Nieuw systeem, volledig politicivrij: de gildedemocratie
Omdat Zizek het te druk met Hegel heeft en liever doemdenkersboekjes verkoopt heb ik zelf maar even een nieuw systeem verzonnen. Democratisch, maar zonder gebruik te maken van ‘representerende politici’ – het systeem schaft dus feitelijk de politicus als fenomeen af. Ik noem het de ‘aristocratische gildedemocratie’ – waarin het land geleidt wordt door specialisten uit de vier pijlers, en er 4 verschillende raden bestaan met macht tot ingrijpen, die ook elkaar weer controleren. Geen Trias Politica meer, maar een Quadras Politica.
Ter vergelijking: het huidige systeem:
De overheid als hoeder van de literaire canon
Weinig mensen lijken zich ervan bewust, maar ons huidige subsidiesysteem is opgezet in de Tweede Wereldoorlog door de Nazi’s. De Kultuurkamer heette het toen, uitgangspunt was dat de Staat diende bepalen welke kunst wel en welke kunst niet uitgeoefend mocht worden. De nazi’s richten de volgende instanties op:
Filmgilde
Gilde voor Bouwkunst, Beeldende Kunsten en Kunstambacht
Gilde voor Theater en Dans
Letterengilde
Muziekgilde
Persgilde
Na de Tweede Wereldoorlog besloot men deze instanties niet op te heffen, maar wat socialer en minder nationalistisch te maken. Het uitgangspunt bleef min of meer hetzelfde: de Staat moest bepalen welke kunstenaars wel, en welke niet voor de praktijk in aanmerking kwamen. Wie een deel van de markt sponsort maakt het immers de ongesponsorde schrijver zeer moeilijk, al helemaal als deze sponsering vergroeit met de publicatieindustrie.
We hebben dus een in essentie versocialiseerd nationaal-socialistisch subsidiesysteem. Het spreekt voor zich dat in tijden waarin de politiek weer sterk de nationale kant op trekt ook deze instanties sluipend die richting op zullen bewegen.
Ik kon bijvoorbeeld mijn ogen niet geloven toen ik deze website zag:
De Canon van de Brabantse Letteren
De Staat bepaalt nu niet alleen wie er geld krijgt en dus zijn vak mag beoefenen, nee, de Staat bepaalt nu klaarblijkelijk ook welke schrijvers wij mogen herinneren. En dat alles vanuit een sterk nationalistisch perspectief – bekijk de criteria van de site en je zult er dit lezen:
“Wat zijn de criteria om in de Brabantse canon opgenomen te worden?
Wanneer kan een werk waarlijk Brabants genoemd worden?
Het is moeilijk hier objectieve maatstaven voor te vinden.”
Geen criteria dus, behalve een nationalistische. Waarlijk Brabants. De Staat als hoeder van de Nationale Identiteit.
Heel gevaarlijk allemaal. Langzaam schuift het versocialiseerde NS principe weer richting ‘Nationaal’. Op de radio mogen alleen nog Nederlandse liedjes gezongen worden. Waarlijk Brabantse schrijvers worden door de overheid gefiatteerd.
Die site heeft duidelijk een ‘volg mij niet’ register nodig. Ik heb er persoonlijk geen enkele behoefte aan om als ‘Waarlijk Brabants’ te worden verkocht.
Dit hele schimmige overheidsbedrijf is de domeinnaamhouder van ‘canon van de brabantse letteren:
Nieuwste Nasr onthulling roept vragen op
Ramsey Nasr onthult een interview in Vrij Nederland dat hij ogenschijnlijk met China’s bekendste dissident hield, hier te lezen
Bij mij riep deze nieuwste onthulling juist meer vragen op, omdat ik discrepanties zie met het optreden van Nasr op de televisie:
Dus nogmaals dat filmpje bestudeert. Er vallen me steeds meer zaken op die niet kloppen. Mijn fascinatie voor propaganda-analyse komt tegenwoordig goed van pas.
’Heimelijk op bezoek gaan bij een opgesloten dissident?’ Die onder permanente camerabewaking staat? Waarbij je het gastenboek ook nog tekent? Wat is daar precies ‘heimelijk’ aan? Het is maar een detail, maar ik zie nu vele, vele van dit soort details, heel boeiend.
In het filmpje beweert hij dat ‘de opgesloten dissidenten’ (meervoud) die hij sprak het volledig eens waren met de anti-amnesty actie, en vervolgens rept de dissident in het interview met geen woord erover.
’Wij gingen daarheen om te toetsen’ zegt Pleij. Om wat te toetsen?
Bijzonder vreemd dat hij niet meldt aan die tafel dat hij een heel interview had met de beroemdste Chinese dissident. Waarom niet? Waarom daar zo vaag doen en een week later ineens een interview? Dat had hij toch al klaar, dat interview?
’Je bent 5 dagen in Shanghai geweest, heb je daarmee de hele wereld gezien?’ – ze waren toch helemaal niet in Shanghai maar in Beijing?
Pleij ziet een langzaam democratiserend China. Waaruit leidt hij dat af?
’We hebben geen apparatchik ontmoet’ – hoe kun je dan ‘heimelijk op bezoek gaan bij een dissident’?
Wat ook opvalt: de dissident bevestigt de kernboodschap van het Letterenfonds (jullie moeten met ons praten) maar kiest verder de kant van critici. Goede propaganda dit. De kernboodschap bevestigen, maar ook de tegenpartij lijmen.
Het Letterenfonds zelf kwam overhaast met een persbericht waarin het credo ‘alle neuzen moeten dezelfde kant uit wijzen’ chinees blinkt. Dat persbericht valt hier te lezen. Verbazingwekkend, toch, dat alle twintig deelnemers precies dezelfde mening hebben? Dat er geen dissident tussenzit?
De arbitraire maatregel als conservatief protofascistisch machtsprincipe
Hoe legitimeert een bestuurslaag, of een laag van adviseurs, zichzelf? Simpel: door steeds arbitraire regels of maatregelen te verzinnen en die later zelf weer even triomfantelijk op te heffen. Het procedé zelf, het verzinnen van die arbitraire maatregelen, blijft echter altijd buiten schot. Dat is ‘nou eenmaal hun werk’.
Stelt u zich eens een instantie voor die ‘Het Muziekfonds’ heet. Een door de overheid geïnitieerd en betaald instituut dat muzikanten moet steunen bij het maken van kwalitatief hoogwaardige muziek. Je kunt erover discussiëren of zo’n instantie nodig is, maar daar gaat dit stuk niet over. Dit stuk gaat over een ander en veel merkwaardiger fenomeen.
Het eerste wat dit Muziekfonds, of beter gezegd de ambtenaren, bemiddelaars en adviseurs die het binnen korte tijd bevolken, doet is arbitraire maatregelen verzinnen. De eerste regel is al snel geboren: wie geld wil krijgen als muzikant moet wel een contract kunnen laten zien met een grote platenmaatschappij. Want de kwaliteit moet bewaakt worden. Door ons.
Dat die regel als een tang op een varken slaat doet niet ter zake. Dat geen enkele muziekliefhebber de mening is toegedaan dat de beste muziek bij grote platenmaatschappijen te vinden is zal de heren worst wezen. Er moet een arbitraire maatregel zijn. Want dan kan men deze in de toekomst weer glunderend opheffen. Zo is men steeds zowel aanstichter als bevrijder. Men legitimeert ermee het eigen bestaan.
Constant zie je in Nederland dat een bestuurslaag bezig is met het verzinnen van arbitraire maatregelen. Constant zie je dat oude arbitraire maatregelen triomfantelijk worden opgeheven. Zo vonden de goeierikken van het Letterenfonds misdaadromans plotsklaps ineens wel literatuur, terwijl vele, vele jaren misdaadauteurs geen geld kregen. Want er was een arbitrair regeltje. Glunderend heft men het regeltje weer op – en maakt men weer nieuwe.
Het procedé van arbitraire maatregelen zelf komt nooit onder vuur te liggen. De vraag waarom zulke regels noodzakelijk zijn is immers al beantwoord: zij zijn noodzakelijk om ons als klasse te legitimeren. Met andere woorden: de arbitraire maatregel is een vorm van zelfbehoud voor een elitaire laag.
Hoe nu! Durft Dhr Benders te suggereren dat er geld aan muzikanten gegeven kan worden zonder regels?
Nee, dat is niet wat ik beweer. Ik beweer iets anders: namelijk dat die regels eerst gelegitimeerd moeten worden in filosofische zin. Men kan regels stellen, maar die regels moeten dan wel een degelijke filosofische basis hebben. Regels met een blijvend, universeel karakter. Maar in zulke regels heeft de bestuurslaag geen enkele interesse, want die legitimeren het eigen bestaan niet. Zulke regels maken hen grotendeels overbodig. Gevolg: een postmoderne bestuurscultuur die steeds regels zonder enige legitimatie verzint, met geen enkele interesse in het waarheidsgehalte of de duurzaamheid van de visie die eraan ten grondslag ligt.
Even terug naar dat Muziekfonds. Als de muzikant een contract met een grote platenmaatschappij kan laten zien, dan is het nog niet goed genoeg. Waar eerst schijnbaar die grote platenmaatschappij garant stond voor ‘kwaliteit’ is nu opnieuw een nieuwe adviseurslaag nodig, die beoordeelt dat wat al tot ‘kwaliteit’ werd gebombardeerd wel goed genoeg is om geld te kunnen krijgen. Kwaliteit van de kwaliteit, dus. Een heel legertje adviseurs komt eraan te pas, een ingewikkeld procedé – is dit kunst genoeg voor subsidie. Enkele goedbedoeldende collega’s buigen zich over het werk om te kijken of de mijnheer waarmee ze vaak dagelijks optreden wel geld mag krijgen. Recensies mogen worden bijgevoegd maar doen feitelijk niet ter zake.
Ook dat oordeel was weer niet genoeg. Er moet nog een toefje op de slagroom, nog een extra laag, van kwaliteit van kwaliteit van kwaliteit. Dat doet in dit geval de adviescommissie die zich over de beoordeling van collega’s van voornoemde muzikant buigt. Daarbij doet ook het verhaaltje ter zake ‘wat de muzikant in de toekomst denkt te gaan maken’. Zo’n zelfverzonnen motivatie heeft volgens de heren immers invloed op de kwaliteit. Laag voor laag allemaal puur arbitraire regels en ook arbitraire mensen – een samengeraapt zootje van CV’s, van klerken en regelverzinners – die zich tot de ethiek zelf verklaard hebben. Oplichters van de ergste soort – de oplichter die zijn eigen handel triomferend in elkaar trapt, als hij de politie ziet naderen.
Dit is precies de ‘cultuur’ die zowat elke economische en regelende laag van onze samenleving heeft doorspekt. Men ziet dit alles als ‘volstrekt normaal’. Maar dat is het uiteraard niet. Het is een elitaire klasse die zich op vosachtige wijze steeds ‘vernieuwt’: de zelfcorrigerende bestuurscultuur. Dat is de subsidielaag waarvan de maatschappij het meest hinder heeft. Laat die muzikant met rust: hij is niet de veroorzaker van uw leed en ook niet degene die ervan profiteert. Het is hoogstens iemand die probeert te overleven door aan de arbitraire regeltjes van een zelfbehoudende klasse te voldoen. Een klasse die hem nu als zondebok opvoert, omdat zij het vuur aan de schenen voelen. Laten wij allereerst eens de zaken bij de basis aanpakken: geen arbitraire regeltjes meer, maar een commissie van wijze, filosofische mensen die elke regel eerst op zijn duurzaamheid toetst.
Weer aan advieslaag, hoor ik u denken? Nee, geen adviseurs maar mensen die de daadwerkelijke macht hebben elke onzinregel per direct onklaar te maken. Tot de tijd is aangebroken dat wij een maatschappij en een bestuur kunnen verzinnen dat niet langer afhankelijk is van de arbitraire maatregels om zijn positie te kunnen handhaven. Als de Trias politica niet naar behoren functioneert – en dat is in casu zo bij een zelfcorrigerende staat – dan moet er een controlerend instituut komen. Waarin intellectuelen van allure moeten plaatsnemen – niet de referentiële CV mannetjes die het in de mediacultuur goed doen.
Macht die zichzelf corrigeert is namelijk elementair protofascistisch. Dat dit tot de ‘algemene cultuur’ is gaan behoren, op sluipende wijze, doet aan dat feit niets af. Het nieuwe fascisme hoeft zich niet perse totalitair te uiten – denk aan Berlusconi, een protofascist in democratische kledij. Wanneer wij toestaan dat deze cultuur zichzelf blijft controleren zullen we slechts langzaam steeds meer de grip erop verliezen, tot alle bemiddelaars de macht hebben, de media bezitten, en met hun eigen bedrijven geld verdienen in oorlogen die ze zelf zijn begonnen. Het is duidelijk tijd voor een nieuwe trias politica.
Kluun als exportproduct
Ondertussen vind ik het interessante aspect aan de zaak juist dat hele ‘Kluun als exportproduct’ – dat kan niet anders dan een hoop minachting genereren bij de Chinezen voor de kwaliteit van de westerse literatuur. Wat een ontzettend vreemde beslissing.
Het Letterenfonds begint steeds meer op Buma Stemra te lijken. Die organisatie gebruikt ook het jaarlijkse songfestival om consistent een bepaalde industrietak te promoten. Dat we jaar in jaar uit voor schut staan – het is hen om het even, het gaat immers om iets anders: namelijk dat de ‘eigen groep’ als de top van de muziekindustrie blijft gelden. Dat de Nederlandse wansmaak geen universele geldigheid heeft weet men allang. Men is juist bang die wansmaak te verliezen – daar verdienen ze immers geld mee. Men heeft, kort gezegd, geen enkele belang bij nieuwe muziek die het songfestival zou winnen. Men wil een dom publiek met wansmaak, want daaraan verdient men zijn brood. Voor schut staan in Europa neemt men dan maar op de koop toe, als de eigen industrie maar aan de top blijft.
Ook het Letterenfonds beweegt die richting op. Onbegrijpelijk, natuurlijk, zo’n beslissing om die wansmakelijk slechte boeken van Kluun aan de Chinezen te gaan presenteren. Het kan bijna niet anders of het zal een hoop minachting genereren bij de Chinezen voor de westerse literatuur. Maar dat is het Fonds der Letteren om het even. Het gaat hen duidelijk om iets anders. Dat de Nederlandse wansmaak niet universeel geldig is weet Henk Propper natuurlijk ook best. Nee, wat hier feitelijk gebeurt is iets anders: alles wat goed verkoopt moet ook als een standaard van kwaliteit gepresenteerd worden. Niet voor de Chinezen. Wat de chinezen ervan vinden zal hen worst wezen. Dat ze waarschijnlijk nooit meer een boekendeal binnenhalen met zulke wanproducten ook – die deals leveren sowieso erg weinig op. Nee, het gaat het Letterenfonds er vooral om de nieuwe literatuur te legitimeren. En dat is een literatuur die drijft op oude glorie en pulp.
Ondertussen staat de echte Nederlandse schrijverswereld voor lul. Maar dat hoort erbij, waarschijnlijk. Het idee dat je als land kwaliteitsliteratuur moet exporteren zal wel uit de 19e eeuw stammen. Nog frappanter is een stuk dat ik vanmorgen in het NRC las, de krant die columnisten uit één bepaald specifiek cafe lijkt te betrekken. Ene Steven de Jong schrijft daar: “Een Westerse afzetmarkt geeft hen niet alleen een groter podium, maar ook die felbegeerde vrijheid van meningsuiting.” Steven heeft klaarblijkelijk geen flauw benul hoe censuur werkt. Hoe intelligent is zo’n opmerking precies? Het verbaast me weinig dat mijn artikelen op Loewak evenveel likes genereren als de columnistenstukjes op het NRC.
Het is allemaal korte termijn politiek, bedoeld om de eigen industrietak hoog te houden. Dat daarmee een funest beeld wordt geschapen van de westerse literatuur zal onze jongens een zorg wezen. Als het eigen winkeltje maar blijft draaien. Op de lange termijn speelt men zo op een ongelofelijk domme wijze het fascisme in de kaart. Immers, het beste argument tegen de westerse cultuur is het onvermogen van dat systeem de beste elementen boven te halen en rommel te verkopen als hoogste goed. Wij zijn geen alternatief meer, op die manier. Wij zijn misschien wel erger dan de culturen die we willen bekeren.
De Nederlandse Schrijver
De Nederlandse schrijver voelt zich door de bank genomen door gebrek aan positieve kritieken zo miskend dat hij nog in Guantanamo bay boeken zou gaan staan verkopen, als er maar een ambassadeur en een bankettafel aanwezig is.
Voor de verdienste doet hij het niet. Per boekoplage verdient de auetur met een uitgave in China namelijk tussen de 50 en 100 euro. Nee, er is een andere reden dat deze mannetjes richting China vertrokken. Het gratis reisje. De eer. Roem in China. Maar niet het geld.
Wranger vind ik dat men, een maand nadat Halbe Zijlstra nog de duivel zelf was, zich alweer behaaglijk tegen de nieuwe macht aanschraagt, met Kluun in het kielzog. De Nieuwe Literatuur.
Adorno had dus toch gelijk: de cultuurindustrie is niets dan de amusementstak van het roofkapitalisme.


Commentaar