Over Loewak
essay
Literaire prijzen zijn geweldig –Wat aantekeningen bij het essay van Spinoy
Erik Spinoy is iemand waar de Vlaamse Cultuur zuinig op moet zijn. Het is een van de weinige mensen die nog capabel genoeg zijn om zowel interessante poezie als goed geschreven essays te produceren. Spinoy’s essay ‘Het zoekgeraakte bijproduct’ kunnen jullie hier online lezen.
Ik las het gisteravond en woelde er in bed nog eens flink over door. Het is een merkwaardig essay, eigenlijk, omdat het vanuit het postmodern humanisme geschreven is (de stellingnames van Spinoy passen perfect in dat stramien) en tegelijkertijd een product van datzelfde postmoderne humanisme (het prijzencircus) tot degradatie bestempelt. Heel eigenaardig.
Bijvoorbeeld het idee dat er niet zoiets bestaat als ‘literaire kwaliteit’ omdat ‘kwaliteit afhankelijk is van een oordeel’. Dit is typisch postmodern denken, waarbij iets alleen kan bestaan in een context, terwijl juist die context de nieuwe absolute waarde wordt verleend. De vraag is hier feitelijk niet in hoeverre de literatuur een logocentrische functie heeft (Derrida poneerde dat de filosofie, bijvoorbeeld, traditioneel bezien altijd logocentrisch is geweest wat hij juist poogde ondermijnen) – nee, de vraag is hier: waarom zou iets ‘niet bestaan’ omdat het ‘afhankelijk’ is van een oordeel en in hoeverre is iets afhankelijk van een oordeel? Het is het ‘brein in een jampotje’ model van het postmodernisme, waarin de hele kosmos om de menselijke geest heendraait, waarin alles afhangt van zijn oordeelvermogen, terwijl tegelijkertijd een hele keur aan opties bij het vuilnis worden gezet.
Het is vrij eenvoudig te begrijpen waarom dit stramien niet klopt: een simpel neukpartijtje volstaat als voorbeeld. Volgens het gangbare postmodernisme bestaat er niet zoiets als een ‘goede neukpartij’ omdat de kwalificatie ‘goed’ afhankelijk is van een relatief oordeelvermogen. Laten we even aannemen dat dit klopt: er bestaat dus geen ‘goed’ of ‘slecht’ neuken, alles zit tussen onze oren. Het hele bestaan past in de zwart-witte dimensie van het oordeelvermogen, alles is enkel en alleen afhankelijk van deze op zichzelf ook alweer relatieve absolute waarde.
Dit atomiseringsproces, waarbij de absolute waarde (universaliteit) wordt ontkend en aan de relatieve waarde (beoordelingsvermogen) indirect absolute macht wordt verleend is kenmerkend voor het postmodernisme.
Feitelijk natuurlijk de totale sabotage van het het seksuele proces. Immers, men hoeft niet meer zijn best te doen ‘goed te neuken’ – alles zit tussen de oren, we draaien even aan de knoppen en zelfs een zeer matig potje van 10 secondes wordt een universele vrijpartij. De hele dimensie van het reele, van de actie, van de materie, van de wilskracht wordt aan de wilgen gehangen want ‘er is een oordelende interpretatie aanwezig’. Aldus het ‘brein in het jampotje model’ wat de laatste decennia in bepaalde filosofische kringen heeft geprevaleerd.
Terwijl de mens in de ‘harde wetenschappen’ meer en meer terrein verloor in de zin dat het oude idee dat ons planeetje of onze zon het centrum van het universum waren onzin bleek, zijn de ‘zachte wetenschappen’ nog steeds in de fase waarin men meent dat de menselijke geest het centrum van het universum moet zijn – dwz, de psychologie en de mens als zodanig probeert feitelijk de wetenschappelijke beweging te compenseren door, via het valse omweggetje van de quantummechanica, een staatsgreep op het Universum uit te voeren. Niet alleen dat: feitelijk is het nog erger: het is een wetenschappelijk gegeven dat het ‘oordeelvermogen’ cq denkcentrum slechts een zeer klein deel van onze hersenen beslaat; dus even recapituleren: het postmodernisme als zodanig is feitelijk de ultieme vorm van logocentrisme, wat uiteraard de ironie is achter de hele ontwikkeling als zodanig.
Hier zien we een klein deel van het menselijk brein wat zichzelf de macht toeeigent: alles draait om mij. De volstrekte eendimensionaliteit wordt nagestreeft: niet langer is het van belang wat er gebeurt, maar hoe dat gebeuren geinterpreteerd wordt; het is de afbeelding in de spiegel die zichzelf tot werkelijkheid verklaart, door bot te stellen dat het feit ‘dat ik een afbeelding ben’ betekent dat daarbuiten niets objectiefs kan bestaan. Dat is compleet het paard achter de wagen spannen: men kent de stem van de rede een cruciaal belang toe, en vervolgens verklaart men al het andere tot de denkbeeldigheid.
Cruciaal is hier feitelijk dat Spinoy vanuit dit paradigma, de onmogelijkheid een werkelijkheid buiten het brein te zien, vervolgens de autonomie tot een psychotische substantie verklaart en tegelijkertijd het streven naar die autonomie als ‘iets wenselijks’ neerzet. Juist hier wordt Spinoy’s pleidooi wel erg eigenaardig.
Er bestaat volgens hem geen ‘literaire kwaliteit’ in absolute zin, want ‘wie zou dat dan bepalen’.
Hier ligt het hele idee aan ten grondslag dat iets pas bestaat als het bepaald wordt. Waarom is het zo moeilijk voor te stellen dat iets heel wel kan bestaan zonder dat er enige duidingsvorm aan te pas komt? Dat er geen antwoord bestaat op de vraag ‘wat is literaire kwaliteit’ is geen reden dan meteen maar bij het vuilnis te zetten. Hier wordt een duidingsproblematiek tot universele problematiek gebombardeert.
Maar de volgende stap die hij zet is feitelijk veel eigenaardiger: hij zet het oude ‘concensus’ denken van de literaire elite tegenover het concensus denken van de commerciele elite. En die laatste zijn de laatste decennia juist bezig geweest zich de autonomie van het individu toe te eigenen. Het individu verliest dus autonomie dankzij de commercie, die feitelijk een staatsgreep op de autonomie van het individu poogt te bewerkstelligen: wij zijn het individu, wij zijn onafhankelijk, wij zijn totaal autonoom. De commercie saboteert dus feitelijk de autonomie van het individu door er een staatsgreep op toe te passen: de autonomie, dat zijn wij.
Hier komen we op een essentieel punt aan: Spinoy gebruikt feitelijk postmoderne argumenten om een postmodern proces te saboteren. Hetzelfde proces wat dus de crux van zijn betoog uitmaakt is de crux van het probleem wat hij signaleert. Er bestaat geen autonomie meer wanneer deze door de commercie wordt toegeeigend, net zoals er geen literaire kwaliteit meer bestaat zodra deze door duidingsproblematiek wordt toegeeigend. Spinoy zet hier het romantische ideaal van wat in het Engels peer review wordt genoemd tegenover: niet als realistisch alternatief, maar slechts als een onbereikbare droom uit het verleden, min of meer vergetende dat deze oude consensus van de literatuur feitelijk niet alleen erg bedenkelijk was, maar juist dat deze nooit als zodanig heeft bestaan: het is een spookbeeld, een illusie.
Het is een zwart-wit plaatje wat hier werd geschetst: de commissie van oude wijze mannen tegenover de democratisering van de literatuur. Spinoy lijkt terug te verlangen naar de tijd waarin enkele weledelgeleerde heren het volk voorschreven wat zij lezen moesten – totaal in tegenspraak met zijn idee dat literaire kwaliteit niet te duiden zou zijn.
Waar ik tegen ageer is het hele idee dat literatuur niet feitelijk altijd al democratisch geweest is: dat deze ‘elite’ die in het verleden door middel van consensus de ‘kwaliteit’ bepaalde feitelijk altijd al een elite van het volk is geweest – het waren bemiddelaars tussen het volk en de verlichting, net als priesters dat in religieuze zin waren. Dat hier de priester tot elite wordt benoemd, terwijl hij feitelijk altijd het verlengstuk van het volk geweest is, de avatar van de massa die gecontroleerd wil worden; de daadwerkelijk verschuiving die dus heeft plaatsgevonden is feitelijk niet veel meer dan een cosmetische: in plaats van de door de massa aanbeden literator is nu de commercie de waardebepalende factor geworden die feitelijk slechts verlengstuk is van de wil van de massa zelf: voorgekauwd krijgen wat goed is in plaats van dat voor jezelf bepalen.
Nu ga ik even wat controversieler worden en betogen dat juist de commercie een veel betere arbiter is van literaire kwaliteit dan voornoemde commissie van wijze mannen. Niet omdat het waardeoordeel van de leek of van de commercie op enigerlei wijze meer authoriteit of zeggingskracht heeft dan het oude waardeoordeel van de literatoren: nee, integendeel zelfs. Maar juist dat is een voordeel omdat het de intrinsieke valsheid van de constructie ondermijnt: hier worden oordelen gegeven die van nature weinig waarde hebben, oordelen die niets pretenderen, hier wordt de literatuur ontkoppelt van de eeuwigheid.
Het waardeoordeel van de commercie is volstrekt arbitrair en belachelijk, en juist daarom veel beter. Waarom? Omdat het feitelijk het oordeel van de massa veel beter representeert, terwijl de literatoren die dus feitelijk ook niets anders deden dan een belichaming van de massa zijn wezenlijk bezien een persiflage op het massa-oordeel waren. Om te begrijpen wat ik hier bedoel hoeft men alleen even te kijken naar het publieke gezicht van de ‘oude garde’ van literatoren: mensen als Pfeijffer, Gerbrandy: de een gaat uit puur masochisme naakt op zijn boek zitten, in de hoop van zijn vermeende authoriteit te worden ontdaan, de ander mummelt als een bezopen zeeman een bronstige poetica van de willekeur aan elkaar. Publieke piassen, dus, die feitelijk niets zijn dan een verkapte, postmoderne vorm van het mediacircus. Of zouden ze het ludiek bedoelen? In dat geval vind ik het geslaagde grap. Maar ja, wie zegt dat Pfeijffer die ’500 beste Europese gedichten’ niet ludiek bedoelde? Het einde is zo zoek. En humor is natuurlijk het sabotagemiddel bij uitstek.
Door zich zo duidelijk op het postmoderne humanisme te beroepen doet Spinoy feitelijk hetzelfde: hij saboteert zijn eigen argument van binnenuit – hij brengt te berde dat literaire kwaliteit geen bestaansrecht heeft en introduceert vervolgens het romantische ideaal van de oude autoriteit, omdat hetzelfde stramien wat hem ertoe bracht alles terug te brengen tot een duidingsproces precies datgene is wat veroorzaakt dat de oude literatoren zijn vervangen door een nieuwere, aangenamere authoriteit: een nietzeggende, keuvelende, gezellige gelegenheidsliteratuur voor de massa, met bijbehorende prijzen. Fantastische prijzen, juist omdat ze niks te betekenen hebben.
Het verdwijnen van de bemiddelende klasse
Wat is er precies zo illusionair aan dat idee, dat vrij gangbaar is: dat er een elitaire klasse van literatoren waren die bemiddelden tussen de literatuur en de massa? Allereerst: het idee dat het hier om een elite zou gaan, terwijl het feitelijk een onderlaag binnen de literatuur was, zoals de priesters een onderlaag binnen de hierarchie van de kerk zijn. Neemt niet weg dat er waarschijnlijk elementen te vinden zijn die wel menen met een elite te maken te hebben – de wat schaapsere types, de priesterij zelf – maar juist vanuit de eenling, vanuit de autonomie bezien is deze bemiddelende klasse nooit een elite geweest. Ten tweede: dat het feitelijk altijd al de commercie geweest is die deze bemiddelende klasse in het leven riep en ten derde: dat juist de eenlingen, de autonomie vaak waardeoordelen uitten die totaal ingingen tegen de consensus van deze ‘elitairen’ – denk hier aan wat Nabokov over Joyce en tal van andere gesanctioneerde schrijvers schreef, wat Borges heeft geschreven over Neruda, etc.
Het verdwijnen van de bemiddelende klasse is een van de meest typische ontwikkelingen in de tweede helft van de 20e eeuw. Op religieus vlak heeft zich precies hetzelfde fenomeen voorgedaan wat wij ook in de literatuur hebben zien gebeuren: de bemiddelende klasse verdwijnt en wordt vervangen door de commercie, die de rol van de bemiddelende klasse overneemt. Spiritualiteit wordt niet langer door een priester voorgekauwd, maar is te koop via allerlei interessante en spannende minuscule beweginkjes en daarmee wordt zij voortaan door iets anders voorgekauwd dan voorheen. Het blijft echter een kwestie van voorkauwen en de essentiele vraag die gesteld moet worden is juist: leverde dat voorkauwen door de bemiddelende klasse, door de priesters, superieure spiritualiteit op?
Het antwoord lijkt me vrij evident: nee, waarschijnlijk bestaat er weinig verschil, de ene onzin werd met de andere verruild, het ene sprookje met het andere. Ook in de literatuur gaat datzelfde gegeven op, en juist daarom vind ik Spinoy’s pleidooi merkwaardig, edoch ook begrijpelijk. Spinoy maakt namelijk dele uit van de bemiddelende klasse die veel van haar macht heeft verloren.
Stelling: het postmodernisme is een uitvinding van de bemiddelende klasse om haar machtspositie te behouden
Wat mij brengt tot de stelling: het postmodernisme is feitelijk een uitvinding van diezelfde bemiddelende klasse, de klasse die juist de autonomie tot psychose verklaart omdat zij zich van twee kanten bedreigt voelt: vanuit de massa die de commercie heeft uitgevonden om zich van de bemiddelende klasse te bevrijden en vanuit de eenlingen, de autonomie, omdat die van nature geen behoefte aan een bemiddelende klasse heeft. ‘Het streven naar’ autonomie is dus voor de bemiddelende klasse iets ‘bewonderenswaardigs’ omdat zij niet zonder de autonomie, de eenlingen kan: dan valt er immers niets meer te bemiddelen.
Daarom juist die nadruk op de ‘onmogelijkheid van autonomie’ en tegelijkertijd de nadruk op ‘de wenselijkheid van het streven daarnaar’; het postmodernisme is de bemiddelaarsfilosofie bij uitstek, uitgevonden door een bemiddelaarsklasse die iets moest verzinnen om nog bestaansrecht te hebben – daartoe: de literaire kwaliteit bestaat niet, en daarom hebben jullie ons nog nodig om er nog iets van te bakken. Daartoe: de commercie is geen goede arbiter van literaire kwaliteit, wij zijn daar beter in, zelfs al bestaat zoiets niet. Een dubbele boodschap dus, omdat de paniek van het uitgerangeerd zijn op de loer lag.
De commercie neemt het over
De eerste persoon die feitelijk tegen de oude orde der literatoren in het geweer kwam was feitelijk Komrij, die sprong in het gat wat de vijftigers achter zich hadden gelaten. De vijftigers kwamen terecht in opstand tegen de oude literatuur maar lieten het na voor de oude authoriteit een nieuwe in de plaats te stellen. De bedeesde Kouwenaar, de vrolijke lanterfanter Lucebert: het waren er niet de mensen voor veel authoritaire pretenties te hebben. Komrij zag zijn kans schoon en sprong in op dit authoritaire vacuum: de bloemlezing van Komrij is dus feitelijk een tegenbeweging, mede tegen de bemiddelaars die zich inmiddels allemaal achter de vijftigers geschaard hadden. Komrij is het begin van de vercommercialisering van de literaire consensus, want op geen enkel ander principe gestoeld dan het uiterst commerciele principe van de goede smaak. Deze gedichten zijn goed omdat ik die goed vind. Geen enkele verantwoording was meer nodig: de goede smaak, die door de vroegere autonomen was afgeschaft, was terug van weggeweest. Het postmodernisme, de hooglerarenreligie bij uitstek, reageerde door juist de literaire kwaliteit dood te verklaren.
Wat je daarna zag was dat de literaire consensus langzaamaan richting Komrij trok, waarbij het principe van de ‘goede smaak’ met het eufemisme van de ‘begrijpelijkheid’ werd opgesierd. Onder de invloed van de sociologengeneratie werd ineens ‘het publiek’ steeds belangrijker, de autonomie kalfde af, een gedicht werd steeds meer gezien als iets wat niet op zichzelf kon bestaan maar afhankelijk is van een waardeoordeel: dit keer echter niet van de literatoren, maar van de massa. De massa moest opgevoed worden, en om de massa te kunnen opvoeden moest de poezie naar beneden komen, moest deze begrijpelijk worden: een volstrekt commercieel argument, want bij navraag blijkt het uiteindelijk altijd om verkoopcijfers te gaan.
Nu de macht van Komrij tanende is zien we een tussengeneratie krampachtig pogen het gat wat hij weer achterlaat op te vullen. Op wat enkelingen na gaat het nog immer om bloemlezingen die puur en alleen op de ‘goede smaak’ van de samensteller rusten en niet op een bepaalde literaire theorie, idee of invalshoek. ‘De 500 beste gedichten van Europa volgens Pfeijffer’ – veel vlakker kan het niet worden: klaarblijkelijk gemaakt voor mensen die niet in staat zijn een bibliotheek te bezoeken. Wat we dus zien is dat de oude literatoren zich totaal met de commercie verzoend hebben: de Michelingids van van Bastelaere, Komrijkopie Breukers…het is nog wachten op de ultieme commerciele bloemlezing: De 10.000 beste gedichten ter wereld.
Het prijzencircus als de asielzoeker van het literair circuit
Gaat er tegenwoordig in de letteren wat mis, dan is dat de fout van het prijzencircus. Wordt er slechte poezie geschreven? Dat ligt aan het verdomde prijzencircus! Gebrek aan authoriteit van de gevestigde orde? Ja, wat wil je, met zo’n prijzencircus. Het prijzencircus is dus daarmee effectief de eeuwige asielzoeker van het literaire circuit geworden. Wat een schier oneindige gemakzucht wasemt deze hele constructie uit: zondebokkenretoriek op iets wat van nature weinig voorstelt: dat riekt naar decoyisme – hier wordt iets tot zondebok verheven om het eigen onvermogen de daadwerkelijke problemen aan te wijzen te verhullen. Het is van de pot gerukt om nu pas de vercommercialisering van de literatuur te duiden, terwijl die al ruim dertig jaar speelt – vooral als men voorstaat op een duidende rol in de letteren. Hoe ongerijmd banaal is het om iets idioots als een prijzencircus als oorzaak van een voorstelde neergang in literaire waarden te zien, terwijl juist de banaliteit van die duiding aan de orde is!
De literatuurwetenschap als juryvulling
De nieuwe literatoren, die zich dus feitelijk behaaglijk bij de commercie hebben ingevleid, door nadrukkelijk van de ene jury naar de andere te huppelen, alsof dit juist de taak is die de literatuurwetenschap betreft: het voorkauwen van een goede smaak naar de massa, het imiteren van de vercommercialisering in de literatuur – niet langer is de literatuurwetenschap bezig met essentiele zaken die de literatuur zelf aangaan, niet langer moeten er nijpende kwesties aan de orde gesteld worden, goede essays worden geschreven, nee: zelf als een soort popster samen met de top van het bedrijfsleven de goede smaak vieren, uiteraard met als enige doel de literatuur zelf te redden, want dat die gered moet worden staat buiten kijf. Juist op dit punt is het hele essay van Spinoy feitelijk het toppunt van potsierlijkheid: hij stelt dat het feit dat de commercie langzaamaan deze ‘literatoren’ door wat publiekvriendelijker gezichten vervangt, een beweging die men van mijlenver had kunnen zien aankomen, – hij stelt dat juist dezeontwikkeling op een of andere wijze bedenkelijk zou zijn, terwijl het feitelijk veel bedenkelijker is dat de literatuurwetenschap zich voor dit soort onzin leent.
Hoe het zover heeft kunnen komen
Onder invloed van de vroege autonomen werd de goede smaak afgeschaft. Terecht, want kwaliteit heeft niets met een goede smaak van doen. Volstrekt lelijke, abjecte en gevaarlijke eigenschappen kunnen grote kunst opleveren. Dit leverde echter een oncontroleerbare autonome klasse op, een klasse die bovendien geen enkele logische consensus naar voren bracht over wat nu ‘goede’ of ‘slechte’ literatuur genoemd kon worden: bekvechtend en kibbelend rolden de autonomen over straat, stonden zij elkaar naar het leven, wat door de ene autonoom als ‘goede literatuur’ te boek werd gezet werd door de volgende weer met de grond gelijk gemaakt. Het afschaffen van de goede smaak was dus tegelijkertijd ook de dood van de consensus.
Het postmodernisme is een tegenbeweging van de bemiddelende klasse die in deze ontwikkeling vooral een bedreiging zag: zonder consensus heeft immers de hele literatuurwetenschap een identiteitscrisis – als consensus niet bestaat, bestaat er ook geen vergelijkende wetenschap meer. Dientengevolge draaide het postmodernisme de hele zaak weer om: nee, juist literaire kwaliteit bestond niet, maar wel de goede smaak. Een perfecte stelling om het eigen bestaan te verzekeren: immers, zij konden zich nooit op literaire kwaliteit beroepen als klasse, maar wel op de goede smaak – hun bestaansrecht werd op die manier langzaam en zeer verraderlijk verschoven van het ‘duiden van literaire ontwikkelingen’ naar uiteindelijk ‘smaak en waardebepaler voor het volk’. De literatoren hebben doelbewust de autonomie gesaboteerd, uiteraard ‘voor hun eigen bestwil’, want, zo redeneerden zij: de autonomie kan nooit zonder onze goede smaak voortbestaan.
De eeuwige dreiging als banenmachine
Onder invloed van deze postmoderne generatie hoogleraren wordt de poezie de laatste paar decennia bijna bij voortduring ‘bedreigd’, liefst door diezelfde commercie waarmee zij graag aan tafel gaan zitten wanneer er een beroep gedaan wordt op hun broodnodig oordeel. Het lijkt bijna wel of George Bush zijn technieken in de ‘Oorlog tegen het terrorisme’ van deze generatie literaire smaakbepalers heeft afgekeken: door een voortdurende dreiging in het leven te roepen, door stuurloosheid te suggereren schep je een behoefte aan duidende macht. Wij, literatoren, zijn nodig omdat de poezie wordt bedreigd. Het is om die reden dat zowat elk poeziedebat wat op universitair niveau plaatsvind het lachwekkend fantasieloze thema ‘heeft de poezie nog wel toekomst’ of een of andere variant daarop te berde brengt: dit is wat tegenwoordig nog voor literatuurkritiek door moet gaan: smaakbepaler voor het volk spelen, en tegelijkertijd de constante dreiging benadrukken die om de hoek op de loer ligt: alles gaat ten onder als wij niet meer bestaan.
Wordt er dan minder poezie geschreven dan voorheen? Nee. Wordt er slechtere poezie geschreven? Nee. Wordt er minder poezie gepubliceerd dan? Nee. Vanwaar dan al decennialang dit gemekker over een dreiging? Omdat zulk gemekker bepaalde mensen erg goed uitkomt: dat is het enige redelijke antwoord wat ik weet te verzinnen.
Zie hier de ultieme gotspe: we schaffen de literaire kwaliteit af en zetten de goede smaak weer op een sokkel, ingelijfd door een lerarenorde die zich volstrekt buiten het eigen vakgebied begeeft: die zich aangenaam tegen de commercie aanschurkt, als waardebepalers voor de massa, en vervolgens geschokt reageren als diezelfde massa liever een bekende kop op die plek zien zitten. Wat een komieken zijn het, deze literatoren! In plaats van dat zij zich van hun taak kwijten, leveren zij zich uit aan de commercie en beklagen vervolgens als diezelfde commercie hen wegen geringe commerciele waarde aan de kant zet. Zo blijkt maar weer, de Faust mythos is nog modern genoeg!
De eeuwige oorlog tegen de commercie door de commercie
Wanneer je op consistente wijze benadrukt dat iets belangrijk is ondermijn je de autoriteit (en autonoom zijn) van het benadrukte. Immers, als het benadrukte werkelijk zo belangrijk was behoefde het geen benadrukking: het feit dat er constant op wordt gehamerd dat de poezie zo belangrijk is ondermijnt dus in wezen haar autoriteit. Dit kunnen wij voornoemde generatie literatoren aanwrijven: zij hebben feitelijk de autoritaire positie van de poezie effectief weten ondermijnen door steeds te stellen dat er een bedreiging op de loer ligt. Door consistent publiekelijk de boodschap uit te dragen dat de poezie belangrijk is hebben deze literatoren de poezie effectief weten marginaliseren en haar feitelijk aan de commercie uitgeleverd, een feit waar mijn generatie hen enkel uitermate dankbaar voor kan zijn! Natuurlijk zijn het de ontwikkelingen binnen de filmwereld, de populaire muziek en de beeldende kunst die mede zorg gedragen hebben voor de marginalisatie van de dichtkunst: een volstrekt natuurlijke ontwikkeling waar alleen een zielepoot tegen zou protesteren. Het feit dat de poezie echter zoveel aanzien (geen kwantiteit maar kwaliteit) heeft verloren kunnen wij compleet op het conto van de vorige generatie literatoren schrijven: geen zinnig mens zou het verdragen, dit eindeloos gemekker over bedreigingen, slechts de meest slaafse angsthaas ziet hierin een literair argument – de eeuwige oorlog tegen de commercie, hand in hand met de commercie gevoerd: zie daar de erfenis waar mijn generatie mee wordt opgezadeld; autoriteit die alleen nog in staat is zichzelf te ondermijnen, allemaal in volstrekte dienstbaarheid aan het publiek. Nou, bedankt hoor, jongens.
De canon als sociaal-darwinistisch fenomeen
Opnieuw zien wij hier schrijnende parallelen met de politiek opduiken: het is niet voor niets zo dat wij een premier hebben die duidelijk een persiflage is op een politicus uit de vijftiger jaren: geen mens die het serieus kan nemen, en juist daarom is het aan de macht. Dit is wat Zizek gerediligeerde autoriteit noemt: autoriteit die vanuit de context opereert; niemand gelooft in de missie in Afghanistan, sterker nog wie geloof in zo’n missie uitdrukt wordt direct als een dwaas geexcommuniceerd – maar we zitten er wel. Niemand gelooft nog in bloemlezingen, en juist daarom verschijnen er meer bloemlezingen dan ooit. Bij navraag wordt er grif toegegeven dat iets als een ‘Canon’ een bedenkelijk fenomeen is, dat scharniert op nationalistische, darwinistische uitgangspunten maar toch is het belangrijk dat wij er een hebben.
Het darwinistische uitgangspunt dat ‘het sterke overleeft’, gemakzuchtig voer voor allerlei bedenkelijke bewegingen, is niet alleen een bedenkelijk maar zelfs een uitermate foutieve stelling. Dat valt makkelijk met een simpel voorbeeld te illustreren: een mens die zijn hele leven angstig wegrent als hij een struik ziet zal overleven, terwijl de mens die dapper door elke struik baant grote kans heeft eens door een slang die in die struik schuilt te worden doodgebeten. Overleven is juist het beperken van risico’s: het zijn de zwakkere, angstige menstypes die alle risico’s mijden die juist de grootste overlevingskans hebben.
De Canon, een typisch Anglosaxisch fenomeen, een zwaktebod feitelijk, een knieval naar het populisme, grijpt dit basaal foute ideeengoed aan en projecteert het op de literatuur: alleen de sterke gedichten overleven, dus alles wat overleeft is goede literatuur. Hoe ontstellend vals en gemakzuchtig is dit hele uitgangspunt: een beginnend literatuurstudent zou er al gehakt van maken, maar wij worden opgezadeld met een generatie literatoren die het bouwen van zo’n Canon als hun primaire taak zien! Hoe onstellend verknipt moet je wel niet zijn om deze universele vertekening, veroorzaakt door het literair kolonisme van de Anglosaksische wereld, die eeuwenlang een zeer bedenkelijk rijtje namen als Canon wist hoog te houden – hoe verknipt is het om daar volstrekt duidingsloos mee aan te pappen!
Postmodernisme als autoriteit die niet te ontmaskeren valt
Wie denkt dat dit artikel een pleidooi tegen het postmodernisme is heeft het bij het verkeerde eind. Er valt tegen het postmodernisme geen oorlog te voeren, simpelweg omdat het een volstrekt kleurloos, elastisch, allesomvattend en dus metafysiek verschijnsel is. Dat is het hele kernprobleem wat hier speelt: het postmodernisme is feitelijk geen filosofie – zij is van geen enkel standpunt afhankelijk: iedereen is in feite postmodernist, ook ikzelve. Het is niet voor niets zo dat evidente postmodernisten zo graag aansluiting bij Kant zoeken, dezelfde Kant die door Nietzsche zo sterk werd veracht: zij voelen zich uitstekend thuis in het volstrekt vergeestelijkte wereldje van het catagorisch imperatief: ‘beauty is in the eye of the beholder’ – de geest als arbiter van de goede smaak. Het postmodernisme was een reactie op het modernisme, maar beschouwt zichzelf feitelijk als de laatste filosofie, evenals de democratie zichzelf als het laatste politieke systeem en het kapitalisme zichzelf als het laatste economische systeem dat ooit nog mogelijk zal zijn beschouwd. Deze drie pijlers van onze moderne wereld zijn in feite zeer uitwisselbaar: het is niet moeilijk in te zien waarom de democratie, met zijn atomiseringsprincipe, een postmodern idee is en waarom het postmodernisme zelf zich uitstekend thuisvoelt bij het roofkapitalisme van de twintigste eeuw: Lyotard, een van de kopstukken van het postmodernisme, schreef niet voor niets dat de ethiek wat hem betreft bij het vuilnis kon worden gezet (onmogelijk, want universeel) maar individuele ethiek, het enige ‘mogelijke’, diende uiteraard te worden gehandhaafd (maw ‘de smaak’) – het ageren tegen een Canon is dus in feite een postmodern standpunt, want het postmodernisme gelooft niet in Universele waardes. Elke Universaliteit (literaire kwaliteit) is in het postmodernisme tot onmogelijkheid verklaard, terwijl de ‘persoonlijke oordeel’ gehandhaafd bleef. Ook Lyotard zocht aansluiting bij, jawel, Kant om Kants idee van het ‘sublieme’ weer eens flink af te stoffen: niet vreemd, want feitelijk zijn het postmodernisme en het Kantiaans denken zeer aan elkaar verwant. Beide zijn het producten van de Rationele Verlichting, en hoewel het postmodernisme officieel protesteert tegen de verlichtingswaarden is zij feitelijk de sublimatie daarvan: een volstrekt transparante en onafhankelijke vergeestelijkte wereld van het denken welke de universele waardes illusies vind, welk met schroom zichzelf een functionele illusie vind, immer bereid zichzelf te persifleren, totaal elastisch, totaal metafysiek. Juist in het postmodernisme is het bijna onmogelijk vast te stellen of een autoriteit zichzelf persifleert of niet: ziedaar de definitie van deze tijd, van onze politiek, van onze literatuur, van onze literatoren. Autoriteit die bij voortduring zichzelf persifleert om nog autoriteit te kunnen zijn, zonder dat deze persiflage daadwerkelijk te ontmaskeren valt. Een positie die men dus onmogelijk kan bevechten: tegen het postmodernisme is niets in stelling te brengen omdat men nooit weet wat men nu precies bevecht: de autoriteit of de persiflage erop – er is tegen het postmodernisme dus geen weerstand mogelijk. Eenzelfde houding waarvan zich ons met virale trekken behepte democratie en ons alles penetrerende kapitalisme bedient: wij zijn het laatste ideaal wat nog mogelijk is.
De bloemlezing bestaat alleen nog als provocatie
In dit licht moeten we de recente bloemlezingen van van Bastelaere en Pfeijffer zien: het is onmogelijk vast te stellen of deze serieus bedoeld zijn of dat het hier om pure persiflage gaat. Juist daarom is elke kritiek op deze werken eigenlijk bij voorbaat onzinnig – immers, wat men ook zegt kan per direct weer worden ontkracht omdat het werk alle mogelijke motivaties aan kan nemen. Wat wel gezegd kan worden is dat de bloemlezing als zodanig tegenwoordig alleen nog als provocatie kan bestaan: vandaar ook dat zij zich als een Michelingids en een ‘Boek wat iedereen gelezen moet hebben’ kunnen presenteren – wat opnieuw maar aantoont in hoeverre het postmodernisme naadloos bij het kapitalisme aansluit.
Waarom Komrij toch een goede peer is
Even terug naar Komrij. Voor Komrij gaat eigenlijk hetzelfde argument op als voor de literaire prijzen: het is een te makkelijke zondebok. Hoewel zeker gesteld kan worden dat de bloemlezingen van Komrij feitelijk het begin van de vercommercialisering van de literatuur waren, juist doordat elke verantwoording ontbrak en zij dus ‘de goede smaak’ als voornaamste leidraad hadden – met die voetnoot moet ik hier benadrukken dat Komrij’s monikkenwerk naar mijn idee juist noodzakelijk werd doordat de literatuurwetenschap zijn taak verzuimde. Dat is de wrangheid die hier speelt: dat een autonoom min of meer gedwongen werd, puur door het verzuim van de bemiddelende klasse, die liever arbiter dan kronikeur speelde, die zich klaarblijkelijk te goed voelden voor dit soort monikkenwerk: daar wringt de schoen. Ik heb dat altijd jammer gevonden dat Komrij, een getalenteerd polemicus en goed dichter, zich tot kronikeur van de nederlandse letteren maakte – omdat naar mijn idee juist dat een taak van de literatuurwetenschap is.
Terug naar de werkelijkheid
Ik ben opgegroeid in de tachtiger jaren, de jaren van de straat, van de harde werkelijkheid. Mijn generatie heeft noodzakelijkerwijze minder op met het postmodernisme, omdat dit een uitvloeisel is van de tussengeneratie Pfeijffer-van Bastelaere – een generatie die geen generatie is, de uitvinders van de ‘Generatie Nix’ – de mensen die invielen tussen de Vijftigers en de nieuwe Generatie die in de Tachtiger jaren opgroeide, en die nu genoeg op leeftijd zijn gekomen om ook een literaire stem te laten horen: mensen als ikzelve, Vriezen, Heytze, Bruinja, Harmens. Mensen die zich opgezadeld zien met gigantische problemen: met een ideologie die elke ideologie tot onmogelijkheid verklaart, met democratie die het totalitaire benadert, met gigantische problemen in het verschiet die zich langzaamaan aan de wereld beginnen presenteren. En hoewel ik me besef dat het min of meer absurd is om voor een hele generatie te spreken, denk ik toch zeker te kunnen stellen dat wij de clownerie van het postmodernisme langzaamaan beu worden. Het is leuk geweest, dit patenteren van de universaliteit door hem onmogelijk te verklaren. Kunnen wij, literaire prijzen of niet, alsjeblieft tot de orde van de dag overgaan?
M.H.Benders, Istanboel, December 2008
Update: Inmiddels is ook Reugebrink, die ik meestal graag lees, met een reactie ingesprongen
Ik ben het met Reugebrink eens dat de Vlaamse literatuur feitelijk meer risico’s neemt en dichter bij de werkelijkheid blijft dan de Nederlandse. Wat dat betreft is het uiterst typisch dat juist Pfeijffer een tijd terug aangaf de Nederlandse poezie veruit superieur aan de Vlaamse te vinden, terwijl (ook hier weer) de bloemlezing van van Bastelaere veruit te verkiezen valt boven die van Pfeijffer, al zijn het dan volgens mij beide exponenten van het postmodernisme – het verschil zit hem hier inderdaad in het feit dat van Bastelaere met zijn bloemlezing meer risico’s neemt – je zou hier heel wel kunnen beargumenteren dat de Belgen het postmodernisme voorbij zijn, terwijl Nederland er lang geleden al in is blijven hangen. Ik zie geen enkele reden enige superioriteit aan de Nederlandse poezie toe te kennen – integendeel zelfs: de vlakke persiflage van Pfeijffer is juist veruit inferieur aan de veel intelligentere provocaties van van Bastelaere. Ik heb verscheidene mensen gezien die afgeven op de ‘lelijke titel’ van de bloemlezing van van Bastelaere, terwijl het juist een prachtige, zwaar ironische titel is: het hotel, van nature een tijdelijke verblijfplaats, als symbool voor het eeuwigheidsinstrument, de bloemlezing. Het is jammer dat zulke intelligentie klaarblijkelijk aan de meeste mensen niet is besteed.
Tweede update: Ik heb inmiddels het hele voorwoord van HNF gelezen en ik neem bepaalde uitspraken uit dit artikel terug. Het is een bijzonder helder en goed geschreven inleiding, een stuk vakwerk, wat mij benieuwd maakt naar de bundel zelf. De verantwoording is in elk geval bijna feilloos geschreven – ik kan niet langer met een serieus gezicht volhouden dat deze bloemlezing alleen provocatie zou zijn.
Derde update: Een passage over van Bastelaere aangepast omdat ik bij nader inzien het niet door de beugel vind kunnen hem op één lijn met Pfeijffer te zetten.
De toneelhaak, jongens, de toneelhaak…
Je leest echt de meest abjecte onzin als je even wat literaire essays doorbladert. Goed voorbeeld is deze zin die ik recentelijk tegenkwam, al ben ik vergeten waar:
‘Poezie is experimentele literatuur’
Ja, natuurlijk, denk je dan. En schilderen is experimentele kunst.
Het is werkelijk niet te filmen hoe belabberd oppervlakkig de pamfletistische denktrant van sommige zogenaamde ‘essayisten’ kan zijn.
De nieuwe Benders
'Wat koop ik voor jouw donkerwilde machten, Willem' heet de nieuwe dichtbundel van Martijn Benders.
Hoe het kan dat één ongeordende, doorgaande stroom gedichten, op het oog zonder plan of doel, opbouw of richting geschreven, zo kan fascineren is lastig
uit te leggen.
Abe de Vries, De Contrabas
Lees de recensie
Archives
- January 2012
- December 2011
- November 2011
- October 2011
- September 2011
- August 2011
- July 2011
- June 2011
- May 2011
- April 2011
- March 2011
- February 2011
- January 2011
- December 2010
- October 2010
- September 2010
- July 2010
- June 2010
- May 2010
- April 2010
- March 2010
- February 2010
- January 2010
- December 2009
- November 2009
- October 2009
- September 2009
- August 2009
- July 2009
- June 2009
- May 2009
- April 2009
- March 2009
- February 2009
- January 2009
- December 2008
- November 2008
- October 2008
- September 2008
- August 2008
Commentaar