kluger hans

Kluger Hans 8 met James Tate

Gratis online te lezen – dus zo kan het ook – Kluger Hans 8, met de door mij zeer gewaardeerde Amerikaanse dichter James Tate. En het mag ook wel even gezegd worden dat Kluger Hans met hun vernieuwende marketingstrategien en goede vormgeving zeker een van de literaire bladen is die inmiddels bewezen hebben wel op de realiteit te kunnen anticiperen.

Lees Kluger Hans hier

Rectificatie i.v.m. Kluger Hans

Terwijl de webmaster druk bezig was het ontwerp van Loewak te vernieuwen is een onverlaat, een ranzige sprookjesuil, bezig geweest het nieuwe literaire tijdschrift ‘Kluger Hans’ op totaal irrelevante wijze te recenseren met ellenlang gezever over kabouters en paddestoelen.

Uiteraard is dat niet het niveau dat u van Loewak gewend bent en de voltallige Loewak redactie biedt hiermee zijn excuses aan en laat weten dat betreffende uil zeer zeker niet opnieuw toegang zal krijgen tot het redactie-materiaal van Loewak.

Met Kluger Hans is niks mis, en ook op de paddestoel van Risee is niks aan te merken. Ik schrijf dus alsnog even een serieuze recensie, wat kort gehouden omdat de tijd mij ontbreekt:

‘Kluger Hans’ is een nieuw Vlaams Literair tijdschrift. Wat allereerst opvalt is de bijzondere, mooie vormgeving van het blad. Een zeer geslaagde vormgeving die wij graag vaker terug zouden zien komen.

De inleiding van het blad vond ik wat nietszeggend. “Kluger Hans staat voor een literatuur die het contact zoekt met de omringende wereld, die het poëtische in de werkelijkheid blootlegt en die pragmatisch is. Kluger Hans draagt geen fundamentele waarheden uit, maar heeft wel iets te zeggen.” zo lezen we, en als openingsstatement voor een nieuw Literair blad is dat natuurlijk niet bijzonder sterk, want dit stukje zou je zo in elk literair blad kunnen plakken. Bestaan er daadwerkelijk bladen die geen contact met de omliggende wereld zoeken? Bladen die niet ‘het poëtische in de werkelijkheid bloot willen leggen’? De schrijver van deze inleiding heeft er duidelijk niet bij stil gestaan dat zulke statements veel te algemeen geldig zijn om de geboorte van een nieuw literair blad mee in te huldigen.

Hierna volgt een lang gedicht van de Amerikaanse dichteres Spahr. ‘Zij onderzoekt de onmogelijkheid van communiceren’, zo lees ik, maar ze kiest daar vervolgens wel een hele gemakzuchtige methodiek voor: ze neemt drie van elkaar losstaande elementen (wetenschappelijke termen vooral over bloed, persoonlijke observaties, porno) en vermengt deze in een lang gedicht om deze elementen met elkaar in interactie te laten komen. Eerst kies je dus drie dingen die nauwelijks gerelateerd zijn, die laat je vervolgens met elkaar in interactie gaan en dan beklaag je je op metafysieke wijze over de ‘onmogelijkheid tot communiceren’ – tja, zo lust ik er nog wel een paar. Spahr houdt zich keurig aan het stramien der postpostmoderne avantgardisten, en haar poëzie is zeker niet onaardig om te lezen maar ook niet bijzonder spannend. Daarvoor is de gebruikte methodiek te bekend en voorspelbaar, en reikwijdte van haar voornemen gewoon te beperkt. Dat ultradroge postflarf toontje begint me nu al de keel uit te hangen.

Bovendien blijft onduidelijk waarom ‘Kluger Hans’ met een al doorgebroken Amerikaans dichteres opent. Wat is de functie van een literair blad eigenlijk, vraag je je dan af. Is dit niet ongeveer hetzelfde wat de Contrabas ook doet: af en toe een Amerikaanse Avantgardist door de potpourri mengen, voor de goede orde en de goede vorm. Het is wel heel makkelijk om op zo’n manier zelf ‘vernieuwend’ te lijken – terwijl het alleen maar leunen op een bestaande consensus is.

Het tweede item is een verhaal van de Tjechische schrijver Jan Balabán. Over dat verhaal kan ik vrij kort zeggen dat het me totaal niet wist te boeien. De inleiding zegt iets over de ‘minimalistische stijl’ van de schrijver maar ik trof juist veel passages aan die ik onscherp, waaierig en oninteressant vond. Voorbeeldje:

Op weg naar zijn werk bleef hij beneden zoals elke dag bij de brievenbussen
staan. Zijn ervaren blik werd getrokken door iets wits. Door de ronde gaatjes in
het grijze metaal keek hij in zijn brievenbus, er lag een brief. Niets bijzonders,
hij kreeg allerlei brieven, uitnodigingen voor conferenties, herinneringen van
de bibliotheek, maar deze brief was, zag hij, anders. Het adres was met de hand
geschreven. Ja, met de hand. Hij deed een stap naar achteren. Ik laat hem daar
liggen, wat moet ik op dit moment met een brief? Die ga ik toch met me mee
sjouwen. Het zou nog een tijdje duren voor hij aan die brief toekwam. Later pas,
wanneer hij in staat was de gebeurtenissen van de toen juist aangebroken dag
naar waarde te schatten, besefte hij dat hij maar één ding echt wilde: die op hem
wachtende brief in de brievenbus ontvluchten.

Veel overbodige details. Details die het fragment overduidelijk niet spannender maken en alleen bladvulling lijken zijn. Een vertaalfout: brieven ‘sjouw’ je niet.

Opnieuw is niet duidelijk waarom dit verhaal in Kluger Hans staat. De opening heeft het over: ‘Om het half jaar wisselt de Europese Unie van voorzitter. De eerste helft van 2009 is Tsjechië dat. In de rubriek ‘Richting EU’ presenteert Kluger Hans telkens de literatuur
uit dat land.” – een literair blad dat zich dus niet richt op wat van belang is maar wat toevallig de EU voorzitter is op dit moment? Is dat een literair uitgangspunt?

Item drie is een voorpublicatie van Jan Deuvaert’s roman ‘Aldus Antoine’. Het verhaal opent met een droge inleiding, en vervolgens de zin ‘De volgende twee maanden verliepen zoals ze nog tweehonderd jaar hadden mogen verlopen.’ – geen sterke openingszin, vind ik, want die ‘tweehonderd jaar’ is veel te opzichtig irrelevant. Wat volgt is een soort van streekroman verhaal, hier een korte typische passage:

Juli werd genoteerd als de warmste julimaand ooit. Maar ondanks de airco
in de viswinkel bleef mijn lichaam uitzetten. De afgelopen weken had mijn puberteit
voor een tweede maal toegeslagen.
Ruth merkte op hoe mannelijke klanten hun ogen niet van mijn borsten konden
afhouden.
De klanten vergisten zich. Mijn borsten richtten zich niet tot hen maar tot de
handen die ze ’s avonds zouden zoeken.

en:

Eerlijk? Rationeel werd daar boven maar weinig overwogen. De dagen vlijden
zich neer als lome goden en mijn hersens hadden zich aan die gezapige toestand
aangepast. Alles was zoals het was en het was goed; het was beter dan het
ooit was geweest.

Dit typeert zo’n beetje de stijl van het hele verhaal. Wie vind dat ‘de dagen vlijden zich neer als lome goden’ schitterende literatuur is zal bij Deuvaert goed aan zijn trekken komen. Ik vind dit eerder kabbelende pietpraat en ik vraag mij af wat dit in een literair blad te zoeken heeft.

Item vier is een essay van Xavier Roelens over Hotel New Flandres. Het is een ellenlang essay dat drijft op maar één of twee kernargumenten, wat het als essay bijzonder saai maakt omdat je opnieuw het idee hebt dat er eindeloos doorgepraat wordt over iets wat je allang hebt begrepen. Ja, er staan wat dichters niet in HNF die er eigenlijk in hadden moeten staan als de drie musketiers lekker consequent geweest waren. Goh. Nou. Moeten daarmee liefst vijf pagina’s gevuld worden? Opnieuw: te conformistisch, teveel aanleunen op een bestaande hype (HNF), teveel ‘erbij willen horen’ zonder scherpe argumentatie.

Dan als laatste het stuk van Olaf Risee. Dat is eigenlijk het leukste stuk uit het blad. Olaf gaat dapper zelf ook naakt op de foto als tegenhanger voor Pfeijffer. Zijn stuk beargumenteert wezenlijk dat Pfeijffer heeft nagelaten de vernieuwer te zijn die hij bij zijn ‘aantreden’ wel voorgaf te willen zijn. Dat is natuurlijk een beetje naief, dat idee dat mensen die roepen vernieuwers te zijn ook daadwerkelijk vernieuwers zijn. Meestal is dat natuurlijk niet zo. Mensen roepen dat omdat ze de aandacht willen trekken met iets anders dan hun werk. Dat is bij voorbaat al een verdacht gegeven, natuurlijk.

Het stuk is daarom vooral een soort relaas van een teleurgestelde fan. Risee zit er op de foto ook een beetje sip bij. Dat wekt uiteraard sympatie op, want iedereen is wel eens zwaar teleurgesteld in een idool geweest. Maar als kritiek heeft het uiteraard weinig body, want dat Pfeijffer geen grote vernieuwer is dat wist zo’n beetje iedereen al.

Het eerste nummer van Kluger Hans lijkt me daarom geen overtuigende openingszet. Wat het blad vooral mist is een duidelijke literaire formule: het mist een duidelijk bestaansrecht. Een Amerikaans avantgardist, een Tjechisch schrijver, een streekroman, een schoolmeesteressay en een teleurgestelde fan: wat hebben deze zaken met elkaar te maken? De onmogelijkheid tot communicatie is geen literair uitgangspunt.

M.H.Benders – Istanbul, 20-02-2009

De paddestoelendans van Kluger Hans

Zo, lieve kijkbuiskindertjes, u mag van mij best weten dat Mijnheer de Uil enige autoriteit heeft als het aankomt op kabouters en pauwenstaarten. Het mannelijke pauwtje ontvouwt zijn enorme staart om indruk te maken op de vrouwtjes en mannelijke concurrenten af te schrikken. Helaas voor de pauw heeft echter de natuur vergeten dat het met zo’n zware, dikke staart moeilijk wegrennen is en vandaar ook dat de pauw een geliefd maal is voor menig sluwe vos.

Vandaag plofte ‘Kluger Hans’ op de digitale deurmat in het sprookjesbos. Ik had al een en ander over het blad vernomen omdat een van de redacteuren, Dhr Olaf Risee, mij regelmatig via het bossmoelenboek liet weten dat hij een pauwenstaart van Golathiaanse proporties in zijn kabouterbroek koesterde. Een en ander naar aanleiding van de naaktfoto van Kabouter Pfeijffer, die achterop zijn nieuwe sprookjesboek prijkt.

Nu is Pfeijffer natuurlijk een apart geval. Die foto is als het ware de ultieme bekentenis. De boodschap die hij uitstraalt is vooral de boodschap der ultieme schattigheid. Hier zit overduidelijk een vriend van de hele mensheid te glimmen. Een ongevaarlijke, maar hele aardige vriend. Een knuffel-literator die u met geen mogelijkheid iets door de strot zou kunnen rammen. Een hele aardige man, om het maar even kort samen te vatten.

De foto riep bij Risee echter grote verontwaardiging op. Ik snap dat wel. Risee geeft in zijn stuk zelf al aan dat hij aanvankelijk hoopvolle gevoelens koesterde richting Pfeijffer. Hier zou een man bezig gaan die de literaire wereld wakker ging schudden. En wat is er uiteindelijk van geworden? De ultieme knuffelbeer die je zo even zonder gene aan je kleine nichtje uit zou lenen. Risee besloot dat het anders moest, en zo werd de contra-foto in Kluger Hans geboren.

Nu mag u best van mij weten dat Mijnheer de Uil aardig wat tijd heeft gestoken in het bestuderen van het mannelijk geslacht. Van Rocco Siffredi tot Pierre Woodman, van Ron Jeremy tot Zilveren Paultje, ik ben vrij goed onderlegd in de kunst van de penis-esthetiek. De boodschap van Olaf Risee dat hij iets van stuurknuppel proporties in knuffelberenland zou werpen riep dan ook op zijn beurt bij mij weer hoopvolle gevoelens op. Eindelijk iemand die zijn enorme totempaal in het hoenderhok gooit, dacht ik, eindelijk een vent die wel weet dat Abraham zijn mosterd niet uit dunne knijpzakjes trekt. Ik sloeg dan ook vol verwachting ‘Kluger Hans’ open en bladerde meteen naar de beruchte foto.

Helaas. Een typisch kenmerk van de mannelijke pauw is dat hij de eigen staart nooit goed weet te duiden. Dat wil zeggen: vraag een pauw naar zijn staart en ze hebben allemaal de grootste, de mooiste, de breedste en verzint u nog maar wat superlatieven erbij. De staart van Dhr Risee is echter van een doorsnee formaat. Dat hij net iets groter lijkt is een optische truuk, veroorzaakt door het feit dat het kaboutertje wat eraan vastzit naar verhouding zo klein is.

Behalve dat Mijnheer de Uil veel van penissen weet, weet hij ook veel van literatuur. De penis is de paddestoel waarin de boskabouterziel van de man huist. Een mooie paddestoel hoeft niet perse een mooie kabouter te bergen: er zijn genoeg aartslelijke kabouters die in prachtige paddestoelen wonen. Maar zodra er uit een – toegegeven vrij klein behuisde – paddestoel een literator komt stappen en vervolgens komt een andere literator zijn paddestoel uit en begint in tegenreactie te oreren: nou, dan wordt het tijd dat Mijnheer de Uil eens goed naar de paddestoelen zelf gaat kijken.

De paddestoel van kabouter Risee staat wat scheef, waarbij het niet duidelijk is of de paddestoel van Risee van nature scheef staat of dat hij te lui was om zijn paddestoel even voor de foto recht te trekken. Wat nog meer opvalt is dat de sporenzakken, wat toch een essentieel onderdeel van de paddestoel is, vind ik, juist weer relatief klein is bij Risee, dit in tegenstelling tot bij Pfeijffer die juist weer een behoorlijke berenzak had dan verhoudingsgewijs natuurlijk. Nog erger is dat hetzelfde opgaat voor de kroonluchter van de paddestoel, de hoed. De hoed is uiteraard wat een paddestoel een paddestoel maakt. Die is echter bij Risee te smal ten opzichte van de basis, waardoor het hele ‘paddestoel’ idee verdwijnt en je meer aan een raket gaat denken, wat natuurlijk ook een heel mooi ding is, een raket. Maar een echte paddestoel is het niet.

Het moet gezegd worden dat de paddestoel van Kabouter Risee in lengte de paddestoel van Kabouter Pfeijffer weet te kloppen. Zijn paddestoel is ongeveer even lang als het goedkope Nokia mobieltje dat langs hem op de oude kabouterbank ligt. Ik kan echter niet anders dan concluderen dat de moedige staatsgreep op de literaire paringsdans door Risee is mislukt. De boodschap van Kabouter Pfeijffer’s foto was: schattig. Maar wat voor boodschap straalt Risee’s foto precies uit? Iemand met veel kopzorgen, die nerveus zijn been onder zijn andere been verbergt. Iemand die snel even een foto maakt maar te lui is om zijn paddestoel even netjes recht te zetten. Iemand die niet begrijpt dat ook de accessoires bij een paringsdans van belang zijn: weg met die goedkope mobiel en die stereo van de rommelmarkt. De sjieke boekenkast van Pfeijffer, daar kun je toch geen zelfgetimmerde boekenplankjes tegenover zetten met nota bene de Bijbel als enig zichtbare boek?

Nee, de kunst van de paringsdans is aan Risee volstrekt niet besteed. Zijn stuk gekant tegen Pfeijffer heeft dezelfde tekortkomingen: te kleine basis, en de hoed is niet goed. De basis is mager, dat is zijn bewondering voor Ilja. Het middenstuk is breed, ellenlang gezever over dat Ilja geen groot vernieuwer is, een overbekend gegeven. De hoed is weer te klein: dat is de foto zelf die gewoon niet extreem genoeg is om indruk te maken. Jammer, maar toch een plakplaatje van Mijnheer de Uil want natuurlijk wel dapper van Kabouter Risee om zo van leer te trekken. Daar lusten we in het grote sprookjesbos allemaal wel pap van.

Oh ja, en dan heeft Mijnheer de Uil ook nog de rest van het blaadje gelezen. Daar stonden welgeteld 2 verhalen en 1 gedicht in van mensen uit vergelegen bossen. Ook reageert Kabouter Roelens op het grote sprookjeshotel van zijn buurkabouter van Bastelaere. Kabouter Roelens heeft op dat stukje flink zijn best gedaan, maar helaas kan Mijnheer de Uil het in twee zinnen samenvatten: er staan wat kabouters niet in het sprookjesboek die er wil in hadden moeten staan, vindt Roelens. Waarom maakt Kabouter Roelens dan zelf geen sprookjesboek? Nou, omdat hij indruk wil maken op Kabouter van Bastelaere, natuurlijk. Opnieuw een paringsdans, dus.

Het gedicht vondt Mijnheer de Uil wel aardig, maar ook een beetje te conformistisch. Men neme drie elementen en men mengt deze met gortdroge humor tot een totaalgedichtje en dan is de grap dat die drie dingen die eigenlijk niks met elkaar te maken hadden dan toch in interactie blijken treden! Nou, dat weten we dan ook weer, het is zeer hip hoor, Juffrouw Ooievaar, maar waarom moest dit zo prominent in het blad? Dat werd niet duidelijk.

Nee, Kluger Hans is duidelijk een paard dat nog aan het sprookjesbos moet wennen. Hier kunnen wij allemaal tellen, en Mijnheer de Uil telt nog wel ten beste. In de grote boze mensenwereld, lieve kijkbuiskinderen, heet zo’n paard al snel een bijzonderheid te zijn. Daarom had Kabouter Risee er beter aan gedaan het blad niet ook in het sprookjesbos te droppen, waar de paddestoelen immers welig tieren.