Een bloemlezing is een databank
Op NRC boeken wordt een rechtszaak uitgelicht van een Duitse Universiteit die een rechtszaak aanspande tegen een uitgever van een CD rom met ’1000 beste gedichten’. De Europese rechter concludeerde in deze dat een bloemlezing een ‘databank’ is en dat dus daarop het databankrecht van toepassing is. Zo beschrijft NRC de zaak:
Een uitgever publiceert een cd-rom met de titel 1.000 gedichten die iedereen moet hebben. Daarvan zijn er 856 precies hetzelfde als een bloemlezing die door een universiteit is gepubliceerd. Aan die selectie, uit 20.000, heeft een professor tweeënhalf jaar gewerkt – de (Duitse) universiteit gaf er 34.900 euro aan uit. En de professor bracht 1.100 gedichten bij elkaar.
De commerciële uitgever erkent de universitaire lijst als leidraad te hebben gebruikt. Er zijn een paar gedichten weggelaten en enkele toegevoegd. De universitaire lijst is „kritisch onderzocht”. De letterlijke tekst van de gedichten heeft de uitgever uit eigen digitale bronnen gehaald. Er is niets letterlijk gekopieerd. Maar het idee en de uitwerking van de bloemlezing zijn grotendeels overgenomen. De universiteit vindt dat de uitgever hun databankenrecht schond. De universiteit voelt zich auteur van een compilatie en „fabrikant van een databank”. :
In dezelfde redeneertrant zou je kunnen stellen dat het ‘Verzamelde werk van..’ een databank is. Immers, er is daarvoor een selectie gemaakt uit een grotere hoeveelheid werk die uniek is. Dat is lastig, omdat het betekent dat wanneer een bepaalde uitgever bepaalde gedichten van Rilke kiest voor een verzameld werk je zou moeten uitvogelen of jouw uitgever daar niet voor 70% op zou moeten of mogen lijken. Bijna onbegonnen werk, en bovendien vereist het dichters met een groot oeuvre.
Ben jij dus een dichter met een klein oeuvre, dan ben je van nu af aan officieel een databankramp.
Ik hang het recenseren aan de wilgen
In navolging van In Letterland staak ook ik, min of meer uit protest, het recenseren van poezie. Vast tot grote tevredenheid van een onbepaalde meute, maar ik heb geen enkele moeite deze meute haar speelveldje te gunnen. Waarom ik het recenseren staak? Om de volgende redenen:
1. Ik erger mij aan het pseudo-zwaarwichtig gedoe, aan mensen die denken dat de wereld om hun mening draait, aan al die overbodige, arrogante en potsierlijke bloemlezingen (‘de 500 beste gedichten van Europa’, welke schlemiel koopt zo’n boek ook maar?), aan de kenners en fijnproevers die 90% van de wereldliteratuur nooit aangeraakt hebben, aan de specialisten-op-de-millimeter die zich kleinzielig aan elke literaire strohalm vastklampen.
2. Ik zie mijzelf niet als een ‘specialist in poezie’, verre daarvan, ik vind het idee dat de poezie specialisten nodig heeft even lachwekkend als het idee dat er liefdesspecialisten zouden bestaan.
3. Ik vind de meeste poezie niks. Dat maakt recenseren lastig, behalve als je constant wilt polemiseren. Of dat er nu aan ligt dat ik de lat te hoog leg of dat ik van nature een bekrompen smaak heb – dat laat ik verder even in het midden.
4. Ik ben, in het kader van het Amor Fati idee, bezig mijn leven zo in te richten dat ik me alleen nog op positieve, ja-willende macht richt en recenseren is van nature een te passieve en negatieve bezigheid die daar niet bij past. Ik zie het niet langer als mijn taak om de Kritiek, die in Nederland en elders aan een infuus ligt zo niet op sterven na dood is, te doen herleven. Ik wil met de bochelaars die onder het gewicht van hun eigen Ego gebukt hun stempel op de klokketorens der poezie willen drukken niks van doen hebben. Ik wil frisse lucht!
Canonieke bloemlezing is beter dan normale bloemlezing
Het probleem met iemand als van Bastelaere is dat de beste man zo vreselijk middelmatig in zijn experimenteel-zijn is. Als ik bloemlezingen zou moeten maken zouden die er op volgende wijze uit komen zien:
* 300 jaar Nederlandse poezie – Met als enige bijdragende dichter: M.H.Benders
* Een overzicht van de Nederlandse poezie in 1000 en nogwat gedichten
(en dan vervolgens alleen die fragmenten uit gedichten opnemen die je goed vind)
Bloemlezingen zijn uiteraard intrinsiek absurd: de smaak als totalitair instrument, als regelgever, als grote roerganger. Maar hoe absurd ze ook mogen zijn, ze zijn toch ook handig: het is vaak in een bloemlezing dat je een stem tegenkomt die je nog niet kende, een stem die je raakt.
Een Canon, dat vind ik iets anders: het is jammer dat er geen onderscheid wordt gemaakt tussen canonieke bloemlezingen en ‘gewone’ bloemlezingen in online discussies. Een Canonieke bloemlezing is feitelijk minder absurd dan een ‘normale’ bloemlezing: juist omdat hij precies doet wat een bloemlezing moet doen: een dominante smaak die als regel moet gelden neerzetten.
Een normale bloemlezing is veel eigenaardiger: iemand zet zijn smaak voor poezie uiteen, maar zonder de pretentie dat deze enige leidende waarde heeft. Het uitzetten van die smaak is echter op zichzelf al een pretentie in die richting, en aldus is de bloemlezing die niet canoniek is een bloemlezing met een identiteitscomplex: hier is een smaak aan het woord die eigenlijk geen smaak wil zijn.
Interessanter is eigenlijk de discussie of een Canonieke bloemlezing in Nederland wel mogelijk is. En of wij, als klein kikkerlandje, eigenlijk niet al een overdosis bloemlezingen hebben. En de vraag of je eigenlijk niet veel interessanter bent als je in geen enkele bloemlezing bent terug te vinden. En ga zo maar even door: relevante vragen genoeg. Toch voorspel ik dat het volgende debat waar van Bastelaere bij gaat aanschuiven ‘Heeft de poezie nog wel toekomst’ gaat heten.
Commentaar