canon

Occupy poetry, deel 2: de Staatscanon

Commissie Ontwikkeling Nederlandse Canon. Wist u dat die bestond? Opgezet door niemand minder dan CDA minister Maria van der Hoeven.

In dit artikel valt er meer over te lezen

We lezen onder andere: ‎”Door een auteur veel subsidie te geven, verleent het Fonds voor de Letteren hem of haar canonieke status.”

Een heel bijzonder Fonds vind ik dat. Bemiddelaars, van bedenkelijk literair gehalte (wie vindt Rob Schouten en Adriaan Krabbendam grote literatuur schrijven? ) die niet alleen bepalen wie er geld krijgt, behalve zijzelf (netjes alles vanaf de gang aanhorende, uiteraard) maar ook nog eens, door de hoeveelheid geld, laten merken wie er in aanmerking komt vereeuwigt te worden, en wie niet.

En omdat dat nog niet genoeg dolle vreugde is komt er een CDA minister met een “Commissie Ontwikkeling Nederlandse Canon” op de proppen.

Geen toeval dus, die ‘Brabantse Canon’ waar ik laatst bezwaar tegen had. De overheid machtigt zich nu al de taak van de literatuurwetenschap toe. Die jongens hebben het immers te druk met elkaars boeken lezen, en de politiek heeft het klaarblijkelijk niet druk genoeg. Zou dat nog wat schuiven, commissielid zijn in de “Commissie Ontwikkeling Nederlandse Canon”?

Het is werkelijk hemelschreiend waar die ambtenaren zich tegenwoordig met behlup van publiek geld mee denken te kunnen bemoeien. Een Canon vormen? Door de politiek? Is er ook maar iemand, ergens, die mij uit kan leggen waarom dat noodzakelijk is? En niet juist een verschrikkelijk pedante, badinerende en ook zeer bedenkelijke onderneming? Schrijvers die zich laten fiatteren en vereeuwigen door de overheid? Dat is al Orwell en Kafka in één doos. En dan durven ze ook nog te klagen dat ze niet populair meer zijn! Ze zouden nog in Guantanamo hun boekjes gaan staan verkopen, als er maar een ambassadeur en een bankettafel aanwezig was.

We zitten opgezadeld met ze, deze schrijvers. Met een avantgarde die alleen overbekende namen weet te noemen. Je zou bijna gaan denken dat die mensen nooit boeken lezen. Daar hebben ze met al dat commissiewerk natuurlijk ook geen tijd voor. De door hen verafgode Duchamps schreef ooit dat de enige keuze die de kunst in de toekomst daadwerkelijk zou hebben die was om ondergronds te gaan. Duchamps zag in dat het huwelijk tussen de beschaving en de kunst nooit goed af zou lopen. Maar in het ondergrondse: geen lintjes, geen boekenballen, geen borrelhapjes – er zou nauwelijks een schrijver te vinden zijn die het zou overleven. Daarom: de Helden moeten er zijn, en moeten verder hun mond houden. Heel veel zwijgzaamheid vind je er, in die Canons. En af en toe een adelaar die zich niets aan die scheur in de aarde gelegen laat liggen.

Canonieke bloemlezing is beter dan normale bloemlezing

Het probleem met iemand als van Bastelaere is dat de beste man zo vreselijk middelmatig in zijn experimenteel-zijn is. Als ik bloemlezingen zou moeten maken zouden die er op volgende wijze uit komen zien:

* 300 jaar Nederlandse poezie – Met als enige bijdragende dichter: M.H.Benders

* Een overzicht van de Nederlandse poezie in 1000 en nogwat gedichten

(en dan vervolgens alleen die fragmenten uit gedichten opnemen die je goed vind)

Bloemlezingen zijn uiteraard intrinsiek absurd: de smaak als totalitair instrument, als regelgever, als grote roerganger. Maar hoe absurd ze ook mogen zijn, ze zijn toch ook handig: het is vaak in een bloemlezing dat je een stem tegenkomt die je nog niet kende, een stem die je raakt.

Een Canon, dat vind ik iets anders: het is jammer dat er geen onderscheid wordt gemaakt tussen canonieke bloemlezingen en ‘gewone’ bloemlezingen in online discussies. Een Canonieke bloemlezing is feitelijk minder absurd dan een ‘normale’ bloemlezing: juist omdat hij precies doet wat een bloemlezing moet doen: een dominante smaak die als regel moet gelden neerzetten.

Een normale bloemlezing is veel eigenaardiger: iemand zet zijn smaak voor poezie uiteen, maar zonder de pretentie dat deze enige leidende waarde heeft. Het uitzetten van die smaak is echter op zichzelf al een pretentie in die richting, en aldus is de bloemlezing die niet canoniek is een bloemlezing met een identiteitscomplex: hier is een smaak aan het woord die eigenlijk geen smaak wil zijn.

Interessanter is eigenlijk de discussie of een Canonieke bloemlezing in Nederland wel mogelijk is. En of wij, als klein kikkerlandje, eigenlijk niet al een overdosis bloemlezingen hebben. En de vraag of je eigenlijk niet veel interessanter bent als je in geen enkele bloemlezing bent terug te vinden. En ga zo maar even door: relevante vragen genoeg. Toch voorspel ik dat het volgende debat waar van Bastelaere bij gaat aanschuiven ‘Heeft de poezie nog wel toekomst’ gaat heten.

Het kanonnenvlees brult weer over respect

Consternatie vandaag, op de literaire achterwateren, want Erik Jan Harmens had in Trouw een recensie geschreven waarin hij liet weten dat hij Kouwenaar bij nader inzien toch niet zo’n heel erg grote dichter vond. ‘Vadermoord’ riep iemand, ‘totaal respectloos’ schreef een ander, ons bekend als de meest zelfbenoemde autoriteit ter velde. Respectloos? Sinds wanneer zijn wij verplicht jene of gene een groot dichter te vinden, op straffe van een fatsoensberisping?

Wat voor ‘respect’ is dat precies, om Kouwenaar tot de Ataturk der Nederlandse Letteren te verheffen? Idolaat gemummel, verrukte pubertaferelen.

Zo blijkt maar weer dat de gevallen mens, de criticus-in-spe, in feite een kritiekloos herkauwer van bestaande waardeoordelen is: een canon, noemt men dat. Het in twijfel trekken van die waardeoordelen wordt door de goegemeente als een misdaad behandelt: wat bewijst dat die denkbeeldige Canon primair een religieuze functie heeft; de schaapjes moeten het idee hebben dat iedereen het er over eens is wie het hoogst op de apenrots zit, want anders zijn ze plots de weg kwijt.

Dat iemand daar wel eens een andere mening over zou kunnen nahouden, of dat iemand die hele apenrots als een verachtelijke plek zou kunnen zien, vol met vlooien pikkende semi-paapse schlemielen – wel, dat wordt als volstrekt respectloos gezien. Het hoogste, daarover moeten wij het eens blijven.

Respect, de eeuwige bronstroep van fout rechts. Fatsoen, dat moet je doen. Er is geen vervelender fenomeen in de Nederlandse Literatuur als het bulderen van de canonbouwers. De eeuwigheid is in het geding, jongens. Eigen smaak eerst. Je kunt er je horloge op gelijk zetten.

Herinneren jullie de Gouden Doerian nog? Dat was een prijs in het leven geroepen voor het slechtste boek dat dat jaar verschenen was. De prijs was een kort leven beschoren. Geroep over ‘fascisme’ was niet van de lucht en Cornets de Groot denkt dat even over te kunnen doen door ook Harmens te beschuldigen van ‘fascisme’ omdat hij ‘een oude elite naar de vuilnisbelt verwijst’.

Nederland heeft geen kritische cultuur, wil geen kritische cultuur. Nederland wil critici als de Groot die je slechts met een enorm vergrootglas op een eigen mening zult betrappen. Alexis de Roode roept op de Contrabas dat Nederlanders maar al te graag grote werken vergeten, maar het tegengestelde is waar: zij bombarderen iets maar al te graag tot een groot werk, om het er verder niet meer over te hoeven hebben. Dat is de ‘elite’ waar wij mee opgezadeld zitten: lui op wiens mening je een atoomklok afstemmen kunt. Lui wiens recensies je niet eens hoeft te lezen: je weet al ruim tevoren wat zij van een bepaald werk gaan vinden. En die voorspelbaarheid, die bevroren pikorde der Kantiaanse kruideniers, uiterst fatsoenlijk en uiterst voorspelbaar: dat is wat in Nederland voor Kritiek door moet gaan.