Interview met Benders – deel 8 – If hollywood don’t need you
Hey Benders, vanwaar de beslissing om zelf een uitgeverij te beginnen en niet bij een bestaande uitgeverij verder te gaan?
Mensen die mij kennen weten dat ik nooit erg gecharmeerd was van de bestaande orde. Ik heb altijd consistent beweerd dat ze naar mijn mening erg veel rommel publiceren. Ik zag er lange tijd helemaal geen brood in en heb toen Jaeggi me specifiek vroeg gedacht, nou ja, het valt te proberen. Mijn ervaringen met dat wereldje zijn niet positief. Dat begon al bij de eerste ontmoeting op de uitgeverij. Ik kreeg te horen dat over politiek schrijven niet Bon Ton was en ik kreeg meteen daarna een speech tegen conceptuele kunst voor de kiezen. Ik had echt iets van ‘wat doe ik hier eigenlijk’. Mijn afkeer ook wel duidelijk laten blijken, want men heeft zich daar ook totaal niet inhoudelijk meer met het boek bemoeid.
Die bundel kreeg toen een hele positieve ontvangst. Maar ik merkte dat men heel verbaasd was dat ik mijn ‘houding’ niet wijzigde nadat de ‘orde’ mij had geusurpeerd. In Nederland is dat een goede traditie: je hangt een aantal jaren ‘de rebel’ uit, tot de orde je erkenning geeft en dan zwijg je tot je dood bent of speelt nog een beetje de foprebel voor mensen die niet beter weten.
Ik bleef me gewoon precies hetzelfde gedragen als voorheen: dingen bij hun naam noemen, naar niemands pijpen dansen. En ik kreeg hele rare dingen voor mijn kiezen. Zo kreeg ik van Erik Lindner te horen via email dat hij nooit meer een bundel van me zou gaan recenseren, omdat ik me niet had gedragen zoals zijn ideaalbeeld het hem in de oren fluisterde.
Daarna kreeg ik, toen ik genomineerd werd voor de Buddingh, van een hogelijk verbaasde redacteur aan de lijn te horen ‘Nou, het is je dus toch nog gelukt genomineerd te worden’ iets wat hem dus hogelijk verbaasde, om mij onduidelijke redenen.
Alweer een hint dat het dus vooral ‘gedrag’ is dat je op bepaalde lijstjes doet belanden, en niet de kwaliteit van je werk.
Ik hou daar niet van. Ik vind dat een gecorrumpeerde consensus. Als je in die positie zit kun je twee dingen doen:
1. De rest van je leven je mond houden en de Gadaffies hun gang laten gaan
2. Iets doen waardoor je trots op jezelf kunt zijn.
Ik kies voor optie twee. Daar zou ik altijd voor kiezen. Ik probeer mijn hele leven al dingen te doen die me trots kunnen maken op mezelf. Mijn helden zijn altijd mensen als Steve Albini geweest en Lee Perry, mensen die zich niets aantrokken van de gevestigde orde en compleet hun eigen gang gingen. Zo wil ik ook zijn. Ik wil ook niet in een hierarchie functioneren die niet mijn hierarchie is.
Schort er dan geen kwaliteitscontrole als je alles zelf gaat doen?
Ze schijnen echt nog te bestaan, mensen die menen dat je goede muziek bij een platenmaatschappij moet zoeken, of mensen die menen dat je goede films het beste in Hollywood bij een grote filmstudio kan gaan zoeken.
Gelukkig zijn echter de meeste mensen wat volwassener in hun wereldbeeld, behalve in de literaire wereld. Daar heeft zich een bosje kneuzen verzameld die meent dat dit soort bespottelijke borstklopperij op iemand nog indruk maakt, of dat ze hun collega’s er op een of andere wijze een deugd mee bewijzen – god mag weten waarom ze dat denken. Ik snap die mensen echt totaal niet. Ze lijken mij totaal de intelligentie te ontberen om de bespottelijkheid van hun eigen standpunten in te zien.
Er is geen ‘kwaliteitscontrole’ bij een uitgever, anders dan een controle op spelling en grammatica. Daar vind ik wel een gepensioneerde leraar voor. Voor de rest hebben al die uitgevers echt de ballen verstand van poezie. Dat meen ik serieus. Ze bestaan uit mensen die het – heel soms – wel goed menen, maar alleen een goed dichter heeft verstand van poezie. Die zijn er maar een paar. En die draaien niet een uitgever. Lulkoek, dus, dat kwaliteitsargument.
Hoe staat het er momenteel voor met de projecten?
Ik ben nu vooral gefocussed op ‘Wat koop ik voor je donkerwilde machten, Willem’. Mij is er alles aan gelegen dat dat een beter boek wordt dan Karavanserai. De echte magie bij het schrijven zit naar mijn mening niet in het creatieproces maar in het revisieproces. Mijn werkwijze is bijna altijd dezelfde: ik maak een gigantische hoop schetsen, meet mijzelf dan 2 adelaarsogen aan, en ga dan pas de echte gedichten smeden.
Dat is wel een raar proces, omdat je ook dingen wilt delen. Ik deel die schetsen vaak met anderen, terwijl het helemaal geen goede gedichten zijn, maar je leert er wel van voor wat voor teksten mensen vallen en welke niet. Ik probeer dat ‘delen’ nu af te leren. Van de 120 schetsen die ik had zijn er misschien 2 die nog enigszins op het origineel lijken. Mijn revisies zijn altijd heel rigoreus. Dat krijg je met adelaarsogen. En die moet je echt hebben om alle pseudo eruit te kunnen werken.
Ik heb er nu al genoeg vertrouwen in dat ik kan zeggen dat het gaat lukken, die bundel wordt een betere bundel dan Karavanserai. Dat was een aardige bundel, maar ik was er minder tevreden over dan de meeste mensen leken. Ik zag er veel teveel onvolkomenheden aan – de ‘Willem’ bundel wordt naar mijn inschatting ruwer, experimenteler, zuiverder op de graat, echter, kortom: beter. En als dat lukt ben ik tevreden. En dan ga ik verder met de andere projecten.
Interview met Benders (4): Facebook heeft mijn account verwijderd
Heer Benders, U post slechts weinig op Loewak waarom?
Ik werk momenteel onder andere aan een tetralogie. Naar mijn idee moet een beetje serieus schrijver toch wel een werk of 5 geschreven hebben voor hij 40 is. Omdat ik zo lang over Karavanserai gedaan heb ga ik nu de schade even inhalen. Ik ben met de volgende boeken bezig:
* Bankenchrist: een fantastische roman die zich afspeelt in het bankwezen.
* Holokapitaal: een filosofieboek voor de 21e eeuw
* Bilderberg: een dichtbundel
* Oben Ohne: een cd met zelfgeschreven en gespeelde liedjes
Ook probeer ik de gewoonte af te leren allerlei dingen in commentaarvelden te tiepen. Ik zag net ook dat mijn facebook account disabled is. Geen idee waarom. Geen waarschuwing gehad of niks. Ineens kon ik niet meer inloggen, uw account is disabled. Misschien maar beter.
Bent u niet bang dat werken aan 4 werken tegelijk betekent dat je 4 middelmatige boeken krijgt terwijl je als je je zou concentreren op een enkel werk veel sterker uit de hoek zou kunnen komen?
Nee. Bovenstaande is vooral waar voor exponenten van de single-tasking generatie. Ik behoor tot de multi-tasking generatie, voor mij is dat als een tweede huid. Ik moet natuurlijk wel behoorlijk wat bijleren. Vooral het maken van muziek vereist behoorlijk wat studie. Het zwaartepunt van de tetralogie gaat de roman worden. Ik merk dat het schrijven van romans me bijzonder goed afgaat. Mijn doel is alle 4 werken van een hoog niveau te laten worden. Of dat ook gaat lukken is een andere vraag.
Gaat het u om de uitdaging van het schrijven van 4 werken tegelijkertijd?
Ik geloof dat je altijd moet proberen je dromen waar te maken. Ik had een droom een dichtbundel uit te geven, dat deed ik, hij werd goed ontvangen, droom over. Om dan als nieuwe droom een tweede bundel te hebben: saai, onorigineel, been-there-done-that gevoel. Dus ging ik bedenken wat ik nog meer waar wou maken. Ten eerste wou ik 40 kilo afvallen. Daar heb ik me het eerst op geconcentreerd. Dat vond ik belangrijker dan andere projecten. Dat is nu gelukt, dus nu na een evaluatie besloten dat ik ook schrijver, componist en filosoof wil worden. Om dat te bereiken moet ik op al die 3 gebieden een werk neerzetten dat zoden aan de dijk zet. Dat is inderdaad wel een uitdaging, maar het is geen uitdaging ‘om de uitdaging’ – de reden dat ik nooit op wil treden als dichter is bijvoorbeeld dat dat nooit onderdeel uitmaakte van mijn droomleven. Ik heb het twee keer geprobeerd en merkte dat het niet harmonieerde met mijn droomwereld.
Het geven van concerten lijkt me echter wel iets waar ik plezier aan zou beleven. Het publiek is dan in het algemeen wat jonger en welwillender en er vallen nog eens wat mensen flauw, daar heb je tenminste nog wat aan.
Wat voor soort muziek gaat u maken?
Mijn band heet ‘Genus Pongo’. Wij maken serieuze electronische muziek. Niet van die flierefluiters-toestanden net als bij Kraftwerk. De eerste CD gaat vol filosofisch-poetische dansknallers staan die mijn netwerk uitbreiden naar dansvloeren over de hele wereld. Ons motto is ‘No We Music’. De CD gaat ‘Oben Ohne’ heten.
Heeft u verder nog iets te melden?
Nee. Maar als mijn facebook account disabled blijft (wat raar dat ze dat er zo af kunnen gooien zonder waarschuwing) heb ik op zich wel meer tijd vaker interviews te geven!
Festivalcultuur is een vorm van instantcultuur
Een vervolg van ons interview met M.H.Benders, Dichter des Vaderlands i.o.
Heer Benders, u eindigde op plaats 11 in de Turing Nationale Gedichtenwedstrijd. Wat is uw reactie?
Een fantastisch resultaat! Als het even zou kunnen zou ik het liefst eeuwig op Nr 11 staan, want het is toevallig ook mijn favoriete getal. Naar ik heb begrepen was het een mooie, vlekkeloos georganiseerde avond. Wel jammer vond ik dat ik de voordracht van mijn gedicht door Vrouwkje Tuinman heb moeten missen. Ik had dit keer weinig ludieks geregeld omdat mijn instinct zei dat ik niks zou gaan winnen, op het laatste moment even Eddy Warmerdam toestemming gegeven het podium op te klimmen als mij zijnde maar Eddy vond het allemaal te formeel. Groot gelijk heeft ie.
Toch klinkt er ook veel kritiek op de wedstrijd vanuit allerlei bronnen
Je hebt natuurlijk enerzijds de mensen die ontgoocheld zijn omdat hun verwachtingen niet waarheid werden, en anderzijds een soort hobby-elite die de wedstrijd vooral geboycot hebben omdat zij hun hobby-status niet onder ogen willen zien. Het was een prima wedstrijd. Het winnende gedicht is niet naar ieders smaak – nou en? Wanneer je kiest voor een kapitalistische aanpak in plaats van de gebruikelijke sociale-gilde aanpak betekent dat niet perse dat het eindresultaat ook beter zal zijn. Dat is ook niet zo heel erg van belang. De Turing is van oorsprong een test. Uit de testresultaten blijkt dat geweldige poezie erg zeldzaam is. Dat vind ik een heel mooi testresultaat. Ik denk persoonlijk niet dat de gebruikelijke gilde-aanpak een veel spannender resultaat zou hebben opgeleverd.
Ik ben wel van mening dat de prijs verhoogd moet worden naar een ton. Dat zal het komische effect hebben dat zelfs de meest verstokte hobby-elitair zijn principes laat varen. En dat is natuurlijk het leukste aspect aan die hele Turing wedstrijd. Het was vooral leuk te horen welke bekende dichters het niet gehaald hadden.
Wat is een ‘hobby-elitair’ in vredesnaam?
Een hobby-elitair is iemand die meent dat elitair zijn een soort hobby is, welke je beoefent wanneer jouw ‘vakgebied’ aan de orde komt. Mensen die nergens verstand van hebben, behalve van bijv het fokken van kanaries. En zodra het over het fokken van kanaries gaat duiken ze op en voelen ze zich almachtig, superieur en verheven boven alles en iedereen. Dat is voor mij een hobby-elitair.
Er klinkt stevige kritiek door op uw plannen om alle festivals, bladen en instellingen af te schaffen zodra u Dichter des Vaderlands bent geworden. U zou een cultuurbarbaar zijn die op cultuurvernietiging uit is. Uw reactie?
Onzin. U dient te begrijpen dat die hele festivalcultuur in onze maatschappij een vorm van instantcultuur is geworden. Het is pure fastfoodcultuur: snel even wat ‘cultuur’ opsnuiven vanavond dan hoor ik er weer bij, dan heb ik iets zinnigs gedaan. Noemt u mij eens vijf festivals die in 1922 plaatsvonden?
Euhhh….
Juist. Niks blijvends aan: het is instantcultuur. Een vorm van instantcultuur die daarnaast ook nog eens bijna alle financiele middelen opslokt. Dat is een absurde situatie. Dichters zitten op een houtje te bijten om blijvende cultuur te kunnen scheppen of worden gedwongen in het instantcultuurcircus mee te draaien om zo een karige boterham bijeen te verdienen. Ik ben niet tegen festivals maar je wordt er mee dood gesmeten tegenwoordig – feitelijk functioneren ze als stedelijke statussymbolen. Als de spreekwoordelijke dikke auto voor de deur van de gemeente, die een dikkere auto dan de buurman wil hebben. Dat kun je allemaal als ‘cultuur’ definieren, maar ik vind dat persoonlijk een heel andersoortig fenomeentype.
Wat is dan wel ‘blijvende cultuur’ volgens u?
De waarheid is dat Nederland feitelijk helemaal geen cultuur heeft. Om tot een cultuur te mogen worden gerekend vind ik drie elementen van cruciaal belang:
1. Het hebben van een eigen taal
2. Het hebben van een eigen, levende keuken
3. Het hebben van eigenaardige dansjes met bijbehorende leuke kleding.
Een taal hebben we nog, dus dat zit nog snor. Helaas hebben we echter de karige kookkunsten die we vroeger nog wel bezaten aan de wilgen gehangen. Ook zijn de mensen totaal het dansen verleerd. Ergo, onder deze vrij gebruikelijke definitie is van een ‘eigen cultuur’ totaal geen sprake meer.
Je kunt dan festivalletjes organiseren tot je een ons weegt om dat te verdoezelen. Mijn idee is anders: hou op met die onzin en pak de kernproblemen aan: leer het volk koken en dansen. Pas dan komt er uitzicht op een levende, Nederlandse cultuur.
Maar u kunt zich toch voorstellen dat mensen die zich enorm inzetten op cultureel vlak niet graag horen dat u die cultuur dood verklaart omdat ze niet kunnen koken of dansen?
Allemaal gehersenspoelden. Ze zien niet dat ze in een modderhut wonen. Wat kan mij het geroer in die modder schelen, de basis is niet goed. Cultuur kan alleen ontstaan als de basis goed gelegd is. Neem nou bijvoorbeeld die Amerikanen eens. Schatten van mensen, doorgaans, daar gaat het niet om. Maar het zijn mensen zonder basis. Mensen die niet eens een eigen taal hebben. Mensen die niet weten wat echt voedsel is. Mensen die nooit eens met een ander mens dansen. En dan krijg je het gelazer: oorlog hier, idiotie daar, massademocratie, waanzin. Zonder basis blijf je nergens. Een losgeslagen boei, daar heeft niemand wat aan. En dat is wat al die ‘cultuur’ van ons is.
Die hele zogenaamde immigratieproblematiek kon alleen ontstaan omdat wij volstrekt geen cultuur hebben. Er wordt dus ook helemaal niks ‘bedreigd’. Echte cultuur valt helemaal niet te bedreigen. Het idee alleen al!
Een kordaat cultureel beleid staat of valt met een massale aanval op de keuken en de dansvloer.
Hoe staat u tegenover iemand als Geert Wilders, die kunstenaars vooral als uitzuigers ziet?
Er bestaan veel misverstanden over figuren als Wilders. Misverstanden die ook vooral door zijn zogenaamde ‘tegenstanders’ de wereld in worden geholpen. U dient te begrijpen dat Wilders een typische Haagse insider is, die met veel disdain neerkijkt op het ‘klootjesvolk’ waarvoor hij speelt op te komen. Die man is in-en-in Den Haag: hij is een belichaming van het systeem zelf dat, door hem uit te vinden, zijn eigen illusies weer weet op te poken. Wilders is voor het systeem broodnodig. Ik ken persoonlijk bijna niemand die nog in de democratie gelooft. Ik ken persoonlijk bijna niemand die nog meent dat wij in een echte democratie leven. In zo’n situatie is een persoon als Wilders onmisbaar: wie zou er nog gaan stemmen, behalve als er zo’n ‘gevaar’ dreigt? De werkelijkheid is echter een hele andere: dat is dat het grootkapitaal al geruime tijd doorheeft dat het de democratie eigenlijk totaal niet nodig heeft om te kunnen functioneren. Dat het misschien wel veel beter functioneert zonder democratie. Dat o.a. door Zizek gesignaleerde probleem is zeer, zeer nijpend en de feitelijke oorzaak dat we de laatste 10 jaar meer en meer zien dat het ‘chroomlaagje’ over ons systeem begint af te brokkelen. Het was altijd maar een laagje, maar wel een laagje dat zeer zorgvuldig in stand werd gehouden. De laatste tien jaar zien we echter dat men het zelfs met dat laagje niet meer zo nauw neemt. Het is alsof het de machthebbers niets meer kan schelen of ze nog moreel of democratisch lijken. Dat is de politieke werkelijkheid waarbinnen u een figuur als Wilders moet plaatsen.
Wordt vervolgd…
Op Herhaling: Interview met Balkenende

In het kader van het zo geroemde engagement: een jaar of 10 geleden had ik een email-interview met Balkenende, vlak voor hij premier werd. Het was in de maand voor de eerste keer dat hij in een kabinet kwam, de precieze datum herinner ik me niet.
Mijnheer Balkenende, houdt u eigenlijk van Nederland? Of heeft u er een gezonde haat-liefde verhouding mee? Wat vindt u bijvoorbeeld specifiek een vervelend Nederlands trekje?
Nederland is een heerlijk land. Als geboren Zeeuw sta ik of met het gezicht naar de zee, en ben dan trots op onze historie en nog steeds op onze handelsgeest en ondernemingslust. En met mijn rug naar de zee zie ik een dierbaar achterland, waar ik me thuis voel. Een specifiek naar Nederlands trekje? Botheid. Een specifiek vriendelijk Nederlands trekje? Klaar staan voor elkaar. Minder misschien dan vroeger,
maar het zit nog steeds in de genen. Als Zeeuw zeg ik, logisch in ‘een land dat je alleen droog houdt door samen aan de dijk te werken.
Ik heb altijd gevonden dat politici eigenlijk helemaal niet goed betaald zouden mogen worden. Het feit dat men met politiek bedrijven geld kan verdienen trekt m.i. namelijk juist het verkeerde type mensen naar de politiek. Wat vind u van mijn stelling dat politiek eigenlijk vrijwilligerswerk zou moeten zijn?
Naief. Het is behoorlijk zwaar, maar ook gekwalificeerd werk. De gemiddelde Nederlandse politicus is zeer betrouwbaar en zeer hard werkend. We kunnen wel met elkaar op “de politiek” mopperen, maar de meeste van mijn collega’s sjouwen zich wezenloos in een gecompliceerde samenleving waar heel veel belangen om voorrang vragen. Daarvoor worden ze niet bovenmatig beloond. Heel veel van mijn collega’s kunnen met hun talent en ontwikkeling elders veel meer verdienen. Dat ze dan toch voor de politiek kiezen onderstreept nog eens hun prima instelling. Als je het gratis zou moeten doen, of tegen een magere beloning, dan zullen alleen nog diegenen belangstelling tonen die financieel binnen zijn, of van wie de partner voldoende verdient. Dat zou de politiek pas weer echt elitair maken.
Nederland wordt door bepaalde lieden afgeschilderd als een soort van socialistische heilstaat. Wat mij vaak opvalt is de overmatige bureaucratie welke in nederland toch min of meer de scepter zwaait. Je kunt er bij wijze van spreken geen boom planten zonder eerst 10 formulieren te moeten invullen. Is hier sprake van bedenkelijke werkverschaffing, of juist van een soort panische neiging tot controlezucht?
In België vinden ze juist weer dat Nederland, doordat het veel eerder zijn ruimtelijke ordening zo nauwkeurig heeft ingericht, ondanks zijn kleine oppervlakte en intensieve benutting enorm voorligt op andere landen, waaronder België. Dus ook hier heeft de waarheid weer eens twee kanten. Maar ik ben het zonder meer eens met de stelling dat we in Nederland, met name de laatste 30 jaar, teveel van bovenaf hebben geregeld. Het CDA wil zeer gemotiveerd de verantwoordelijkheid veel meer terugleggen in de samenleving, bij de mensen, bij hun verbanden. Heel veel gecompliceerde problemen aan de top beginnen simpel aan de basis. Neem de veiligheid. Van bovenaf kan je een samenleving die zou dreigen te ontsporen nooit meer corrigeren met steeds meer politie. Fatsoen, respect voor de ander en voor diens bezittingen, moet je thuis leren. De overheid heeft veel verantwoordelijkheid willen overnemen, en veel burgers zijn vervolgens steeds minder zelf voor hun verantwoordelijkheid gaan nemen. Dit soort ontwikkelingen keer je overigens niet in een paar jaar terug. Maar je moet zo snel mogelijk een begin maken. Op dit punt is Paars heel erg tekort geschoten.
Als u het CDA moest vergelijken met een publieke zender op T.V., welke omroep leek dan het meest op het CDA en waarom?
Welke appel het meest op een peer lijkt? Kom nou.
Het CDA is een partij die zich op democratische beginselen baseert. Toch is het zo dat de afgelopen eeuw misschien juist door de enorme toename van democratische stelsels meer problemen kende dan ooit. Ziet u persoonlijk eigenlijk ook nadelen aan de democratie op zichzelf? Heeft een meerderheid eigenlijk wel per definitie gelijk? Zou u een alternatief kunnen verzinnen voor een parlementair democratisch stelsel, of vindt u dat de parlementaire democratie het eindstation in de politieke ontwikkeling is?
Parlementaire democratie is een systeem met veel tekortkomingen, maar nog steeds het beste wat de mensen in de geschiedenis hebben kunnen bedenken. Al die problemen vinden hun oorzaak ook niet in de democratie, maar in de toenemende ingewikkeldheid van een steeds omvangrijkere samenleving. Het grote voordeel van democratie is dat het draagvlak kan scheppen voor beleid. Laat ik eens een grappig, maar extreem voorbeeld geven. De uitdrukking “op zijn elf-en-dertigst” heeft met democratie te maken. Vroeger had Friesland 11 steden en 30 buurtschappen of grietenijen, zeg maar dorpen. Elk besluit dat Friesland aanging moest door al die steden en dorpen worden goedgekeurd. Dat duurde wel eventjes. Vandaar die uitdrukking. Maar het had wel het hele grote voordeel dat heel Friesland door dik en dun zo’n besluit steunde. Welnu, zolang kunnen we natuurlijk vandaag-de-dag niet meer wachten. Maar draagvlak blijft toch een belangrijke voorwaarde voor het succes van beleid. In onze moderne samenleving gaan mondige burgers heus niet als makke schaapjes mee met beleid dat ze echt niet willen, kom nou. Als je mensen niet betrekt bij besluitvormingsprocessen hebben ze alleen het eigen belang als maatstaf voor het resultaat. Lees die zin nog maar eens goed. Dat wil zeggen dat ze dus anders binnen de kortste keren met elkaar in botsing komen, omdat ieders eigen belang dan in het geding is. Vandaar dus het belang van een levende democratie. Iets anders is of onze politieke partijen het eeuwige leven hebben. Dat denk ik niet. De vorige eeuw was een eeuw van emancipatie, dus van veel groepen die zich organiseerden om aan de bak te komen, en een eeuw van links en rechts. De nieuwe eeuw heeft nieuwe tegenstellingen. Ik denk dat de belangrijkste die wordt tussen geld verdienen en zorgzaam met elkaar omgaan, tussen zakelijkheid en menselijkheid. Het CDA vindt geld verdienen heel belangrijk, maar kiest toch vooral voor een samenleving waarin iedereen zich thuis kan voelen en zich gewaardeerd weet.
Het komt mij altijd voor dat het asielbeleid van de nederlandse regering (en eigenlijk alle regeringen) gestoeld is op een zekere mate van willekeur. Die willekeur komt dan ook weer terug in de oplossingen die men aandraagt: ofwel we gooien de zaak dicht, ofwel iedereen mag erin die aan bepaalde criteria voldoet. Deze criteria zijn vervolgens puur financieel opgesteld. Waarom mag iemand met genoeg geld hier wel komen wonen, terwijl het voor nederland zelf misschien helemaal geen aanwinst is? Waarom kunnen er geen inhoudelijke criteria gesteld worden; een land is toch in zekere zin net een bedrijf: bepaalde lieden komen het bedrijf ten goede en bepaalde niet? Kan dat niet gewoon per geval bekeken worden? Je gaat op een expositie toch ook niet zeggen dat ‘alles erin mag’ of ‘niks erin mag’ – het lijkt me dat je beter op kwaliteit kunt selecteren. Wat vindt u?
Inderdaad zijn er verschillende stromen mensen die naar ons land komen. Maar het is nog wat ingewikkelder dan de vraag suggereert. Wat te denken van Antillianen die naar hier komen, maar eigenlijk al lang deel uitmaken van ons koninkrijk. Zij zijn allochtoon, maar spreken vaak goed Nederlands. Hetzelfde geldt voor Surinamers. Dan zijn er heel velen die hier komen voor gezinshereniging. Is ons beleid hier niet te ruimhartig? Eentje vooruit sturen die een verblijfstatus krijgt, en vervolgens de rest van de familie laat overkomen? Dan zijn er de economische vluchtelingen, in heel veel gevallen tegen grof geld hierheen gesmokkeld. Vooral omdat in Nederland de pakkans gering, en de procedures lang zijn. Dat is dus vragen door Nederland om toeloop. Dan zijn er de echte vluchtelingen, voor oorlog en politiek geweld. Zij kunnen altijd op onze steun rekenen. Maar als het conflict in hun land weer beheerst wordt, kan men toch terug?
En dan zijn er ook mensen die hierheen worden gehaald vanwege hun kundigheid, of vanwege tekorten op de arbeidsmarkt. Voetballers van overal, verpleegkundigen uit bijvoorbeeld Zuid Afrika, bouwvakkers uit Engeland. Die zijn hier alleen op basis van tijdelijkheid. Maar voor al deze migranten geldt: pas je zo snel mogelijk aan in Nederland en leer de taal, dan heb je hier de beste kansen. Het CDA is er tegenstander van te selecteren op kwaliteit, of wat dan ook. Onze benadering is: echte vluchtelingen, welkom. En terug als het probleem thuis over is. Gezinshereniging? Ja, maar niet naïef. Economische vluchteling? Nee, in en voor je eigen land kan je meer betekenen, hier kom je waarschijnlijk in de onderklasse. Arbeidskrachten, nodig voor de Nederlandse markt? Ja, binnen de EU (zoals de regels zijn, nee van buiten. Voetballers? Zijn Ajax en Feijenoord er op vooruitgegaan sinds onze voetballers in Spanje, Italië, Engeland en Schotland spelen, en spelers van weet ik waar in Ajax en Feijenoord?
Wat vindt u van mijn plan de huidige ‘uitkering’ te vervangen door de ‘denkvergunning’? Waarom wordt denkwerk niet door de regering beloond, hebben we meteen wat aan al die afgestudeerde filosofen. Moet mensen die een tijdje uit het jachtige arbeidscircuit willen stappen die mogelijkheid niet worden geboden zonder zo’n stigmatiserende ‘uitkering’ ; het lijkt me dat we de kans hebben van alle werkelozen in nederland een gigantische denktank te maken door niet maandelijks een inkomensbriefje te verlangen maar juist goede ideeen. Wat vindt u daarvan?
En hoe kwalificeren we dat denkwerk? Veel studenten doen veel denkwerk in de kroeg. Zeggen ze. Moeten we dat betalen. Of pas uitbetalen per idee? Maar dan is niet de inspanning het criterium, maar de creativiteit. Dat is ook weer niet eerlijk. De WW-uitkering die nu wordt gegeven is een schadevergoeding voor het ontbreken van loon. Er is dus een duidelijke relatie met het arbeidsverleden. Op zo’n concreet fundament is een sociaal stelsel te bouwen. Maar denken alleen? Ik denk van niet (en dat levert dus in uw systeem niets op).
Als u mocht kiezen: beroemd politicus of beroemd dichter, wat zou u dan kiezen?
Ik zoek geen roem of faam.
wat heb ik aan die luister?
Aanstond begint gefluister,
jaloersheid is de naam.
Geef mij maar noeste arbeid
in dienst van die hier leven.
En wilt u nog wat geven,
geef mij dan genoeg tijd
om ook nog te voltooien
wat ik zopas begon.
“Ik kwam, ik zag ik won,”
is voor het CDA een mooie!
Men zegt wel eens dat politici vooral toch maar saaie, degelijke mensen moeten zijn. Ze mogen niet al teveel eigen meningen erop nahouden, niet al teveel ambities hebben, en boven alles een beetje passen in de grijze kamertjespolitiek zoals deze in Den Haag wordt bedreven. Op grond van welke kwaliteiten worden politici in Nederland nu eigenlijk geselecteerd? Is dat terecht of moeten er andere eisen worden gesteld?
Ik weet niet wie zegt dat politici saai moeten zijn. In Den Haag in ieder geval niet. Wij hebben graag originele, kleurrijke mensen. Iets anders is dat bijna elk vraagstuk veel meer kanten heeft dan één, en dat luisteren vaak belangrijker is dan spreken. Wat heb je aan een bestuurder die niet naar je luistert, maar meteen zelf zijn standpunt begint te geven? Het grappige is dat de mensen dus terecht van politici vragen dat ze zich goed verdiepen in de problemen, en dus ook goed kunnen luisteren aan iedereen, en tegelijkertijd wil men ook weer graag Fortuyn-achtige types, die heel stellig formuleren en zich nauwelijks bekommeren om nuances. Eigenlijk is er geen selectiesysteem. Iedereen die dat wil kan meedoen. Alleen kunnen de gevestigde partijen natuurlijk iets kieskeuriger zijn, en ook mensen op de lijst zetten die misschien in het publiek niet zo spetteren, maar op een bepaald terrein super-deskundig zijn.
Daarom is de lijst van het CDA bijvoorbeeld heel aardig geworden. Van alles wat. Maar politici en partijen moeten natuurlijk wel durven kiezen. Met alleen maar kleurloos geklets overtuig je niemand. En het regeeraccoord in zijn huidige vorm moet worden afgeschaft. Geen dikke boeken meer met knellende afspraken. Een A-viertje met het hoogst noodzakelijke en voor de rest regeert de regering en controleert de Kamer. Dat zal heel veel achterkamertjespolitiek tegengaan. Ik zal bevorderen dat in ieder geval mijn CDA een heel herkenbare en duidelijke partij zal zijn.
Welke rol speelt volgens u de fantasie binnen de politiek? Het valt mij vaak op dat alle politieke partijen erg in de marges blijven met de fantasierijkheid van hun oplossingen. Ligt dat aan een gebrek aan visie, of is fantasie juist een conditie die door politici moet worden vermeden om het huidige stelsel niet in gevaar te brengen?
Tja. Fantasie. Het moeilijke in Den Haag is niet zozeer iets te bedenken. Want er is al heel veel bedacht. En voor zover je het niet zelf doet wordt elke fractie voortdurend gebombardeerd door inzichten van mensen uit het land, belanghebbenden, organisaties, bonden, bedrijven, ambtenaren, andere landen, noem maar op. Nee, de kunst is vooral om voldoende steun te ontwikkelen voor een idee. Eerst bij een paar mensen. Dan in de fractie. Dan bij een bewindspersoon. Of bij andere fracties, of bij ambtenaren. Dan bij het hele kabinet. Al die meedenkers voegen allemaal hun eigen ideetjes toe in ruil voor steun, en als je niet oppast herken je het eindproduct niet eens meer. Wat nodig is voor een politicus is allereerst visie, maar vervolgens heel veel vakbekwaamheid, heel veel geduld en heel veel overtuigingskracht.
Is naar uw mening het monetaire stelsel het eindpunt van de economische evolutie of valt daar nogal een mouw aan aan te passen?
Het monetaire stelsel verandert voortdurend. Op dit moment zijn wij onderweg naar twee wereldvaluta: de dollar en de euro. Het is voor het eerst sinds de terugval van het pond sterling, zo’n 60 jaar geleden, dat de dollar weer mondiaal serieuze concurrentie heeft. De toenemende vrijheid van internationaal kapitaal geeft voorts een ongekende dimensie aan ons stelsel, en met name de free-riders daarin, speculanten zelfs tegen nationale banken, of zwart-geld-bezitters (denk met name aan drugscriminaliteit, maar ook aan fiscale constructeurs) zijn nog lang niet onder controle. Wat hard nodig is, is een waterdichte internationale rechtsorde. Wat de euro betreft: het zal blijken of die valuta sterk genoeg zal zijn. Dat zal met name afhangen van de politieke gelijkgezindheid en discipline in Euroland en van de hoogte van de drempel voor toelating van nieuwe leden tot Euroland. Voor Nederland, een internationaal handelsland met een van oudsher relatief kleine, hoewel sterke valuta, kan het zeer profijtelijk zijn deel uit te maken van een wereld-valuta. Maar dan moeten we onze eigen problemen ook goed in de hand houden, zoals de inflatie, die onder minister Zalm onverantwoord is gegroeid.
Wat denkt u: moet men kunstbeleid laten bepalen door een kunstenaar, een kunstliefhebber of liever een realist? Wat vindt u van die rare ‘werken bij de overheid’ reclame die het doet voorkomen alsof mensen die bij de overheid gaan werken moeten gaan zitten bepalen of iets ‘kunst genoeg is voor subsidie’? Wie bepaalt volgens u eigenlijk of iets ‘kunst’ is?
Er moet zo weinig mogelijk beleid zijn voor kunst. Kunst ontstaat en ontwikkelt zich in ongebondenheid en het is heel hachelijk objectieve criteria daarvoor te formuleren. Wel kan ik mij voorstellen, en dat kan men een burgerlijk trekje noemen, dat als de kunstwereld vraagt om gemeenschapsgeld, men er mee moet willen rekenen dat de gemeenschap alleen geld beschikbaar wil stellen voor zaken die door de gemeenschap redelijkerwijze te verteren zijn. Met andere woorden: kunst is niet boven alle kritiek verheven, althans zolang de kunstenaar het zelf verbindt met een rekening voor de gemeenschap. De klant moet ook hier het gevoel hebben koning te zijn en geen gekke Henkie.
Wat vindt u van mijn idee alle politieke partijen af te schaffen: het volk kan voortaan alleen nog individuele politici verkiezen die alleen zichzelf vertegenwoordigen. Gelooft u bijvoorbeeld ook niet dat de televisie een veel beter medium zou worden als je het direct onder programmamakers zou verdelen en niet de oude verzuilde omroepen laat beslissen wat wel of niet interessant is? Iets dergelijks lijkt me binnen de politiek ook beter te werken – immers, de situatie die nu bestaat hangt zo van de concessies aan elkaar (politici moeten zich conformeren naar een partij, de partij moet zich conformeren naar de andere partijen, het totaal moet zich conformeren naar het buitenland, etc.) dat er op den duur eigenlijk weinig meer overblijft dan gemiddelde wisjes-wasjes politiek waarin geen gedurfde standpunten meer mogelijk zijn. Wat is uw mening daarover?
Onzin. Partijen kunnen juist een hele goede coördinatie zijn voor gemeenschappelijke opvattingen, en een denktank bieden voor verdere uitwerking. Wie denkt toch serieus dat 150 kamerleden 150 individuele genieën zijn die van alle terreinen verstand hebben, van mest tot omroep. van wegen tot wonen, van politie tot wao, van Zimbabwe tot NAVO, van onderwijs tot visserij, van gezondheidszorg tot belastingen, van varkens tot straaljagers, van spoorwegen tot milieu, van energie tot strafrecht en zo kan ik nog wel even doorgaan. Heus, politiek is niet luidruchtigheid, maar veeleer geduldig dienen. Dat is niet altijd spectaculair. En een beetje showbiz-bloed mogen we best in ons lichaam hebben. Maar het is een echt vak, dat moeilijker is dan menigeen denkt. Als je een toptennisser bezig ziet lijkt het ook zo gemakkelijk. Maar ga er zelf maar eens aan staan. Zo is het in de politiek ook. Ook ik moet nog veel leren, al ben ik reeds een behoorlijk eind gekomen. Maar elke dag is weer spannend, brengt weer nieuwe dingen en is weer anders. Dat is een van de vele redenen waarom politiek een fantastisch beroep is. En dan heb ik nog het voorrecht politicus te mogen zijn van het CDA. Een club die er weer helemaal is.
Prof.mr.dr. J.P. Balkenende
Een interview met Gerrit Komrij
Loewak hield een interview met Gerrit Komrij, van wie recentelijk het boek Vila Pouca verscheen. Komrij gaf antwoord op elf vragen:
1. U heeft net een roman uitgegeven, Vila Pouca, kroniek van een dorp. U woont al lang tenminste een groot deel van het jaar in Portugal. Betekent dat dat u zich ook deels Portugees voelt? In hoeverre gelooft u persoonlijk in de universele mens, dwz de mens die zich aan alle omstandigheden kan aanpassen?
Me Portugees voelen zal ik nooit. Hoe meer ik van de Portugezen aan de weet kom, hoe minder ik er van begrijp. En hoe meer begrip ik koester, nolens volens, voor de Nederlanders: van een afstand zijn ze toch wel heel absurd. Ik kan niet tegelijk van absurd theater houden en de Nederlanders over het hoofd zien. Ik zou nooit naar dat land willen terugkeren, maar de Hollander blijft in me zitten. Het heeft allemaal met je moeder te maken, vrees ik. Ik zou overal kunnen wonen. Of ik me aan alle omstandigheden kan aanpassen (genocide, kannibalisme) geloof ik niet, er moet wel een keukentafeltje, een potlood en papier in de buurt zijn. En iets te lezen, als het even kan.
2. In Nederland heerst een poëzieklimaat waarin men zichzelf vaak al snel op de borst weet te kloppen. Dat begon ooit al met Nijhoff die schreef dat de Nederlandse poëzie het hoogste niveau ter wereld had, maar ook hedentendage bestaat diezelfde teneur nog ruimschoots. In hoeverre bent u het met die teneur eens, is de Nederlandse poëzie inderdaad van hoger niveau dan de poëzie zoals deze elders wordt bedreven?
Ik weet te weinig (of liever gezegd helemaal niets) van de Pakistaanse of Zimbabwaanse poëzie om daar een sluitend antwoord op te geven, maar voor zover ik de poëzie ter wereld ken is dat lariekoek. Wat Nederland als specifieke bijdrage te bieden heeft wordt verwaarloosd en geminacht, en wat de Nederlandse dichters als hun internationale niveau beschouwen is doorgaans epigonisme, mimicry en mosterd na de maaltijd.
3. Uw bekendste werk is de zgn. ‘Dikke Komrij’, een bloemlezing van de gehele Nederlandse poëzie. Ik hoor vaak het verwijt aan uw adres dat u met deze bloemlezing de vernieuwers en de avant-garde in de Nederlandse poëzie wat links heeft laten liggen. Vindt u dat zelf een terecht verwijt? Heeft u een conservatief zelfbeeld, of juist niet?
Toen de bloemlezing ontstond waren de Vijftigers almachtig. Ik was een dichter toen, en nog niet de bloemlezer die uit me geconstrueerd werd. Iedere dichter vecht tegen dominantie. De Vijftigers moesten terug, weg, het hok in. Vade retro. Vergeet niet, er lag in dit tijd een verstikkende deken over de Nederlandse literatuur. In mijn schooljaren had je in het proza al de Grote Drie, dat hield maar niet op. In de poëzie verklaarden de Vijftigers dat ze de enigen en de laatsten waren. Dat laat je als jonge dichter niet op je zitten.
’t Lag en ligt niet in mijn natuur vernieuwers en avant-garde links te laten liggen, dat is een perfide vertekening, wat ik wel wilde, deels bewust en deels onbewust, was een scheiding aanbrengen tussen de talenten en de epigonen. Ik wilde de alleenheerschappij van de Vijftigers relativeren door ze te plaatsen in een traditie. Zo origineel als de vaderlandse poëziebeschouwers dachten waren veel Vijftigers ook weer niet, het was internationaal gezien meer een inhaaloefening dan een revolutie. Voor mij was het een gewoon doorgangsstation, geen eindstation.
De beschuldigende wijsvinger met ‘conservatief’ erop heeft misschien een kans gekregen, niet omdat ik tegenover avant-garde zou staan, maar omdat ik nogal houd van wat men dan wel hardnekkig ‘vormvast’ noemt, maar wat veel meer spelen met vormen is.
Vorm is niet zo’n simpel iets als ze vaak beweren. Wat mensen als Driek van Wissen vormvast noemen, met duidelijke zelftrots, is niet meer dan dreunbestendigheid. TaTOEM TaTOEM TaTOEM heeft niks met vorm te maken. De keer dat je afwijkt is interessanter, en moeilijker, dan de honderd keer dat je gehoorzaamt.
Ik heb weinig op met de nostalgische, traditionele vormvastheid, met dichters die doen of er een eeuwlang niets in de poëzie is gebeurd. Wat dat betreft heb ik me toch altijd meer verwant gevoeld met Oulipo – maar dan, wie had daar in die tijd in Nederland van gehoord?
4. U schreef recentelijk: “Waarom al die huichelaars na de moordaanslag op Dichter des Vaderlands de Eerste nu niet ineens opnieuw moesten gaan doen of de poëzie ze een lor kon schelen.” – wat bedoelt u daar precies mee? Was het beëindigen van het DDV-schap te wijten aan een conflict met bepaalde personen? Waarom hield u die functie eigenlijk voor gezien, en wat is er naar uw mening mis met de organisatie?
Ik kan niet zeggen wat er mis was met de organisatie, want de organisatie was ik. Als er achter de schermen al iets gebeurde, dan heb ik daar niets van gemerkt, dus waarschijnlijk gebeurde er weinig. Ik vond juist dat er meer moest gebeuren en dat ze mij niet moesten laten doormodderen met het pluimstrijken bij potentiële sponsors en het te grabbel laten gooien van mijn goeie naam, al was ik zo langzamerhand de enige die van mezelf vond dat ik nog over zoiets beschikte.
Door ‘af te treden’ wilde ik een discussie op gang brengen over de zin, te ja of te nee, van het DdV-schap. Toen ik het voor gezien hield is er niet één, ik herhaal niet één, krantje of journalistje of lokaal nieuwsgaardertje langs geweest om te vragen: Wat is er eigenlijk precies aan de hand? Wat bezielde je? Wat ging er mis? Kom op met de diepere achtergronden! In de dagen erna niet en in de maanden erna ook niet. En dat bewees precies waar het me om begonnen was: niemand was van plan er iets van te maken en het spel ook maar een beetje mee te spelen, zelfs niet in een relativerende en verschijningsvorm. Wel stond er meteen in het noorden een messiaanse intrigant op die een eigen verkiezinkje ging organiseren, waardoor mijn schriktherapie meteen werd vertroebeld en in de kiem gesmoord.
5. Een ander bekend contra-argument tegen uw bloemlezingen welke men vaak hoort is dat deze op niets anders gebaseerd zouden zijn dan het principe van de ‘goede smaak’, terwijl bijvoorbeeld kunstenaars als Picasso al een eeuw geleden aantoonden dat goede smaak feitelijk geen goede leidraad voor ontwikkeling is. Wat vindt u van dit argument?
Ik heb geen idee wat ´goede smaak´ is. Zolang ik leef is ‘goede smaak’ voor mij net zo’n scheldwoord geweest als ‘fatsoenlijk’ en ‘Tom van Deel’.
Dat goedesmaaksyndroom is waarschijnlijk ontstaan door het feit dat de bloemlezingen in de loop der jaren katholieker, dat wil zeggen breder zijn geworden. Nu, dat heeft louter een economische reden. Het gebloemlees is begonnen als een programma – kijk, dat vind ik en daar sta ik. Na tien jaar is zoiets wel bekeken. Een statement doe je maar één keer. Daarna heb je twee mogelijkheden: of je stopt er mee, of je houdt het succes vast en de plaats die het boek heeft verworven in de boekhandel. Ik heb voor de tweede mogelijkheid gekozen. Of ik daar goed aan deed weet ik niet.
En toen wilde ik – iets anders zat er ook niet op – de poëzie wat meer in kaart brengen, zoals dat heet, er een museum van maken, je geeft er maar een naam aan. De majesteitelijke objectiviteit en een verrukkelijke menslievendheid deden hun intrede, maar om die nu ‘goede smaak’ te noemen… Ik begrijp goddank uit welke hoek de kwaadsprekerij waait.
6. Door u zo nadrukkelijk op te werpen als kronikeur van de Nederlandse Letteren heeft u feitelijk veel minder tijd gehad om aan een eigen oeuvre te werken. Heeft u daar achteraf bezien spijt van? Wat zou u als u terug kon gaan in de tijd anders doen?
Heb ik mij als iets opgeworpen? Maak het een beetje. Ik ben nieuwsgierig, bemoeiziek, ik bijt graag en ik heb stekels, veel meer ook al niet. Ik spring steevast als een militair in de houding zodra ik het woord ‘oeuvre’ hoor. Maar als we deze spotternij even laten voor wat het is: ja, er is sprake van bittere spijt, ik had nooit één regel over het gestuntel van anderen moeten schrijven, ik had geen bloem moeten lezen van die verdoemde akker. Het is het sociale dier in me en de stakker die naar vriendschap haakt, laten we het daar op houden.
7. Vooral in de jaren tachtig en negentig bestond bij veel Nederlandse dichters het idee dat ze ‘vereeuwigd’ waren als ze in uw bloemlezing vermeld stonden. In bepaalde kringen bestond het idee dat men ‘niet meetelde’ als dichter als men niet in de Dikke Komrij stond. U heeft zich daarover, zover ik weet, nooit publiekelijk uitgelaten maar hoe kijkt u zelf tegen dit fenomeen van de ‘vereeuwiging’ aan en tegen de functie van Canons in het algemeen?
Ja, zover is het gekomen. Miserere. Mag men dan niets ‘doen’ met poëzie uit plezier? Uit baldadigheid? Zonder politieke pretenties? Ik zou zomaar een bloemlezing willen maken met gedichten van alleen maar vriendjes (heel dunne bloemlezing) of met gedichten die al onze poëzierecensenten en poëziefilosofen buitengewoon zullen ergeren (heel dikke bloemlezing).
Tis toch treurig dat schrijvers zelf zo verbeten bezig zijn met hun rangnummer en positie binnen de literatuur. Dat lijkt me een zaak voor onderzoekers en wetenschappers. Ik maak me sterk dat deze drang (canonvorming, cijferrapporten) vaker voorkomt bij lieden die hun al of niet vermeend dichterschap combineren met een universiteitsbaan. Bij de ideologische sekte van de campusdichters. Ze kijken als sociologen, analisten en strategen naar de literatuur, en ze zijn vertrouwd met het toontje van de meester. Als wetenschappers mogen ze dat doen, maar als dichters diskwalificeren ze zich.
8. De boekenbijlagen in kranten zijn steeds kleiner geworden, de literaire tijdschriften hebben allemaal een paar honderd abonnees. Tegelijkertijd was er de opkomst van internet en de internetkronieken. Gelooft u dat dit een goede of een kwalijke ontwikkeling is? Zou u nu zelf nog een uitgever zoeken als u net moest beginnen?
De kranten hopen door zich te conformeren aan de smaak van niet-lezers meer lezers te trekken, wat natuurlijk onbegonnen werk is. En de internetwereld is vooralsnog een ongeorganiseerde liederlijke chaos.
Ik ben dol op ongeorganiseerdheid, liederlijkheid en chaos, en ik vrees de dag dat het kranten- en boekenbijlagenmodel zich daar overheen zal leggen.
Ik zou zeker een uitgever zoeken als ik nu zou beginnen, behalve natuurlijk als ik een veilige baan had als psychiater of arts of keurig met mijn schaapjes op het droge stond door mijn positie binnen de academische wereld. Betaald poëzieprofessor, nog beter dan autocoureur of eigenaar van een oliebron! Maar als je van het schrijven moet leven heb je royalty’s en op zijn tijd een voorschotje nodig. Dat is op het web niet geregeld. Literatuur die liefdewerk oud papier moet blijven bloedt dood. De makers vermageren ontstellend.
Aan de andere kant, de literatuurhyena’s liggen in allerlei hoeken al weer op de loer om dit ook op internet allemaal fijn voor de schrijvertjes te regelen. Zodat ze opnieuw het leeuwendeel van de opbrengst kunnen opstrijken.
9. Wat vind u van het algemene niveau van de poëziekritiek in Nederland? Om het wat specifieker bij naam te noemen: hoe ziet u de dominante positie die bijvoorbeeld de grote krantenrecensenten als Pfeijffer en Gerbrandy verworven hebben (dominantie die overigens alweer aan het afkalven is, maar dat terzijde)?
Bij sommige dichters of would be-dichters zie je een haast krampachtig streven om de poëzie onder de dichters te houden. Dat is natuurlijk curieus. Dat is incest. Critici moeten daar niet aan mee doen. Critici schrijven voor een lezerspubliek, en niet voor collega’s. Critici moeten een brug slaan (om het voor een keertje braaf te zeggen) en niet op een uitkijktoren of verhoging plaatsnemen. Het zal wel niet te omzeilen zijn dat critici tot een school behoren of tot een vriendengroepje, maar ze moeten daarvoor luid en duidelijk verantwoording afleggen. Dit alles gebeurt te weinig.
De positie van Pfeijffer en Gerbrandy (je bedoelt de twee grootste landelijke dagbladen, NRC Handelsblad en De Volkskrant) wordt vooral afgekalfd door de directies en redacties van die dagbladen. Ik zou het toejuichen als ze elke week een hele pagina kregen voor een mooi stuk over poëzie, met daartussendoor elke dag een bespreking van een bundel. Dan héb je tenminste iets om voor of tegen te zijn.
10. Gelooft u bijvoorbeeld dat het een goed idee kan zijn juist de poëziekritiek te subsidiëren en de productie juist minder? Hoe ziet u het verschijnsel gesubsidieerde kunst?
Het huidige idee van literaire subsidie (aka Fonds voor de Letteren) gaat niet uit van kwaliteit, maar van goede bedoelingen. Aan goede bedoelingen heb je niets in de literatuur. Het is cent voor cent weggegooid geld.
Ik zie duizenden dichters en dichtertjes om me heen en ze schrijven duizenden gedichten. Dat maakt misschien een miljoen gedichten per kwartaal. Om dat te subsidiëren, daar moet je toch niet aan denken?
De kritiek zou wat meer moeten geselen. Maar gesubsidieerde poëziecritici geselen niet, dat is bekend. Die geven een tikje en delen dan weer suikerklontjes uit. Anders komt hun subsidie te vervallen.
11. Heeft u nog een boodschap aan beginnende dichters, die wellicht door de bomen het bos niet meer zien? Heeft u ook een boodschap voor de gevorderde dichters?
Boodschap is een groot woord. Ik zou alle dichters, beginnend of gevorderd, het brengen van boodschappen willen afraden. Ik zou de beginnende dichters willen toefluisteren: houd van je zelf en vermijd de schriftgeleerden. Ik zou de gevorderde dichters willen toeroepen: houd eens wat minder van je zelf en dicht nog eens wat.
Commentaar