Elke dag gehaktdag
Een tijdje terug gaf ik uit de losse pols wat kritiek op het nieuwe ‘platform voor literaire kritiek’ De Reaktor. De crux van mijn argumentatie was dat de opzet van de Reaktor dusdanig in elkaar stak dat elke vorm van polemiek, onder meer door hun algemene voorwaarden, op voorhand onmogelijk werd gemaakt en dat er daarom van ‘literaire kritiek’ geen sprake kon zijn, aangezien de polemiek juist een van de essentiele en onmisbare elementen binnen de literaire kritiek is.
Ook gaf ik op de Contrabas een reaktie op een klaagzang van ene Matthijs de Ridder, een van de oprichters van de Reaktor. Ik schreef daar de volgende twee stukken:
Het grote manko van de Reaktor is niet dat het ‘geen commercie’ is, of ‘meer ruimte’ heeft – het grote manko is juist dat er op de site nauwelijks een kritisch geluid te bespeuren valt. Het is een site voor boekenliefhebbers, niet voor polemisten en critici. In de subsidiecultuur is kritiek per definitie zeldzaam want een criticus overleeft simpelweg niet: de man die hij vandaag afsabelt beoordeelt morgen of hij wel subsidie zal vangen. Middelmaat en voorzichtigheid troef dus, maar waarom die eeuwige drang dat ‘literaire kritiek’ te blijven noemen. Want dat is het gewoon niet.
Waarop Matthijs de Ridder reageerde met:
Mijn pleidooi ging niet over de reactor alleen. Het ging over een cultuur waarin de marketing het overneemt van eerder culturele idealen. Ik loop niet weg voor dit soort idealisme. Bildung, volksopvoeding, schrijf al die scheldwoorden maar op mijn grafsteen. Het gaat erom dat er een midden geschapen is tussen marketing modellen en populisme. En dat midden is, behalve als er geschreeuwd wordt om Kritiek en Polemiek (mijn stuk was overigens polemisch genoeg, gezien de reacties alhier) zonder meer, ook hier te vinden. Ik snap werkelijk niet waarom er toch zo’n vooringenomenheid jegens de reactor heerst hier. Klaarblijkelijk omdat ‘wij’ van de gesubsidieerde tijdschriften het internet nog maar onlangs ontdekt hebben. Wel, ik geloof dat ik al aan online kritiek deed toen de contrabas nog gewoon een boekenreeks was. Ik heb geen behoefte aan oneigenlijke argumenten, maar wil ze best pareren als het nodig is.
Mijn antwoord was vervolgens:
Het primaire argument wat ik steeds van de Reaktor zelf zie komen is dat er online ‘meer ruimte’ is dan in de krant voor ‘langere kritieken’. Is een kwantitatief argument niet juist per definitie commercieel? Wat kan mij de ‘lengte’ van een kritiek nu bommen, het gaat erom of de kritiek er heerlijk inhakt.
“Ik loop niet weg voor dit soort idealisme. Bildung, volksopvoeding, schrijf al die scheldwoorden maar op mijn grafsteen. Het gaat erom dat er een midden geschapen is tussen marketing modellen en populisme.”
En dat midden is de Reaktor? Ik vind de site vooral erg schools aandoen, dat zie je toch ook al aan de keuzes van wat besproken wordt. Je maakt mij niet wijs dat er een ander argument dan ‘hij won de buddingh prijs’ ten grondslag lag aan het bespreken van ‘Uitzien met D’ als eerste dichtbundel. Alweer: een uiterst commerciele keuze, dus.
“Ik snap werkelijk niet waarom er toch zo’n vooringenomenheid jegens de reactor heerst hier.”
Dat zou alleen in een omgeving waar men volstrekt onbekend is met het fenomeen kritiek ‘vooringenomenheid’ kunnen heten. Hoe dan ook, zoals ik al zei: het is een fijne site voor boekenliefhebbers en academici. Als polemist kom je echter op de volstrekt absurde omgeving van de Contrabas beter aan je trekken. Inderdaad, daar mag u best een enorm mankement in zien.
Uiteraard bleef – in de beste schoolmeestertraditie – enig antwoord op mijn reactie uit. Matthijs de Ridder was niet thuis. Wat schetst mijn verbazing nu dat hij 2 weken later ineens opduikt en op hoogst politieke wijze mijn woorden binnen een andere discussie op volstrekt oneigenlijke wijze herkauwt:
Op de contrabas wordt kritiek in ieder geval door twee vaste klanten gedefinieerd als ‘het onderhavige object hoe dan ook slecht vinden’. Lekker ergens op inhakken, heet het dan. Lekker stout zijn. Waarom? Dat staat er zelden bij. En de ‘feiten’ die doorgaans worden aangedragen, zijn al te vaak niet waar. Mijn stuk in de Leeswolf blijft maar als redactiestandpunt gelden. De tekst van Bultinck is nu ineens een programma. Zo kun je alles beweren. Argumenten, mensen, daar gaat het om. Meningen worden pas interessant als ze ze ergens op gebaseerd zijn, bij voorkeur op feiten, logische redeneringen en andere enge processen die in sommige parochies hoger worden geschat dan in andere.
Wie niet inziet waarom dit een krakkemikkige manipulatie van mijn oorspronkelijke argument is – en dat zal wel voor het gros van de meelezende schoolmeesters gelden – moet ik even onder de neus wrijven dat ik hierboven helemaal niet gesteld heb dat ‘het onderhavige object hoe dan ook slecht gevonden moet worden’.
Immers, kritiek kan ook op volstrekt positieve wijze inhakken op een subject. Dat zal wellicht een zeldzaam fenomeen zijn, want veruit het meeste wat wordt geschreven is gewoon bar slecht. Ik heb zelf recensies geschreven en kreeg toen een goed idee wat voor rommel tegenwoordig voor literatuur door moet gaan – slappe kost waar de honden geen brood van lusten, die dan met ‘lange kritieken’ en ‘uitstekende argumenten’ moet worden gesanctioneerd.
Dat idee dat kritiek en argumentatieleer zeer nauw verbonden zijn is heel typisch voor een bepaalde bedreigde diersoort – een eeuwig bedreigde diersoort – het kwetsbare vogeltje van de literaire theoloog.
Ik gebruik hier de term ‘theoloog’ omdat mijns inziens het idee dat een goede argumenten iets tot een goed kunstwerk kunnen maken een geloofsleer is. Een leer die we mijns inziens vooral aan Beuys te danken hebben, maar dat terzijde. Met literaire kritiek heeft het hoe dan ook niets te maken. Juist deze theorie is het marketingfenomeen bij uitstek. Het ligt toch volstrekt voor de hand dat iemand die uitblinkt in argumentatieleer zelfs een platgetrapte drol van zulke verheven argumenten kan voorzien dat het op een werk van Michelangelo gaat lijken. Wat mij betreft mag dat ook best – ik zie best de functionaliteit van zo’n geloofsleer in, immers, waar hebben we anders die academici voor nodig, die moeten ons weten uitleggen waarom alles wat wij niet goed vinden wel goed is – immers, in een omgeving waarin nauwelijks hoogstaande literatuur word geproduceerd zijn de academici die deze werken uit moeten leggen ook overbodig. Dus ja, ik snap dat wel, argumentatieleer wordt in zo’n omgeving al snel ‘literaire kritiek’.
Ook hoogst komisch natuurlijk: al die schrijvers en dichters die er belang bij hebben dat er een ‘literaire kritiek’ bestaat, want anders kunnen hun geweldige werken niet op waarde geschat worden. Zo belangrijk, dat ze die literaire kritiek maar zelf gaan schrijven. Bedenk eens wat voor waardenvervalsing aan zo’n simpele ingreep ten grondslag ligt: de literaire kritiek die door de productie vervaardigd wordt om zichzelf te bespreken. En ook nog binnen een gesubsidieerde context: dus wie besproken wordt zou volgende keer wel eens over je salaris kunnen oordelen. Het is een genante klucht van hilarische proporties.
Dus nee, Matthijs de Ridder kan de boom in met zijn ‘argumentatie’. Het is geen toeval dat hij zijn gezwets over ‘logica’ met de constatering afsluit dat zijn ‘logica’ in sommige parochies hoger wordt aangeslagen dan in andere. Hij heeft zelf al geraden dat de parochie de plek is waar hij thuishoort.
M.H.Benders, Istanbul, 16-11-2009
Commentaar