te maken heeft, dat het een aanvraag stigmatiseert, en dat het commissielid dat bleef zitten aantoonbaar net zoveel motief had om negatief tegenover mijn persoon te staan. Duidelijk een setup, dus.

Gelukkig maar dat de rechter precies hetzelfde over dat ‘op de gang gaan staan’ als subsidielandfenomeen denkt. Op de website van Max Pam valt te lezen:

De Amsterdamse rechtbank vernietigde de beslissing van het Fonds voor de Podiumkunsten om de Theatercompagnie geen subsidie toe te kennen. In het vonnis werd erop gewezen dat een lid van de adviescommissie partijdig was, omdat hij voor zijn eigen groep Likeminds ook subsidie had aangevraagd bij datzelfde fonds.

Ik vermoed dat Theo verrukt zou zijn geweest van de uitspraak. Hij zou Thieu Boermans van de Theatercompagnie meteen hebben opgebeld om hem te feliciteren. Als filmer heeft Van Gogh ook altijd overhoop gelegen met subsidie-instanties. Nederland is vergeven van de kunstinstellingen, waarvan de leden op die een of andere manier gebruik maken van belangenverstrengeling. Het verschijnsel van “op de gang gaan staan” als jouw eigen subsidieaanvraag aan de beurt komt, is hier schering en in inslag.

Lees het hele artikel van Max Pam

‘Op de gang gaan staan’ als je eigen aanvraag beoordeeld wordt – wat een lachwekkend kinderlijke suggestie van integriteit. Uiteraard dient het absoluut uit den boze te zijn voor een commissielid om uberhaupt aanvragen in te dienen bij het Fonds waar hij zelf vingers in de pap heeft. In mijn geval is er nog meer aan de hand: het ‘op de gang gaan staan’ was niet het gevolg van een eigen aanvraag, maar de aanvraag van een ander. Ik ontving een brief van het Fonds der Letteren waaruit op te maken viel dat men de mening was toegedaan dat de beoordeling omtrent mijn bundel ‘eerlijk was verlopen’ omdat ‘er iemand op de gang was gaan staan’.

Ze hebben het er schijnbaar lastig mee, want twee maanden nadat ik antwoord zou krijgen heb ik nog steeds niks gehoord. Zou er soms iemand wat te lang op de gang gestaan hebben, denk je dan. Men zou eens een onderzoek moeten verrichten naar het psychologisch profiel van mensen die graag in beslissende functie op de gang gaan staan. Ik kan me herinneren dat je vroeger vooral ‘op de gang ging staan’ als je een stouterik was. Schijnbaar kerft zo’n vertrouwde handeling zich toch diep de moralistische opmaak van de wat zwakkere menselijke soortgenoot in.

[quote id=7]

Schlemiel Ratelband en de norm

Ratelband is als schlemiel net zo nuttig voor de media als Wilders. Kijkcijfers vereisen schlemielen. Democratie vereist schlemielen. Zonder schlemielen kijkt of stemt niemand meer. Ergo, de dikbetaalde schlemiel is de brandstof van de mediacratie: brood en spelen.

Een van de meer hardnekkige misverstanden tegenwoordig is het idiote idee dat de ‘meerderheid de norm bepaalt’. Dat is in een democratie nu juist niet zo. Ten eerste is seksualiteit als zodanig geen ‘norm’, want iets is pas een norm als er ook een achterliggende waarde aan gekoppeld kan worden. De uitspraak ‘Homoseksualiteit is afwijkend want wijkt af van de norm’ is retorische onzin.

Wat je wel zou kunnen zeggen is: ‘Homoseksualiteit is bij heteroseksuelen afwijkend van de norm’. Dat is een correct standpunt. Heteroseksualiteit is in Nederland echter niet ‘de norm’ – wie dat beweert heeft niets maar dan ook helemaal niets van de principes van de democratie en de secularisatie begrepen.

Wij hebben met elkaar afgesproken dat seksualiteit een persoonlijke vrijheid is. Dat eenieder vrij is in het beleven en uitoefenen van zijn seksualiteit, wat deze verder ook behelst. Dat is onze ‘norm’. Ratelband wijkt dus juist van deze norm af. Ratelband beweert dat ‘heteroseksualiteit de norm is’ alsof Nederland in een Iran is omgetoverd, waar heteroseksualiteit inderdaad ‘de norm’ is.

Je ziet dit misverstand wel vaker, het idee dat ‘de meerderheid’ automatisch bepaalt wat de ‘norm’ is. Het is echter een protofascistisch principe, zeker geen democratisch. In een democratie worden minderheden juist beschermd doordat er ‘normen’ worden ingesteld die juist niet gebaseerd zijn op het alleenrecht van een meerderheid.

Daarna maakt Ratelband het nog een stapje bonter door als wanna-be demagoog te pogen de veronderstelde ‘volkswoede’ over het verhogen van de AOW leeftijd naar de homogemeenschap te kanaliseren. Moet jij langer doorwerken? Dat ligt aan die homo’s! Niet vreemd dus dat deze griezelige mijnheer in hetzelfde stuk de zin van zijn bestaan prijsgeeft: ‘Ik ben hier om me voort te planten’..

De Reaktor – spekgladde zolen – een beschouwelijke recensie

De Reaktor is een nieuw ‘internetplatform’ (lees: uitgeklede wordpress kloon) die na ruim een jaar ontwikkeltijd door liefst drie verschillende bedrijven en gesubidieerd door liefst vier instellingen ons niet alleen grotendeels dezelfde oude bekende auteurs voortovert die ook elders de kweekvijvers bezetten – nee, voor de goede orde zijn er ook wat nieuwe, onbekende namen gezocht die, naar beste Machiavelliaanse traditie, makkelijk te vervangen zijn zodat de Staat ‘Reaktor’ geen discursiviteit te vrezen heeft.

Dat typeert precies dat lullige kweekvijver idee, de recycelende auteur en de ultieme *vervangbaarheid* van ‘nieuw talent’. Dat alle literaire blaadjes, met hun enorm unieke profielen, door dezelfde lui geschreven worden. Lui die ‘dit soort’ artikel naar dat blaadje sturen, en ‘dat soort’ artikel naar het andere unieke blaadje. Die dat weer geheid publiceren, want mijnheer stond ook in de andere blaadjes. Referentie-economie. Wat helemaal interessant is, zo te zeggen, is de absolute ontkoppeling van kritiek en polemiek. Dat zou vroeger, toen mensen nog echt voedsel aten, ondenkbaar geweest zijn: een blad met ‘literatuurkritiek’ zonder zelfs ook maar een miniem zweempje polemiek. Er bestond ooit een tijd waarin de polemiek als het hoogste literaire goed aangeschreven stond – als een essentieel onderdeel van kritiek zelfs – maar de brave schoolmeester-recensie heeft als ‘kritiektype’ gezegevierd: sterker nog, zelfs maar elke poging tot polemiek moet *op voorhand* onklaar gemaakt worden – brave, gezagsgetrouwe burgers met licht verteerbaar gezwets vermaken, wat zich alleen *in zijn lengte* als ‘diepgravend’ zou kunnen laten duiden, vandaar die constante referentie naar het waanidee dat ‘lange kritieken’ eindelijk weer mogelijk zijn, dankzij de Reaktor. De Reaktor, waar normale, voorzichtige en redelijke mensen zich mogen registreren en waar de vertrouwensbreuk als een halsmisdaad staat aangeschreven. We lezen in de algemene voorwaarden:

“U dient de website in al haar onderdelen te gebruiken als een normaal, voorzichtig en redelijk mens.”

Ook interessant om te lezen dat misbruik van vertrouwen bij wet verboden is. Enige vorm van belediging of eerberoving is volstrekt uit den boze, waarmee de polemiek meteen monddood gemaakt is, ten faveure van de ‘beschaving’ – de Reaktor is daarmee het internetboegbeeld geworden met precies dezelfde randvoorwaarden als de literaire bladen zelf: maak elke vorm van wildgroei onmogelijk, creeer een omgeving die zo beheersbaar mogelijk is door niet slechts te vereisen dat mensen zich eerst registreren om te kunnen reageren, nee, je stelt ook nog een waslijst eisen aan die registratie met allerlei kleinburgerlijke predicaten om te voorkomen dat er iets op dat ‘laagdrempelige platform’ kan gebeuren wat niet onder controle te houden is.

Dit alles dient uiteraard precies dezelfde kruidenierselite van middelmatigheid die al sinds de eerste geboortekrampen van het postmodernisme gerieflijk in het subsidiezadel zitten. Ik zie, net als Nietzsche, best enige noodzaak voor middelmatigheid en wat mij betreft mag alles wat middelmatig is best alle kranten en platforms bezetten. Maar je zou je wellicht eens kunnen afvragen of die kruideniers, die alleen van zich laten horen als ze denken dat hun winkeltje bedreigt wordt – of je aan zulke kleinzielige schoolmeesters de kritiek wel kunt toevertrouwen.

In Nederland is ‘de criticus’ van oudsher het paradepaardje van een bepaald type poetica, in plaats van dat hij met arendsoog boven alle poetica’s staat. Dat is primair clownesque, want juist kritiek moet niets te verdedigen hebben.

Het is een cabaretvorm: de voorspelbaarheid van een bepaald criticus is een voorwaarde voor diens bestaan juist *omdat* de lezer zich superieur wil voelen. Ergo: de Nederlandse lezer *tolereert* geen echte critici. De kruidenierselite wil ook vooral ‘voorspelbare meningen’ omdat men dan op voorhand recensies naar de mond kan schrijven. Iedereen is dus gebaat bij voorspelbaarheid, en zo zag de paradecriticus het leven. Dit is ook precies de reden achter de ontkoppeling die heeft plaatsgevonden tussen de kritiek en de polemiek – waarbij de polemiek van hoogste goed naar het verdomhoekje van de literatuur is verbannen.  De literatuur is het domein van de beschaving, van de gegoede burger geworden – je zult op de Reaktor geen polemisch woordje aantreffen, geen kink in de kabel, geen wildgroei, geen echte kritiek. Dit is de speelplaats van dezelfde uitgerangeerde fopelite die al sinds jaar en dag op staatskosten mensen in slaap doen sukkelen, in het belang van de ‘literatuur’.

Het mag duidelijk zijn dat dit huwelijk tussen Staat en Literatuur van nature een bepaald type kritiek prefereert – interessanter dan de vraag waarom kritiek zo scherpzinnig als een gemiddeld tweedekamerdebat moet zijn, waarom een kwantitatief argument (‘lengte’) als bestaansrecht wordt opgevoerd (och jee, in de krant moesten de heren bondig zijn) – interessanter dan dit soort periferieke kenmerken is het recyclemechanisme waarmee deze clownerie steeds zichzelf vernieuwt – want het valt nu al te voorspellen: die site wordt zo dood als een pier, tenminste zodra het geld opdroogt. Maar dat is juist de angel in het hele verhaal: zodra dat geld opdroogt zijn de heren alweer vertrokken, is er een ‘ander initiatief’, is er weer ‘voortschrijdend inzicht’ en begint het hele verhaaltje doodleuk opnieuw. Nieuw talent wordt aangetrokken, dat zo heerlijk vervangbaar is – waarmee het hele ‘kweekvijver’ idee pathologisch verklaard is: deze mensen hebben een kweekvijver nodig vanuit een politieke strategie – het gaat hier niet alleen om het opwekken van de suggestie dat ‘alles steeds vernieuwend en dynamisch’ is, nee, het gaat hen bovenal om de vervangbaarheid van ‘nieuw talent’ omdat hoe ‘nieuwer’ het talent is des te minder bedreigend zij voor de eigen positie zou kunnen zijn. Juist daarom zie je bij een initiatief als ‘De Reaktor’ of bij andere literaire bladen constant ‘nieuw talent’ voorbijkomen – enerzijds als bestaansrecht, anderzijds als garantie voor de eigen machtspositie. Ergo: de Reaktor bestaat uit ‘gevestigde namen’ en ‘nieuwe namen’ maar niets uit het middenveld. Dat middenveld moet namelijk liefst onklaar gemaakt worden, simpelweg omdat de ‘gevestigde orde’ er niets voor voelt door hen te worden vervangen. Dan zijn ze de centjes kwijt. Gevolg: een eeuwige jacht naar ‘nieuw talent’, de ‘kweekvijver’ als bestaansrecht van de literatuur, de ‘eeuwige vernieuwing’. Projectieve illusie: het ‘middenveld’ is niet ‘goed genoeg’ voor ons, vandaar dat wij ‘nieuw talent’ prefereren. Men ziet dus dat ook hier weer de literatuur precies de maatschappelijke ontwikkelingen volgt: de referentiele economie schakelt, uit zelfbescherming, op den duur de middenklasse uit. En niet alleen de middenklasse: ook de uitzonderingen moeten eraan geloven: de polemiek moet worden uitgebannen, allemaal pure klassenpolitiek: de middelmatigheid die zich als ‘elite’ opvoert door referentieel-economische middelen kan alleen overleven door zowel de middenklasse als de uitzondering buiten spel te zetten. De middenklasse, omdat zij vreest vervangen te worden, de uitzondering, omdat zij geratificeerd willen worden als het hoogste.

Om die reden worden de autonomen ofwel genegeerd ofwel getolereerd zolang zij geen logistieke bedreiging voor de eigen posities vormen. Met andere woorden: je mag best autonoom zijn, maar dan moet je je mond houden, of je moet de huidige hierarchie ratificeren. Daarnaast zijn er nog twee types middenklasse: het type middenklasse dat erom staat te springen de huidige ‘elite’ te vervangen (type: Contrabas), die zich al precies zo probeert te gedragen als de huidige ‘elite’ (Referentieel talent zonder aantoonbaar schrijftalent) en die vooral ‘rebelleren’ uit oedipale overwegingen – en dan heb je nog een andere middenklasse, de mensen die het nooit tot autonoom zullen redden en die het ofwel gewoon opgeven ofwel als klapvee in de coulissen gebruikt worden.

De kruidenierselite wil worden geratificeerd als het hoogste goed. Discursieve elementen worden als autonoom niet getolereerd, juist omdat zulke ‘wangeluiden’ vraagtekens zetten bij hun recht op een machtspositie. Om echter deze positie langdurig te kunnen handhaven moest er constante vernieuwing plaatsvinden, omdat men immers niet constant zowel de andere middenklasse als de uitzonderingen uit kan schakelen zonder dat de ‘Might is Right’ politiek al te zichtbaar wordt. Daarom bestaan die kweekvijvers, daarom die eeuwige aanwas van onvoorstelbaar talent dat na 1 jaar al weer nergens te bekennen valt.

Alles onder het oogmerk van de eeuwige dreiging. Want juist daarom moet er ‘vernieuwd’ worden, moet de talentenjacht worden aangezweept. Waarom wordt die ‘literatuur’ en ‘kritiek’ die zich zo gerieflijk door de staat laat sponsoren altijd en immer bedreigd – omdat dat de lokroep van de kruidenier is, het winkeltje staat weer onder bedreiging, de omzet staat op het spel. Het is het enige leitmotiv wat deze mensen nog kennen – de literatuur moet bedreigd worden omdat anders niemand in actie komt. Dat die ‘literatuurkritiek’ die zo tandeloos voor zich uit wauwelt, die volstrekt onpolemisch geworden is, die elke schoolfrik zou behagen – dat die literatuurkritiek allang en breed is overleden, zal eenieder natuurlijk worst wezen. Laten we even wel wezen: we hebben het hier over de generatie die verantwoordelijk is voor maken van dat prachtige Rorschach plaatje van de staatsschuld – na ons de zondvloed, dankjewel jongens, en blijf vooral beschaafd doorzemelen vanuit uw pluizige torens. Want een ivoren toren, nee, daar zou u niet eens in weten overleven met uw spekgladde zolen.

M.H.Benders, Istanbul, Zaterdag 17 Oktober 2009

Mijn ergste nachtmerrie

Op Hans Verhagen gaan lijken, het prototype miskend kunstenaar. Heel je leven in dienst stellen van het ‘erkend worden’ door een clubje halfgare, lobbyende ellenboogmachines. En je dan nog gaan beklagen dat je als een boze man overkomt ook.

Of op Arnon Grunberg gaan lijken, de Charles Groenhuijsen van de Nederlandse literatuur, die vanuit zijn duffe broodjeszaak in New York het ene na het andere apologistische meesterwerk lanceert en heel braaf naar Belgie vliegt om vooral maar zijn prijzen niet in Nederland in ontvangst te hoeven nemen.

Of op Breukers gaan lijken, de dikke suikeroom van alles wat middelmatig dicht.

Of op Rob Schouten gaan lijken, mascotte van de vale spijkerbroekenschool van de krantenkritiek, die na publicatie van 1 jammerlijke bundel zich nu geroepen voelt om zowat elke krantenpositie, juryplek of andersoortige bonzenparade in zijn uppie te bezetten.

Of op van Bastelaere gaan lijken, de Quentin Tarentino van de Belgische literatuur.

De ratten komen hun holen weer uit

Ik was verdrietig toen ik hoorde over de voortijdige dood van Michael Zeeman. Ik weet niet wat ik van Zeeman als dichter vond, maar als criticus en journalist vond ik hem een bovengemiddeld intelligent en fijnbesnaard persoon, die kritiek niet onder stoelen of banken stak. Naar ‘Zeeman met boeken’ keek ik altijd graag, en de artikelen die hij schreef waren, voor zover ik ze gelezen heb, puik genoeg.

Des te onbegrijpelijker dat er een hele kudde misnoegde figuren Zeeman’s dood aangrijpen om eens flink zijn vermeende vuile was buiten te hangen. Ik ben er niet de persoon voor om het pseudo-christelijk doofpotten toontje te waarderen – Gerrit Komrij schreef recentelijk op Facebook dat hij niet snapte waarom de dood van Vinkenoog steeds in verband werd gebracht met poezie – dat is een wat stekelige maar zeker geen onfatsoenlijke opmerking: kritiek op iemands werk hebben mag altijd, maar staat mijlenhoog boven het uithangen van allerlei roddels, achterklap en vuile was over iemands leven. Wanneer je iemands dood aangrijpt om – vaak ook nog eens in een groter podium als een landelijke krant – juist dat te etaleren ben je niets meer of minder dan een enorme zielepiet.

Edwin Fagel signaleert het al: die stukken in het Parool, van niemand minder dan (wie?) Jos Bloemkolk, bekend van zijn grote betrokkenheid bij de wereld der letteren – nee, dit kan niet door de beugel.

Dat het ook nog een graadje erger kan: ook schlemielenlog Geen Stijl doet nog even een duit in het zakje, om het feest helemaal rond te maken.

Het zet je wel te denken voor wie je als Nederlands schrijver eigenlijk schrijft. Wanneer zelfs het meest primaire fatsoen ontbreekt, wanneer alles wat ook maar een millimeter boven het maaiveld uitsteekt door het gepeupelte gelynched wordt, dood en wel: het motiveert niet bepaald om je nog in te spannen enige publieke prestatie te leveren, om het maar zo zacht mogelijk te zeggen. En deze algehele debilisering, die volgens mij deels debet is aan slecht voedsel en deels aan een slechte opvoeding: ik kan alleen maar blij zijn dat Michael Zeeman hem maar deels heeft moeten meemaken. Bah. Rust zacht, Heer Zeeman.

De Puinhopen van 40 jaar NOS

Wat allereerst opviel aan het lijsttrekkersdebat gisteravond is dat het debat zelf een enorme puinhoop was. Dat roept natuurlijk de vraag op of de NOS, die immers veel ervaring met het organiseren van dergelijke debatten heeft, doelbewust een rommelig debat wou. Een andere verklaring voor het organiseren van een debat midden in een enorme ruimte met een paar honderd luidruchtige toeschouwers eromheen kan ik zo snel niet vinden. Het lijkt in eerste instantie wellicht een vergezocht idee, maar vergeet niet dat dit dezelfde NOS is die kunstmatig het applaus voor Beatrix aanlengt en dus aan journalistieke integriteit een broertje dood heeft.

Maar wat voor belang kan de NOS hebben bij een rommelig debat? Dat is een interessante vraag. Men probeert nu al god weet hoe lang het beeld op te roepen dat het in Den Haag een enorme puinhoop is.
Gisteravond werd dat beeld weer eens stevig bevestigd: het is een puinhoop vol mensen die elkaar niet uit laten praten. Tegelijkertijd zie je dat een long-time insider uit Den Haag de heiland weet uit te hangen: als een triomfantelijke gorilla zat Geert tussen de kakofonisch verongelijkten.

Ferry Mingele deed zo goed als niets en zat het allemaal lachend aan te kijken. Een bevestiging van het idee dat de gevestigde media er op een of andere manier belang bij hebben dat het er allemaal als een puinhoop uitziet. Maar wat kan precies de oorzaak van die agenda zijn: het is immers moeilijk denkbaar dat de NOS belang heeft bij een sterke Wilders. Om te begrijpen wat de NOS in deze motiveert dienen we denk ik een ander succesnummer van de NOS te analyseren: de Nederlandse bijdrages aan het songfestival.

Je hoeft niet al te intelligent te zijn om in te zien dat de NOS deze inzendingen doelbewust saboteert. Het is immers van een hemeltergende idiotie om een persoon die verantwoordelijk is voor de Nederlandse bijdrage 15 jaar lang op zijn plek te laten zitten, terwijl hij overduidelijk noch van Europa noch van Muziek enige kaas gegeten heeft. Ook hier zien we dus dat de NOS er belang bij lijkt te hebben dat wij op het Songfestival zo slecht mogelijk scoren. De NOS wil ook op muzikaal vlak puinhopen zien. Waarom?

Het antwoord is tergend simpel: omdat dat beter scoort bij de kijkers. De Nederlander is een wezen dat zijn dagelijkse adrenalinevoorraadje vooral uit het verongelijkt zijn weet te putten. De NOS is de staatsmachine die het volk zijn dagelijkse opium verstrekt: wij zijn verongelijkt, wij zijn zielig, in Den Haag is het een puinhoop, in Europa is het een puinhoop, gelukkig kunnen wij nog televisiekijken want de enge buitenwereld is allemaal tegen ons.

Het belang van de NOS is een didactisch belang: zij willen de rol van opvoeder en zingever spelen. Om die rol te kunnen spelen moet aan anderen die rol kunnen worden ontzegd; wanneer de wereld om ons heen een puinhoop lijkt wordt de behoefte aan een zingevende instantie immers steeds groter. Iemand die ons handje wil komen vasthouden. Iemand die ons, in al onze verongelijktheid, begrijpt. Het is dus duidelijk in het belang van de NOS om de wereld zo chaotisch en vijandig mogelijk af te spiegelen: blije mensen zitten niet voor een treurbuis, maar gaan naar buiten, gaan bij elkaar op bezoek, gaan spelletjes spelen, gaan een eigen leven leiden. Blije mensen zijn veel moeilijker te controleren.

Die nationale behoefte aan verongelijktheid zie je ook in die propagandistische keuze het applaus aan Beatrix kunstmatig te verlengen. In een serieus bestel zouden na de ontdekking van zo’n feit koppen rollen. Maar Hilversum en Den Haag fungeren al sinds mensenheugenis als twee handen op een buik: men doet net of het de normaalste zaak van de wereld is dat een journalistieke organisatie op goedkope wijze emoties manipuleert.

Dat het in de wereld wellicht ook echt een puinhoop is doet hier niet ter zake: zelfs al was dat het geval dan zou het de taak van de NOS eerst en voor alles zijn deze puinhopen correct te benoemen. Maar wat je in de praktijk vooral ziet is dat er kunstmatig schijnpuinhopen gecreëerd worden om de echte puinhopen te verbergen. De puinhoop van slechte journalistiek bijvoorbeeld, of de puinhoop van een ‘democratie’ die aangestuurd wordt door informatie van een geheime dienst. Daar hoor je nooit iemand over. Dat is de normaalste zaak van de wereld.

Het engagement van de modelburger – reactie op een nonchelant manifest

Ilja Pfeijffer en Erik Jan Harmens publiceren een bloemlezing ‘ik ben een bijl’ met een manifest in Trouw waarin zij oproepen tot ‘riskante poëzie’.

Samuel Vriezen plaatst een stuk online waarin hij aangeeft dat het ‘engagement’ waar beide heren zich op beroepen feitelijk een ideologie is.

Uiteraard is engagement een ideologie, maar ik denk dat die ideologie al sinds de vijftiger jaren overheerst – het idee is dat de kunstenaar zijn maatschappelijk nut moet bewijzen. De maatschappij bestaat niet om het grote individu mogelijk te maken, zoals Nietzsche dat bijvoorbeeld voor ogen had, maar juist andersom: het individu bestaat om het de maatschappij, de groep naar de zin te maken. ‘Riskante poëzie’ wordt in deze context dan ook gedefinieerd als ‘Wij verwachten van de literatuur niet dat zij oplossingen biedt, maar wel dat zij de wereld verandert.’ – want oplossingen bieden vereist intelligentie, de wereld veranderen kan iedereen. Het is de overbekende Hollywood formule: jij bent de oplossing. Jij bent de spil waarom de wereld draait. Het enige wat je hoeft te doen is de wereld te veranderen. Oplossingen hebben we verder een broertje dood aan, want daar moet je voor nadenken. Het enige wat je hoeft te doen is met je magische literaire stokje zwaaien, en alles komt goed. Pure, onversneden Disney.

Pure Disney is ook de rol die Pfeijffer zichzelf in de literaire wereld heeft aangemeten de laatste 10 jaar. Hij fladdert als een soort consensusfee boven het NRC rond, af en toe iemand aantikkend met zijn toverstokje, het vleesgeworden pluizige establishment. Pfeijffer is feitelijk een modernistische parodie binnen een postmoderne omgeving. Al zijn voorbeelden, van Pound tot Lucebert, zijn modernisten. Hij ageert enerzijds tegen de autonomie (Faverey, ) en anderzijds tegen het populisme, een typische bemiddelaarsrol. Zijn aversie tegen de autonomie lijkt me authentiek, zijn aversie tegen populisme betreft vooral het soort populisme welke zijn positie bedreigt – een positie die zich vooral kenmerkt door instant-engagement in de vorm van paniekradicalisme en rituele zelfverminking.

Dit soort instant-engagement beheerst de laatste twintig, dertig jaar het gros van alle Hollywoodscripts. Dat je precies dezelfde ideologie vervolgens als ‘manifest’ in de Trouw aantreft typeert nu juist de rol die literatuur tegenwoordig nog heeft: een bultenaar die achter een groep hardlopende bedriegers aansjokt. Het ‘riskant’ uit ‘riskante literatuur’ moet u dan ook vooral zien als een diepgewortelde wens meer ontploffingen in gedichten waar te nemen. Want ook die ideologie is naar de poëzie doorgesijpelt: een gebrek aan substantie kun je met afdoende ontploffingen heel leuk maskeren.

Pfeijffer poneert twee oppervlakkige tegenstellingen en kiest ‘radicaal’ de kant van een van deze twee. Dat deed hij als ik me niet vergis in de jaren negentig ook al in die ‘vorm versus inhoud’ discussie die ook al als een tang op een varken sloeg. Deze ‘radicale keuze’ is wellicht steeds anders maar de achterliggende structuur is precies dezelfde: een discussie aanzwengelen met schijnargumenten en daarna niet meer thuis zijn. Het zijn de acties van een kamikazefetisjist.

Wat ik bijvoorbeeld eens interessant zou vinden is eens te horen wat er precies zo ‘riskant’ is aan de poezie die Pfeijffer in de ‘Canon van de Europese Poezie’ opnam. Ik wil het antwoord best voorkauwen: het riskante van deze selectie lag hem in het feit dat er ook niet-Europese dichters in staan opgenomen. Haha. Wat een leuk grapje. Heel riskant, hup, op naar het volgende hap-snap stellinkje.

Het typische kenmerk van de postmoderne autoriteit is dat hij het verzet steeds doelbewust saboteert door het te assimileren. Om die reden zijn bijna alle reclames van grote ondernemingen doorspekt van rebellie. Om die reden zijn het regerende partijen die al 100 jaar de dienst in Amerika uitmaken rond verkiezingstijd beide symbolen van de grote verandering. Om die reden zijn het altijd long-time insiders uit Den Haag (Fortuyn, Verdonk, Wilders) die ineens het verzet tegen Den Haag vertegenwoordigen: het zijn feitelijk pogingen van het establishment om het daadwerkelijk verzet onklaar te maken, het zijn pionnen in een systeem dat doelbewust elke daadwerkelijke verandering onmogelijk wil maken. In datzelfde licht zie ik de bloemlezing van Harmens en Pfeijffer ook. Hier zien we iemand die al een dikke tien jaar onderdeel uitmaakt van het establishment pretenderen dat hij het verzet is, dat hij, gelauwerde autoriteit en glimmend radertje in de consensusmachine, ergens tegen ‘in verzet’ komt en de taal die hij erbij bezigt is volstrekt analoog aan de taal die politici bezigen als zij verzet assimileren: schreeuwerige taal die zelfs geen analyse van drie secondes overleeft.

Er is geen sprake van daadwerkelijke tegenstellingen in de politiek. Wat je ziet is dat steeds figuren als Verdonk of Wilders door het systeem gebruikt worden om het totale perspectief te laten verschuiven. Het systeem heeft daarvoor steeds trekpaarden nodig die, door bestaande ideologieën op een extreme wijze in te vullen diezelfde ideologieën ‘nieuw leven’ inblazen om te voorkomen dat er daadwerkelijk iets verandert. Precies hetzelfde mechanisme zie je in de poëzie ook: het modernistische, industriële idee dat de gevestigde orde bepaalt wat hip is (de bloemlezing) en dat wij, gevestigde dichters, wel even zullen laten zien wat radicaal, gevaarlijk en verzet is – resulterend in een bloemlezing vol amechtige braveriken die grotendeels allang onderdeel uitmaken van die gevestigde orde of dat graag zouden willen zijn.

Het verschil tussen bloemlezingen vanuit modernistisch en postmodernistisch perspectief is daarbij opvallend. De modernistisch bloemlezing is de bloemlezing met de autoriteit als rebel die voor iedereen bepaalt wat hip is. De postmoderne bloemlezing is een bloemlezing van een autoriteit die zich bewust is van de absurditeit van bovenstaande en het dus persifleert. Hotel New Flandres is een postmoderne bloemlezing omdat de bloemlezers zich uiteraard ten volle bewust zijn van de absurditeit van het toepassen van een hotel-sterren systeem op de poëzie – een provocatie naar de nog steeds modernistische bloemleescultuur in Nederland en Vlaanderen. Alleen al om die reden heeft die bloemlezing het volle bestaansrecht.

Wat van belang is bij een bloemlezing is nadrukkelijk niet of er goede gedichten in te lezen zijn. In elke bloemlezing staan op een of andere manier wel goede gedichten – niet zo moeilijk ook om uit een enorme poëzieaanwas wat goede gedichten te selecteren. Dat is net als beurskoersen voorspellen bij wijze van spreken iets wat je een gorilla kunt laten uitvoeren.

Nee, van belang bij een bloemlezing is wat het politieke bestaansrecht van die bloemlezing is. Elke bloemlezing als zodanig is een staatsgreep op de consensus, een poging de eigen smaak als norm te
presenteren en een poging om blijvende invloed op iets ongrijpbaars als een ‘canon’ te bewerkstelligen. De bloemlezing is de georganiseerde religie van de literatuur.

Wie dus met een bloemlezing komt moet zich niet vervolgens gaan beklagen dat hij die bloemlezing ook nog eens moet verantwoorden – hoe volstrekt risicoloos is dat, hoe nonchalant, om een bloemlezing uit te brengen en dan, nadat er zo’n 6 artikelen als reactie op internet verschijnen dit te schrijven:

Tot dusver heeft alleen Marc Reugebrink iets interessants opgemerkt, dat een niet-academicus eigenlijk geen bloemlezing zou mogen maken. Daar ben ik het niet mee eens, maar daar kun je wel wat mee.”

De stukken van Samuel Vriezen, Jeroen van Rooij en ondergetekende waren dus gewoon niet interessant. Het stuk van Reugebrink was klaarblijkelijk zo interessant dat Harmens er iets in leest wat er totaal niet in te lezen valt. Moeten wij van zo’n figuur nu echt nog te horen krijgen dat nonchalance in de literatuur een misdaad is?

Pfeijffer en Harmens vinden kritiek niet interessant. Als modernistisch establishment en autoriteiten die constant zichzelf saboteren vinden zij vooral de echo’s van hun eigen kreten interessant. De bloemlezing ‘ik ben een bijl’ is een typische weerspiegeling van onze tijd: het is het vleesgeworden neoconservatisme in de literatuur, met een modernistisch sausje. Harmens beweert dat het typische van poëzie geschreven in de jaren nul ‘de warmte, de familiebanden, het persoonlijke’ is – weer een typisch neoconservatief geluid: de familie als engagementswapen – de republikeinse campagne zat er vol mee.

Of neem een andere typische ontwikkeling binnen Hollywood de laatste jaren: de zogenaamde ‘torture flick’. Films die martelen als entertainment brengen. Volstrekt synchroon aan de terugkeer van het politiek martelen. Wie denkt dat dat toeval is zit met zijn kop in het zand: hier wordt doelbewust de tolerantie van het grote publiek voor dit fenomeen opgerekt. De basisvraag hier is: waarom komt het politieke martelen terug. Daar heeft niemand het over. Men veronderstelt een enorme naïviteit aan de zijde van de martelaars: alsof die mensen gewoon niet weten dat martelen totaal niet effectief is. Niemand wijst erop dat informatiegaring wel eens totaal niet het doel van deze praktijken zou kunnen zijn. Het is opnieuw de ‘extremistische positie’ die als functie het oprekken en verschuiven van het hele waardesysteem heeft. Het is een kapingspoging, maar nooit een kapingspoging van buitenaf.

Is het dan niemand opgevallen dat er in Irak alleen koppen werden gesneld in de maand na Abu Graib? Je maakt mij niet wijs dat iets wat wordt gepresenteerd als onderdeel van een cultuur alleen bij wat onaangename fotos aan het licht komt. Er worden elke dag familieleden vermoord, er is elke dag wel een aanleiding tot een extreme reactie.Het feit dat alleen de maand na Abu Graib de koppen rijkelijk op internet videos rolden wijst op een gefabriceerde tegenstelling: kijk, hun zijn nog erger dan ons. Zulke gefabriceerde, propagandistische tegenstellingen tref je vervolgens ook in de literatuur aan. Deze bloemlezing is nodig, omdat het alternatief erger is. Dat is de politieke boodschap van ‘ik ben een bijl’, en interessant is dan eens te analyseren waar beide heren zo bang voor zijn.

Kunt u zich een pornofilm voorstellen die begint met een introductie waarin met zwaar aangezette stem wordt verkondigd dat sex wild moet zijn en vooral niet saai? Dat is zo’n beetje het manifest wat Harmens / Pfeijffer hebben geschreven. Het probleem is alleen dat het manifest veronderstelt dat er daadwerkelijk veel mensen rondlopen die vinden dat sex saai moet zijn. U mag ze mij eens aanwijzen. Volgens mij vindt jan-en-alleman dat poezie gevaarlijk en riskant moet zijn. Ik heb nog nooit een essay gelezen waarin iemand uitgebreid redeneert dat poezie vooral saai en veilig moet zijn.

Het probleem van dit manifest is dus vooral dat het onder woorden brengt wat al talloze keren is gezegd door zo’n beetje iedereen die in de poëziewereld rondkruipt. Het moet allemaal gevaarlijk zijn, riskant, adembenemend, en welk superlatief men nog maar meer kan verzinnen. Dat de meeste poëzie en de meeste dichters nog geen deuk in een pak boter zouden kunnen slaan, dat het schriele mannetjes zijn met een bleke hobby die zelfs op het enige vlak waar ze nog mee zouden kunnen tellen – het intellectuele – allang door de werkelijkheid ingehaald zijn (wat ze aan zichzelf te danken hebben – wie constant de underdog uithangt en incompetente dagdromers en zwabberaars tot woordvoerders kiest is bijna volautomatisch uitgerangeerd) – u begrijpt, deze mannetjes is er veel aan gelegen nog enigszins gevaarlijk over te komen.

Er zijn zelfs nog mensen die in de naaktfoto van Pfeijffer een provocatie zien. Dat zijn mensen die helemaal niets begrijpen van het mechanisme van de provocatie. In een omgeving waarin iedereen vindt dat je ‘gevaarlijk’ moet lijken ben je juist provocatief als je zegt van rustige, saaie poëzie te houden. Ik stel dat je om in Nederland door een breder publiek te kunnen worden geaccepteerd je geen keuze hebt dan jezelf een clownsneus op te plakken als je je kop boven het maaiveld uitsteekt. Pfeijffer deed alleen Wolkers na, omdat hij zich van dat feit bewust is: brede acceptatie krijg je alleen door jezelf af en toe flink voor lul te zetten.

En engagement, dan? Geen spoor van te bekennen in het hele oeuvre van Pfeijffer. De naaktfoto typeert loepzuiver wat het type engagement is wat bij hem past: het engagement van de brave modelburger die niets te verbergen heeft. Die alles met jan publiek wil delen, omdat hij wezenlijk niets te delen heeft. Die graag zijn privacy inruilt voor een stukje extra ‘veiligheid’, net als de mensen die op Schiphol graag in hun nakie gaan staan. En dat is best een beetje riskant, maar om een heel andere reden dan hij zelf vermoedt.

M.H.Benders, Istanboel, 28-05-2009

Hap-snap engagement

Erik Jan Harmens en Ilja Pfeijffer komen met een ‘manifesto voor riskante literatuur’ in Trouw.

Gert de Jager reageert op de contrabas, ik citeer:

Lucebert, Claus en Ponge hadden de nood der tijden tot in hun vezels ervaren en wisten waar ze het over hadden. Het lillen van kanonnenvlees was voor hen geen gratuite beeldspraak. Daarbij vergeleken zijn Pfeijffer en Harmens hopeloos verwende kinderen die tot de ontdekking komen dat de wereld niet alleen uit speelgoed bestaat. De laatste schroomt zelfs niet om de Endlösung erbij te halen om een punt te maken over ollekebollekes. Erg geestig allemaal. Entertainment voor de verveelde krantenlezer.

Lees de discussie op de Contrabas

Samuel Vriezen doet ook een duit in het zakje met een stuk op zijn weblog over hap-snap engagement. Hij doet daarin de volgende interessante observatie:

Interessant intussen is wel dat er kennelijk een enorme behoefte bestaat aan die geëngageerde toon, zonder dat er behoefte lijkt te bestaan aan een bijbehorende stelling. Men wil de wereld niet veranderen, niet echt tenminste, maar wel wil men het gevoel hebben dát men de wereld wil veranderen. Het begint er op te lijken dat dit verlangen naar engagement zélf inmiddels volstrekt ideologisch is geworden. Waarom is dat? Wat betekent dat?

Lees het hele stuk van Samuel Vriezen

Elders onstond op de Contrabas een opstootje over het persbericht wat Ilja Pfeijffer uitbracht over zijn in het italiaans geschreven toneelstuk, waarin hij betiteld wordt als ‘Nederlands meest controversiele schrijver’ en waarin gesteld wordt dat het stuk gespeeld wordt door ‘topacteurs’ – die discussie kunt u hier lezen

Uiteraard is engagement een ideologie, maar ik denk dat die ideologie al sinds de vijftiger jaren overheerst – het idee is dat de kunstenaar zijn maatschappelijk nut moet bewijzen. De maatschappij bestaat niet om het grote individu mogelijk te maken, zoals Nietzsche dat bijvoorbeeld voor ogen had, maar juist andersom: het individu bestaat om het de maatschappij, de groep naar de zin te maken. ‘Riskante poezie’ wordt in deze context dan ook gedefinieerd als ‘Wij verwachten van de literatuur niet dat zij oplossingen biedt, maar wel dat zij de wereld verandert.’ – want oplossingen bieden vereist intelligentie, de wereld veranderen kan iedereen. Het is de overbekende Hollywood formule: jij bent de oplossing. Jij bent de spil waarom de wereld draait. Het enige wat je hoeft te doen is de wereld te veranderen. Oplossingen hebben we verder een broertje dood aan, want daar moet je voor nadenken. Het enige wat je hoeft te doen is met je magische literaire stokje zwaaien, en alles komt goed. Pure disney.

Dit soort instant-engagement beheerst de laatste 20, 30 jaar het gros van alle hollywoodscripts. Dat je precies dezelfde ideologie vervolgens als ‘manifesto’ in de Trouw aantreft typeert nu juist de rol die literatuur tegenwoordig nog heeft: een bultenaar die achter een groep hardlopende bedriegers aansjokt. Het ‘riskant’ uit ‘riskante literatuur’ moet u dan ook vooral zien als een diepgewortelde wens meer ontploffingen in gedichten waar te nemen. Want ook die ideologie is naar de poëzie doorgesijpelt: een gebrek aan substantie kun je met afdoende ontploffingen heel leuk maskeren.

De enige fout die Vriezen mijns inziens maakt is het idee dat Pfeijffer ‘van positie wisselt’ – feitelijk doet hij dat helemaal niet: de ideologie is steeds precies dezelfde: het is de ideologie van de kamikazefetisjist. Maar goed, dat was dus ook precies de strekking van Vriezens stukje. Dat er een basishouding met schijnwisselingen bestaat.

Pfeijffer poneert twee oppervlakkige tegenstellingen en kiest ‘radicaal’ de kant van een van deze twee. Dat deed hij als ik me niet vergis in de jaren negentig ook al in die ‘vorm versus inhoud’ discussie die ook al als een tang op een varken sloeg. Deze ‘radicale keuze’ is wellicht steeds anders maar de achterliggende structuur is precies dezelfde: een discussie aanzwengelen met schijnargumenten en daarna niet meer thuis zijn. Het zijn de acties van een kamikazefetisjist.

Wat ik bijvoorbeeld eens interessant zou vinden is eens te horen wat er precies zo ‘riskant’ is aan de poezie die Pfeijffer in de ‘Canon van de Europese Poezie’ opnam. Ik wil het antwoord best voorkauwen: het riskante van deze selectie lag hem in het feit dat er ook niet-Europese dichters in staan opgenomen. Haha. Wat een leuk grapje. Heel riskant, hup, op naar het volgende hap-snap stellinkje.

« Previous Entries