Geert Mak en het Nieuwe Europa
Hoe absurd ik zo’n Geert Mak vind met zijn flinterdunne eenheidsideaaltje: alsof het verdelen van de wereld in 4 enorme machtsblokken een humanitair experiment was. Och, het experiment is nu mislukt, zegt een ontgoochelde Mak tegen de Wereldomroep. En hij had er nog wel zo’n mooie gedachtes bij, vroeger. Een prachtig machtsblok vol openheid en bloemetjes, een democratisch walhalla vol rasintegere politici. Schaalvergroting als democratisch principe. Hoe meer zielen, hoe meer vreugd, nietwaar? Geert Mak, het ultieme archetype van de generatie die de wereld in de uitverkoop heeft gezet. De generatie die alles, tot de literatuur aan toe, hebben weggenivelleerd in dienst van de schaalvergroting en de gemene delers. En tja, nu is het mislukt. Sorry hoor, maar dat is niet onze schuld. Aan onze idealen lag het niet. Die idealen zijn nog steeds het neusje van de zalm. Het lag, tja, waar lag het aan, het lag aan ANGST. Dat moet het wel geweest zijn. Ik citeer:
De globalisering zorgt volgens hem bij veel mensen voor angst. Europa had die angst volgens hem moeten wegnemen door zich op te werpen als baken.
Angst voor Mak’s mooie idealen. Voor het lichtende baken wat hij in zijn nagedachtenis voor het nageslacht wou opzetten. Het Verenigde Europa. Waarom zijn al die mensen toch zo bang voor Geerts mooie machtsblok, hebben ze dan niet door dat zijn lichtend voorbeeld de Verenigde Staten van Amerika, waar ‘Yes we can’ anno 2008 de ultieme politieke boodschap is geworden, dat je daar iets soortgelijks tegenover moet zetten? Omdat je anders het onderspit delft? Dat je het je niet kunt permitteren anders te zijn dan vriend of vijand? Eenheidsworst en schaalvergroting: daar moesten we het van hebben, vond Geert. En dat vindt hij nog steeds. De mensen zijn alleen bang. Bang voor de globalisering. Bang dat al die chineesjes die 14 uur per dag in ellendige fabrieken voor ons zitten zwoegen stiekum een beetje boos op ons zijn. Daar hoeven jullie niet bang voor te zijn, hoor. Wij zijn namelijk een lichtend baken. En komen ze ooit verhaal halen dan is het alleen een kwestie van een mooi doorzichtig machtsblokje opzetten, naar beste socialistische traditie.
Naar verluidt staat Mak wel eens te mijmeren op een van de bruggen over de Bosperus. Ik ben hem gelukkig nog nooit tegengekomen. Ik zou uiteraard zou dat gebeuren naar beste Turkse traditie een kopje thee met hem drinken, maar bespaar me alsjeblieft dit verraderlijk geweeklaag van een fopidealist.
Tweederangs burgers, tweederangs schrijvers
We schrijven 2009. Geert Wilders heeft de grootste partij van Nederland en staat te popelen om Minister-President te worden. We praten hier over een man die in Nederland geboren mensen wil deporteren als ze een fout begaan. Een uniekum in de geschiedenis: er is geen enkele dictator wereldwijd die ooit zulke dingen flikte. Het druist volledig tegen alles in wat we ooit aan mensenrechten en beschaving hebben opgebouwd.
Dat is nou het resultaat van 100 jaar democratie. Ook in de literatuur gaat het niet al te best. Behalve dan dat schrijvers over niks bekvechten terwijl we richting afgrond glijden, een enkele uitzondering daargelaten, vind die benepen, kleinzielige en psychotische volksconsensus ook steeds meer weerklank onder de gelederen der ‘schrijvers’.
Zo konden wij recentelijk genieten van het feit dat Bart Droog beweerde dat Nasr ‘over de rug van zijn Palestijnse broeders’ een DDV campagne had gevoerd en liet Willem Thies in een recensie van de laatste bundel van Al Galidi weten dat:
‘Al Galidi begint meer en meer te lijken op de troetel-Irakees van Nederland en België (de troetel-Marokkaan van Nederland, Ali B., kan overigens net zo goed rappen als Al Galidi kan dichten). Is het vanwege politieke correctheid? Is het vanwege plaatsvervangende schaamte omdat de Nederlandse regering weigerde hem politiek asiel te verlenen? (Een schaamte, overigens, die geheel en al terecht is, maar die niets te maken heeft met de vermeende poëtische kwaliteiten van Al Galidi.) Is het vanwege de ‘charme’ van het exotische? Ik weet het niet.’ (bron)
Nee, dat weet mijnheer Thies niet. Net zoals Mijnheer Moskovitz in Nova niet kon weten of er in de Gazastrook sprake was van oorlogsmisdaden. Maar laten we eens kijken wat hier daadwerkelijk gesuggereerd wordt: dat Galidi’s poezie slecht zou zijn vanwege zijn afkomst? Of nee: dat hij goed gevonden wordt vanwege zijn afkomst. De afkomst van een dichter wordt dus gekoppeld aan de vermeende consensus die over hem heerst. En zoals u op de pagina van poezierapport kunt zien: geen enkele proteststem klinkt op. Een vergelijkbaar statement zou zijn: Kouwenaar wordt vooral goed gevonden omdat het een echte Nederlander is. Wat een vals en giftig geleuter.
Vandaag schreef Michiel van Kempen een boze reactie op het feit dat Thomas Vaessens in een interview in de Groene Amsterdammer over ‘grote literatuur’ een hele waslijst bleekscheten te berde voerde. Nu moet men natuurlijk wanneer hoogleraren over grote literatuur spreken altijd een beetje oppassen – aangezien hun positie bij het ontbreken van grote literatuur in gevaar komt zullen zij al snel overal grote literatuur zien – maar van Kempen heeft wel groot gelijk dat hij signaleert dat hier een wel heel verdacht homogeen groepje als vertegenwoordiging wordt opgesteld.
Wat ik minder goed begrijp is zijn idee dat ‘postmodernisme’ iets zou zijn wat in ‘minder ontwikkelde landen’ (wat ik ook al een derogerende term vind) zou ontbreken. Dat vind ik nogal een rare stelling, omdat in de literatuur het postmodernisme totaal niet te definieren valt. Het enige zinnige wat er zo’n beetje over te zeggen valt is dat literatuur modernistische elementen moet afwijzen om voor de titel in aanmerking te komen. Giphart, Zwagerman: postmoderne iconen? Ja, mogelijk. Ik zeg er niks van. Het postmodernisme is eigenlijk geen stroming omdat het geen duidelijke stijlkenmerken heeft. Maar dan is het bijzonder raar om te beweren dat zoiets in Marokko of Suriname zou ontbreken.
De laatste 10 jaar werd er veel, heel veel, inspanning gestoken in het creeren van een nieuwe politieke realiteit waarin duidelijk sprake was van eerste en tweederangs burgers. En de eersterangs burgers, dat zijn wij. Mensen die grote literatuur schrijven, terwijl ver weg de chineesjes voor onze producten zwoegen in de fabriek. De ‘Kenniseconomie’ heet dat dan, een schitterend eufemisme voor het gigantische ponzi schemevan het westers kapitalisme. Dat helaas of gelukkig, dat had iedereen met drie hersencellen u kunnen uitleggen, slechts een kort poosje kan blijven bestaan. Want niemand zit graag 14 uur per dag in het donker te zwoegen zodat men aan de andere kant van de wereld grote literatuur uit kan poepen. De machtsverhoudingen verschuiven, en wanneer machtsverhoudingen verschuiven steken altijd weer de ressentimenten de kop op: het is de schuld van die anderen dat wij onze macht aan het verliezen zijn. Vult u daar maar om het even welke minderheidsgroepering in. Grote schrijvers komen te voorschijn, om te orakelen over de gevaren die deze rare, uit vreemde werelden afkomstige ideeen voor onze samenleving zouden zijn. Er wordt steeds meer grote literatuur en grote poezie geschreven, gewoon omdat wij zo lekker belangrijk zijn. Poezie is daarmee vooral een instrument voor culturele propaganda geworden: wij tellen mee op wereldniveau. Wij hebben een onverwoestbare cultuur, die zich niet zomaar overgeeft.
Uiteraard gaat die hele discussie eigenlijk nergens over. De discussie zou eigenlijk over hele andere zaken moeten gaan: geen retro-conservatief gemekker over het behouden van waarden die allang verdwenen zijn, maar daadwerkelijk nadenken over onze positie en vooral wat er eigenlijk mis is gegaan met Nederland en Europa in de tweede helft van vorige eeuw. Waarom werd de ‘Amerikaanse droom’ volledig passief en kritiekloos binnengehaald? Waarom werd onze cultuur vervangen door grotendeels Amerikaanse propaganda? Ik ben er mee volgepompt, dus ik kan er over meepraten.
Waar is het Europese Hollywood, het is toch van een ondenkbare naïviteit dat je toestaat dat je bevolking hun leven lang de propagandafilms van een andere wereldmacht moet aanschouwen? Ik heb helemaal niets tegen de Amerikanen: ze zijn in elk geval een stuk slimmer dan de hersenloze Europeanen die tot niets pro-actiefs in staat lijken.
Je kunt roepen dat een tijd waarin ‘yes we can’ een politieke boodschap heet te zijn een verloren tijdperk is, maar dan kijk je niet goed naar het verleden. De Amerikaanse droom: iedereen kan het maken, van vuilnisman tot miljonair. Een ‘filosofie’ waar wij ruim 50 jaar lang genoegen mee namen. Ja, er werd hier en daar nog wat over ‘mensenrechten’ opgeschreven. Maar bij de eerste de beste hobbel in de weg gingen die meteen het raam uit. En wat bleef er over?
Grote literatuur, ongetwijfeld. Geschreven door visionaire figuren, die de samenleving in een andere richting wisten drijven. Richting Geert Wilders, welteverstaan. En nu zitten we met de gebakken peren. Gelukkig maar dat er ook nog schrijvers zijn die wel in wat grotere lijnen kunnen denken. Lees bijvoorbeeld de prima Ruigoordrede van de Excuus-Portugees Komrij:
In het Duits, maar goed te volgen. Neemt u dat maar van deze Excuus-Turk aan.
Commentaar