Dilemma
De meeste poëzie die in Nederland wordt aangeprezen door een zgn. ‘goegemeente’ vind ik doorgaans slecht. De meeste recensenten en critici vind ik ook geen knip voor de neus waard. Ik vind eigenlijk in Nederland alleen Buelens wel een goed criticus. Qua recensenten vind ik een paar mensen wel aardig, maar niemand echt uitblinken.
Dat betekent dus dat mijn referentiekader en mijn consensus een hele andere zijn dan de gangbare. Ik ben het bijna nooit eens met de waardeoordelen die in de Nederlandse poëziewereld prevaleren. Het verbaasde me dan ook niet te horen dat ‘Karavanserai’ slechts eenmaal werd genoemd in die ‘criticilijst’ die elk jaar in Januari op in Letterland verschijnt, zo ook dit jaar.
Mijn andere twee favoriete Nederlandstalige bundels van dit jaar kwamen welgeteld ook eenmaal en helemaal niet in die lijstjes terug.
Nu heb ik natuurlijk met Karavanserai een hoop fantastische reacties mogen krijgen, van mensen die oprecht de bundel heel goed vonden. Ook werd de bundel behoorlijk positief besproken, o.a. door Fagel en Lindner.
Het dilemma wat dit allemaal oproept is een lastig dilemma: eigenlijk wil ik het liefst zo weinig mogelijk met dat ‘wereldje’ van consensuspapagaaien te maken hebben, wat mij sterk in de richting duwt van het idee voortaan in het Engels te gaan schrijven. Tegelijkertijd weet je ook dat je, als je in het Engels gaat schrijven, je nooit op de top van je kunnen zult kunnen schrijven. Een vervelend dilemma! Er zitten heel veel kanten aan die keuze, namenlijk. Om er een paar te noemen:
1) Gros van mijn vrienden beheerst het Nederlands niet wat het minder leuk maakt in het Nederlands te schrijven
2) Mijn dochter zal waarschijnlijk geen Nederlands kunnen lezen later, wat ook jammer is.
3) Ik ben geen structuralist dus minder taalafhankelijk.
Ik denk er dus nog eens over na of ik wel met een tweede Nederlandse bundel WIL komen – ik heb inmiddels al wel een intentieverklaring van NA dus ik kan er zo een uitgeven, maar ik vind dit een ideologische keuze, geen praktische.
Commentaar