Loewak lanceert: Gratis Literair Tijdschrift
”Lezen = Lezen’ is een nieuw literair tijdschrift. Het verschijnt vooralsnog drie keer per jaar. Het is het eerste literaire tijdschrift dat volledig gratis is. Geen abonnementskosten, geen subsidies, iedereen kan het gratis ontvangen.
Wij geloven dat het ook goed mogelijk is een gratis elite te zijn. Wij zijn gratis en elitair, en tegelijkertijd ook voor iedereen. Omdat het belangrijk is dat literatuur geschreven blijft worden. Doel van ‘Lezen = Lezen’ is primair goede literatuur naar een breder publiek brengen. Gratis.
Literatuur als het geweten der natie
De stukken van Marc Reugebrink lees ik graag. Dat is omdat zijn stukken altijd iets kalmerends en vaderlijks hebben, en ze vol staan met observaties die niet direct voor de hand liggen. In tegenstelling tot zijn meeste collega’s heeft Reugebrink de kunst van het kijken nog niet helemaal verleerd. Toch ben ik het zelden met de strekking van de stukken van Reugebrink eens, en vooral niet met zijn premisses. Nu schreef hij weer een artikel in de Standaard, dat hier te lezen valt:
Marc Reugebrink over het Juiste Schrijverschap
Het zijn de bekende uitgangspunten van Reugebrink die hij wel vaker in zijn stukken gebruikt. Maar zijn de premisses van zijn meningen deugdelijk? Is literatuur eigenlijk wel ooit het geweten van de samenleving geweest? Dat beeld van ‘de markt als dictator’ die ‘het geweten van de literatuur’ heeft vernietigd of irrelevant gemaakt – een vorm van slachtofferdenken in zuiverste vorm – is het probleem niet veel eerder dat de literatuur door zich 40 jaar lang te laten fiatteren door de macht zichzelf ongeloofwaardig gemaakt heeft? Waar was het protest? Waar is het protest nu? Hoeveel schrijvers schreven iets over Guantanamo Bay? Geen kip. En als ze er al over schreven, liefst op dezelfde wijze als in China: vogeltjes in kooitjes.
Wie wil beargumenteren dat literatuur ‘het geweten van de samenleving is’ kan dat nooit doen vanuit zo’n positie – omdat er immers geen duidbaar alternatief is. Als de premisse klopt dat de dictatoriale markt gewetensvolle schijvers onklaar maakt zou er een zichtbare marge van geweten moeten bestaan, en juist die bestaat niet. Ook de marge heeft het WEL over 911 maar NIET over Guantanamo. Precies dezelfde taboes die ook in de bovenlaag prevaleren. Het is feitelijk dezelfde bovenlaag, maar dan eentje die de onderlaag nadoet.
Dat zag je ook in geval van de Revisor: men probeert het krantentaboe te repliceren naar internet, naar de oneindige ruimte, daarbij elke vorm van polemiek preliminair onklaar makend – de krantencensuur, maar dan
ONZE belangen dienend, volledig betaald door de staat. En dat dan als ‘geweten van de samenleving’ verkopen? Terwijl de primaire functie van literatuur nooit die van ‘ het geweten’ is geweest – dat is op zichzelf al een verkapitaliseerd principe. Wie de literatuur zo’n marginale rol toebedeelt is zelf al door het systeem gecorrumpeerd.
Baudelaire als geweten van de samenleving? Niemand had het honderd jaar geleden in zijn hoofd durven halen om zo’n rare welvaartstaat-definitie op het schrijverschap te projecteren.
Het ‘geweten’ is essentieel een reactionair instrument. Het kan alleen op de werkelijkheid reageren, en dient er dan toe deze werkelijkheid ‘terug te fluiten’ naar een correct spoor. Wie meent dat zo’n tafelmanieren-taak de schrijver op het lijf geschreven is snapt niets van de essentie van literatuur, die in het visionaire gelegen ligt: de schrijver moet een voorloper zijn, en geen achterhoedegevecht leveren om de ‘maatschappij te pogen corrigeren’.
Aan dat voorhoede gevecht heeft het natuurlijk ontbroken. De schrijvers lieten zich 40 jaar lang door de overheid fiatteren, lieten zich in de watten leggen, en schreven boekjes vol grensverleggend gezapige seks en andere pseudodecadente onzin. Als lemmingen lieten zij zich aan de hand van vadertje staat gedwee richting afgrond leiden. En nu die afgrond in zicht komt heeft ‘De Markt’, van wie zij dus nooit afhankelijk zijn geweest, het plots gedaan. Een totaal absurde redenatie, maar wel op een heerlijk kabbelende vaderlijke toon gebracht.
Dat iemand als Mulisch, correct geanalyseerd, zich prima conformeerde aan de taboes van zijn tijd: wel op een zeepkist klimmen tegen de vietnamoorlog, toen dat eenmaal van schrijvers verwacht werd, maar de daadwerkelijke taboes van zijn tijd altijd netjes respecterend – wat was er in de jaren 70 taboe? Niet het protest tegen vietnam, dat was bijna gemeengoed. Juist daar ligt de discrepantie met het nu: het protest is nu ook in de marge totaal afwezig.
Wat typisch is voor de laatste 10 jaar is het Nieuwe Taboe. Wie grote internetmedia als de BBC en de Huffington Post bestudeert ziet dat daar een heel eigenaardig fenomeen gaande is. Wie twee jaar terug op de BBC site kwam liep tegen een muur van protest op, die ‘Have Your Say’ heette. Een hele levendige plek waar het protest van burgers uiterst voelbaar was. Twee jaar later is het onder auspicie van Vadertje Staat totaal onklaar gemaakt. Geen protest meer te vinden.
De Huffington Post werd vorig jaar opgekocht door een mediagigant. Op sluipende wijze zie je het blog veranderen. De 911 memorial levert alleen artikelen op die ‘op correcte wijze’ de gebeurtenissen rond 911 bespreken, maar de commentaarvelden lopen over van de amerikanen die van dat verhaal (terecht) geen barst meer geloven, met als gevolg dat de moderatoren overuren draaien.
Het is precies die tweedeling die nu in onze maatschappij speelt: de media-realiteit versus de realiteit van de burger. Aangezien de schrijver zich zo sterk aanschurkt tegen de media-realiteit en op geen enkele wijze een woord geeft aan de alternatieve kant – niet van het ‘populisme’, nee, van het protest! Men gaat bijna al denken dat die twee synoniemen zijn geworden – die onscheidbare eenheid van media en schrijver – dat is feitelijk de oorzaak van zijn marginaliteit. Daar heeft hij zelf enorm veel moeite voor gedaan. En de markt mag dan de schuld krijgen, een markt waarvan hij nooit afhankelijk durfde zijn.
Nee, de schrijvers hebben hun marginaliteit vooral aan zichzelf te danken. Wie geen voorloper meer durft te zijn, maar een corrigerend staatsinstituut – mijn god, je moet wel een enorme pietlut zijn om daar enige behoefte aan te hebben. Alsof het niet klip en klaar is dat het systeem als dusdanig ontspoord is – van een schrijver verwacht ik toch echt wel meer dan een politiek correcte variant op de kroegpraat die je overal al hoort. Van een schrijver verwacht ik visie. Een geweten hebben, dat doet ie maar ‘s avonds in de avonduurtjes, als er niemand meer kijkt.
Column: Henk en Ingrid zijn het probleem niet
Vandaag ga ik in alle hitte (de temperatuur schommelt inmiddels weer rond de 33 graden) 24 filosofie studenten van de Erasmus universiteit in Rotterdam een grote Buyukada toer geven. Onbetaald verder, maar leek me gewoon wel lachen om 24 filosofie studenten flink te laten zwoegen. Bij 33 graden anderhalf uur de berg op, een fles wijn drinken, en dan weer anderhalf uur teruglopen. Eens kijken of die mensen iets te vertellen hebben. Toers geven doe ik verder nooit, krijg wel sporadisch verzoekjes om poezie te lezen op de ambassade of om sinterklaasfeest te komen vieren daar maar zo reddeloos verloren ben ik nog niet.
Met de verkoop van ‘Willem’ gaat het goed, nu bijna 100 exemplaren verkocht – voor een maand zeker niet slecht, vergelijk Karavanserai waarvan in 3 jaar tijd 140 exemplaren zijn verkocht. Al met al meer bewijs dat ‘promotie’ niet bepaald een argument is om bij een grote uitgever te gaan zitten. Grote uitgevers doen uiteraard niks aan promotie, want dat kost geld, en alles wat geld kost wordt zorgvuldig gemeden, behalve als het nergens op slaat, want dure fotografen vormgevers feestjes etc etc zijn wel Gung-Ho. Tel daarbij op dat de ‘begeleidende editor’ tegenwoordig vooral een beginnend studentje is dat stage loopt en je trekt al snel net als ik de conclusie dat je beter je eigen boontjes kunt doppen. Ook Leo Vroman liet deze week in een interview weten dat hij die zgn ‘Editors choice’ niet meer zo ziet zitten: ‘Ja, dat is zijn mening, iemand anders heeft weer een andere mening’. Het idee dat zo’n oude gigant als Vroman naar een stage-lopend studentje moet luisteren voor ‘kwaliteitsadvies’ – is een grotesker idee denkbaar? Toch hoor je dat argument nog steeds weerklinken – bij grote uitgevers is de begeleiding etc. Onzin, jongens. Er is niemand die je werk beter kan bekritiseren dan je zelf kunt. En pas als je dat zelf kunt ben je ergens – kun je dat niet dan ben je in het beste geval een cosmetisch dichter.
Ik hoorde iemand zeggen laatst dat de interesse van de meeste mensen in kunst of poëzie ‘cosmetisch’ is. Ik heb daarover nagedacht en mijn conclusie is een vervolg daarop: naar mijn idee zijn ‘Henk en Ingrid’ het probleem helemaal niet, nu niet en zijn ze ook nooit geweest. Het probleem ligt aan de andere kant, aan de kant van die schijnelites die geen elites durven zijn, maar tegelijkertijd wel aan de macht zitten. De dichters, bijvoorbeeld. Want hoeveel van die 100 bundels die ik verkocht werden door andere dichters gekocht? Je zou verwachten een groot deel, maar de waarheid is: vijf. Vijf dichters kochten mijn bundel, en zie daar dus de werkelijke reden achter de impopulariteit van de poëzie: dichters lezen geen poëzie meer. Iedereen schrijft, en niemand leest. En dan zijn Henk en Ingrid heerlijke zondebokken: die barbaren, die geen poëzie meer lezen. Nou ik weet wel wie er geen poëzie meer lezen. En ze heten niet Henk en Ingrid, maar hebben veel bekendere namen. En ze hebben geen greintje interesse in het werk van anderen, schijnbaar.
Ja, in cosmetische zin. Zo kon Karavanserai de bundel zijn die je ‘overal zag’ en waar ‘iedereen het over had’ en uiteindelijk na 3 jaar bleken 140 exemplaren te zijn verkocht. De belezenheid zelf is cosmetisch geworden. Of altijd al geweest, want ook Nijhoff verkocht van zijn bekendste werk 400 exemplaren. Het is dan toch moeilijk het literatuuronderwijs weer eens de schuld te geven – weer zo’n zondebok die het bij de middelmatige dichtersmassa goed doet.
Middelmatigheid wordt de hemel in gelauwerd, en tegelijkertijd koopt men elkaars boeken niet maar heeft men wel bij navraag altijd alles gelezen. Dat is de stand van zaken in poëzieland. Henk en Ingrid hebben daarmee niets van doen. Die lazen, lezen en zullen nooit poëzie lezen, maar dat is hun goede recht. Daar zijn ze Henk en Ingrid voor. Maar je zou van de grote subsidieslurpers toch wel enige betrokkenheid bij hun vakgebied mogen verwachten.
Maar die tijden, tijden dat je als elite nog enige verantwoordelijkheid had – ze liggen ver achter ons. De elite is tegenwoordig vooral slachtoffer. Als ze aan de macht zijn, dan is dat toevallig. Opstappen is niet nodig, want ze hebben geen verantwoordelijkheid en bovendien, van foutjes kun je leren. Die elite, die schijnuniversele elite. Die alleen kan functioneren bij afdoende zondebokken. En dan komen Henk en Ingrid altijd weer heel goed van pas. Want dan kunnen ze zich weer even superieur wanen, deze talentloze beschaafden, deze slachtoffers van de welvaart, deze huichelachtige banketintellectuelen met hun zuurdunne boekjes.
Interview met Benders (7): Babyboomers, Marginalisatie en Propper als Congierge
Heer Benders, een nieuwe dichtbundel, een uitgeverij, een sociaal netwerk, een fonds voor kritiek. What’s next?
Naar mijn mening heb ik met deze tweede bundel voorlopig even genoeg bijgedragen aan het poezielandschap – inmiddels zijn er 156 gedichten van me gepubliceerd. Ik denk dat ik hierna met een ‘Verzameld werk van’ kom maar dat duurt nog wel even. Momenteel focus ik me op andere zaken: een boek met korte verhalen, wat commerciele boeken, en een CD met electronische muziek. Ook loopt het project met Bart van der Pligt nog. Ik verwacht binnen een jaar weer met twee of drie nieuwe objecten aan te komen.
De eerste bespreking van Abe de Vries van de nieuwe bundel was behoorlijk lovend
Was ik natuurlijk blij mee. Ik ken Abe de Vries verder helemaal niet – ik had eerlijk gezegd eerder een negatieve bespreking verwacht op de Contrabas, maar dat viel dus mee. Och, ik heb ook geluiden gehoord van mensen die het minder vonden dan Karavanserai. Vind ik zelf niet. Ik voel me beter bij die nieuwe bundel dan ik me bij de eerste voelde. Het eerste wat ik gemaakt heb waar ik tevreden mee ben voor mijn gevoel. Dan is het al niet meer zo heel belangrijk wat anderen vinden, eigenlijk, maar uiteraard hoor je graag dat mensen iets genietbaar achten wat je gemaakt hebt.
Kun je al iets vertellen over het boek met verhalen dat je nu maakt?
Het is een boek met korte kafkaesque verhalen, met fantastische verhalen. Je krijgt van uitgevers altijd te horen dat ‘korte verhalen niet mogen’ en dat ‘alleen romans verkopen’. Zelfs al is dat zo, dan zijn mensen niet goed bij hun hoofd, want niets is zo schitterend als een boek met goede korte verhalen. In mijn tienerjaren verslond ik boeken als die rare fantastische verhalen van R.A.Lafferty – dat is schitterende literatuur, literatuur met een brein. Bijna alles wat ik hedentendage uit zie komen vind ik vrij hersenloos, op een paar uitzonderingen na.
Ga je ook werk van anderen uitgeven of alleen werk van jezelf?
In principe wil ik een echte uitgever worden, maar dan wel met een schappelijker verdienmodel voor de auteurs. Ik denk dat die 10% die oude uitgevers hanteerden wel erg riant in het voordeel van de uitgever uitpakte. Laten we even wel wezen: ik heb totaal geen behoefte met mijn boeken het onderpand te vormen voor een duur grachtenpand van een of andere uitgeverij. En wie kan mij binnen zo’n uitgeverij nog iets over poezie vertellen? Dat is toch klinklare onzin, dat een of andere stagiere daar mij moet ‘begeleiden’ om tot een bundel te komen. Kletskoek. Maar als ik werk van anderen ga uitgeven dan ga ik wel een hele hoge kwaliteitsdrempel leggen met veel begeleiding – behalve als het gaat om gerenommeerde auteurs, natuurlijk, maar de kans dat die bij mij willen uitgeven zal wel klein zijn. Maakt me niet uit. Het is net als bij mijn sociale netwerk Soulsat – het is kleinschalig, mensen lopen niet en masse over vanuit facebook, maar dat zal mij een zorg wezen. Ik wil iets opbouwen met mijn eigen handen. Ik wil geen anonieme kloothommels rijk maken met mijn werk.
Ben je niet bang dat je op die manier gemarginaliseerd gaat worden als je alles buiten het circuit zelf gaat doen?
Weet je wat ik marginaal vind? De meest besproken bundel van 2008 hebben en dan precies 142 exemplaren verkopen. Dat is het ware gezicht van de marginaliteit. Marginaler kan al helemaal niet meer, zeker niet als je er dan 10% van krijgt. Kom nou even, ik ben toch niet op mijn achterhoofd gevallen. Iedereen met ogen in zijn hoofd ziet toch dat in die 20 literaire bladen die Nederland rijk is altijd dezelfde namen circuleren, het is een totaal pieterig onbenullig claustrofobisch wereldje. Je bent marginaal als je daar in gaat zitten en meent dat je iets voorstelt.
De subsidie voor literaire tijdschrijften wordt overigens nu afgeschaft
Het zal mij benieuwen hoeveel van die tijdschrijften nu blijven bestaan, alleen daarom vind ik het al een interessante maatregel. De meeste van die tijdschriften hadden geen enkele achterliggend gevoel van noodzaak. Hollands Maandblad? Laat me niet lachen, wat een middelmatige dichtertjesparade, wat een doorsnee consensus. Waarom moet zo’n blad bestaan? Omdat lui die al dikke subsidie kregen om bundels te schrijven ook nog eens een bij kunnen klussen als elkaars consensusbepalers? Awater. Een exemplaar thuisgestuurd gekregen. Gemaakt met steun van het Fonds der Letteren. Dat weerhoud hoofdredacteur Ron Rijghard er niet van erin te adverteren voor zijn eigen boek. Dat mag natuurlijk, maar wie controleert of ervoor betaald is? En waarom adverteert Nieuw Amsterdam met het complete oeuvre van Frank Starik en is er niets te zien van hun andere auteurs? Voor de rest vooral een blad dat van de studentikoziteit aan elkaar hangt. Maar goed, laten we maar eens zien welke bladen ook pit hebben en niet alleen uit eigenbelang bestaan. De meeste zullen wel leeglopen als lekgeprikte ballonnen.
U gaat zelf trouwens een tijdschrift beginnen heb ik begrepen?
Inderdaad, dit leek mij een prima moment om zelf eens een literair tijdschrift te beginnen. Binnenkort daarover meer. Het gaat ‘Lezen is Lezen’ heten.
Ellen Deckwitz verweet in een interview vooral de babyboomers in de literatuur niet op te willen stappen. Bent u het daarmee eens?
Vroeger was het gebruikelijk dat je ’stromingen’ had en een dichter die zo’n stroming vertegenwoordigde was dan een tijdje in de schijnwerpers, en dan maakte hij weer plaats voor een andere figuur van een andere stroming met een andere mening. Tegenwoordig zitten we meer met model balkenende te kijken: de babyboomers die weigeren op te stappen en voor eeuwig hip zijn. Dat is inderdaad verschrikkelijk irritant. MAW die ’stromingen’ van vroeger waren niet zuiver een modefenomeen maar ook een manier om netjes de macht te wisselen steeds en het geheel veelzijdig te houden. Sinds de stromingen verdwenen zijn zitten we met een elite opgescheept die slechts met hele grote moeite van zijn plek te krijgen is. Dat is niet leuk voor jonge mensen. Ik ben zelf niet echt jong meer, maar mij hebben ze ook nog nooit ergens voor gevraagd. Ik protesteer al sinds mijn tienerjaren tegen allerlei misstanden, maar heel weinig mensen luisteren.
Het Fonds der Letteren diende laatst Kluun van repliek. Hij was toch welkom in China. Wat vind je daarvan?
Dhr Kluun wordt wel van repliek gediend als hij met kritiek komt, maar op kritiek uit ’foute hoek’ van ondergetekende zwijgt men in alle talen. Dat is het ware gezicht van dit systeem: te incompetent om een eigen alternatief te kunnen formuleren, en niet incompetent genoeg om politiek succesvol te zijn. Het is de laag ’boven kluun’ die zich ver verheven voelt maar feitelijk met de adem zeer dicht op het populisme leeft. Het typeert de huidige macht, gebaseerd op de CV cultuur: geen enkele verworvenheid doet ter zake.
Over 10 jaar is Dhr Propper een congierge, ergens op een basisschool in de provincie, en zal hij zich zijn gloriedagen herinneren waarin hij Kluun van repliek diende en de echte kritiek lekker doodzweeg. Lekker makkelijk, zo’n mannetje.
Ook Het Fonds der Letteren in Belgie heeft een nieuwe directeur: rechtstreeks afkomstig van Sony. Leuk toch dat geld bedoeld voor literatuur wordt gegeven aan dat soort gladde jongens om even te doen alsof ze ergens verstand van hebben?
Een voorwoord van Rob Zeeman
Veel bundels hebben geen voorwoord. Dit is omdat echte intellectuelen een bedreigde diersoort zijn geworden en het dus verdomd lastig is er een te strikken om het voorwoord van je bundel te schrijven. Vaak moet je het toch met tweederangs materiaal doen, iemand die literatuur heeft gestudeerd, een bloemlezertje, iemand met knopen en wortels in zijn haar. Met gepaste trots maak ik echter bekend dat het mij gelukt is Rob Zeeman te strikken om het voorwoord bij mijn bundel te verzorgen.
Rob is, heel toevallig, ook al meer dan een jaar een van mijn beste facebookbuddies. Ik vroeg hem een intellectueel voorwoord te schrijven voor mijn bundel ‘Wat koop ik voor jouw donkerwilde machten, Willem’. Rob was mijn eerste keus en mijn geluk kon niet op toen hij ‘ja’ zei. Van alle critici en intellectuelen op internet of in de academische wereld is Rob Zeeman simpelweg het meest geconcentreerd. Daarom wil ik hem. Als hij iets zegt, klinkt geen twijfel door. Hij zegt precies waar het op staat, maar op zo’n manier dat het heel enthusiasmerend overkomt. Dat je de neiging krijgt ‘Bravo’ te gaan roepen en in KAPITALEN GAAT DENKEN. Zo goed is Rob Zeeman gewoon. Ik ben dolblij dat hij heeft toegezegd mijn bundel aan een kritische blik te gaan onderwerpen.
ONDERWERPEN. Ja, natuurlijk, hier had Hans Groenewegen kunnen staan. Uiteraard, uiteraard, Komrij had nog eens kunnen zeggen dat de bundel beter is dan de tweede wereldoorlog. Maar wie is nog waarlijk onder de indruk van zulke overgeciteerde heerschappen? Ik heb al een kwootje van Herman Koch. Meer heeft het Nederlands publiek niet nodig. Nu wordt het tijd positie in te nemen, de stellingen te bezetten, met scherp te gaan schieten. Nu wordt het tijd de Nederlandse Literatuur de Eenentwintigste Eeuw in te leiden. Met gepaste trots meld ik u dat mijn bundel vergezeld zal gaan met een authentiek voorwoord van Rob Zeeman. Het is de enige Nederlandstalige bundel ooit die dat genoegen ten deel viel.
Istanbul, 8 mei 2011 – Martinus Benders
Interview met Benders – deel 8 – If hollywood don’t need you
Hey Benders, vanwaar de beslissing om zelf een uitgeverij te beginnen en niet bij een bestaande uitgeverij verder te gaan?
Mensen die mij kennen weten dat ik nooit erg gecharmeerd was van de bestaande orde. Ik heb altijd consistent beweerd dat ze naar mijn mening erg veel rommel publiceren. Ik zag er lange tijd helemaal geen brood in en heb toen Jaeggi me specifiek vroeg gedacht, nou ja, het valt te proberen. Mijn ervaringen met dat wereldje zijn niet positief. Dat begon al bij de eerste ontmoeting op de uitgeverij. Ik kreeg te horen dat over politiek schrijven niet Bon Ton was en ik kreeg meteen daarna een speech tegen conceptuele kunst voor de kiezen. Ik had echt iets van ‘wat doe ik hier eigenlijk’. Mijn afkeer ook wel duidelijk laten blijken, want men heeft zich daar ook totaal niet inhoudelijk meer met het boek bemoeid.
Die bundel kreeg toen een hele positieve ontvangst. Maar ik merkte dat men heel verbaasd was dat ik mijn ‘houding’ niet wijzigde nadat de ‘orde’ mij had geusurpeerd. In Nederland is dat een goede traditie: je hangt een aantal jaren ‘de rebel’ uit, tot de orde je erkenning geeft en dan zwijg je tot je dood bent of speelt nog een beetje de foprebel voor mensen die niet beter weten.
Ik bleef me gewoon precies hetzelfde gedragen als voorheen: dingen bij hun naam noemen, naar niemands pijpen dansen. En ik kreeg hele rare dingen voor mijn kiezen. Zo kreeg ik van Erik Lindner te horen via email dat hij nooit meer een bundel van me zou gaan recenseren, omdat ik me niet had gedragen zoals zijn ideaalbeeld het hem in de oren fluisterde.
Daarna kreeg ik, toen ik genomineerd werd voor de Buddingh, van een hogelijk verbaasde redacteur aan de lijn te horen ‘Nou, het is je dus toch nog gelukt genomineerd te worden’ iets wat hem dus hogelijk verbaasde, om mij onduidelijke redenen.
Alweer een hint dat het dus vooral ‘gedrag’ is dat je op bepaalde lijstjes doet belanden, en niet de kwaliteit van je werk.
Ik hou daar niet van. Ik vind dat een gecorrumpeerde consensus. Als je in die positie zit kun je twee dingen doen:
1. De rest van je leven je mond houden en de Gadaffies hun gang laten gaan
2. Iets doen waardoor je trots op jezelf kunt zijn.
Ik kies voor optie twee. Daar zou ik altijd voor kiezen. Ik probeer mijn hele leven al dingen te doen die me trots kunnen maken op mezelf. Mijn helden zijn altijd mensen als Steve Albini geweest en Lee Perry, mensen die zich niets aantrokken van de gevestigde orde en compleet hun eigen gang gingen. Zo wil ik ook zijn. Ik wil ook niet in een hierarchie functioneren die niet mijn hierarchie is.
Schort er dan geen kwaliteitscontrole als je alles zelf gaat doen?
Ze schijnen echt nog te bestaan, mensen die menen dat je goede muziek bij een platenmaatschappij moet zoeken, of mensen die menen dat je goede films het beste in Hollywood bij een grote filmstudio kan gaan zoeken.
Gelukkig zijn echter de meeste mensen wat volwassener in hun wereldbeeld, behalve in de literaire wereld. Daar heeft zich een bosje kneuzen verzameld die meent dat dit soort bespottelijke borstklopperij op iemand nog indruk maakt, of dat ze hun collega’s er op een of andere wijze een deugd mee bewijzen – god mag weten waarom ze dat denken. Ik snap die mensen echt totaal niet. Ze lijken mij totaal de intelligentie te ontberen om de bespottelijkheid van hun eigen standpunten in te zien.
Er is geen ‘kwaliteitscontrole’ bij een uitgever, anders dan een controle op spelling en grammatica. Daar vind ik wel een gepensioneerde leraar voor. Voor de rest hebben al die uitgevers echt de ballen verstand van poezie. Dat meen ik serieus. Ze bestaan uit mensen die het – heel soms – wel goed menen, maar alleen een goed dichter heeft verstand van poezie. Die zijn er maar een paar. En die draaien niet een uitgever. Lulkoek, dus, dat kwaliteitsargument.
Hoe staat het er momenteel voor met de projecten?
Ik ben nu vooral gefocussed op ‘Wat koop ik voor je donkerwilde machten, Willem’. Mij is er alles aan gelegen dat dat een beter boek wordt dan Karavanserai. De echte magie bij het schrijven zit naar mijn mening niet in het creatieproces maar in het revisieproces. Mijn werkwijze is bijna altijd dezelfde: ik maak een gigantische hoop schetsen, meet mijzelf dan 2 adelaarsogen aan, en ga dan pas de echte gedichten smeden.
Dat is wel een raar proces, omdat je ook dingen wilt delen. Ik deel die schetsen vaak met anderen, terwijl het helemaal geen goede gedichten zijn, maar je leert er wel van voor wat voor teksten mensen vallen en welke niet. Ik probeer dat ‘delen’ nu af te leren. Van de 120 schetsen die ik had zijn er misschien 2 die nog enigszins op het origineel lijken. Mijn revisies zijn altijd heel rigoreus. Dat krijg je met adelaarsogen. En die moet je echt hebben om alle pseudo eruit te kunnen werken.
Ik heb er nu al genoeg vertrouwen in dat ik kan zeggen dat het gaat lukken, die bundel wordt een betere bundel dan Karavanserai. Dat was een aardige bundel, maar ik was er minder tevreden over dan de meeste mensen leken. Ik zag er veel teveel onvolkomenheden aan – de ‘Willem’ bundel wordt naar mijn inschatting ruwer, experimenteler, zuiverder op de graat, echter, kortom: beter. En als dat lukt ben ik tevreden. En dan ga ik verder met de andere projecten.

Commentaar